Home NL
Blog
Diensten/produkten
Contact N
Columns N
Artikelen
Preken /Overwegingen
preken 2014
preken 2015
preken 2016
preken 2017
preken 2018
Home EN

 

 

 

Overweging oudjaar 2018 
de Heer is nabij
Lezingen: psalm 111, 72, 91 en Jesaja 55, 1-6.

De openingsregels van de lezing uit Jesaja klinken ons waarschijnlijk als ongehoord in de oren. “kom, wie dorst heeft, hier is water; kom, koop koren en eet zonder geld; drink wijn en melk zonder betaling.” Ik denk zomaar dat het voor de oude hoorders van Jesaja net zo ongehoord was. We zijn er aan gewend dat alles een prijs heeft en dat alleen de zon voor niets opgaat. En op de achtergrond hoor ik sommige mensen in de samenleving al mopperen: “dat komt hier maar en krijgen meteen een huis en een uitkering”. Iets wat helemaal niet waar is, maar toch wordt het gedacht.  Was het maar zo dat mensen die zich in hun oprechte nood tot ons keren, zo behandeld werden. 
Deze verzuchting en ook de tekst van Jesaja gaan over gratuïteit. Over hetgeen om niet gegeven en gedaan wordt. Het wordt gepresenteerd als een kenmerk van de messiaanse samenleving. Daarin kan iedere mens leven vinden en haar leven ontplooien. We kunnen natuurlijk zeggen dat dat een ideaal is. Dat het een messiaanse droom is. En dat is ook zo. Tegelijkertijd mogen we ons realiseren dat geen enkele samenleving zonder gratuïteit kan bestaan. De kwaliteit van een samenleving hangt niet in de eerste plaats af van de hoogte van het betalingsverkeer, maar van hetgeen mensen voor elkaar betekenen en over hebben. Dat is voedsel voor de ziel, voor het hart en de geest. De dingen die onbetaalbaar en dus ook niet te koop zijn. Niet doordat de prijs te hoog is, maar doordat zij niet verhandelbaar zijn en alleen geschonken kunnen worden. We kunnen niet zonder.

Er wordt heel veel energie, tijd en geld besteed aan zaken die niet verzadigen, die uiteindelijk geen bevrediging schenken. De carrousel van hoger, meer, verder. Bewegingen rond de zorg voor het milieu, alternatieve systemen voor economisch verkeer, voor vervoer, energie, voedselvoorziening en kledingproductie proberen hier een wending aan te geven en nodigen ons uit hierin te participeren. Zij wekken ons op om na te denken over de onderlinge samenhang en afhankelijkheid in onze wereld. En de verantwoordelijkheid die dat oproept.

 

De psalmen en de Jesajalezing maken ons duidelijk dat de relatie van God met ons bij uitstek gekenmerkt wordt door gratuïteit. In de kersttijd vieren we hoe God zich met ons solidariseert en in ons midden komt. In deze tijd denken we na over de betekenis van de menswording voor onze eigen menswording. Uiteindelijk gaat het om de intieme en diepe verbondenheid van God met ons en de betekenis daarvan voor ons leven, individueel en vooral ook samen. Wanneer we ons bestaan in verbinding brengen met God krijgt onze levensgeschiedenis een aspect van openbaringsgeschiedenis. We mogen ons eigen bestaan beleven als een plaats waar God gevonden kan en wil worden, waar God zichtbaar wordt in de wereld. Zo nabij kan God zijn wanneer we hem zoeken en aanroepen.
Alles wat in de kersttijd met betrekking tot de menswording van God in Jezus geopenbaard wort, werpt zijn licht op ons. Het gaat om ons en onze wereld. De gratuïteit van Gods liefde stelt de norm voor ons in de wereld zijn. Het nodigt ons uit onze energie te investeren in de verwerkelijking van de messiaanse droom en het naderbij brengen van het rijk der hemelen. Om met de woorden van de lofzang te spreken: “grote dingen heeft de heer aan mij gedaan. Heilig is zijn Naam.” En met psalm 72: “Voor kleine mensen is hij bereikbaar. Hij geeft hoop aan rechtelozen. Trouw en waarachtigheid zullen bloeien en er zal vrede in overvloed zijn.”
Deze woorden inspireren en geven richting aan ons handelen, ook weer in het jaar dat voor ons ligt. Mogen we daartoe gezegend zijn. Amen.  

 top

 

Zondag 30 december 2018: Zondag na Kerstmis      

Voortgaande openbaring

Lezingen: Jesaja 61,10- 62,3; Galaten 3,23-4,7; Lucas 2, 33-40.
De hele kersttijd staat in het teken van de openbaarmaking van de menswording. Daarin ontvouwt zich de betekenis van Jezus als de gestalte waarin God zich openbaart onder de mensen in de gestalte van een mens. Nu de viering van het kerstfeest voorbij is kan ik wel zeggen dat dit geen gezellige openbaring is. Hoe gezellig ook, het is geen feest van bomen, eten, jingle bells en BZN-ers die zich als de kerstman uitdossen en allerlei lolligs verrichten. Voor ieder van ons ligt daar nog een laag onder, namelijk die van hoop, licht, vrede en verbondenheid in kleine en grotere kring. Uiteindelijk gaat het om de intieme en diepe verbondenheid van God met ons en de betekenis daarvan voor ons leven. 
De vier zondagen van verwachten gaan over in de veertig dagen van de kersttijd. In die tijd denken we na over de betekenis van de menswording voor onze eigen menswording. De gedenkdagen die wie tot 2 februari vieren vertellen ons hoe de menswording van God in Jezus de Christus ontvangen wordt in de wereld. Dat begint al met de zwangerschap van Maria en zet zich voort in de boodschap aan de herders, aan de drie magiërs, in de doop van Jezus , en aan hen die de Messias verwachten. Het zijn stuk voor stuk openbaringsverhalen. 

Openbaringsverhalen beschrijven de wijze waarop het aanwezig komen van God in de wereld begrepen wordt. Dat begint er al mee dat een bepaalde gebeurtenis of een verschijnsel niet als louter menselijk, respectievelijk natuurlijk wordt beleefd, maar geïnterpreteerd wordt als een uitdrukking van God. Een openbaring kortom. Op de keper beschouwd heeft elke gebeurtenis die we in het licht van God zetten, even los gezien van de authenticiteitsvraag, een openbaringskarakter. Dat wij onze werkelijkheid in verbinding brengen met God, is de kern van de openbaringsgeschiedenis.
Zo kan ik de doop als een menselijk ritueel zien waarbij het water als een herinnering aan de bron van leven wordt gezien, een vieren van het nieuwe leven. Maar we kunnen ook dit leven als van God geven zien en het water als de belofte van eeuwig leven. De doop als een teken dat God ons leven opneemt in zijn leven en dat we deel krijgen aan het Lichaam van Christus. Dan is het ritueel een openbaring van de scheppingskracht, de liefde en de trouw van God.  
Zo kan ik ook mijn leven in verbinding met God zien als een openbaringsgeschiedenis. Ons eigen bestaan als de plaats waar God gevonden kan worden en waarin hij zich ook wil uitdrukken en zichtbaar worden in de wereld. De menswording is het bewijs, zou je kunnen zeggen, van die openbaringsmogelijkheid.

De geloofsverhalen die we lezen hebben eigenlijk altijd de bedoeling om, het een duidelijker dan het ander, iets van God zichtbaar te maken. 
In het evangelie lezen we een deel van het verhaal over de opdracht van Jezus in de tempel op de veertigste dag van zijn geboorte. Het verhaalt het ontroerende moment waarop Simeon en Hanna, die in jarenlange toewijding in de tempel de verlossing van Israël verwachtten, in Jezus het beloofde heil herkennen. De namen van deze profetische mensen hebben met die verwachting van doen. De naam van Sjimeon heeft met luisteren en verhoring te maken en die van Hannah met de openbaring van Gods genade. Het is niet zo moeilijk om in hun namen die van Samuel, wat betekent ‘God heeft verhoord’, en de naam van de moeder van Samuel, eveneens Hannah, te herkennen. Samuel wordt geboren op een tijdstip dat er in Israël nood is aan een openbaring. Het gaat in alle gevallen om het concreet zichtbaar worden van Gods genade, als vervulling van zijn belofte om trouw te zijn aan het werk van zijn handen. Daar doelt Simeon op wanneer hij jubelt in zijn lofzang: ‘mijn ogen hebben nu het heil aanschouwd dat u hebt bereid voor alle volken’. 

Jezus verschijnt hier in de tempel aan vrome rechtvaardige profetische mensen. Mensen die gevoelig zijn voor de tekenen van God en daarover verkondigen. Hij heeft zich bij de geboorte geopenbaard aan de herders, het volk Israël, en hij zal op de achtste dag de besnijdenis, teken van het verbond, ontvangen. Bij de naamgeving daar wordt duidelijk gemaakt dat in hem Gods reddende aanwezigheid zichtbaar wordt. Op de zondag na nieuwjaar zien we hem op twaalfjarige leeftijd als bar mitzwe, zoon van de wet, weer in de tempel, dat hij nu aanduidt als het huis van zijn vader. Met Driekoningen openbaart hij zich aan de volken. Het heil dat uit Israël voortkomt strekt zich uit naar alle volken. Het wordt zichtbaar in een leven in toewijding aan Gods woord en aan zijn verbond.
De tempel is voor de gelovige de plaats waarin Gods aanwezigheid rust en waar deze aanwezigheid ervaren wordt. Het herkennen van die aanwezigheid van de Eeuwige in Jezus en het getuigenis daarvan bestempelen hem tot de nieuwe tempel. Hij is vindplaats van de aanwezigheid van de Ene, heilige plaats en plek van openbaring. Gods genade rust op hem. Dat bestempelt hem tot de Christus.

De Galatenbrief benadrukt de universaliteit van Gods liefde door te zeggen dat allen die geloven in Christus ook met hem zijn bekleed. In hem valt het onderscheid tussen Jood en heiden, slaaf en vrije, man en vrouw weg. Daarmee wordt niet bedoeld dat allen hetzelfde worden, maar dat het onderscheid in dat licht onbelangrijk wordt. Het doet er niet langer toe wat je van geboorte bent. Voor God is iedere mens evenwaardig. Als degene die je bent heb je in Christus toegang tot het heil. Kan ieder door de genade van het geloof het kindschap van God ontvangen. 

In de eerste lezing hoorden we een stuk uit het derde deel van Jesaja. Het heeft betrekking op de situatie in Jeruzalem na de Babylonische ballingschap. De ballingen waren vol verwachting teruggekeerd naar Jeruzalem en Juda, maar de re-integratie verliep helemaal niet zo gemakkelijk. De verwachte wending in de situatie en de voorspoed bleven uit. Er klinkt een roep om religieus herstel. En tegelijk wordt het vertrouwen uitgesproken in de trouw van God die zijn volk in ere zal herstellen. Vervulling van de torah en herstel van het volk gaan hand in hand. Maar dat de Heer zijn belofte zal inlossen, staat buiten kijf en daarom horen we in de tekst een prachtig lied van lof, vertrouwen en dank. God zelf hult zijn volk in een kleed van bevrijding en van gerechtigheid. 
In het lied dat het huwelijksverbond tussen God en zijn volk bezingt, wordt vol vertrouwen een voorschot genomen op wat nog niet is gerealiseerd, maar zeker zal geschieden. Het herstel van de tempel en het verbond met God. Deze laatste krijgen een menselijke gestalte in de Messias. Na de verwoesting van de tweede tempel wordt eigenlijk het hart van de Wet en de vervulling ervan de nieuwe tempel. De innerlijke en uiterlijke vervulling van de geboden wordt de nieuwe tempel. De gedachte erachter is dat de Messias de plaats van de tempel inneemt. In de Messiaanse tijd is de tempel overbodig, omdat ieders hart een tempel is geworden. In de openbaring bij de opdracht in de tempel wordt Jezus erkend en aangewezen als de Messias in wie de tijd is vervuld.

De Messias is dan exemplarisch voor het hele volk Gods de uitdrukking en gestalte van Gods universele liefde.
Juist door de universaliteit van Gods liefde die vervuld wordt in zijn Gezalfde, kan gezegd worden dat wie in Christus gelooft zoon en dochter van God is, dat er geen onderscheid meer is. Dat betekent niet dat iedereen christen moet worden in de zin die we kennen. Het betekent dat wie gelooft in de uitdrukking van Gods universele liefde, als heilsbelofte en als levensvervulling voor iedere mens, zich bekleedt met de Messias. Een moeilijk gegeven misschien, maar wel iets om op te kauwen en te herkauwen.

Alles wat in de kersttijd met betrekking tot de menswording van God in Jezus geopenbaard wordt, werpt zijn licht op ons. Het gaat om ons en onze wereld. Dat is ook de kracht van het vreugdelied bij Jesaja en de troost die die spreekt uit de woorden van het gebed van Simeon. 
Laten we in de komende tijd bij de vieringen die vraag naar de openbarende betekenis van de menswording maar eens een aantal keer stellen. En die verbinden aan onze taak in de wereld: Wat kunnen we bijdragen aan de redding van onze aarde; wat voor de vertroosting van onze medemensen; welke inspanning willen we plegen voor de groei van het Godsrijk. Mogen ook wij, als het kind van Nazareth, toenemen in kracht tot het goede en vervuld raken van goddelijke wijsheid. Amen.

top


Overweging 25 december 2018  

de macht om kinderen van God te worden  

Lezingen: Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 1, 1-12; Johannes 1, 1-14.
Het begin van de lezing uit Jesaja plaatst ons aan het eind van de Babylonische ballingschap. De stammen van Juda keren terug naar het grotendeels verwoeste Jeruzalem. Ezra zal een begin maken met het herstel en de bouw van de tweede tempel. Het herstel van Gods woonplaats onder zijn volk. Er is vreugde over de terugkeer van de Heer in Jeruzalem. Want met de verbannen stammen was ook de Heer in ballingschap. De ballingen keren weliswaar terug naar een verwoeste plek, maar het is wel hun thuis en met goede moed beginnen zij aan de wederopbouw.
Het moet vergelijkbaar zijn met de vreugde van Syriërs die kunnen terugkeren naar hun vernielde huizen en steden waar zij hun bestaan weer kunnen opbouwen. Met de vreugde van mensen die uit vluchtelingenkampen terug kunnen gaan naar hun door rebellen verwoeste dorpen. En de vreugde van mensen die na de vulkaanuitbarsting en vloedgolf op Zuid Sumatra en West Java weerkeren naar hun gehavende woonplaats waar hun doden liggen en hun wortels.


Deze vreugde is begrijpelijkerwijs geen onverdeelde vreugde, niet maar louter blijdschap. Het is een door intens verdriet getekende vreugde. “De ziel betaalt een hoge prijs aan het leven”, zoals een overlevende zei.  Op andere, minder dramatische wijze, is het ook zo met ons die in de wereld leven. Onze vreugde kan nooit naïef paradijselijk zijn, alsof er geen wereld bestaat, geen geschiedenis, geen bestaan dat door verdriet getekend is en door dalen en langs toppen gaat. Bij Jesaja staat het wel heel dramatisch en beeldend: het zijn de puinhopen van Jeruzalem die jubelen. Onze vreugde stoelt op levenservaring, op verdriet en op hoop en vertrouwen, op herwonnen of aan het bestaan bevochten geloof. Dat is precies de context waarin we de boodschap van de engel in de nacht ontvangen: “heden is u een redder geboren”.
De opwekkende kracht van dit goede nieuws bestaat er juist in dat het gericht is tot en ontvangen wordt door mensen die uitzien naar bevrijding en licht.


Dit licht is niet zomaar de dageraad, die het einde van nachtelijke bedreigingen aankondigt. Het is de dageraad van de nieuwe dag in de volste betekenis van het woord. Binnen een messiaans verlangen verstaan, en met de woorden van de Hebreeënbrief gezegd, is het de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen. Dit deel van de Hebreeënbrief positioneert de Zoon vooral in zijn hiërarchieke plaats boven de engelen als Heer van de wereld. Dit licht van God is een nieuwe schepping. En Hij heeft het vermogen om de wereld te herscheppen naar recht en gerechtigheid.
Elders in de brief zal Hij ook priester in eeuwigheid als Melchisedek genoemd worden, en ook de hogepriester die het offer van verzoening voor het volk ontvangt, en zal Hij afgebeeld worden als de nieuwe tempel. In Hem is dat wat de Heilige van zijn volk scheidt, de voorhang, voorgoed gescheurd. In Hem komen God en zijn volk samen.


De evangelist Johannes gaat verder in op het motief van de nieuwe schepping in bewoordingen die sterk aan het begin van genesis doen denken. Daarin verwijst hij naar Christus als het Woord en het Licht van God. We weten dat in genesis God de schepping sprekend tot stand brengt en dat het eerste woord van de schepping “licht” is. Jezus zelf is dat eerste woord van de schepping, Hij is het licht dat in de wereld is gekomen. 

Licht heeft verschillende aspecten en we gebruiken het in verschillende betekenissen. Zo ook Johannes. Licht maakt dingen zichtbaar en het bevordert groei en vruchtbaarheid. 
In de duisternis is geen zichtbaar onderscheid te maken, er is geen afstand tot de dingen. Pas wanneer het licht is kunnen we de afzonderlijke dingen fysiek met de ogen onderscheiden. Hoe we die dingen zien hangt af van de kleur en de intensiteit van het licht. Om de afzonderlijke dingen van ons leven te kunnen onderscheiden hebben we ook een licht nodig. Het is het licht van ons bewustzijn dat altijd gekleurd is.  Dat licht kan vele vormen aannemen: een idee, een gevoel, een theorie, een ideologie. Bijvoorbeeld het idee dat mensen een bedreiging vormen, een gevoel van mededogen, de evolutietheorie, de ideologie van de vrije markt, het besef van verantwoordelijkheid voor de aarde als ons leefmilieu.

Als christengelovige mensen proberen we naar onszelf en de wereld te kijken met het Licht van Christus. Ook dat is geen neutraal licht. Het toont de werkelijkheid, onze wereld en ons handelen in relatie tot Gods liefde, tot gerechtigheid, vrede, compassie: tot het rijk van God. In het licht van Christus, dat onze bestemming laat zien, zien we waar we staan ten opzichte van de bedoeling van ons leven. Het onthult waar het fout zit in ons leven en in onze wereld. Je zou dat licht onbarmhartig kunnen noemen, want licht liegt niet. Maar hoe zouden we anders moeten weten waar we aan toe zijn en waar we staan? 
Gelukkig heeft dit licht ook nog een ander vermogen. Wanneer duisternis het licht aanneemt, wordt het licht. Zo is het ook met ons leven. Wanneer we Christus aannemen in ons bestaan, verlicht Hij ons van binnen en worden we licht. We groeien in innerlijke vrede, barmhartigheid en gerechtigheid. Met Hem en in Hem worden we een nieuwe schepping. Licht mag dan enigszins onbarmhartig lijken, het is niet eenkennig. Het schijnt op en voor alle mensen. Het is aan de mensen zelf of zij het licht aannemen of niet, of zij duister willen blijven of licht willen worden.


Het licht heeft dus een universele werking en is een universeel aanbod. Het verlicht iedere mens, hetzij onthullend hetzij daarnaast ook verlichtend. Gods licht wil iedere mens verlichten, maar of dat ook daadwerkelijk gebeurt hangt van de keuze van de mens zelf af. Zoals Johannes zegt: “maar allen, die hem aangenomen hebben, heeft hij de macht gegeven kinderen van God te worden”.
Het woord dat Johannes hier voor macht gebruikt geeft aan dat het een geschonken, vrij te gebruiken macht is. Het betreft geen soevereine macht, en al helemaal geen almacht. Die komen God toe. Ook Jezus zelf heeft een gedelegeerde macht in de verhalen van het evangelie. Een volmacht, maar geen vrijmacht. Als mensen hebben we, volgens Johannes, het vrije vermogen kinderen van God te worden door te kiezen voor het licht dat ons geopenbaard wordt. Het is een niet te vervreemden verantwoordelijkheid en keuze die ons geschonken wordt.
We mogen dat aanbod ruimhartig en inclusief opvatten. Er zijn geen mensen op voorhand van uitgesloten. Het is een waarlijk katholiek aanbod, voor alle mensen van alle tijden en waar zij ook zijn. Dat maakt de menswording in Christus eerder exemplarisch dan exclusief. Hij is het unieke voorbeeld van een door genade en keuze haalbare werkelijkheid. De menswording geeft universele hoop voor alle mensen van alle tijden en voor de wereld waarin wij leven.


Kinderen van God worden vraagt van ons een wedergeboorte naar de geest. Dat is een geweldige mogelijkheid die ons geschonken wordt. Het betekent namelijk dat we niet bepaald zijn door de concrete omstandigheden van onze menselijke geboorte. Zelfs niet ten volle bepaald door onze levensgeschiedenis. Naast alles wat zijn en wat ons bepaalt zijn we ook altijd mogelijkheid. Er is altijd meer te zeggen over ons. Allen die hem aannemen hebben het vermogen kinderen van God te worden. Het is nooit te laat en we kunnen ons altijd bekeren tot het goede. Het aannemen van Gods liefde is daarvoor voldoende. Die liefde is altijd voorhanden voor wie ze verlangt, onaangetast door ons handelen, altijd nieuw. Als het licht zelf dat zich elke morgen weer aandient. We hoeven onze deur maar op een kier te zetten en dan komt het licht van zijn liefde daar al binnen om ons leven te verlichten en ons de weg te wijzen. Daardoor verandert ook ons zicht op de wereld en op onze medemens. Geloof, hoop, verlangen zijn zulke openingen naar licht. Het brengt licht in ons huis, ook al zullen sommige hoekjes dan nog in duisternis zijn. Maar het verdrijft onze somberheid over de wereld, onze twijfel, ons negatief zelfbeeld en alles wat ons verhindert om kinderen van het licht te zijn.

Wanneer we de geboorte van Christus vieren, vieren we de mogelijkheid om ook zelf opnieuw geboren te worden en opnieuw aan het licht te komen. Opdat zijn licht blijft schijnen in de wereld en de duisternis verlichten. Opdat we zelf een licht worden voor onze wereld en onze medemensen. Tot heil en zegen van de wereldsamenleving en van allen die in onze lichtkring komen. Amen.
 top


overweging 23 december 2018  

inkijkje; slow looking. 
Voor detail uit schilderij ‘meditatie bij een open graf’, allegorie op de vergankelijkheid 1499;

door de meester van Spes Nostra (onze hoop) uit Zuid-Holland: “Maria ontmoet Elisabeth” 

zie https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-2312


Lezingen: Micha 5, 1-3; Hebreeën 10, 5-10; Lucas 1, 39-45.

In het verhaal van het evangelie worden we geconfronteerd met een onwaarschijnlijkheid die werkelijkheid wordt. Een jonge vrouw die draagster is van een belofte die verder gaat dan haar stoutste verwachtingen en een oudere vrouw in haar nadagen die buiten verwachting zwanger is. En deze twee ontmoeten elkaar, de ene net in verwachting en de ander zes maanden onderweg, zoals dat heet. Vol van verwachting staan zij open naar het wonder in elkaar. Door hun profetische blik herkennen zij wat in hen wordt geopenbaard. En het is de gelovige heilsverwachting die hen in staat stelt het onwaarschijnlijke als werkelijk te herkennen. (Op het detail boven zien we Maria in een deemoedig gebaar en Elisabeth die de hand op de buik van Maria legt. Links boven berijdt Jezus een stokpaardje onder de hoede van een engel en Maria lijkt de vogels te voeren. Rechts onder zien je nog net een stukje van Augustinus met het hart in de hand. Het is een detail van een schilderij waar vier augustijner kanunniken twee aan twee ter weerszijde van een geopend graf knielen met links Hieronymus en rechts Augustinus afgebeeld.) 

De gelovige heilsverwachting die de blik richt,  acht ik een belangrijk gegeven. Het is voor ieder van ons van belang om te weten dat wat we zien niet wordt bepaald door onze ogen, maar door onze blik, onze manier van kijken. Ook wat we onwaarschijnlijk en werkelijk noemen wordt mede door die blik bepaald. 
Dat kwam nog eens naar voren in de Trouw van afgelopen zaterdag. De bijlage Letter & Geest had als thema Onbevangenheid. Kun je onbevangen luisteren en kijken? En wat hoor en zie je dan, voeg ik er maar aan toe, want iemand die niet gewend is om naar schilderijen te kijken, ziet niet zoveel. Hooguit de eerste spontane reactie. Leren kijken maakt je blik ontegenzeggelijk minder onbevangen, maar je ziet wel meer. Zo is het ook met het lezen van de Bijbel. 

In de genoemde bijlage van Trouw stond een interview met prof. Iris Sommer, een neurowetenschapper/psychiater, over de manier waarop we waarnemen. Zij maakt duidelijk dat onze blik nooit vrij is. Wat we waarnemen is een onmiddellijke interpretatie door wat in ons aanwezig is aan associaties, herinneringen, ervaringen, kennis, stemming enzovoorts. Het is van belang dat we ons daarvan bewust zijn. En dan nog eens opnieuw kijken (als variant op slow cooking, slow looking). Zij grijpt terug op een van de toonaangevende Amerikaanse psychologen Daniel Kahneman. Kahneman ontving in 2012 de nobelprijs voor economie nota bene voor zijn onderzoek (uit 2002) naar de manier waarop mensen beslissingen nemen. Het ware, in het licht van de crisis van 2009, te wensen dat de beursjongens dat onderzoek gelezen hadden. Kahneman onderscheidt het snelle en het langzame denken. Het snelle is prima geschikt om automatische processen als autorijden aan te sturen en om intuïtief te reageren bij gevaar. Maar niet om ons sociale en economische gedrag te bepalen. Het eerste is acuut, het andere meer op termijn gericht. Daarvoor moeten we langzaam denken. De onmiddellijkheid van onze associaties doorbreken om nog eens opnieuw te kijken en ook andere aspecten te laten meewegen. De eerste manier van denken is verbonden met wat we onmiddellijk waarschijnlijk en waar vinden. De tweede wijze van beschouwen opent de blik naar wat niet voor de hand ligt, naar een ethisch standpunt, naar een onderliggende waarheid en werkelijkheid. Natuurlijk is de tweede manier van kijken ook bevangen, maar anders dan de eerste meer adequaat voor het  langere-termijn- perspectief. Groen bewustzijn doet vooral een appel op de tweede manier van kijken naar onze wereld en naar onze manier van handelen. Leven in het bewustzijn van de nabijheid van het Rijk van God richt onze blik op de aanwezigheidsmogelijkheid ervan, die voor de snelle blik verborgen blijft.

Aan het onmiddellijke oordeel hebben we niets wanneer het gaat om het behoud van de schepping en de opbouw van de wereldvrede. Daarvoor moeten we leren op een andere manier te kijken naar elkaar en naar de wereld. We mogen leren kijken door de bril van het rijk Gods, levend in het bewustzijn van de nabijheid ervan ( en misschien ook van de urgentie ervan).
Maria en Elisabeth worden geportretteerd als levend in de verwachting van de  komst van de Messias. Elisabeth als de onwaarschijnlijke moeder van de Voorloper en Wegbereider en Maria als de niet minder onwaarschijnlijke moeder van de Messias. Hun blik wordt door die verwachting gericht waardoor zij in elkaar het onwaarschijnlijke van God als werkelijkheid kunnen zien. Zij zien niet de buitenkant van de maagdelijke en de bovenjarige vrouw. Zij schouwen in het binnenste en zien de werking van God in hun bestaan.


Onder de oppervlakte van het menselijke gaat het werken van God schuil. Wat plaatsvindt heeft helemaal met de mens te maken en helemaal met God. God openbaart zich op menselijke wijze binnen de uniciteit van iedere mens. Langs onvermoede en verrassende wegen die zich ondubbelzinnig onttrekken aan het louter menselijk maakbare. Door een radicale beschikbaarheid van mensen die verlangen naar toekomst kan de menselijke geschiedenis worden tot openbarings- en heilsgeschiedenis.


Dit zijn prachtige beelden die ons in onze dagen kunnen inspireren om anders naar elkaar te kijken. Om zo op het spoor te komen van het leven dat we in ons dragen. Laten we niet blijven hangen bij de makkelijke oordelen verbonden met maatschappelijke status, opleiding, rijkdom, etnische achtergrond, seksuele en genderidentiteit. Laten we proberen te zien hoe God werkzaam is in onze naaste. Hoe we oprecht en zonder vooroordeel op elkaar ingaan.
Iedere ontmoeting houdt immers een appel in. Een vraag naar wie ik ben als mens en medemens; op welke wijze ik vruchtbaar ben voor de wereld en hoe ik het leven van mensen bevorder. In de ontmoeting worden we uitgenodigd, onontkoombaar, om een antwoord te zijn op elkaars vraag naar bestaanserkenning, op het verlangen van iedere mens naar menselijk en menswaardig leven. Een antwoord op de oproep: “Zie mij aan, noem mij, erken mij, ik ben je broeder, je zuster.” In dit verlangen van onze naaste naar bestaanserkenning kijkt God zelf ons aan.


Dat kunnen we alleen maar horen en zien, wanneer we elkaar niet als vreemden benoemen, of als een sta-in-de-weg zien voor de vervulling van onze privéwensen, of als een opstapje daarvoor. Dat maakt de ontmoeting met de naaste tot een unieke mogelijkheid om Gods wil te laten geschieden, om heil in de wereld te brengen. 
Deze mogelijkheid, dit geheim van leven, draagt ieder van ons in zich en het maakt ons leven vruchtbaar voor het rijk der hemelen. Door dit verlossend en levensvervullend geheim te beamen, zoals Maria, als eerste van de christengelovigen, deed, kan Christus ook in ons vlees en bloed worden en kunnen wij mens worden in Hem.
Zo sluiten wij aan bij de woorden die over Jezus in Hebreeën worden gezegd: “Hier ben ik, om uw wil te doen”. Mogen we ons deelgenoot weten in de, geparafraseerde,  zegenspreuk van Elisabeth: “zalig die geloven, want hetgeen hun vanwege de Heer is toegezegd, zal in vervulling gaan”. Amen.

 top

16 december 2018  

Wees blij

Lezingen: Sefanja 3, 14-20; Filippenzen 4, 4-9; Lucas 3, 7-18.
Traditiegetrouw heet deze zondag ‘Zondag verheugt u’. Het is net als de vierde zondag van de veertigdagentijd, ‘Zondag Verblijdt u’, een roze zondag: een streep licht door paars van de inkeer en de bezinning op respectievelijk Geboorte en Wedergeboorte. Bij beide is sprake van nieuw leven. Maar…in belofte en als perspectief. We bevinden ons nog op het moment van stil zijn en wachten, want alles is nog lang niet nieuw, er is geen nieuwe hemel en geen nieuwe aarde. We zijn nog verweesd en zonder lied.
Het vraagt moed om in zo’n tijd te spreken van nieuw leven. Toch is dat precies wat we als gelovige en profetische mensen moeten doen. Juist omdat onze wereld verre van perfect is, moeten we van een profetisch vuur bezield zijn.  

Mensen als Sefanja, Johannes en Paulus zijn profetische mensen die hun stem laten klinken in de gemeenschappen waartoe zij zich gezonden weten en waarvoor zij verantwoordelijkheid willen nemen. Zij laten zich daarbij niet snel uit het veld slaan. Het lot van hun volk en geloofsgenoten laat hen niet onverschillig. Zij bekommeren zich om de kwaliteit van de samenleving en zijn gericht op het heil van hun medemensen. En meer in het bijzonder op het heil dat gelegen is in de relatie met God. Zij gaan daarbij verschillend te werk.   

Het boekje onder de titel Sefanja is maar kort, slechts drie hoofdstukken. Wij lazen het slot van het boek, de laatste zeven verzen. Sefanja leefde in de periode voor de Babylonische ballingschap. Onder koning Josia heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan geloofshervormingen om het Godsvolk terug bij de wet te brengen en bij de ene God van Abraham, Izaak en Jakob. Dat dit niet gelukt is bewijst het boekje. Het grootste deel van zijn tekst is dreigend van toon, waarschuwend en staat vol beelden van vernietiging. Maar voor de degenen die zich met hart en ziel bekeren en zich weer tot God wenden, neemt het lot een keer. Hij zal hen bijeenbrengen en herstellen. In het licht van die belofte roept Sefanja op tot vreugde en jubel. Zelfs in de gebrokenheid is er aanleiding tot vreugde. Ook al gaat 80% van de tekst over onheil, toch is het niet gericht op onheil, maar op herstel. Op grond van de waarachtigheid van Gods belofte.


Ook bij Johannes de Doper is de ene vinger geheven tot vermaning en wijst de andere naar Jezus die tot een oordeel komt. Niettemin eindigt de lezing met de zin dat Johannes het volk een blijde boodschap verkondigt. Bovendien geeft hij hele praktische aanwijzingen hoe men zich kan voorbereiden op de komst van Hem die na hem komt.

De vermaning is een veelvoorkomende stijlfiguur en pedagogische noodgreep. “Als jij niet beter je best doet, dan”…en vul maar in: Kom je er niet, haal je je diploma niet, maak je nooit promotie enzovoorts. Soms krijgt dit zelfs de vorm van een veroordelende waarschuwing: “er komt niks van jou terecht, je bent dom, lui” en ga zo maar door. De vermaning zou misschien nog kunnen prikkelen, maar de veroordeling is stigmatiserend en slaat dood. En de dreiging met onheil kan ook verlammend werken. Het is au fond een negatieve benadering van de mens. Zelf heb ik het niet zo begrepen op dit soort onheilsprofeten. Binnen ons mensbeeld en opvoedingsklimaat zijn we meer gebaat bij een positieve benadering. Hoe goed en nodig het ook is dat we ons bewust zijn van de consequenties van onze daden, we hebben meer aan aanwijzingen dan aan dreigementen.


In Lukas horen we Johannes aan het woord. Wat hij zegt is ook voor ons van toepassing. We kunnen wel onze ogen sluiten voor de toekomst en voor de situatie van onze wereld, maar deze niet ontvluchten. We moeten ons er wel mee uiteenzetten en keuzes maken. Geen keuze maken is namelijk ook een keuze die consequenties heeft. We moeten ons niet in slaap laten sussen door de gedachte dat we aan de veilige kant van de werkelijkheid wonen, ook al zijn we kinderen van Abraham. We baseren onze keuzes op ons geloof in Gods toekomst. Dat is in onze wereld niet altijd een vanzelfsprekende keuze. Dat vraagt de inspanning om ons telkens weer daartoe te bekeren en ons te herinneren waar het uiteindelijk om gaat. 
We hoeven niet ons hele leven om te gooien, maakt Johannes duidelijk. We hoeven niet allemaal activist te worden of in een kemelharen pij in de woestijn te gaan wonen.  Als we dokter zijn, blijven we dokter, en als we slager zijn, slager. Wel leert Johannes om de dingen anders te doen. Dat we in ons werk en in ons leven zichtbaar maken waar we in geloven; rechtvaardig zijn en maat houden. Kijken of onze kleren schoon en rechtvaardig worden geproduceerd; het teveel aan kleren delen met wie minder heeft. Wanneer we volgende week boodschappen doen, zouden we tegelijk eens boodschappen kunnen doen voor een gezin onder de armoedegrens. Er is zoveel alledaags Rijk van God. Het zit niet per se in het grootse en meeslepende. Maar het is wel een concept dat onze werkelijkheid situeert en richting geeft. Dat wil zeggen dat het visioen van het Rijk Gods onze werkelijkheid relativeert, onder kritiek stelt en openstelt in haar heilsmogelijkheden.

Johannes laat de mensen zien hoe zij in hun dagelijks leven de mogelijkheid van God in de wereld kunnen realiseren. En dat is een positief profetisme dat een voorbeeld stelt en praktische mogelijkheden biedt.
Zo bemoedigt Paulus in zijn brief de christusgelovige Filippenzen. Filippi is een belangrijke Macedonische stad langs een handelsroute bij een havenstad en in de tijd van Paulus een colonia van Rome. De christengemeente is door hem gesticht, uit Joden en Godvrezenden, en het is duidelijk dat hij warme gevoelens heeft voor deze gemeenschap. De vijf verzen die we lezen uit deze brief vormen een innige bemoediging die begint met de woorden die deze zondag betitelen. “Zusters en broeders, verblijdt u altijd in de Heer; ik zeg nogmaals: verblijdt u!” “De Heer is nabij”. Hij bevestigt hen in hun geloofshouding en stelt hen gerust. Door te leven naar wat zij van hem geleerd hebben leven zij in de vrede van God. Zo simpel is het. Dat is niet de vrede van de wereld waarin we leven. Maar wanneer we zelf, zoals Paulus schrijft, naar best vermogen rechtvaardig, beminnelijk, zuiver op de graat, eerlijk en deugdelijk zijn, leven we innerlijk in vrede en dat maakt dan wel niet de omstandigheden van ons leven uit, maar wel de kwaliteit van ons bestaan. Wij zijn immers geen onderdanen van het Romeinse rijk, maar zoals Paulus eerder in deze brief schrijft, burgers van het Rijk Gods. En daarvan getuigen wij.


We hoeven elkaar niet steeds maar weer te overtuigen van hoe slecht onze wereld is. Het past eerder bij deze tijd van verwachten en behoefte aan verbondenheid dat we de positieve mogelijkheden van ons leven laten zien. 
Niet om de ogen te sluiten voor de tekorten van onze wereld, maar om de ogen open te houden voor de mogelijkheden van onze werkelijkheid. Om te laten zien in onze levenshouding en ons samenleven dat God voelbaar nabij kan zijn aan ons bestaan. De boodschap die we verkondigen is immers een vreugdevolle boodschap die bedoeld is voor alleman. Die is inclusief en sluit niemand op voorhand buiten. Aan dit soort geleefd profetisme heeft onze wereld behoefte. En dat begint hier, en met ons. 


Deze week zag ik een groep enthousiaste en betrokken kinderen van een basisschool ergens in Nederland op straat zingen om geld in te zamelen voor het werk van de kleding- en voedselbank. Zij waren bezig met een actie om hun kleding, speelgoed en ook voedsel in te zamelen voor kinderen in hun omgeving die beneden de armoedegrens moeten leven en geen cadeautjes kunnen krijgen.
Kijk, dat zijn profetische kinderen. Tsja,…als wij niet zijn of worden als deze kinderen… Amen.  
 top

 

9 december 2018
De weg vrij maken   


Lezingen: Baruch 5, 1-9; Filippenzen 1, 3-11; Lucas 3, 1-6; 
In deze periode van het nieuwe kerkelijke jaar zijn we ritueel op weg naar een nieuwe geboorte, en in dat beeld zien we uit naar de vervulling van onze verwachtingen. Die verwachtingen hebben het aspect van uitzien naar heil, naar nieuw leven, naar toekomst in de vervullende betekenis van het woord.
De schrijvers van de teksten bedienen zich van verschillende beelden en zij spreken ieder vanuit een eigen optiek: de terugkeer uit ballingschap, de komst van de Messias en diens wederkomst.


De profeet Baruch vertelt aan Jeruzalem het hoopvolle perspectief van de terugkeer van de verdreven kinderen van Israël uit ballingschap. De tijd van rouw en verdriet is voorbij want de Eeuwige herinnert zich weer aan zijn verbond en de leden van het volk worden herenigd in het land Israël. Alles wat de terugkeer van de verdreven mensen zou verhinderen wordt weggenomen. Israël wordt in de oorspronkelijke glorie in ere hersteld. En dat is de boodschap die de schrijver van Baruch aan zijn geloofsgenoten wil meedelen. Een blijde boodschap van bemoediging en hoop. Vrede en verlossing door gerechtigheid en godsvrucht. 
Toch zit er nog een laag onder deze tekst. Baruch was secretaris en leerling van Jeremia en leefde zo rond zeshonderd voor onze jaartelling, net voor en aan het begin van de Babylonische ballingschap. Hierdoor klinkt de tekst als een bemoediging voor het in Jeruzalem achtergebleven deel van het volk Israël. De hoop dat eens de anderen zouden terugkeren. Maar de tekst die we onder de naam van Baruch kennen, dateert uit de tweede eeuw voor onze jaartelling. Er is sprake van een ander soort ballingschap. Het land is bezet door een vreemde cultuur en verdeeld door burgeroorlog.
De tekst van Baruch is dus verzetsliteratuur. De schrijver publiceert onder het pseudoniem van een vroegere profeet om de dingen te kunnen zeggen die hij zijn geloofsgenoten wil meedelen. Er komt een tijd dat het volk voorgoed bevrijd zal zijn. Alle beletselen die men nu ervaart, zullen weggenomen zijn. Geen censuur, geen onterechte  belastingen, geen beperkingen in de uitoefening van de godsdienst, geen martelingen en geen executies.  Maar in plaats daarvan vrede zonder hindernis, gesymboliseerd door het vlakke, ongehinderd begaanbare,  land. De sluier van verdriet zal worden weggenomen. God zal zijn volk in zijn verbond  herstellen. De oneer en schande zullen plaats maken voor eer en respect. 

Het herstel vindt niet zomaar plaats. Daar is wel iets voor nodig van de kant van het volk zelf. Het volk zelf moet zich ook herstellen in zijn relatie met God en pas dan en daardoor kan Gods heil zichtbaar worden. In de lezing van Baruch wordt dat weergegeven met godsvrucht en gerechtigheid. Eer geven aan God en rechtvaardig handelen jegens de medemens gaan hand in hand. Het een kan ook niet zonder het ander. 
Een ommekeer brengen in de levenssituatie kan alleen maar door een ommekeer in de levenshouding.

Dit nu is ook de boodschap die Johannes de Doper brengt. Hij roept op tot een doopsel van bekering als de manier om de weg te banen voor die nieuwe toekomst, voor de komst van de Messias. Hier wordt Jesaja geciteerd om duidelijk te maken hoe de weg voor de Heer gebaand moet worden.

We zien twee bewegingen: Bij Baruch baant God de weg voor de ballingen van Israël om terug te keren naar Jeruzalem als beeld van de thuiskomst en de vrede met God. Bij Lucas klinkt een oproep van één die roept in de woestijn om de paden voor de Heer recht te maken. 
Zowel de opgang naar Jeruzalem als de komst van Christus vertegenwoordigen de vervulling van een messiaanse verwachting. De inlossing van de belofte voor een toekomst van vrede en onbedreigd leven, de hoop op toekomst überhaupt. Johannes benadrukt de menselijke kant van de vervulling van het verbond wanneer hij oproept tot bekering, hetgeen door Lukas wordt beschreven als de weg van de Heer banen. Bij het citaat van Lucas uit Jesaja gaan de inspanning van mensen en de genade van God hand in hand.

Dat is een belangrijk gegeven. Er is geen sprake van eenzijdigheid, maar van een verbond. En een verbond heeft partners die aangesproken kunnen worden op de naleving ervan.  Natuurlijk is het verbondsaanbod van God helemaal zijn initiatief. Maar als het aanbod vruchtbaar wil zijn,  moet het ontvangen kunnen worden en moet het ook een vervolg krijgen. 
Met andere woorden: we moeten in ons hart de weg banen (en Gods geest helpt ons daarbij), we moeten de innerlijke obstakels weghalen om Hem te kunnen ontvangen die tot ons komen wil. Hij die in ons wil mens worden. En vervolgens mogen we van die menswording getuigenis afleggen.  
De weg banen voor die nieuwe werkelijkheid is een beweging van twee kanten, zou je kunnen zeggen. Het komt op ons toe en we faciliteren het.
Daarbij is het in onze gelovige beleving  lang niet altijd duidelijk waar het initiatief ligt en waar de beweging vandaan komt. We zijn zowel op weg naar Kerst als in verwachting van de Komende.
Als het goed is bewegen we naar elkaar toe. Daarbij is de beweging van verwachten een ander soort bewegen dan de beweging van komen. De beweging van de ouders in de verwachting van hun kindje is een andere dan de beweging van het kindje op weg naar de geboorte. Maar op een gegeven moment komen die wel bij elkaar… en dan gebeurt het wonder.

Zo gaat het ook met de Messias, en met name met het komen van het messiaanse rijk. Je kunt het zien als een ontmoeting van het verlangen van mensen naar heil en heelheid en van het verlangen van God om zich te openbaren in zijn schepping. 

In Christus is de menswording een geloofsfeit. Wij echter zijn hier en nu op weg naar de vervulling ervan. Wij leven in de tijd tussen de komst en de voltooiing van die komst die wordt voorgesteld als de wederkomst van Christus in heerlijkheid.  
En elk jaar weer brengen we ons in herinnering wat die menswording en die komst van Christus voor ons betekenen. We denken erover na en proberen in ons de weg te banen, opdat de Eeuwige ook in ons mens mag worden en wij mensen mogen worden waarin God aan het licht kan komen; getuigen mogen zijn van Gods aanwezigheid in deze wereld die nood heeft aan licht, hoop en toekomst. Dat wij momenten worden van Godsopenbaring. Dat in ons en door ons duidelijk mag worden dat onze God niet een God van doden is, maar dat Hij een God van levenden is en dat Hij leeft in ons.

God heeft het initiatief met ons al genomen. Hij reikt ons zijn liefde aan en zijn verbond en nodigt ons uit in dat verbond te gaan staan en naar die liefde te leven. Daarom bidt Paulus voor zijn gemeente in Filippi dat God het goede werk dat Hij in hen begonnen is, ook mag voltooien tegen de dag van Christus Jezus. Dat is de wederkomst in heerlijkheid, de dag van  het vervulde heil. 
De eerste dag, waarop de gemeente deel heeft gekregen aan het Evangelie en de dag van Christus Jezus  staan met elkaar in verbinding. Wat daar begonnen is zal op die dag worden voltooid. 
Maar Paulus bidt ook dat de gemeente mag onderscheiden waar het op aan komt. Dit onderscheiden betreft niet zozeer de geleerdheid, maar een wijsheid van het hart door het geloof. Het gaat om de kennis die voortkomt uit liefde en wel de liefde voor God en de liefde voor de medemens. Alleen die liefde openbaart de kennis omtrent het rijk van God, ofwel het messiaanse rijk. Het toont niet alleen de kennis, maar laat ook zien hoe we kunnen handelen. Die liefde maakt ons gaaf en heel, of, zoals Paulus zegt rein en onberispelijk. Woorden die van doen hebben met onze oorspronkelijke en bedoelde  heelheid en zuiverheid.
Dat vraagt dat we niet leven naar onszelf toe, maar gericht staan op Hem en op onze naaste. De weg naar de hemel, zou je kunnen zeggen, loopt niet via onszelf, maar langs de medemens. Net zoals onze menswording niet verloopt langs de weg van de individualiteit, maar langs de weg van relatie en verbondenheid. 

Daarom is het belangrijk dat we ons bekeren, ons omkeren. Een weg gaan van gerechtigheid en van Godsaanhankelijkheid. Van mededogen en liefdevolle verbondenheid met al wat leeft. 
Dat we de obstakels tussen God, de medemens en onszelf wegnemen en de weg tussen ons in egaliseren. En ik zou hierbij een bijzondere betekenis aan het woord egaliseren willen toekennen. Niet alleen vlak maken. Maar meer nog gelijk maken. Dat wil zeggen onze weg gelijk maken aan de weg van God, zodat er een heilige weg ontstaat, een weg die leidt naar heil voor allen. Van hier naar een nieuwe morgen, de dag van Jezus Christus.


Te vaak wordt in onze wereld wat krom is recht gepraat en wordt onrecht gelegitimeerd. Daarmee wordt in stand gehouden wat we eigenlijk niet willen. We verlangen betere dingen voor onszelf en voor onze kinderen en kleinkinderen. 
Een wereld van vrede en geluk en heelheid, een wereld die gaaf is en waar mensen onbelemmerd en ongeschonden kunnen leven. 
Daar mogen we voor leven en ons inspannen, ons bekeren en toenemen in kennis, liefde, onderscheidingsvermogen. Aan ons de opdracht om voor de werking van Gods Geest open te staan en ontvankelijk te zijn om het ogenschijnlijk onmogelijke te laten gebeuren, zoals Elisabeth en Maria die in hun openheid voor Gods Woord de levende tekenen van een nieuwe schepping ontvingen. Opdat alle vlees het heil van God zal aanschouwen.  Amen.
 top

 

Overweging 2 december 2018  
De toekomst van de Heer is daar

Lezingen: Zacharia 14, 4-9; 1Tessalonicenzen 3, 9-13; Lucas 21, 25-31.
Er zijn mensen die de decembermaand de gezelligste van het hele jaar vinden en dol zijn op kerst; terwijl ik wel eens denk ‘o ja, we gaan weer op naar kerst’. 
En dit om tweeërlei reden, wat moet er nu weer gezegd worden en wat is er eigenlijk met de viering van de vorige kerst gebeurd? 
Dit klinkt nogal pessimistisch, maar er is ook nog wel iets meer te zeggen over dit gevoel. Het is namelijk ook de uitdrukking van het vertrouwen dat we telkens weer een nieuw begin kunnen maken, nieuwe kansen krijgen, niet door ons verleden en heden bepaald worden. 

Vandaag, deze zondag, staan we immers aan het begin van een nieuw kerkelijk jaar. We vieren de cyclus van belofte, geboorte, leven, dood en opstanding telkens weer opnieuw. Niet omdat we niet weten wat er aan de hand is, maar om ons telkens weer uiteen te zetten met de betekenis van deze fundamentele noties voor ons eigen leven en voor onze plek in de wereld. 
We bereiden ons voor op een geboorte, voor alle betrokkenen altijd een geweldig en overweldigend nieuw begin, zeker wanneer het de eersteling betreft. Het is, om het in modern Nederlands te zeggen, een life changing experience. Een mega event. 
Misschien zouden we op die manier ook wel eens naar de advent en kerstmis kunnen kijken. Als een gebeurtenis van supergroot belang waar je gewoon bij moet zijn en als een ervaring die je leven ingrijpend verandert.

Maar ons begin van het kerkelijk jaar ligt niet bij het begin. We lezen eerst uit het 21e hoofdstuk van Lukas en pas op de volgende zondagen lezen we uit het begin van het Evangelie. In de tekst van vandaag en in die van de profeet, maar ook in de episteltekst horen we eindtijdsmotieven. Het lijkt wel of de laatste zondag van het kerkelijk jaar wordt voortgezet in de eerste. Het einde, dat is: doel en bestemming, is in het begin al aanwezig.
Dat klinkt veel moeilijker dan het is. We zien het in elke nieuwe geboorte. Elke geboorte is een nieuwe wereld. De weerloosheid van een kind maakt ook ons weerloos en ontwapent ons. Het maakt de fundamentele kwetsbaarheid van ons leven zichtbaar. We kunnen alleen maar leven en overleven wanneer we elkaar voeden en behoeden. Het weerloze van een kind voedt onze liefde en die liefde maakt ons behoedzaam en zorgzaam. Meer nog dan in het gelaat van de ander dat de filosoof Levinas als ankerpunt voor zijn ethiek gebruikt, lezen we in de gestalte van een kind een niet te ontkennen categorisch en onontkoombaar appèl om niet te doden, om het leven te beschermen.  Dit elkaar tot leven strekken vormt de essentie en het doel van ons menselijk bestaan. Hierin lijken we het meest op God. Zo zijn begin en doel in elkaar vervat.

Al voor de geboorte van Jezus kijken we naar waartoe Hij op aarde komt. Over Bethlehem heen kijken we naar Jeruzalem. Over zijn geboorte naar zijn sterven. Maar meer nog naar de uiteindelijke betekenis van zijn leven. Zoals in Genesis het uiteindelijke visioen en de betekenis van onze schepping ook al aanwezig zijn. We ontvangen zijn geboorte als het teken dat de volheid van de tijd openbaart. Zijn komen in kwetsbaarheid staat in het teken van zijn wederkomst in heerlijkheid en daarmee van de vervulling van de schepping, de nieuwe wereld.
Voor ons is Hij immers al geboren, heeft Hij geleden en is Hij gestorven en begraven en ook verrezen op de derde dag. We hebben de Geest als eerste vrucht van de verrijzenis ontvangen en verwachten het eeuwige leven; kortom, actueel leven we in de verwachting van zijn wederkomst, in het tijdperk van de kerk, het tijdperk van de Geest. 
Die Geest leert ons hoe wij de komst van de Heer tegemoet mogen leven. De jaarlijkse advent herinnert ons aan de grote Advent waarin we leven, de advent van zijn wederkomst. De toekomst van de Heer is daar, zingen we, waar gerechtigheid en vrede voor zijn voeten uitgaan. Met andere woorden: gerechtigheid en vrede vormen de weg waarlangs de Heer komt. Bekering is de stap die we daartoe zetten. Ook in ons samenzijn rond de tafel van brood en wijn kijken we door Bethlehem naar Jeruzalem, door het broodhuis naar de stad van vrede; in het breken en delen lopen we vooruit op de uiteindelijke en allen vervullende vrede.


Eerder dan naar tekenen aan zon en maan, naar splijtende bergen, zou ik de ogen richten op tekenen van groei en nieuw leven, een beweging die de evangelist Lukas ook maakt. Want na die ontzagwekkende, en misschien zelfs wel angstwekkende tekenen, richt hij de aandacht op het prille begin als teken van hoop en vertrouwen dat daarin de nabijheid van het koninkrijk van God zichtbaar wordt. En dat sluit beter aan bij de mogelijkheden van ons leven. Tegenover ontzagwekkende natuurkrachten hebben we geen verweer, maar in het kleine kunnen ook wij het niet minder ontzagwekkende Godsrijk nabij brengen. En daartoe worden we in deze tijd bijzonder opgeroepen. De geboorte van Christus is immers de geboorte van een nieuwe wereld, het rijk der hemelen. Hij wordt ontvangen in de schoot van mensen. Het rijk wordt geconcipieerd en groeit door de gave van de Geest. Dit is een levensveranderend proces waaraan wij als gelovigen niet anders dan kunnen verlangen deel te nemen. Om de mens te worden die we mogen zijn.


In zijn brief aan de Tessalonicenzen maakt Paulus duidelijk dat hij leeft in de verwachting dat de wederkomst van de Heer aanstaande is. Voor ons ligt dat toch anders, ook al weten we “tijd noch uur”. We gaan er stilzwijgend van uit dat de wereld nog wel een tijdje zo doorsukkelt. Toch zou het niet goed zijn om de urgentie die Paulus ervaart in relatie tot de komst van de Heer, zomaar op te geven. Zelf zou ik de wederkomst van de Heer, of meer bijzonder de nabijheid van het Godsrijk, niet aan een bepaald, toekomstig tijdsmoment, hoe onbekend dan ook, willen vastprikken. Het koninkrijk van God is geen historische werkelijkheid. Dat wil zeggen het is geen project van menselijke ontwikkeling. Geen zaak van projectontwikkelaars, zeg maar.  Het is niet het product van een ontwikkeling in de tijd. Dat klinkt misschien frustrerend, maar dat hoeft het helemaal niet te zijn. Wanneer we vasthouden aan het gegeven van de nabijheid van het Godsrijk, kunnen we zeggen dat het altijd nabij is. In Jezus is het onder ons ons gekomen. Het moment van het Godsrijk is nu. Dat “nu” is voor ons het moment van keuze. 
Het antwoord op de vraag wanneer de Messias komt, is “heden”. Wanneer we luisteren naar zijn stem. Maar ik denk dat we Hem niet buiten ons moeten zoeken, als naar iemand om achterna te lopen. Hij is niet daar of daar, of op tv, of in een vlog. Zijn stem klinkt in ons, en door de gave van de Geest kan ook in ons het Godsrijk zichtbaar worden.


Paulus geeft ons daarin een actievere rol dan de andere teksten. Groeien in liefde tot elkaar en alle mensen, zuiver van hart zijn, groeien in geloof. Verderop in zijn brief vult hij nog aan: “u bent allemaal kinderen van het licht, kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht en duisternis. De borst gepantserd met geloof en liefde, de helm van de hoop op redding op het hoofd. Want God heeft ons bestemd voor het heil door onze Heer Jezus Christus. Blijf daarom elkaar bemoedigen en steunen”.


Wanneer we zo met elkaar proberen te leven, in liefde en vrede met elkaar verbonden,  elkaar steunend en dragend in geloof, het goede stimulerend en geen kwaad met kwaad vergeldend, is dat de weg waarlangs de Heer onze gemeenschap kan binnenkomen. En met Hem het Godsrijk. 
Hieraan kunnen we ook begrijpen dat het niet veraf is en ook binnen ons vermogen ligt. Niet om het te realiseren, maar om het zichtbaar te maken in de contacten en relaties die we hebben. We kunnen het niet pakken en maken. We moeten het telkens weer laten gebeuren. Elk moment is de tijd dat Christus in heerlijkheid in ons midden kan komen. Laten we dan onze tijd zo gebruiken dat we er betere mensen van worden.

Laten we zo de Heer tegemoet leven en zijn weg banen. Paulus besluit zijn brief met: “De God van de vrede, moge Hij u heiligen, geheel en al. Moge u volkomen, naar geest, ziel en lichaam, ongerept bewaard blijven tot de komst van onze Heer Jezus Christus. Die u roept is getrouw: Hij zal zijn woord houden.” Amen.

 top

 

Overweging 25 november 2018
voleinding 


Lezingen: Daniel 12, 1-3; 1Tessalonicensen 5, 1-11; Johannes 5, 24-27.
De maand november staat liturgisch in het teken van de voleinding. De laatste zondag van het kerkelijk jaar viert die voleinding voor de schepping en de wereld. Aan het begin van de maand herdachten we onze menselijke eschatologische bestemming met Allerheiligen en allerzielen. Vandaag gedenken we waar heel onze werkelijkheid uiteindelijk op gericht staat. We kunnen dit op verschillende manieren verstaan: als het eind der tijden, en het doorbreken van de tijdloosheid van de werkelijkheid van God aan de tijd voorbij. We kunnen het ook verstaan als de openbaarwording van het doel waartoe, ten einde waarin onze werkelijkheid bestaat. Een doel dat als een tijdloze bestemming onze werkelijkheid betekent van schepping tot voleinding. Van die bedoeling is de kerk, in alle voorlopigheid en gebrokenheid, het teken. De kerk, verstaan als het door de Geest bijeengebrachte volk Gods onderweg.

Het eind der tijden geeft nogal eens aanleiding tot wilde fantasieën. Deze eindtijdsfantasieën verkondigen het einde van deze wereld waarin alles wat we kennen te gronde gaat voordat de Messias verschijnt in heerlijkheid en er een algemeen oordeel plaatsvindt van levenden en doden zoals we in de geloofsbelijdenis zeggen. Al het oude moet voorbij zijn om plaats te maken voor het nieuwe. 
In dit model is er geen continuïteit tussen deze wereld en de komende wereld, behalve dan in degenen die onder het oordeel ten leven vallen en de rechtvaardigen. 

Deze vaak gewelddadige ondergangsfantasieën bedoelen, denk ik dan maar, geen beschrijving te zijn van hoe het in werkelijkheid zou gaan. De teksten boezemen angst in bij de lezer en proberen een houding van boete en bekering teweeg te brengen. Het ongewisse van de komst van de Messias in heerlijkheid moet de gelovige en hen die verlangen naar het ware leven, ervan doordringen om waakzaam te zijn en een goed leven te leiden.


De meesten van ons zullen niet gemakkelijk met de ondergangsfantasieën in verbinding kunnen komen, behalve misschien via de primitievere lagen van onze geloofs-ontwikkeling. Wel onderschrijven we het belang van bekering voor de toekomst van onze wereld. Op grond daarvan zouden we deze beelden kunnen zien als een fundamentele kritiek op onze werkelijkheid. Daarmee krijgen de ondergangsbeelden een actualiserende betekenis voor ons leven nu. En dan niet op grond van angst, maar op basis van verantwoordelijkheid.


Angst als pedagogisch instrument hebben we in het algemeen, denk ik, achter ons gelaten, zelfs in de tijd van de komst van de Sint en zijn knecht met de vervaarlijke attributen van zak en roede. Ook in onze relatie met God zijn we eerder partners in een verbond gericht op leven dan onmondige kinderen. De betekenis van de tekst emancipeert met ons mee. Doet ze dat niet dan verliest de tekst zijn relevantie.


Van dat standpunt naderen we de tekst opnieuw in vertrouwen en in geloof met betrekking tot de trouw van God, van wie een van de namen is: ein sof, geen einde. We lezen de tekst met het oog op onze toekomst en van de betekenis van die toekomst voor ons leven in deze wereld. Opdat we zo leven dat we nu al teken zijn van de toekomst waaraan we hopen ten volle deel te krijgen.

De wereld behoort tot het domein van onze verantwoordelijkheid. Dat wil niet zeggen dat we alles in de hand hebben en kunnen besturen. Wel kunnen we ons zo gedragen dat we van de aarde geen onleefbare plek, geen dorre grond, geen brakke grond maken. Dat we, voor zover het van ons afhangt, het leven bevorderen en dienen. Dat is immers de betekenis van vruchtbaar zijn.


Wat de toekomst inhoudt weten we niet. Met betrekking tot het einde schrijft Paulus aan de christenen van Thessaloniki: “Het heeft geen zin u te schrijven over tijd en uur…”. We weten het immers niet. Dit niet weten is een voortdurend appel om waakzaam te zijn. Ook hierbij geldt weer dat dit geen angstige oplettendheid is, geen frozen awareness die zich voortdurend van een mogelijke dreiging bewust is. Maar een open alertheid om de tekenen van de tijd te ontvangen. Daarbij kunnen we uit gaan van de geruststellende gedachte dat we niet voor de duisternis bestemd zijn, maar dat we kinderen van het licht zijn en ons daardoor mogen gedragen weten en mogen gedragen. 
Oosterhuis zegt over dit eschaton in zijn Lied aan het licht: “Licht, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt. Alles zal zwichten en verwaaien wat op het licht niet is geijkt”. De tekenen van de tijd naspeuren op het doorbreken van het licht als de dageraad van een nieuwe toekomst, een nieuwe dag, de dag des Heren.


Wie in duisternis wandelen scheppen hun eigen duisternis. Wie in Gods licht leven behoren aan het licht. Zij zijn het die in het boek van het leven staan, dat wil zeggen in het narratief, het richtinggevende verhaal, van leven. Het zijn de rechtvaardigen, de toegewijden in den lande, de eenvoudigen, de liefdevollen, zij die lijden en toch vertrouwen, of bidden met de moed der wanhoop, de verdrukten die verlangen naar bevrijding om te kunnen leven.
Wie geloven in de waarachtigheid van Gods belofte staan op de weg van het leven. Op die weg mogen we elkaar bewaren, bemoedigen en steunen. We leven niet te eigen bate. Wie alleen voor zichzelf leeft, verliest het. Maar wie zich verliest in de Ander, wint het.


Dat betekent per se ook dat we onze werkelijkheid relativeren en haar aanleggen tegen de waarden van het Rijk van God. Dat het dwingende karakter van onze maatschappij in haar ongeduldige onmiddellijkheid doorbreken. 
Professor René Munnik zei hierover in zijn afscheidsrede over het belang voor onze tijd  van een contemplatief leven: Tegenover de ongedurigheid, heel letterlijk het gebrek aan duur, in onze samenleving is het belangrijk om stil te staan bij iets, lang genoeg om het tot spreken te brengen, tot ons te laten spreken waardoor het zijn waarde kan onthullen en krijgen.


Dat vraagt om openheid en waakzaamheid. Het vraagt een bepaalde blik op ons leven. Het geloof in Gods toekomst leert ons op een bijzondere manier ons leven in de aandacht te brengen. Paulus spreekt in dit verband in zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen over  onze uitrusting met het pantser van geloof en liefde die ons weerbaar maken, en over de helm van heilsverwachting. Dat wil zeggen dat we, vertrouwend op de belofte, met liefde en geloof kijken naar onze medemens en idealiter ook naar onszelf. Onder die blik verschijnen we aan elkaar als de mensen die we mogen zijn, we verschijnen in onze heilsmogelijkheid. Ditzelfde geldt ook voor onze wereld. Door liefde en geloof zien we in haar ook de tekenen van vruchtbare mogelijkheden, van heil. We zien de wereld en onze broeders en zusters opdagen in het licht van Gods belofte, van zijn toekomst, bevrijd uit de opgeslotenheid in een heilloos verleden en toekomstloos heden.  

Wanneer Paulus ons oproept elkaar te bemoedigen en te steunen, gaat het hierom. Dat we het heilspotentieel in elkaar ontdekken en bevestigen. En dat we elkaar steunen om die heilsmogelijkheid die we hebben ook in ons samenleven te concretiseren.

We zijn niet bestemd voor duisternis en dood, maar om te leven in het licht. Dat is een perspectief dat bevrijdt van elke angst en ons bevestigt in het vertrouwen in Gods belofte en in onze eigen heilsmogelijkheden. Amen. 

 top

 

Overweging 18 november 2018  
Wie geeft wat hij heeft…

Lezingen: 1Koningen 17, 8-16; Hebreeën 10, 19-25; Marcus 12,38- 13,2.  
Die geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft. Dit gezegde horen we denk ik niet zo vaak meer, maar het is niet moeilijk in verband te brengen met de lezing uit het eerste boek Koningen over de weduwe van Sarefat en het evangelieverhaal over de arme weduwe. Beiden hebben het niet breed, een oudere alleenstaande weduwvrouw en een jonge alleenstaande moeder met een zoontje dat nog niet in staat is haar te onderhouden. Bovendien leeft de jonge vrouw in een gebied dat door droogte wordt geteisterd waardoor in een landbouwomgeving het leven van iedereen onder druk staat. Met name ook het leven van de weduwen en wezen die het recht van nalezing op de akkers hebben na de oogst. Als er niets te oogsten valt, is er ook geen nalezing mogelijk.
Het is merkwaardig dat alleenstaande ouderen en alleenstaande moeders met jonge kinderen nog steeds tot de meest kwetsbaren in de samenleving behoren. Samen met alleenstaande minderjarige asielzoekers, maar die bestonden ten tijde van de Schrift nog niet. Wel weduwen en wezen.

De kwetsbare armen spelen in de Schrift een bijzondere rol. De Heer zelf is tot Vader van weduwe en wees. Zij verdienen een bijzondere bijstand die door een aantal geboden uitdrukkelijk is geregeld. De zorg voor weduwe en wees is een religieuze plicht. Niet zelden worden juist zij die leven uit Gods hand opgevoerd als het type van de toegewijde gelovige. Zij zijn het die hongeren naar gerechtigheid en hun vertrouwen stellen in de Heer en zijn woord van belofte. Zo ook in deze lezingen. 

Elia treedt op in Israël ten tijde dat Achab koning is over het Noordrijk. Achab deed, naar het wordt vermeld “wat God mishaagt, nog erger dan al zijn voorgangers”. Onder deze koning is het land onvruchtbaar en lijdt de bevolking gebrek. Hij is alles wat een koning niet moet zijn. Nadat Elia in opdracht van de Heer Achab gewaarschuwd heeft, trekt hij zich terug aan de beek Kirat en wordt gevoed door raven. Totdat zelfs de beek droogvalt die de Jordaan, beeld van de levensstroom van Israël, van water moet voorzien. God stuurt Elia naar Sarefat waar een weduwe hem zal onderhouden. Ons verhaal begint waar Elia de weduwe ontmoet bij de stadspoort. Anders dan Achab vertrouwt deze jonge vrouw op het woord van de Eeuwige uit de mond van de profeet. Op grond van diens belofte dat in haar nood en die van haar zoontje zal worden voorzien, geeft zij wat ze heeft. Haar laatste voedsel. En zie, meel en olie raken niet op volgens het woord dat de Heer door Elia gesproken had. De jonge vrouw staat symbool voor Israël. Wat bij wijze van voorbeeld aan haar gebeurt is teken voor het hele Godsvolk. Heel Israël heeft immers de opdracht om te leven naar het woord van de Ene in vertrouwen op de belofte dat, wanneer het leeft naar Gods woord, het volk en haar kinderen in vrede en welstand zullen leven. Wie leven doorgeeft, ontvangt leven. Dit vraagt vertrouwen. Angst en achterdocht willen het leven voor zichzelf houden en dat is de dood in de pot.
Een leven in dienst van de Thora wordt door God gezegend. De Heer laat zijn genade regenen op wie Hem vertrouwt.

Een zelfde vertrouwen vinden we bij de weduwe uit het evangelie. We kennen de oudere kinderloze weduwe in de teksten van het tweede testament met name ook als degene die in de tempel diensten verricht. Zij leven van de onderstand die hun vanuit de caritas wordt gegeven. In een stedelijke omgeving heeft de geldelijke ondersteuning de plaats ingenomen van de nalezing op de akker. Ook zij leeft uit Gods hand. Als blijk van dit vertrouwen dat de Heer zal voorzien voor wie op Hem vertrouwen geeft zij wat zij heeft aan leeftocht. Voor wie nog eenzamer zijn, nog minder hebben dan zij. Ook zij wil aan haar religieuze plicht voldoen. 
De tegenstelling in dit verhaal is naar mijn idee niet tussen arm en rijk, ook al lijkt het verhaal dat de suggereren. De rijken in het verhaal geven immers ook, en wel veel. Dat suggereert dat zij meer geven dan zij verplicht zijn te geven. De tegenstelling ligt daarvoor. In de houding van de Schriftgeleerden. Zij weiden voornamelijk zichzelf en niet hun schapen. Zij eten de huizen van de weduwen op. Zo los zijn zij geraakt van de dienst aan de Thora, het woord van leven. Zij leven van de Thora, niet uit de Thora, niet volgens de Thora. Zij willen er zelf beter van worden en blokkeren de levensstroom die de Thora als levend woord is. Daartegenover staat de weduwe die vertrouwt op het woord van Heer en geeft wat zij te geven heeft. Zij staat in de beweging van leven en doorgeven van leven, ook al heeft zij geen kinderen. Zij is begenadigd. Niet omdat zij arm is, maar omdat zij geeft wat zij heeft.

Er is een vraag die me blijft bezighouden op de achtergrond. Door de verhalen in de schrift waarin de arme als voorbeeld wordt gesteld, lijkt het er wel eens op dat de arme beter is dan de rijke. Dat armoede in religieuze zin een veiliger plek is dan rijkdom. Zo lijkt armoede op een of andere manier op een voetstuk geplaatst. Tegelijk wordt welstand ook als een zegen gezien. 
(zie ** hieronder)
Dat roept bij mij de vraag op in hoeverre de religieuze plaatsbepaling van de arme ideologisch verankerd is.  Dat de arme arm is om het religieus gedachtengoed in stand te houden en dat het gedachtengoed van het geloof de armoede in stand houdt. 
De zorg voor de arme als religieuze plicht houdt de arme arm.  Uit de mond van Jezus zelf wordt door de evangelist opgetekend: “De armen zul je altijd bij je hebben”. Dit wordt gezegd wanneer Jezus met kostbare olie wordt gezalfd, die naar de mening van de leerlingen beter te gelde gemaakt had kunnen worden voor de armen. In Matteus 26 staat het.  
Nergens wordt armoede structureel bekeken binnen de maatschappelijke context. Armoede, en daarmee ook  rijkdom, wordt geïdeologiseerd. Waarom wordt het niet in de ontwikkeling van de maatschappij verankerd? Waarom niet geplaatst binnen het kader van het rijk Gods? Ook de evangelisten plaatsen het nog binnen het kader van de geboden. 
Het lijkt in bepaald opzicht op de situatie in India. Er is zeker het gebod tot mededogen en het geven van  aalmoezen, maar een structurele maatschappelijke aanpak? Het denken in kasten en de onafwendbaarheid van de consequenties verbonden aan de plaats waar je geboren bent, schept daar het ideologisch kader waarbinnen sociale ontwikkeling geremd wordt en mensen in hun situatie gevangen blijven. 
De positie van de kwetsbaren is echter een maatschappelijke opdracht, juist op grond van religieuze motieven. De zorg voor elkaar en het omzien naar elkaar vloeien voort uit ons geloof in de messiaanse vervulling van de belofte van een nieuwe wereld. Dat is niet per se deze wereld omgekeerd, waarin de bestaande verhoudingen worden omgedraaid. Maar een wereld waarin de tegenstellingen worden opgeheven in een allen omvattende werkelijkheid die leven voor ieder inhoudt. Dit vanuit het besef dat ieder iets bij te dragen heeft aan die toekomst.    

 

Omwille van het rijk der hemelen, het visioen van een nieuwe wereld, moeten we doen wat we kunnen en geven wat we in huis hebben. Zo vormt dit evangelieverhaal een pendant van het verhaal over de talenten. Ieder heeft gaven gekregen om er naar vermogen mee te werken in dienst van de vervulling van de Belofte, die Jezus Christus zelf is. Tot opbouw van het Lichaam van Christus. Dat is de concrete en zichtbare liefdesgemeenschap van God op aarde.  Dat heeft allemaal niet zoveel te maken met arm of rijk. Het heeft van doen met inzet, geloof en vertrouwen. De sprong wagen naar en met elkaar. 
In de derde strofe van lied 519, tijd van leven, schrijft Oosterhuis: “..wie het houdt bij wat hij heeft, sterven zal hij ongeleefd. Tijd van leven om met velen brood en ademtocht te delen. Wie niet geeft om zelfbehoud, leven vindt hij honderdvoud”. 
Wie geeft wat hij heeft is waard dat hij leeft. Wie geeft wat hij/zij te geven heeft, ontvangt leven in overvloed. Amen. 
** Dit laat onbesproken dat de arme en de rijke wel een zinnebeeldige betekenis kunnen hebben met betrekking tot het verlangen naar het rijk der hemelen. De arme staat dan voor degene die hongert naar vrede en gerechtigheid; de rijke is zichzelf genoeg.

 top

 

Overweging 11 november 2018  
Gezonden tot heil voor de volken 

Lezingen: Jesaja 49, 1-6; Romeinen 15, 16-19a; Lucas 10, 1-9. Psalm 96, 1-7.
Wanneer we spreken over verkondiging denken we al gauw aan een preek of overweging. Aan woordverkondiging dus. En dat is niet zo vreemd, aangezien de klassieke verkondigers van het geloof het evangelie verkondigen. Dat wil zeggen het vastgestelde tekstuele evangelie. Zo ging het ook met de verkondigers van het geloof in onze streken. Die generaties van voornamelijk Angelsaksische monniken die de zee overstaken om in de delta van de Lage landen het evangelie te brengen aan de Friezen en de Saksen. Dit ging natuurlijk niet zonder slag of stoot, aangezien deze missionarissen vreemden waren en ook werden beschouwd als een verlengstuk van de Frankische machthebbers in het zuiden die volop bezig waren het, ook economisch interessante, noordelijke deel in te lijven. 
Het is voor ons moeilijk voor te stellen hoe de verkondiging in dat spaarzaam bewoonde land in zijn werk ging. Hoe maakten zij zich verstaanbaar? Van welke taal bedienden zij zich? Misschien een soort Keltisch met romeinse invloeden. Ook de Boodschap zelf zal vreemd zijn geweest. Hoe vonden de verkondigers aansluiting bij het begrippenkader van de bewoners? Wel is duidelijk dat zij het evangelie verkondigden onder de lokale bevolking, kapellen bouwden, die soms ook weer werden vernield, dat zij eucharistie vierden en doopten en soms ook scholen stichtten. 
In de tijd van Willibrord en dus ook van Lebuinus was het christelijk geloof al behoorlijk gedogmatiseerd. Daarmee wil gezegd zijn dat de geloofsinhoud voor een groot deel reeds geformuleerd en geformaliseerd was. Ook de liturgie was substantieel gegroeid en vastgelegd, zij het nog niet geüniformeerd. Dit geformuleerde geloof zal de inhoud hebben uitgemaakt van de verkondiging; en in de liturgie zal niet de gallicaanse (Frans/Frankische) stroming, maar de Keltisch-Angelsaksische traditie gevolgd zijn.
Daarmee ziet de geloofsverkondiging in de zevende en achtste eeuw in onze contreien er heel anders uit dan hetgeen ons in de Schrift tegemoet komt.

De lezingen gaan niet in de eerste plaats over de woordverkondiging van het algemeen christelijk geloof. Het gaat eerder om getuigenis. Het moet daarbij gezegd worden dat huis en haard verlaten om arm als de arme Jezus het evangelie te gaan verkondigen ook een krachtig getuigenis is. Het belangrijkste is om met je leven te getuigen van waar je in gelooft, dat is de meest geloofwaardige en authentieke verkondiging. Woord en daad, verkondiging en getuigenis, moeten zoveel mogelijk een eenheid vormen. Geloof en praxis moeten overeenstemmen.

De eerlijkheid gebiedt toe te geven dat de praktijk van ons leven weerbarstig is en we niet altijd beantwoorden aan de maat van ons geloof. Daarom is onze verkondiging ook proclamatie van hoop, gebed om bijstand, en uitdrukking van ons verlangen. Geloven is altijd gave en opdracht.

In de profetenlezing uit Jesaja treffen we zo’n proclamatorische tekst aan. In hoofdstuk 49, verzen 3 en 6, lezen we: ‘Jij bent mijn dienaar, Israel, door jou toon ik mijn heerlijkheid. Ik stel je als een licht voor de volken: mijn heil moet reiken tot de einden van de aarde’. Het is een profetische en messiaanse opdracht, opgetekend als Godsspraak in de profetische geschriften onder titel van Jesaja. Een opdracht gegeven aan Israel als volk dat gekozen is om de aanwezigheid van God present te stellen in de wereld. Dat heeft betekenis voor het Israel als gekozen verbondsnatie, maar ook voor de volken. Israel moet een teken zijn en een licht om de volken in verbinding te brengen met het heil dat als universele en inclusieve genade wordt aangeboden. Allen mogen delen in Gods liefde en het Godsvolk moet daarvan het teken zijn. “Volken stromen tegemoet” is de proclamatorische en hoopvolle uitdrukking van de vervulling ervan.

Nu kennen we allen de geschiedenis van het Godsvolk van de Thora en het Godsvolk van Christus, die fundamenteel een eenheid vormen. Het is vallen en opstaan. De opdracht hangt natuurlijk altijd als een soort oordeel boven het hele godsvolk, boven allen die geloven. De belijdenis van een geloof is immers tegelijkertijd de maatstaf waar men als gelovige langs wordt gelegd. Dit oordeel is het normatieve karakter van de belijdenis. Niet zozeer de straf van God.
De messiaans-profetische opdracht van het godsvolk is niet gelegen in de uitverkiezing,  -bot gezegd: wij Joden of wij christenen als onderscheiden groep, want dat schept isolement-, maar het is gelegen in de opdracht om een licht voor de wereld te zijn. En met name om door dit getuigenis de wereld in verbinding te brengen met het universele heilsaanbod. Dat is geen kolonialistisch aanbod, geen gedwongen bekering of kerstening. Het is in de eerste plaats een liefdesaanbod en een open uitnodiging om te participeren in een beweging van heil. Dat is van genezing, verzoening, gerechtigheid en vrede. En wel voor allen.
Het universele heil van het messiaanse rijk is een paradigma voor de ontwikkeling van onze menselijke samenleving en onze wereld. Het is een werkelijkheid waarin allen participeren en zonder welke participatie het niet kan bestaan. Een verdeelde wereld kan nooit messiaanse werkelijkheid zijn. Het Godsvolk heeft daarin een scharnierfunctie. Het Godsvolk versta ik hierin als een kwalitatieve aanduiding, niet zozeer als een nationale eenheid of een kerkelijke denominatie. Het Godsvolk zijn dan diegenen die serieus proberen aan de messiaanse opdracht te voldoen. 

Paulus maakt duidelijk dat de dienst aan die opdracht genade en kracht van de Geest is, geen uitverkiezing, geen eigen verdienste, behalve dan de bereidheid in te gaan op de genade. Zo lezen we in Romeinen 15, 18-19: “Want ik durf over niets anders te spreken dan over wat Christus door mij tot stand heeft gebracht voor de bekering van de volken, door woord en daad, door machtige wondertekenen, in de kracht van de Geest van God”.
De verkondiging van Paulus bestaat uit een zelfgetuigenis van hetgeen Christus in hem tot stand heeft gebracht. We weten dat hij natuurlijk nog wel iets meer heeft gedaan. Hij heeft dat wat in Christus is geopenbaard begrippelijk en inzichtelijk gemaakt in een joods gefundeerd messiaans geloofsgoed voor de verkondiging aan de volken. Maar ook daarvoor geeft hij Christus (Messias) alle credits. In Paulus’ optreden is Christus door de Geest aan het werk in woord en daad. De heilsverkondiging van Paulus wordt bekrachtigd door de wondertekenen die Christus door hem laat geworden. Christus getuigt voor hem en door hem. 
Soms leidt het ontvangen van een opdracht ertoe dat we denken dat wij het zijn die het (moeten) doen en tot stand brengen. Dat is een zware opdracht en in onze ervaring ook een onmogelijke. Wij kunnen niet het rijk van God tot stand brengen. Maar we spelen er wel een rol in. Het gebeurt niet alleen aan ons, maar ook door ons. Ons geloof schept de openheid voor de werking van Gods Geest die in ons tot stand brengt wat we zelf niet kunnen voltooien. Die openheid maakt ons tot teken van Gods aanwezigheid en werkzaamheid in de wereld.

De verkondigingsopdracht in woord en daad, in verkondiging en getuigenis, staat gericht op het zichtbaar aanwezig komen van God onder zijn mensen. De Messias, Christus, is de belichaming van die Aanwezigheid van de Ene. In het Lucasevangelie wijst Jezus naast de Twaalf nog 72, volgens sommige teksten 70, andere leerlingen als zendelingen aan. Het getal zou kunnen verwijzen naar het getal van de volken en naar de namen van God. Dan moeten deze apostelen dus aan alle volken God in zijn volheid bekend maken. 
In Lucas 10,1 en 9 lezen we: “Hij zond hen twee aan twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen waar Hij zelf nog komen zou”. En Hij draagt hun op: “Genees zieken en zeg tegen hen: het koninkrijk van God is u nabij gekomen”.
In de opdracht gaat de genezing van de zieken vooraf aan de verkondiging van de nabijheid van het koninkrijk van God. Je kunt wel zèggen dat het koninkrijk nabij is, maar wanneer dat niet op het niveau van de beleving en de ervaring zichtbaar wordt, is het moeilijk te geloven. Deze apostelen hebben de opdracht om in de eerste plaats de nabijheid van God ervaarbaar te maken voor de mensen aan wie zij dit rijk verkondigen. In hun heilshandelen wordt ook Christus zichtbaar. Daarin komt Hij als het ware aanwezig op die plaatsten waar zijn leerlingen komen.

Verkondiging behoeft woord en daad. Het ene om het heil inzichtelijk en verstaanbaar te maken, het ander om het ervaarbaar te maken. 
Als de leerlingen die in de wereld gezonden zijn om Christus te brengen op de plaatsen waar wij zijn, en Hij wil zijn, mogen we heilzaam teken zijn van Gods betrokkenheid op de wereld en alle mensen. Die betrokkenheid houdt niet op bij het eigen volk, de eigen geloofsgemeenschap of de deur van de kerk. Wel bij de deur van het hart. Wanneer die gesloten blijft zal er weinig heil geschieden. Maar wanneer die open staat, komt er zicht op een andere heilzame werkelijkheid. Amen.
 top

Overweging 28 oktober 2018  
Geborgen in God 

Lezingen: Wijsheid 3, 1-9; 1Korinte 15, 50-58; Johannes 5, 24-27.
Met de viering van het feest van Allerheiligen en Allerzielen zetten we ons op de weg van het uiteindelijke, wat in de kerk het eschaton genoemd wordt. Het eind van het kerkelijk jaar wordt gemarkeerd door de zondag van de voleinding. Niet de zondag van het einde. De voleinding is waar het op uitloopt met de schepping en met ons bestaan, niet waar het op doodloopt. Tegelijk is dat ook waarom het allemaal begonnen is. Met Allerheiligen en Allerzielen vieren we wat de voleinding betekent voor ons individueel bestaan.


We hebben ons allen uiteen te zetten met de sterfelijkheid, de eindigheid, van ons bestaan. Onze eigen dood wanneer ons leven onder dreiging staat, en de dood van dierbaren in onze omgeving, vrienden, vriendinnen, familieleden, en ook de dood van hen die ons het meest nabij staan, ouders, partners, kinderen. De dood heeft vele gezichten. Hij toont zich ook in de slachtoffers van oorlog en terroristische aanvallen. In kinderen die sterven van de honger omdat hun ouders en ooms en tantes een burgeroorlog uitvechten. En ook als natuurrampen en verkeersongevallen. Het laat ons nooit onberoerd en ieder van deze doden spreekt ons anders aan, roept andere vragen op. Soms is de dood een stil antwoord als genade en bevrijding in een leven dat niet langer geleefd kan worden. Als de verlossing uit ziekte en pijn, als de bekroning van een hoge ouderdom.


Maar altijd is de dood is een zwijgen dat alleen door geloof doorbroken wordt. Een duisternis waarin het geloof licht brengt. We hebben maar één antwoord en dat is het geloof in de onvoorwaardelijke en niet aflatende liefde en trouw van God. Zonder dit antwoord staat ons leven in het teken van sterfelijkheid en eindigheid, en mogelijk zinloosheid, en is dood daarvan de bevestiging. Door ons geloof is de dood geen punt achter een kortstondig bestaan, maar minstens een vraagteken. Als uitdrukking van de openheid naar de mogelijkheid van het initiatief van God, het initiatief van de belofte. Door deze belofte staat ons leven onder het aspect van de eeuwigheid en de dood in het aspect van het leven. Ons geloof geeft echter geen klip en klare antwoorden op onze vragen naar de betekenis en de zin, naar recht en onrecht. Ons vragen naar het waarom. Geloof houdt wel die vraag levend en daarmee het zoeken. Het houdt de plek voor God open. We krijgen misschien geen antwoorden, maar wel woorden die richting geven en troost bieden.

Woorden waarvan Gerrit Achterberg dichtte: “ik kan alleen woorden ontmoeten, u niet meer; maar daarmee houdt het groeten aan, zozeer, dat ik wel moet geloven dat gij luistert, zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor.”

In dat luisteren in de stilte rijgen woorden zich aaneen tot een verhaal, een verhaal dat ons leven in een perspectief zet dat onze sterfelijkheid overstijgt en opneemt in een beweging van God uit naar ons toe. Het maakt ons deel van het verhaal van God met ons en van de verhalen van geloofsgetuigen die ons voorgingen.
En zo lezen we ook vandaag uit het grote verhaal, verbonden met die wolk van getuigen die ons zijn voorgegaan. Om inzicht te krijgen in de betekenis van ons leven en daardoor getroost en gesterkt te worden.

We weten uit eigen ervaring dat zachtmoedige mensen die rechtvaardig in alles proberen te leven niet altijd de meest succesvolle mensen zijn. Vaker moeten zij wijken voor hen die erop uit zijn om te heersen, die net even eerder bij het buffet van het leven komen en er de beste hapjes van nemen. Het is in onze ogen niet rechtvaardig dat wie netjes en een beetje bescheiden probeert leven, vaak het onderspit delft. Eigenlijk leggen zij in hun heiligheid de onrechtvaardigheid van onze samenleving bloot. De tekst van het boek Wijsheid probeert zich met die ogenschijnlijke onrechtvaardigheid uiteen te zetten. Het stelt dezelfde vragen als wij: “hoe kan het dat de rechtvaardige in armoe sterft en dat de onrechtvaardige zich van geen kwaad bewust is?” Wijsheid duidt op een diepere structuur van rechtvaardigheid door te zeggen dat de zielen van de rechtvaardigen in Gods hand zijn. Zij verkeren, anders dan de onrechtvaardigen, in een vrede die hun hele bestaan omvat, een vrede die de onrechtvaardige niet kan vinden. 
Wanneer er over de zielen van de rechtvaardigen gesproken wordt, worden we eigenlijk een beetje op het verkeerde been gezet. Wij verstaan onder ziel dat immateriële van ons dat mogelijk onsterfelijk is en dat van God is. Hier wordt veeleer bedoeld dat wat iemand maakt tot wie die is, de persoon. Maar ook wel staat het begrip voor leven. We lezen dus: ‘Het leven en de persoon, de identiteit, van de rechtvaardige zijn in Gods hand’. Het is die hand die de rechtvaardige behoedt en draagt. De rechtvaardige is rechtvaardig juist doordat hij niet wordt aangetast in zijn persoon door het onrecht dat hem omringt en dat hem overkomt. Hij blijft wie die is, een tzaddik, een rechtvaardige. 

Naar de Joodse overtuiging zijn het ook de rechtvaardigen die een plaats hebben in het uiteindelijke oordeel over de wereld. Sommigen geloven dat de rechtvaardige in zijn gebed een directe toegang heeft tot de Eeuwige. De rechtvaardige, kortom, is een heilige. Niet doordat hij is heiligverklaard, maar doordat hij leeft in een voortdurende intieme omgang met God. Hij verkeert met God. Hij beantwoordt aan het gebod dat aan het hele godsvolk is gegeven: ‘Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig’. Ditzelfde woord horen we terug bij Paulus in de benoeming van de eerste christenen als de heiligen. 
Een heilige, rechtvaardige levenswandel is het zichtbare teken dat je leeft in het verbond. Dat leven is geborgen in God. Zo’n leven staat hier al gericht op het bedoelde en uiteindelijke Leven. Zo’n leven heeft toekomst, ook al wordt het getekend door verdriet en lijden.  


Om precies de actualiteit van die toekomst van leven gaat het ook in de Korintebrief en de tekst van het Johannesevangelie. 
Paulus benadrukt dat dit sterfelijke bekleed wordt met onsterfelijkheid. Hij situeert dit in Gods toekomst, maar legt ook de nadruk op de eenheid van dit leven hier en het komende leven. Hij zegt het tot de gelovigen in Korinthe, dat zij zullen opstaan tot onvergankelijkheid. Op welke wijze weten we niet, maar we zullen delen in de overwinning van Jezus Christus. Juist dit niet weten is het domein bij uitstek van het geloof. Met betrekking tot het lot van hen die ontslapen zijn, kunnen we redelijkerwijze niets zinnigs zeggen. Op grond van de rationaliteit zeggen we: “het is over en uit; dit wat we zien en meemaken is alles wat er is en er is geen hemel of hel”. Maar de gelovige zegt: “zij zijn geborgen in Gods hand”.


Nog sterker staat het in de Johannestekst. Jezus zegt daar dat wie naar zijn woord hoort en gelooft in de God die hem gezonden heeft, nu al van de dood naar het leven is overgegaan. Met andere woorden het leven van wie in hem gelooft en leeft naar zijn woord staat al in het teken van de onvergankelijkheid. Wanneer we hier en nu al leven in de nabijheid van de Eeuwige en ons bestaan richten naar zijn woord, verliest de dood zijn disruptieve betekenis en absolute karakter. We kunnen ons leven plaatsen in de concrete  aanwezigheid van Gods nabijheid.


Dat betekent niet dat we onze dierbaren niet zouden missen, geen verdriet zouden hebben en niet bewogen worden door de onrechtvaardige dood van slachtoffers. Ook levend in de nabijheid van Gods liefde zijn we ons bewust van de gebrokenheid van onze wereld en van ons leven. En kan onze vreugde nooit volkomen zijn. Maar in ons verdriet om de pijn van het leven is er het licht van de belofte en de ervaring van Gods trouw.

Misschien wordt dit samengaan van hoop en pijn wel verwoord in de tekst van Oosterhuis: “Dan nog, dan nog, klamp ik mij, klamp ik mij vast aan jou, of je wilt of niet. Op ongenade of genade, ik zal red mij, red mij roepen, of zoiets als heb mij lief.”
Het is een vrije bewerking, gebaseerd op de korte psalm 13 die begint met een verzuchting, “hoe lang nog zult u mij vergeten”, maar in vers 6 eindigt met: “Ik vertrouw op uw liefde: mijn hart zal juichen omdat u redding brengt, ik zal zingen voor de Heer, hij heeft mij geholpen.” Amen. 

 top 

 

Overweging 21 oktober 2018  
donderse kerels  
Lezingen: Jesaja 29, 18-24; Hebreeën 4, 12-16; Marcus 10, 35-45.

Het zijn wat je noemt donderse rakkers die Johannes en Jakobus. Al bij de selectie van de 12 apostelen uit al degenen op wie Jezus zijn keuze had laten vallen, zoals het in hoofdstuk 3 van het Marcusevangelie staat, noemt hij deze zonen van Zebedeus ‘donderzonen’.  Of dit te maken heeft met hun temperament of hun ambitie is niet duidelijk. Misschien beide. De 12 die Jezus kiest uit zijn vele volgelingen vormen een bont en gemêleerd gezelschap. Hij kiest ze blijkbaar niet op grond van perfectie. Er zitten wankelmoedige mensen tussen en overmoedige, maar ook bescheiden mensen en ook activisten en strebers, en zelfs een regelrechte verrader. Zo verscheiden als de oorspronkelijke stammen van Israel zelf. Zo verschillend als wij zelf zijn. 
Het is belangrijk en geruststellend voor ons om te beseffen dat de apostelen geen heilige boontjes waren. Maar mensen met talenten en beperkingen. Daar bouwt Jezus zijn vriendenkring mee op en door hen verkondigt Hij zijn leer. Zij moeten getuigen van de nabijheid van het koninkrijk. Niet omdat zij betere mensen zijn dan wij, maar juist omdat zij zijn als wij. Het koninkrijk is immers voor mensen zoals wij.

Al in hoofdstuk 9, wanneer Jezus en zijn leerlingen op weg zijn naar Kafarnaum, maken de leerlingen ruzie met elkaar over de vraag wie van hen de grootste is. Ook daar zegt Jezus tot de 12: “Wie de eerste wil zijn, moet de laatste van allen zijn en de dienaar van allen”. In de lezing van vandaag vragen Johannes en Jacobus om ter rechter- en linkerzijde van Jezus’ heerlijkheid te mogen zitten. Zij willen belangrijker zijn dan de andere leerlingen en dat bevestigd zien door een positie in de directe nabijheid van Jezus’ heerlijkheid in de hemel.

Ook hier maakt Jezus duidelijk dat het zo niet werkt. Hij is niet degene die de plaatskaartjes voor de hemel uitreikt. Bovendien is de hemel geen afspiegeling van het wereldtoneel. 
Parallel aan het antwoord in hoofdstuk 9 zegt Hij: “Wie onder jullie groot wil zijn, moet dienaar van jullie zijn en wie onder jullie de eerste wil zijn, moet slaaf van allen zijn. Want ook de mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen”.

Als beeld past het bij de literaire vorm waarin over de messiaanse toekomst wordt gesproken. Ook Jesaja bedient zich ervan met betrekking tot de redding van Jeruzalem en de terugkeer uit ballingschap, het herstel van Israel. Blinden zullen zien bevrijd van duisternis, doven zullen het woord van de schrift horen, de armen vinden weer hun vreugde in de Heer en misdeelden zullen juichen om de heilige van Israel. Het herstel van Israel in de belofte is het herstel van het verbond van God met zijn volk. 
Bij Jezus komen deze beelden en termen terug. Hij is de gestalte van het herstelde Israel, maar dan wel in zijn uiteindelijke betekenis met betrekking tot de volken. In Jezus als messias ontvangt het verbond zijn universaliteit zoals die ook in de lofzang van Simeon wordt aangegeven wanneer hij Jezus in de armen neemt en over hem spreekt als: een licht voor de volken, de glorie van Israel.  En ook in het profetisch visioen bij Jesaja 25 waarin de Heer op zijn berg een maaltijd aanricht voor alle volken. Beeld van universele vrede en overvloed. In die beelden wordt de uiteindelijke opzet van Gods verbond uitgesproken. Van die werkelijkheid is Jezus de gezagvolle getuige.
Jezus staat, zowel in deze wereld als in de komende wereld een andere wereldorde voor die in spanning staat met de wereldorde die we zo goed kennen. En waar we deel van uitmaken door haar te bevestigen. 


Onze werkelijkheid kent rangen en standen die ideologisch worden gelegitimeerd en in stand gehouden. Relaties die bepaald worden door macht en kapitaal. We hebben allemaal de neiging om een bepaalde positie af te zetten tegen of te vergelijken met andere posities. Zelfs in de kerk doen we dat. Daardoor krijgt de plaats in een organisatiestructuur ineens een kwalitatief onderscheidende betekenis. Alsof de ene mens meer is dan de andere. En dat is niet zo. Jezus maakt dat in het verhaal duidelijk door de machtsstructuur in de wereld aan te halen als iets wat onder zijn leerlingen niet zou moeten plaatsvinden. “Maar zo is het onder jullie niet.”

Hij benadrukt het dienende karakter van leiderschap. In dit geval maakt Marcus ook gebruik van de stijlfiguur van de omdraaiing. Ommekeer is natuurlijk een mooi beeld voor de verbinding tussen de wereld en het koninkrijk der hemelen, tussen onze wereld en de messiaanse wereld.  In die beoogde wereld is dienst aan elkaar het paradigma dat in de plaats van macht komt. We zijn als leerlingen van Jezus niet in de wereld om elkaar eronder te houden, maar om elkaar te bevrijden. 

Nu denk ik dat het goed is om het literaire karakter van de teksten over het rijk Gods als  ‘deze wereld omgekeerd’ goed voor ogen te houden. Immers wanneer de armen rijk worden en de rijken met lege handen heen gaan ontstaat niet een betere wereld. De omkering heeft eerder betrekking op onze eigen bekering dan op een letterlijke omkering van de werkelijkheid. Wij moeten geen macht willen uitoefenen over de ander. We moeten ons niet willen vergelijken met de ander. Ieder van ons heeft talenten en mogelijkheden genoeg om leerling van Jezus te zijn in de bonte stoet van leerlingen. En ieder van ons is in staat om te getuigen van het komende rijk. Ieder op onze eigen manier. Geheel in overeenstemming met de verscheidenheid die Jezus tot zijn apostelkring heeft gekozen als afspiegeling van het hele godsvolk.  

Voor die messiaanse samenleving gebruikte Schillebeeckx de term ‘dwangvrije samenleving’. Een samenleving, van welke aard dan ook, waarbinnen mensen niet in hun integriteit en zelfbepaling worden aangetast. Waarin mensen elkaar niet in de fundamentele waarde van de eigen persoon aantasten. Dat heeft niets te maken met een gemakzuchtig ‘elkaar vrij laten’. Het is heel wat meer. Het is een relatie waarin ieder verantwoordelijkheid neemt voor de principiële onaantastbaarheid en heelheid van de ander. Bovendien een samenleving waarin mensen elkaar helpen die heelheid na te streven en te bereiken. Deze relaties zijn gebaseerd op fundamentele gelijkwaardigheid en respect. Dit is niet zomaar een omkeer van de dingen. Het is samen streven naar een nieuwe orde, een heilige orde die rekening houdt met de goddelijke oorsprong van iedere mens en met de belofte dat iedere mens uitgenodigd is tot het grote verbond van God met zijn schepselen. 

Iedere mens verlangt zijn bedoeling gestalte te geven en tot menselijke ontplooiing te komen. Het rijk Gods is per se ook een door en door menselijke, humane werkelijkheid.
Jezus is mens geworden als wij. Om ons nabij te zijn. Niet om een onbereikbare goddelijke werkelijkheid te openbaren, maar om als mens de menselijke bestemming voor te leven. Als trouwe getuige van Gods verbond met mensen.  De realiteit die hij in zijn leven openbaart is geen hiërarchische werkelijkheid van rangen en standen. Geen ordening waarin sommigen belangrijker zijn dan anderen. Maar dat is wel het model dat de donderzonen kennelijk hanteren. Jezus probeert hen wijzer te maken.


Verblijven in de nabijheid van Jezus’ heerlijkheid is geen beloning of particuliere uitverkiezing. Het begint hier en nu in dit bestaan door te leven in nauwe verbondenheid met Christus en door in handel en wandel te getuigen van de wereldorde die Hij openbaart en met zijn leven voor ons heeft gewonnen. Het woord dat we belijden laat ons zien waar we staan ten opzichte van de wereld die we verwachten, ten opzichte van God en onze naaste. Onze zwakheden zijn bekend. Maar we worden er niet op vastgenageld. En dat moeten we ook niet bij elkaar doen. We mogen het verlangen naar bevrijding en heelwording in elkaar bevestigen en ondersteunen. We mogen als de armen die we zijn in onze nood aan verlossing van ons denken in asymmetrische verhoudingen van beter en slechter, hoger en lager, vrijmoedig naderen tot de zetel van Gods liefde om zijn barmhartigheid en bijstand te ontvangen. Deze stellen ons in staat om ons leven en onze wereld te heiligen en dichter aan Gods zijde te brengen. Amen. 

top


Overweging 14 oktober 2018  

echte rijkdom, ware wijsheid 

Lezingen: Wijsheid 7, 7-11; Hebreeën 3, 7-14; Marcus 10, 17-31; psalm 119, 121-128.
De evangelielezing snijdt een heel complex en ook voor ons moeilijk onderwerp aan. Zelf word ik er altijd een beetje onrustig van. Waarschijnlijk doordat ik me toch identificeer met de welgestelde kant. Maar ook doordat in de christelijke cultuur aan rijkdom altijd een luchtje lijkt te zitten. De voorkeurskeuze voor de arme die door de kerk, in ieder geval met de mond beleden wordt, is daaraan mede debet. De rijke is verdacht, de arme geliefd. Rijkdom wordt veroordeeld, maar geen mens wil arm zijn. 
Structurele armoede wordt door de kerk, m.i. terecht, aan de kaak gesteld als een plaag van de bestaande economische verhoudingen. In een commentaar op Job in de Talmoed wordt armoede als de zwaarste van alle vormen van lijden genoemd: “Al het lijden in de wereld op de ene weegschaal en de armoede op de andere wegen tegen elkaar op”.  Daarnaast zijn er voldoende teksten te vinden, zowel in de Joodse als in de Christelijke traditie, waarin armoede als een straf gezien wordt en welstand als een blijk van goedgunstigheid. Dit laatste bepaalt ook de grondtoon van het verhaal in de Marcustekst. 
Rabbi Jochanan wordt geprezen aangezien hij zijn bezit verkocht om Thora te kunnen studeren. Anderzijds wordt gezegd dat men niet zoveel aalmoezen moet geven dat men zelf aan de bedelstaf geraakt. Maar er zijn ook verhalen waarin mensen belangeloos en zonder bijbedoelingen alles wat ze hebben aan de armen geven en dan door een speling van de voorzienigheid grotere rijkdom terugontvangen. 
Andere commentaren spreken over rijkdom die geen enkele waarde heeft in relatie tot geloofskennis en wijsheid. Het evangelie zegt elders dat we met al onze rijkdom geen el aan onze levensspanne kunnen toevoegen. En dat is op zich ook al zo’n problematische uitspraak in een wereld waarin de toegang tot gezondheidszorg en de levensverwachting verdeeld zijn langs lijnen van armoede en rijkdom. Maar iedereen weet dat geld alleen niet gelukkig maakt en dat rijkdom ziekte en verdriet niet buiten de deur houdt en dat liefde niet te koop is (Money cannot buy me love, zoals de Beatles zongen in 1964).

Er zitten meer lagen in het evangelieverhaal, want de tekst spéélt onderhuids ook met de begrippen van rijkdom en armoede. Rijkdom in maatschappelijke context is echt iets anders dan rijkdom met betrekking tot het eeuwig leven, het koninkrijk der hemelen. Tegelijkertijd zijn de fysieke werkelijkheid en de immateriële werkelijkheid van het Godsrijk niet van elkaar los te koppelen. Het eeuwige leven heeft een wortel in het dagelijkse leven. Maar net zoals ons denken hebben ook de teksten een zekere dubbelheid met betrekking tot begrip van rijkdom en armoede. Het vraagt wijsheid om te kunnen onderscheiden waar je je kaarten op zet in het leven; welke keuzes je maakt. In religieuze is die wijsheid altijd gekoppeld aan kennis van, beter nog, aan eerbied voor God.

Het evangeliebetoog is eigenlijk een anekdotisch leergesprek. En het begint met de vraag: “Goede meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te beërven?” Meteen al bepaalt Jezus de man bij God, de enige die waarlijk goed genoemd kan worden en de enig die met betrekking tot dit eeuwig leven geadresseerd kan worden. Niet Jezus, de wonderdoener en Schriftgeleerde. Hij leidt de aandacht af van zijn persoon naar God die de bron van het leven is. 

Het gaat dus niet om bezit of armoede, maar om de relatie tot God en wat daaruit voortvloeit, wat dan ook wel met rijkdom en armoede te maken heeft en met de verhoudingen tussen mensen.

In eerste instantie verwijst Jezus naar de geboden van Mozes. Daarvan wordt immers door de Eeuwige gezegd “onderhoud mijn geboden opdat jullie leven”. 
Maar Jezus noemt alleen de geboden die betrekking hebben op de relatie tussen mensen. Zoals we weten bevatten de tien geboden een aantal geboden met betrekking tot de relatie met God en een groter aantal dat de relaties tussen mensen onderling regelt, namelijk: niet doodslaan, de ouders eren, geen echtbreuk plegen, niet stelen, geen vals getuigenis afleggen, geen bedrog plegen, niets begeren dat je niet toebehoort.
De man geeft Jezus ten antwoord dat hij dat alles van zijn jeugd af gedaan heeft. En dan staat er dat Jezus hem aanziet en lief krijgt. De woorden die volgen, moeten we dus uit die liefde verstaan. Ze worden door Jezus niet gezegd om de man in het nauw te brengen of het leven zuur te maken, maar omdat Jezus van de man houdt om de wijze waarop hij serieus en met grote ijver de menselijke geboden vervult. Jezus gunt hem deelachtig te worden aan het eeuwige leven, maar ziet ook zijn gehechtheid. 

In de opsomming van de geboden heeft Jezus bewust de geboden die God betreffen weggelaten. En met name het eerste: “je zult de Heer je God beminnen en aanhangen met heel je hart, heel je verstand en heel je vermogen”. En daarom zegt Hij vervolgens: “Ga heen en verkoop alles wat je bezit en geef het aan de armen en je zult een schat bezitten in de hemel; en kom dan mij volgen”. 

In het talmoedtractaat over Zegeningen zegt rabbi Eliezer over Deuteronomium 6,5 waarin dat gebod om God lief te hebben staat: “Waarom staat er nog met heel je kracht (of vermogen) als er al staat met heel je ziel? En waarom met heel je ziel als er al staat met heel je vermogen? Voor wie zijn leven belangrijker is dan zijn vermogen staat met heel je ziel. Voor wie zijn bezit belangrijker is dan zijn leven staat met heel je vermogen”.
Het gebod is er om aan te duiden dat er niets is aan en in ons bestaan waarmee we God niet kunnen en moeten dienen. En dat we bij het dienen van God niets van dat alles wat we hebben en zijn moeten uitsluiten. Dat is geen pleidooi voor een radicaal martelaarschap. Het is bedoeld om heel je bestaan in al zijn aspecten op God te betrekken en in alles met God voor ogen te leven. Zo’n leven staat immers in dit leven al gericht op de komende wereld, het koninkrijk van God, de zogenoemde schat in de hemel.

De man is teleurgesteld door het antwoord en gaat bedroefd heen. Hij verstaat zijn welvaart als een verdienste voor zijn levenswandel in het doen van de geboden. En zo denkt hij dat er ook een sleutel is voor het eeuwig leven. De maakbaarheid van het heil.  
Het antwoord van Jezus is dus dubbel schokkend: Het is in strijd met de gangbare voorschriften ten aanzien van het geven van aalmoezen en het ontkent de zegening van de welvaart. Niet voor niets gaat de man bedroefd heen en niet alleen omdat zijn bezittingen vele zijn. Maar ook omdat zijn Godsbeeld en zijn wereldbeeld omver gehaald worden. Hij beschouwde zich als rijkelijk gezegend en moet nu het bewijs daarvan vernietigen. Het besef ten opzichte van het rijk der hemelen, het eeuwige leven, met lege handen te staan.

Door de radicale interpretatie van het eerste gebod om God in de eerste plaats en boven alles te beminnen met alles wat je hebt en bent. Alles opgeven om Jezus te volgen. Ook zijn leerlingen zijn ervan ondersteboven. (Ook zij dachten wellicht het Leven reeds in de zak te hebben!) Als het voor iemand die naar de geboden leeft, die zo duidelijk bevoorrecht en begenadigd is, al zo moeilijk is om het rijk van God binnen te gaan, wie kan er dan nog gered worden? Op eigen kracht niemand, maakt Jezus duidelijk.
Uit liefde voor die trouwe volgeling van de geboden probeert Jezus diens aandacht van zijn bezittingen naar de hemel te richten. Om hem te laten zien dat het alles genadegave is. Geen verdienste en ook geen straf.


In het verhaal maakt Jezus duidelijk dat er geen directe relatie is tussen een leven naar de geboden en welvaart. Zoals hij ook al de relatie tussen ziekte en straf heeft doorbroken. Wanneer iemand arm is betekent dat niet dat hij ook een zondaar is. En als iemand rijk is betekent dat niet dat hij geen zondaar is.
Hetgeen we in het leven ontvangen is altijd gave en opgave. Het enige belangrijke met betrekking tot het eeuwige leven is God beminnen met alles wat we zijn en met alles wat we bezitten. Bezittingen en talenten hebben geen waarde op zich, maar alleen in relatie tot het rijk van God. Wanneer we onszelf en wat we bezitten aan materiële en immateriële vermogens inzetten voor het rijk van God, krijgen deze pas hun volle en eigenlijke waarde.

Tevens maakt Jezus duidelijk dat we niets kunnen DOEN om het eeuwige leven te beërven. Het is genadegave van Godswege. We kunnen echter wel doodlopende wegen gaan. En dat heeft alles te maken met de wijze waarop we nu samenleven. We zijn geroepen tot een leven van getuigenis. Wanneer we dicht bij God leven, zal dat blijken uit onze daden. Zo’n leven is gezegend, onafhankelijk van de uiterlijke omstandigheden. 

Daarbij dragen we verantwoordelijkheid voor elkaar, aangezien de komende wereld niet voor een paar uitverkorenen is, maar voor allen. Die lotsverbondenheid maakt ons allen afhankelijk van elkaar. Met betrekking tot het rijk der hemelen zijn we allen armen. Amen.

 top

 

Overweging 7 oktober 2018  
Verbonden voor het leven 

Lezingen: Genesis 2, 18-24; Hebreeën 3, 1-6; Marcus 10, 2-16.
Zoals de zondagen in het kerkboek en het lectionarium een titel hebben meegekregen, zo ben ik gewend om ten behoeve van de publicatie ook mijn overwegingen een titel te geven. De titel van deze zondag is zondag van het huwelijk. Ik wil dat graag verbreden naar ‘verbonden voor het leven’. Daarmee is bedoeld dat de verbondenheid tussen mensen een afspiegeling is van het verbond tussen God en mens, een verbond dat gericht staat op het bevorderen van leven. Het huwelijk als verbond van twee mensen is daarvan een verschijningsvorm, maar niet de enige vorm.
De bijbel bevat verhalen over die verbondenheid van God en mens, God en zijn volk, mensen en volken onderling. En het vertelt wat er gebeurt in die relatie. En dat is nooit een objectief verhaal. Iedereen die partners hoort vertellen over hun relatie weet dat. 
De bijbel is geen objectief verhaal; het is geen geschiedenis; het gaat over betekenissen, bedoelingen, gebeurtenissen en de interpretatie daarvan. Je kunt het dan ook nooit lezen als objectieve geschiedschrijving, voor zover dat überhaupt mogelijk is, of als een feitelijk verslag van de werkelijkheid, wederom voor zover zoiets al kan bestaan.
Geschiedkunde, journalistiek, wetenschap gaan uit van, al of niet bewuste, aannames die invloed hebben op de wijze waarop de werkelijkheid bekeken en verwoord wordt.


In de heilige Schrift treffen we verhalen aan die gaan over de religieuze betekenis van gebeurtenissen, bijvoorbeeld de uittocht uit Egypte, verhalen die gaan over de religieuze betekenis van ons menselijk bestaan, bijvoorbeeld de scheppingsverhalen. Daarbij wordt die werkelijkheid altijd op een door de tijd en culturele omstandigheden bepaalde manier waargenomen en beschreven. Net zoals wij ze altijd op een door onze omstandigheden bepaalde manier lezen.
Mensen van alle tijden hebben er immers behoefte aan om wat zij zien en wat hun overkomt van betekenis te voorzien, te duiden. Ernstige, essentiële vragen als: wat is de mens en wie zijn we als mens? Hoe is de relatie van God tot ons? Hoe zit het met onze menselijke relaties. Hoe met goed en kwaad, recht en onrecht, leven en dood? 
Als gelovige mensen willen we ons leven duiden in relatie tot God. In de Schrift vinden we zulke duidingen in de verhalen over de wijze waarop God zich aan zijn volk openbaart, zich kennen laat, als bevrijder, als scheppend Woord, als levensweg. 
De bijbel vormt een, met de nadruk op een, antwoord op deze serieuze vragen. Niet het antwoord. Op geleide van de Schrift moeten we onze eigen antwoorden vinden. Dat gebeurt in dialoog tussen het concrete leven en hetgeen geschreven staat. Zoals we dat bij herhaling in de gesprekken met Jezus kunnen lezen. Zo ook vandaag in de casus van het Marcusevangelie.

Deze tekst is vaak samen met de genesistekst ideologisch gebruikt, ook door de kerken, om de huwelijksmoraal en de ondergeschikte positie van de vrouw te legitimeren. En dat is onrechtvaardig.
In het evangelie stellen farizeeën Jezus op de proef met een vraag of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verstoten. Het antwoord dat Jezus geeft, heeft te maken met de grotere gerechtigheid die Hij nastreeft. In het Matteusevangelie heeft dat meestal de vorm van “er staat geschreven zus en zo, maar ik zeg u” en vervolgens geeft hij dan een uitbreiding van de betekenis van het voorschrift. Dit onder de samenvattende titel: “zo uw gerechtigheid die van farizeeën en Schriftgeleerden niet overtreft, zult u het koninkrijk der hemelen niet binnengaan”. Het laat Jezus kennen als iemand die het niet gaat om het minimum van de letter, maar om de maat van de geest van de wet. 
De onrechtvaardigheid in dit verhaal zit erin dat de man wel de vrouw, maar de vrouw niet de man kan heenzenden. De rechtvaardigheid zit erin dat de man de vrouw een scheidingsbrief moet meegeven, zodat zij kan hertrouwen. Bij die heenzending hoeft overigens geen sprake te zijn van overspel. De man kan zijn vrouw ook gewoon beu zijn. Jezus wijst erop dat mensen die met elkaar in zee gaan een wederzijdse en gelijkwaardige verantwoordelijkheid hebben. Hij zegt dit in een maatschappij waarin de verhoudingen verre van gelijkwaardig zijn. Een man kan zich daarin veel meer vrijheden permitteren dan een vrouw. Zelfs meer vrijheden dan de wet van Mozes formeel toestaat. Deze onrechtvaardigheid stelt Jezus aan de kaak.

Menselijke relaties van welke aard dan ook weerspiegelen Gods verbond. Of God zichtbaar wordt, hangt af van de wijze waarop mensen met elkaar omgaan. De vanzelfsprekende liefde en trouw van God vragen van de mens een voortdurende toeleg.  Wanneer de liefde uit een relatie is verdwenen zouden mensen elkaar los moeten laten, in plaats van elkaar het leven onmogelijk te maken. Wanneer een relatie op geen enkele manier beantwoordt aan het verbond van God en mens, heeft het niets heiligs meer. Is het geen woonplaats van God. In plaats van een ruimte waar mensen tot leven komen wordt het een plek van verstikking. Dan is het beter om elkaar los te laten.

Maar zo was en is het in beginsel niet bedoeld. We zijn niet bedoeld om los van elkaar te leven, maar in verbondenheid. Als elkaars tegenover, op ooghoogte, gelijkwaardig, in wederzijdse vrijheid en verantwoordelijkheid, erop gericht om het leven in elkaar te bevorderen. Alleen in relatie tot de wereld, tot anderen, tot de ander kan een mens zichzelf ontdekken, benoemen en ontwikkelen. Onze identiteit, wie en wat wij zijn, is niet voorgegeven. Behalve dan natuurlijk onze geschapenheid uit liefde en tot liefde. Gods liefde gaat aan ons er zijn, aan ons bestaan, vooraf. We zijn als mens geschapen om mens te worden en dat kan alleen in relatie tot de medemens. Wie we zijn is het verhaal van onze gebeurtenissen en onze reacties erop. Niet zoals we in de wieg liggen. Dat is slechts het, overigens betekenisvolle, begin.

In het tweede scheppingsverhaal wordt de nog ongedeelde mens tegenover de schepping geplaatst. Door alles een naam te geven bepaalt de mens betekenis en positie. De mens geeft daarmee de schepping een plek ten opzichte van hemzelf. Het is van groot belang hoe we de dingen benoemen, want zoals we ze benoemen zo heten ze. Wanneer we spreken over redeloze dieren, levert dat een totaal andere relatie en gedrag op dan wanneer we spreken over  bezielde wezens. En van nog groter belang is het hoe we elkaar benoemen. Dat kan stigmatiserend zijn of bevrijdend en respectvol. Zoals we mensen benoemen, zo gedragen we ons tegenover hen. Dat schept een grote  verantwoordelijkheid. Naamgeving kan maken en breken.


De mens vindt geen gelijke in de schepping. En God deelt de mens in tweeën door uit een zijde een tweede mens te bouwen. Hierin ziet de mens een gelijke, een tegenover. Nu kan hij pas aanzien en tot aanzien komen, nu pas in relatie komen. Ter onderscheiding noemt de mens zijn tegenover met een vrouwelijke vorm van zijn eigen naam, isja. Adam wordt isj en isja. Twee zijden van eenzelfde menselijke werkelijkheid.
Volgens de rabbijnse traditie vormen zij samen de vier zijden van de verbondstent waarin de aanwezigheid van de Aanwezige woont. Het allereerste huis van God. God wil wonen waar mensen verbonden leven. Wanneer God hieruit verdwijnt staan mensen elkaar naar het leven in plaats van het leven te bevorderen.


Het scheppingsverhaal mag niet ideologisch gebruikt worden voor de onverbrekelijkheid van het huwelijk of de eenzijdige invulling ervan. Dan gebruiken we de verhalen van de bijbel veel te normatief in plaats van als een verhaal dat een antwoord probeert te zijn op de verhoudingen tussen mensen in het licht van God.
We vormen met elkaar het huis van God, zoals we in de Hebreeënbrief lezen; een huis waar we met Christus wonen. Het huis staat voor de intieme ruimte waarin we veilig kunnen gedijen. Het is in het klein wat het koninkrijk van God in het groot is, die uiteindelijke gemeenschap met God van alle mensen, zoals het in het begin bedoeld was en nog steeds is. Maar het uiteindelijke start in het kleine begin. Elkaar een huis bieden waar het leven van mensen tot ontplooiing kan komen. Laten we eens beginnen onze aarde ons huis te noemen en kijken wat dat oplevert voor de wijze waarop we elkaar zien en benoemen. Vader, moeder, broer, zuster? Zo belangrijk zijn namen. Amen. 
  top

 

Overweging 30 september 2018
leven naar de geest 


Lezingen: Numeri 11, 24-29; Jacobus 4, 11-17; Marcus 9, 38-48.
Volgens de naamgeving van de zondagen in het Oud-Katholieke rooster heet deze zondag de zondag van de verdraagzaamheid en zo staat het ook op de liturgiefolder. Een mooie naam en een nog mooiere eigenschap, verdraagzaamheid, maar eigenlijk gaat het daar in de lezingen niet om.

Verdraagzaamheid in sociale zin heeft te maken met de bandbreedte van gedragsvarianten die voor een samenleving aanvaardbaar is. Niet alleen binnen het geheel van de maatschappij, maar ook in de kleinere kring van gezin, dorp, en natuurlijk ook de kerkgemeenschap waarin mensen soms wel onder een vergrootglas gelegd worden. Verdraagzaamheid betreft aldus de variatie die binnen een groep geaccepteerd wordt zonder dat er represailles plaatsvinden. 
Verdraagzaamheid is van toepassing op alle dingen die als afwijkend van de norm worden beschouwd. Wat dan die norm is kan verschillen van samenleving tot samenleving, en binnen een samenleving van subgroep tot subgroep, of sociale klasse. Maar ook de gelegenheid en context zijn van belang; op een feest kan meer dan bij een begrafenis. 

Hoe breed is de bedding van leven en laten leven? Hoe groot kan de persoonlijke vrijheid zijn? Waar ligt de grens van wat voor de maatschappij acceptabel is, wil deze niet desintegreren? Tolerantie stopt wanneer er voor ons essentiële andere waarden in het gedrang komen. Onze identiteit, dat wat ons heilig en lief is, onze leefruimte, ons gevoel van veiligheid en bestaanszekerheid. Verdraagzaamheid is geen absolute waarde. Per definitie niet, zou ik zeggen. Tolerantie heeft immers altijd te maken met wat afwijkt van de norm. En de norm vertegenwoordigt een onderliggende waarde. Wanneer die waarde in het geding is, komt de verdraagzaamheid onder druk te staan. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer de vrijheid van een kleine groep de vrijheid en veiligheid van alleen in gevaar brengt.

Natuurlijk zijn er gradaties. Niet alles is een halszaak.
Laten we eens naar wat voorbeelden kijken om het dichterbij te brengen.  
Aanvaarden we het met een toegeeflijke glimlach, dezelfde als die van de ouders, dat de kleinkinderen luid gillend door het huis rennen en er van boven tot beneden een puinhoop van maken? Mag onze zoon homo zijn? En kan hij het ook zijn in de buurt waar hij woont? Laten we onze dochter zonder bedenkingen huwen met een orthodoxe moslim? Op verschillende plaatsen in het land zijn voorzieningen gemaakt voor de opvang van vluchtelingen. We hebben er allemaal in meerdere of mindere mate mee te maken. En we hebben er ook allemaal onze gedachten en gevoelens bij, die we maar gedeeltelijk uiten. 

In een gesloten samenleving verandert weinig. De bandbreedte is gering. Je kunt niet al te ver uit de pas lopen. Er is een sterk identiteitsbesef. Normen en waarden zijn verankerd en men houdt zich aan de code. Behalve in kleine dorpen, etnische groeperingen en subculturen als kleine kerkgenootschappen, adel, motorbendes en studentencorpora treffen we dat eigenlijk niet meer aan. Door vermenging en migratie verandert de cultuur. Het toelaten van de ander in je leefwereld brengt veranderingen met zich mee. Willen we dat en kunnen we dat? 

De vreemdeling Jezus komt als naaste onze wereld binnen om ons te veranderen in wat we in religieus opzicht kunnen zijn. De ander berooft ons niet van onszelf, maar maakt ons meer onszelf. Groei, geestelijke ontwikkeling, is niet gelegen in voortdurende reproductie van hetzelfde, maar in de openheid naar nieuwe mogelijkheden. Wat we hier vieren is afbeelding van de in God verzoende en voltooide mensheid. De hele mensheid, want in God is geen scheiding. Deze universaliteit is juist de katholiciteit van de kerk. Zij is dat niet in haar concrete gestalte, maar wel in haar betekenis. In haar concrete gestalte loopt zij vooruit op de werkelijkheid waar we naar verlangen.

Hoe belangrijk bovenstaande ook is en hoezeer het ons bezighoudt en onrustig maakt, het is toch niet het onderwerp van de lezingen, ook al lijkt dat zo. De lezingen betreffen een veel sluipender fenomeen, voor een deel aansluitend bij het bovenstaande en ook bij een schadelijk fenomeen in het gedrag tussen mensen: pesten. En het staat ook in direct verband met een heel belangrijk gebod, namelijk: je zult niet doden. Leviticus 19,16 noemt ze in een adem: Je zult onder je volksgenoten niet rondgaan als een lasteraar; je zult je naaste niet naar het leven staan; ik ben de HEER.
Lasteren en iemand naar het leven staan worden op één lijn geplaatst. En direct in verband gebracht met God de schepper en behoeder van het leven. Lasteren, en ook pesten trouwens, is een vorm van doodslag. Het doet afbreuk aan het leven van de ander, tast zijn goede naam aan, en is als zodanig een belediging van God’s heilige Naam.

Is er dan sprake van laster in de lezing uit Numeri en Marcus? Ja en nee. Naar ons idee wordt er niet gelasterd. Er wordt geen onwaarheid over iemand verteld. De Hebreeuwse wetgeving maakt
ook dat onderscheid. Maimonides ( een 12e eeuwse Joodse rechtsgeleerde) wijdt er in zijn herhaling van de wet in het deel over ethiek en moreel gedrag een hoofdstuk aan.  Lasteren kan zijn het vertellen van een onwaarheid over iemand om die te schaden. Maar ook het vertellen van een waarheid over iemand met de bedoeling diegene te schaden valt onder het verbod op de aantasting van iemands goede naam. 

Eldad en Medad profeteren in het kamp. Zij waren niet bij de groep die rond de verbondstent verzameld was om mee de last van Mozes te dragen. Iemand komt het melden bij Mozes met de bedoeling dat zij veroordeeld zouden worden. In de evangelielezing doet zich iets vergelijkbaars voor. Iemand, die niet uit het gevolg van Jezus is, drijft geesten uit in de naam van Jezus. Gelukkig gaan Mozes noch Jezus in op de beschuldigingen. 
Jacobus vermaant in zijn brief de leden van de gemeente om geen kwaad te spreken, omdat het een veroordeling van de wet en dus van God zelf inhoudt. Het woord voor kwaadspreken dat in de brief gebruikt wordt, betekent niet een onwaarheid over iemand vertellen, maar iemand met woorden naar beneden halen. Het lijkt alsof waarheid wordt gesproken, maar de intentie is heel anders. Het is met recht een sluipmoordenaar.


Het betreffen vaak alledaagse uitspraken. “weet je dat Annie gisteren in haar eentje op vakantie is gegaan? Hans is gewoon thuis gebleven”. “Ik zag Janny vanmorgen om half elf al bij foodhal Mout op het terras zitten, lekker ontspannen achter een glaasje wijn”. “Is Erwin er nog niet? De trein zal wel weer te laat zijn.” “Ik zag vorige week net zo’n auto als Henk heeft op de parkeerplaats bij L’Amour staan.” “Zou de minister nog wel greep hebben op het dossier?”  Geen onwaarheid, maar allemaal bedoeld om de ander neer te halen. Het is wat we ook wel karaktermoord noemen. Het is verboden voor wie in de Geest van God en in de geest van de wet wil leven. Het valt allemaal onder het verbod om te doden. Een woord kan iemand maken en breken, tot leven wekken en doden. 
Door alle wijzen wordt de discipline van de tong hoog geprezen. In hoofdstuk 3 vers 2 van de Jacobusbrief staat: “Wie in zijn spreken nooit misdoet is een volmaakt mens, in staat zichzelf geheel in toom te houden”. En verderop zegt hij dat de tond weliswaar een klein orgaan is, maar tot veel in staat. Ook Augustinus waarschuwt ons ervoor in zijn commentaar op psalm 39. Hij zegt zoiets als: “de tong ligt op een vochtige en glibberige plek en kan gemakkelijk uitglijden en ons ten val brengen”.


Mozes zegt tegen Jozua dat hij zou willen dat heel het volk van God zou profeteren. En terecht. Want profeteren is niet het exclusieve recht van enkelen. Het is zelfs de opdracht van het hele godsvolk en het is altijd gave. En wel gave van de Geest. Profeteren is niet zozeer, zoals velen denken, toekomst voorspellen. Het is in de eerste plaats spreken en handelen in de Geest van God. Daarna is het pas waarschuwen voor wat er gebeurt wanneer we niet leven  in de Geest van de Eeuwige. Zulk profetisch spreken en handelen is heiligen van de Naam van God. En we doen dat door zijn schepping en zijn schepselen te heiligen. En dat wil weer zeggen hun levensband met God, hun goddelijke oorsprong, te erkennen en te respecteren. Niemand kan en mag de Geest exclusief claimen. De Schrift zegt niet voor niets dat de Geest van God is als de wind, hij waait waarheen hij wil.

In plaats van onze medemensen te veroordelen en naar beneden te halen, zouden we beter dankbaar zijn voor het goede dat in hen wordt geopenbaard. Ook al zijn ze geen lid van onze club. Tegen onze snelle tong en gemakkelijke oordeel zouden we kunnen bidden dat God ons een goede geest geeft; dat Hij ons leert met liefde en respect naar onze medemensen te kijken. Dezelfde liefde waarmee de Eeuwige onze onvolkomenheden beschouwt. En dat Hij ons leert woorden van leven te spreken die mensen oprichten en verder brengen op de weg van het leven. En dat Hij ons helpt zijn Naam te heiligen in alles wat we zeggen en doen en in elke mens die we ontmoeten. Amen.

 top
 

Overweging 23 september 2018  
elkaar recht doen 

Lezingen: Wijsheid 1, 1-7; Jakobus 3, 16- 4, 6; Marcus 9, 30-37.
De lezingen die we hoorden hebben een hoog pedagogisch karakter. Zij proberen ons te onderwijzen in de wijsheid die van boven is en een leven naar de geest die in ons is gelegd. Balancerend op de rand van moralisme, moeten we toch proberen aan de kant van de ethiek te blijven. Wijsheid ontwikkelt zich in het domein van de verantwoordelijke keuze en niet in de vaak benauwde sfeer van moralisme. 
Mede daarom ga ik uit van een zin uit de tekst van de Jakobusbrief. En wel vers 4,5 dat zegt: ‘met na-ijver verlangt hij de geest die hij in ons deed wonen’. De NBV interpreteert die geest als de levensgeest die is ingeblazen en vertaalt: “Hij die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op”. Zonder nu verder op die keuze in te gaan, ga ik uit van de betekenis van dit niet in de Schrift te traceren citaat. In beide vertalingen zegt het dat God vurig en exclusief verlangt naar hetgeen hij in ons heeft gelegd. En dat is zijn eigen Geest en zijn eigen leven. Het is die fundamentele eigenschap van ons mens-zijn die verlangt aan het licht te komen in de wereld. 

In die zin zijn we ook geen vriendjes van de wereld, maar staan in een bepaalde verantwoordelijke verhouding tot de wereld. Het is van belang te begrijpen wat hier onder de wereld wordt verstaan. Dat is natuurlijk niet het moderne begrip van wereld als filosofisch gegeven. Ook niet het universum. En ook niet de wereld als schepping. Wat hier bedoeld wordt is de ongeordende op zichzelf betrokken wereld van mensen. Dit in tegenstelling tot de geordende op God betrokken samenleving van mensen. Dit laatste sluit aan bij de tekst uit Wijsheid: “De geest van de Heer vervult het aardrijk”. 
Je zou kunnen denken dat wereld en aardrijk hetzelfde zijn, maar dat is toch niet waar. Voor aardrijk gebruikt de Griekse bijbeltekst het woord ‘oikoumenè’. We kennen het als oecumene en er wordt mee aangegeven de door mensen bewoonde wereld, niet de wildernis, maar de bewoonbare wereld. 
En zo komen we stap voor stap verder in ons begrip van de tekst. Het gaat om een tegenstelling tussen een wereld waarin mensen uitsluitend op zichzelf betrokken zijn en een wereld waarin mensen op elkaar betrokken zijn. Schematisch geredeneerd leidt het één tot eenzaamheid, jaloezie, competitie, oorlog, machtsuitoefening en zelfverheffing; het ander tot verbondenheid, compassie, samenwerking, respect en hulpvaardigheid.
Het één een wereld waarin je voortdurend over je schouder moet kijken en het ander een wereld waarin je je vrij en veilig kunt voelen. Aan ons de keuze.

Zo ontvangen we de wereld om er een bewoonbare plaats van te maken. Het besef van wie we als mens zijn geeft aan wat ons te doen staat. Onze ethiek vindt zijn basis niet in externe regels, maar heeft een ontologisch fundament, dat wil zeggen het stoelt op wie we zijn in religieuze zin. Ethiek is enerzijds de uitdrukking van wie we zijn als mens, tegelijk daagt de ethische keuze ons uit om te worden wie we kunnen zijn als op God en mens betrokken persoon in relatie tot de medemens. De naaste opent ons tot wie we als verantwoordelijk medebewoner van die bewoonbare wereld mogen worden. De naaste biedt ons de mogelijkheid ons als medemens waar te maken. 


De wijsheid waarover wordt gesproken in de eerste lezing is niet anders dan de liefde tot gerechtigheid. De wijsheid die van boven is, uit de Jakobusbrief, niet anders dan leven naar de geest van God die in ons werkzaam wil zijn. Wat van boven is verlangt beneden geleefd te worden. En wat van God is verlangt intens in de wereld en onder mensen zichtbaar te worden. Het gaat er juist om om de verwijdering tussen God en mens te verkleinen, de wereld te heiligen, zodat mensen elkaar naderbij komen. De afstand die wij als mensen tot elkaar scheppen is ook de afstand die ons gescheiden houdt van God en van onze bestemming. Zozeer zijn het spreken over God en mens met elkaar verweven dat de identiteit van de een niet los gezien kan worden van de identiteit van de ander. Wat je zegt over de een, heeft consequenties voor de ander. 

Zoals we een verantwoordelijkheid hebben tot de wereld om haar van onbezielde kosmos tot een bewoonbare plek te maken, zo hebben we ook een verantwoordelijkheid jegens elkaar met betrekking tot de menselijkheid van die wereld. 
De wijsheid heeft mensen lief en is wars van list en leugen en gemakkelijke redeneringen die geen recht doen aan wat rechtvaardig is en juist. Zij houdt zich ver van kromme redeneringen (skolioi logismoi) die goed moeten praten wat verkeerd is. 
De wijsheid van omhoog is gericht op vrede en goede verhoudingen met de medemens, zij is vriendelijk voor ieder, voor rede vatbaar, barmhartig. Zij is dat zonder aanzien des persoons, want alleen zo kan zij voor ieder respect hebben en iedere mens in zijn en haar waarde laten en tot recht laten komen.

In een wereld van macht en onderdrukking, van concurrentie op leven en dood, op banen en brood kan dat niet. Daarin is het recht van de een competitief met het recht van de ander. Met andere woorden een model waarin mijn recht gaat ten koste van het recht van de ander. Dat is een soort verdelende rechtvaardigheid waarover ruzies bij echtscheiding ontstaan. 
Dit kan eigenlijk nooit tot een vreedzame samenleving leiden. De gerechtigheid waarvan in de Schrift sprake is, is een andere. Het is een gerechtigheid die stoelt op liefde en barmhartigheid. Een gerechtigheid die in de eerste plaats de ander tot recht wil brengen. 
Dat is de houding van God jegens mensen, en zou, naar het voorbeeld van Jezus, ook de houding van mensen jegens elkaar moeten zijn. 

Dit uitgangspunt biedt diepte aan het wat vlakke verhaal van het Evangelie. 
Kennelijk hebben de leerlingen ten opzichte van elkaar een wat competitieve houding. De een wil dichter bij Jezus staan en een belangrijker leerling zijn dan de ander. Jezus, die zich als dienaar van allen beschouwt, maar die eerder in dit hoofdstuk door de schrijver van het Marcusevangelie op gelijke hoogte met Elia en Mozes is afgebeeld, maakt duidelijk dat in zijn wereld niemand zich boven de ander kan verheffen en geen boven de ander staat. Hij laat zien dat ware grootheid erin bestaat je als leerling dienstbaar te maken aan de groei van die wereld. En dat kan alleen maar wanneer je bereid bent de ander te dienen. Niet als slaaf, maar als vrije mens. Niet om de ander naar de ogen te zien, maar in het hart te kijken en daar het verlangen naar waarlijk leven te ondersteunen. In die wereld is iemand recht doen niet zozeer een zaak van procentje bij of minder, maar iemand bijstaan mens te worden, iemand bewaren voor het leven waarnaar God zo na-ijverig uitziet.
Dat wil niet zeggen dat dat procentje niet belangrijk is voor het gevoel gewaardeerd te worden en voor het rechtvaardigheidsgevoel in de maatschappij. Ook de maatschappij heeft een ethische plicht om ingezetenen te voorzien van hetgeen zij, ook in materiële zin, nodig hebben om hun leven tot ontplooiing te kunnen brengen. En dat ook zonder aanzien des persoons.

Voor een leven naar de geest biedt de Jakobusbrief heel behartenswaardige teksten. De brief verdient het om in zijn geheel gelezen te worden, ook al is deze soms wat ongenuanceerd. Maar soms moet je de dingen wat aanzetten om het duidelijk te maken. Dat doet Jezus ook. Hij laat geen misverstand bestaan over zijn voorkeursoptie voor de kleinen en kwetsbaren, de weerlozen. Dat wordt in de hiernavolgende tekst van hoofdstuk 9 nog sterker aangezet.  

Als ons dat onrustig maakt, is dat goed. Het gebrek aan gerechtigheid en vrede in onze wereld zou ons een doorn in het oog moeten zijn, het lot van de machtelozen en de afstand tot het ideaal van een bewoonbare en menselijke wereld een doorn in het vlees. Het moet ons onrustig maken en wakker houden, zodat we ons niet in slaap laten sussen, want het is nog lang geen sabbat voor de Heer. Gelukkig gebeurt er ook veel goeds. En dat kunnen we ook dagelijks ervaren. Mogen we aansluiten bij die beweging van het goede, de beweging van Gods geest die het aardrijk tot vervulling wil brengen (pleroma) om vol vertrouwen en blijmoedig ons daaraan dienstbaar te maken en te bouwen aan die toekomst die ons aller erfgoed is. Amen.

 top

 

Overweging 9 september 2018  
de dageraad van een nieuwe schepping 

Lezingen: Micha 5, 1-3; Openbaring 21, 1-7; Lucas 1, 39-45.
Bij de geboorte van Maria, moeten we het natuurlijk hebben over Maria. Dat is altijd lastig, want over wie hebben het dan? Bij het spreken over Maria gaat het nooit over Maria zelf. Maar altijd over haar als afgeleide persoon.
Bij de geboorte van een kind staan mensen bij de wieg of kijken naar het kind in de armen van, meestal, de moeder. En dat geldt dan voor biologische kinderen.
Je merkt al hoe moeilijk het is. Omdat er zoveel andere vormen van ouderschap zijn, zijn er veel vormen van kindschap.

Maar goed, wanneer er sprake is van een biologisch ouderschap, wordt het kind in eerste instantie benoemd naar de ouders. “Het heeft jouw ogen, jouw neus”, enz. Ook  ontvangt het de naam van een van de ouders. Bij Maria is dat niet het geval. Zij wordt benoemd naar haar zoon. 
In onze tijd en maatschappij is moederschap zeer gefacetteerd. Iemand is de moeder van Arend Jan, de vriendin van Steven, de vrouw, of ex-vrouw, van Frederik, dispuutgenoot van Willemijn, de wiskundelerares van de bovenbouw enzovoorts. Bij Maria gaat het eigenlijk alleen maar om de relatie tot Jezus als Christus. De interpretatie van Hem bepaalt ook haar. Zij deelt in zijn interpretatiegeschiedenis. Zo kan zij zowel moeder als bruid van Christus zijn. Zij is meer een theologische werkelijkheid dan een biologische. Terwijl het biologische met betrekking tot de incarnatie natuurlijk van groot belang is.

Bij het vieren van dit feest zouden we misschien uit het oog verliezen hoe bijzonder het is dat we het vieren. Ook al zijn er stemmen in onze kerk om het als hoogfeest af te schaffen. 
Van alle heiligen, martelaren en geloofsgetuigen vieren we de bekende of vermeende sterfdag. De dag van hun verheerlijking. Behalve van Christus die natuurlijk hors concours is, vieren we maar van twee andere heilige mensen de geboorte en sterfdag. Van Johannes de Doper, op 24 juni en 29 augustus, en van Maria de moeder van Jezus, op 8 september en 15 augustus. De maagdelijke conceptie wordt op 8 december wel in de Rooms katholieke kerk gevierd, maar niet in de Oudkatholieke die dit 19e eeuwse dogma niet erkent.

Johannes de Doper, de neef en Voorloper van Jezus, de laatste profeet van het Verbond  van de Thora en de eerste van het Verbond in Christus, scharnierfiguur, prediker en degene die aan zijn leerlingen Jezus aanwijst als de grotere, als het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.  Een man van grote reputatie in wie men wel Elia zag, die zou wederkomen als de dageraad van de messiaanse tijd.

En dan Maria, een andere dageraad, de morgenster van een nieuwe dag, een nieuwe schepping zelfs,  de moeder van Jezus de Christus, waarlijk moeder naar het vlees, profetes in de lijn van Hanna de moeder van Samuel, eerste van de gelovigen, beeld van de kerk als lichaam van Christus, de uitverkoren bruid in wie het Woord van de Eeuwige, de Messias, vlees en bloed wordt. 

De verleiding is groot om aan Maria een zuiver symbolische betekenis toe te kennen, maar het is van belang om haar concrete menselijkheid niet uit het oog te verliezen. Zij is in de Schrift een jonge vrouw met een koninklijke en priesterlijke afstamming.  Als mens van vlees en bloed is zij een van ons. Op grond van deze verschillende aspecten van Maria komen vele betekenissen in haar samen, theologische en concrete geïncarneerde betekenissen.

Zo is Maria in de eerste plaats moeder naar het vlees. Jezus is de vrucht van haar schoot. Hoe bovennatuurlijk ook zijn afkomst moge zijn, in Lucas wordt Jezus ook als zoon van Jozef en diens voorouders genoemd. Jezus is een menselijke afstammeling van Maria en Jozef. Wel zijn er, onder invloed van de theologische interpretatie van de afstamming van Jezus,  tussenwoordjes in de tekst van Lucas die deze concrete afstamming  openen naar andere interpretaties. Hij zegt in hoofdstuk drie dat Jezus ‘naar men aanneemt’  de zoon is van Jozef. Mattheüs eindigt de vaderlijn van Jezus met de opmerking: “Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Messias genoemd wordt”. 
De menselijkheid van Maria staat in relatie tot de menselijkheid van Jezus die van doorslaggevend belang is voor de fundamentele betekenis van het in Jezus geopenbaarde heil voor de mensen van vlees en bloed die wij zijn. En, daaruit voortvloeiend, voor onze zending in de wereld. Het heil is niet iets dat ons onberoerd laat; het is niet wezensvreemd aan ons, het maakt nieuwe mensen van ons. Juist door het mens-zijn van Jezus heeft wat in Hem gebeurt betekenis voor ons mens-zijn. Maria is de verbinding met die menselijkheid. Vaderschap kan betwist worden, maar moederschap niet. De voortgang van het Verbond in Israël loopt via de moeder. En zo ook deze Verbondslijn. 

Jezus wordt echter ook Zoon van God genoemd. Zonder dat dit filosofisch-theologisch al doordacht en gedefinieerd was, geloofde men toch al vroeg in de geschiedenis van het christelijk geloof dat Jezus als de Christus zowel menselijk als goddelijk was. Dientengevolge was Maria niet alleen moeder van Jezus, maar ook moeder Gods. In de liturgie loopt deze betiteling vooruit op de dogmatiek. Uit het midden van de derde eeuw kennen we het gebed tot Maria ‘onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht, moeder Gods…’ enz. Het is bewaard gebleven in de Byzantijnse en Latijnse kerken. Bij het oecumenisch concilie van Efese in 431 werd deze titel, zo’n twee eeuwen later, voor Maria als dogma vastgelegd, met andere woorden: als geloofswaarheid. 
Dit gebeurde natuurlijk niet zonder slag of stoot. Het was een uitvloeisel van de theologische discussie over de verhouding tussen het goddelijke en menselijke in Jezus Christus. Hierbij werd dogmatisch verankerd dat in de persoon van Jezus een goddelijke en menselijke natuur verenigd zijn. Dit besluit was in lijn met de al eerder in de vierde eeuw geformuleerde geloofsbelijdenis waarin Jezus Christus aangeduid werd als één in wezen met de Vader en mens geworden. Hierdoor werd Maria bevestigd als Theotokos, Moeder Gods. Dit is een theologische waarheid, een geloofswaarheid. Geen materiële fysieke waarheid. Maar het heeft wel betekenis voor de bestaansrelatie tussen God en mens. We mogen ons in Christus in die verbintenis van God en mens plaatsen. En dat zegt heel veel over wie Maria in theologische zin is, over wie wij in religieuze zin zijn.

Zowel met betrekking tot de mens die we mogen zijn, als ten aanzien van onze zending voor de wereld zijn wij zusters en broeders van Christus en is Maria onze moeder in geloof. Haar toewijding aan het Woord is ons voorbeeld. Haar vruchtbaarheid is onze vruchtbaarheid. De grote dingen die God aan haar heeft gedaan zijn exemplarisch voor hetgeen God in ons tot stand wil en kan brengen wanneer ook wij zijn wil in ons en aan ons laten geschieden. Of zoals Jezus het zegt: “mijn moeder, mijn broeder en mijn zuster zijn zij die de wil van de Vader doen”.

 

In die gehoorzaamheid aan de wil en aan het woord van God is Maria de dienstmaagd des Heren. Daarin is zij beeld van de kerk die tot diezelfde dienstbaarheid en gehoorzaamheid  is geroepen. Dat is geen onderwerping. Het is de vrijwillige fiere en ootmoedige instemming met een hoge roeping. Het is in die gehoorzaamheid dat de kerk maar kan zijn waartoe zij is geroepen, namelijk om Christus in de wereld te brengen en levend te houden. Ten dienste van de wereld. Als Maria staat de kerk in dienst van de incarnatie.   

Tenslotte staat Maria in de profetische lijn van de messiaanse belofte. 
Het thema van de onvruchtbare die zwanger wordt en het meisje dat baren zal vind je doorheen de Schrift wanneer sprake is van een zichtbaar teken van Gods trouw en van de voortgang van zijn belofte. Bij Elisabeth en Maria komen zij naast elkaar voor. In hen ook ontmoeten degene die Jezus als de Messias aanwijst en de incarnatie van de verlossende genade elkaar. In de lofzang van Maria herkennen we de beelden van de messiaanse vervulling in de woorden die ook in de lofzang van Hanna bij de geboorte van Samuel gesproken zijn. Dit geeft een historische continuïteit aan de belofte van God. Hanna die onvruchtbaar was, maar een kind ontvangt in wie de lijn wordt voortgezet na een periode van profetische stilte waarin de stem van God verstomd lijkt.
In Jezus Christus krijgt die stem van God de volle kracht.

De persoon van Maria is een rijk geschakeerde werkelijkheid in ons geloof. Geen romantisch kindvrouwtje, maar een fiere profetische vrouw van vlees en bloed. Ontdaan van devotionele zoetelijkheid is zij een baken van geloof, een trouwe leerling en heeft zij deel aan de openbaring van het heil in Christus; zij is draagster van de vervulling van de messiaanse belofte en getuige van het eschaton, de messiaanse tijd. Het is niet moeilijk in deze kwaliteiten ook de opdracht van de kerk te herkennen en de opdracht van iedere leerling en broeder of zuster van Christus.

De geloofshouding die Maria kenmerkt en waarnaar wij ons mogen richten, wordt verwoord in het angelus: “De engel heeft aan Maria geboodschapt en zij heeft ontvangen van de heilige Geest. Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord. Het woord is vleesgeworden en heeft onder ons  gewoond”.

Geïnspireerd door dezelfde Geest die Maria vervulde en die haar vruchtbaar maakte voor Gods Woord, mogen ook wij Christus in ons leven ontvangen en ter wereld brengen.  En zo, als de dageraad van een nieuwe wereld, meewerken aan de verlossing van de schepping die kreunt onder geweld en die nood heeft aan ware vrede en gerechtigheid. Amen.

 top
 

Overweging 2 september 2018  
zuiver op de graat 

Lezingen: Deuteronomium 10, 12-21; Efeziërs 6, 10-20; Marcus 7, 1-23. Psalm 15.
In het evangelie horen we een discussie over rituele voorschriften. De leerlingen van Jezus krijgen het verwijt dat zij zich niet aan de kashrut, de geboden met betrekking tot rituele reinheid, houden. De kritiek komt van de zijde van mensen die zich strikt aan de letter van de wet en de overgeleverde gezaghebbende interpretaties daarvan willen houden. Serieuze mensen die het zo goed mogelijk proberen te doen en daarin misschien het doel uit het oog verliezen. In het gesprek gaat het over zaken als handwassing, het reinigen van vaatwerk en de voetwassing. Herkenbare dingen die verwijzen naar een innerlijke gesteltenis en die niet omwille van zichzelf belangrijk zijn. Zij krijgen hun waarde door de werkelijkheid waarnaar zij verwijzen. Zij getuigen van een hart dat gericht is op het heilige.   
De schriftgeleerden echter lijken de zuiverheid van het gelovige leven te situeren in de uiterlijke vervulling van de geboden en voorschriften. Daarmee krijgt volmaaktheid van geloof iets maakbaars. 
Jezus benadrukt echter dat het gaat om de zuiverheid van het innerlijk. Dat is geen nieuwe gedachte. We komen die tegen bij de profeten die spreken over een nieuw hart en een nieuwe geest. Zelfs Deuteronomium benadrukt dat het niet om de uiterlijke rituele besnijdenis gaat, maar om de besnijdenis van het hart. 

Aan de buitenkant van het geloof gaat het om regels, hoe vaak je moet buigen of kruizen slaan, om spijswetten en vasten, rituelen en voorschriften. Maar deze dingen zijn alleen maar belangrijk voorzover zij uitdrukking zijn van, of aansluiten bij, wat we innerlijk geloven en waardevol vinden. Dat probeert Jezus ook duidelijk te maken aan hen voor wie de letter belangrijker is dan de geest. Wat in ons leeft bepaalt uiteindelijk wat we doen en laten, hoe we spreken, tot wie we gaan. De vrede komt niet van buitenaf op ons toe, maar groeit van binnenuit.

De discussie die Jezus vandaag voert, gaat over rituele reinheid. Daar zijn allerlei voorschriften voor. Wanneer mannen en vrouwen zich ritueel moeten reinigen door onderdompeling in een mikwa. Het reinigen van gebruiksvoorwerpen die voor de maaltijd gebruikt worden. De rituele reiniging van de handen. De rituele reiniging is geen vervanging van het normale baden en afwassen. Het onderscheidt zich ervan door de betekenis. Het laatste doe je om schoon te maken. Het andere om innerlijk rein te worden. 
In onze liturgische praktijk hebben we er nog iets van bewaard. We kennen de handwassing voor de tafeldienst. De voorganger reinigt ritueel de handen en bidt daarbij dat God hem mag reinigen om met een zuiver hart en oprechte intenties de dienst aan de tafel van de Heer voor het aanwezige Godsvolk te mogen verrichten. Wanneer we de kerk betreden kunnen we met water een kruis maken. Het is een geloofsbelijdenis waarin we ons bekennen als gedoopte christenen. Het verwijst als zodanig naar de doop waarin we de oude mens afwassen en ons bekleden met de verrezen Heer. Maar hoevelen beseffen de reikwijdte van het gebaar wanneer zij met wijwater een kruis maken?

Ter verduidelijking zij gezegd dat in de tekst van het evangelie voor onrein een woord wordt gebruikt dat algemeen, gemeenschappelijk en profaan betekent. Daarvan afgeleid ook onzuiver en onrein. Dit staat dan tegenover rein als geheiligd, tot de dienst aan God gewijd. Voor het reinigen wordt een woord gebruikt dat ook onderdompeling en dopen beduidt. En de doop heeft voor ons heel uitdrukkelijk de betekenis dat we aan God worden toegewijd, dat we geheiligd worden.  Zo komen uit een hart dat beheerst wordt door het profane allerlei ondeugden en narigheid en onzalig gedrag, met alle consequenties vandien voor het leven van mensen. Maar uit een zuiver hart komen goedheid en liefde.


Bij alle ritueel gaat het erom dat we ons heel bewust in het verbond plaatsen. Daarbij beseffend dat het verbond van God en mens niet onze verdienste is, maar primair een liefdesaanbod van God zelf. De geboden die we ontvangen zijn geen beperkingen van onze vrijheid. Niet in eerste instantie verplichtingen die ons van buitenaf worden opgelegd. Zij vormen ons antwoord op Gods liefde voor ons. In het vervullen van de geboden maken we zijn liefde voor ons zichtbaar onder de mensen. De besnijdenis, de doop zijn de uiterlijke tekenen van ons verlangen en van onze  bereidheid om in die liefde te gaan staan. Om ons leven naar die liefde te richten en ons te zuiveren van onedele motieven. En omdat we vergeetachtig zijn, hebben we rituelen om ons dit verlangen telkens weer in herinnering te brengen. En we hebben geboden als richtlijnen om ons te helpen bij de keuzes die we telkens weer moeten maken in de ontmoeting met onze medemensen. 

In de tekst van Deuteronomium en de Efezebrief horen we een staalkaart van deugden en handelwijzen die onze wereld tot een heilige woonplaats maken. En die ons geschikt maken om er in Gods aanwezigheid te wonen. In psalm 15 is dat heel specifiek verwoord als antwoord op de vraag: “Heer, wie mag als gast verblijven in uw tent van het verbond, wie mag wonen op uw heilige berg?” (vert. W.) Beide zijn plaatsten waar de aanwezigheid van de Eeuwige zich ophoudt. Het antwoord is een kernachtige samenvatting van de Thora, namelijk: “een mens met een zuivere levenswandel, die gerechtigheid doet en waarheid spreekt in zijn hart”. Voor hart wordt hierbij hetzelfde woord gebruikt als in het gebod om God te beminnen met ‘heel het hart’, dat wil zeggen met alle soms tegengestelde gevoelens en aandriften die zich in ons hart voordoen. 
Dit is diepe wijsheid. We dienen God niet alleen op zondag, niet alleen met onze ‘goede’ eigenschappen. We dienen God met onze mooie dingen en met onze schaduwkanten, met wie we waren, zijn en willen zijn; als heel de mens die we zijn. 

Bij Marcus horen we waartoe een eenzijdige oriëntatie leidt. Het gaat telkens weer om keuze. Ons wordt de weg van onheil getoond en de weg ten leven. Aan ons de keuze. Als we alleen voor onszelf kiezen is de tweedeling in de wereld al een feit, een heilloze weg. Wanneer we voor de weg van het leven kiezen, kunnen we die niet anders dan samen gaan. Gods liefde is universeel. Maar ook partijdig; zijn liefde is met name bedacht op mensen in kwetsbare posities, op slachtoffers, op vrouwen en kinderen, op mensen die ontheemd zijn.  In Gods benadering is geen onderscheid tussen eigen volk en de anderen. Het gebod met betrekking tot de zorg voor de vreemdeling stoelt met name ook op het besef dat het volk zelf vreemdeling is geweest en dat het God is die het thuisbrengt. Wij echter in onze omstandigheden voelen ons veel te veel thuis in deze wereld om nog te beseffen dat we eigenlijk vreemdelingen en ontheemden zijn. Zolang onze wereld nog geen huis is voor alle volkeren, zijn we geen van allen thuis. We verschansen ons in onze betrekkelijk veilige samenleving en doen het liefst de deuren dicht en de luiken voor de ramen, de grenzen op slot. Maar de wereld is pas heilige woonstede wanneer ik in de ogen van de vreemdeling mijn eigen verlangen naar vrede en geborgenheid en perspectief herken, de weerloze wens om gewoon te leven. Ik kan maar in vrede leven wanneer ik in de gestalte van de ander mijn zuster en broeder herken. 

De keuzes die we als gelovigen moeten maken zijn geen rationele keuzes. De ratio is gericht op onderscheid, de liefde verbindt. De rede moet op grond van zijn redelijkheid erkennen dat het beperkt is. De waarde en de betekenis van ons leven zijn niet redelijk. Zij zijn gelegen in de onvoorwaardelijke redeloze liefde van God voor ons. Het is die liefde die we zichtbaar mogen maken in de wereld en die als richtsnoer voor onze keuzes mag dienen. Bij de zuivere levenswandel in psalm 15 gaat het om integriteit, om het bewaren van onze innerlijke zuiverheid, om leven zoals we bedoeld zijn. Die levenshouding weerspiegelt op de meest zuivere wijze het rijk van God.

 

Aan het begin van de eucharistieviering bidden we, staande voor de tafel der armen, de schuldbelijdenis en vragen we vergeving voor het kwade dat we gedaan hebben, maar vooral ook voor het goede dat we hebben nagelaten. Dat laatste gaat veel verder en ik word er altijd wat onrustig van. Want wat betekent het uitspreken van deze woorden voor ons, in onze wereld? Het verwijst naar het primaat van de liefde. Augustinus zegt in een preek: “de weg van kennis van God gaat door de reiniging van het hart die door de liefde geschiedt. Hoe groter de liefde, hoe groter de kennis.” Kennis van God is daarmee niet een vermogen van het verstand, niet het kennen van allerlei regels en van de twaalf  artikelen des geloofs, maar het getuigenis van een liefdevol hart. Amen.  
 top


Overweging 26 augustus 2018
naar het gegeven woord leven 

Lezingen: Jozua 24, 1-2 en 14-25; Efeziërs 6, 1-9; Johannes 6, 60-69. Psalm 16.

De vertrouwenspsalm 16 is een van mijn favoriete psalmteksten. Centraal in de psalm staat de dankbaarheid van de biddende psalmist. Hij dankt dat de meetsnoeren voor hem op goede grond zijn gevallen. Het lijkt erop dat hij God dankt voor het mooie stuk land en de welvaart die hem ten deel zijn gevallen. Maar dat is alleen maar zo bij oppervlakkige lezing van de tekst. Bij nader inzien namelijk dankt hij God dat God zelf hem ten deel is gevallen. God zelf is zijn erfdeel en zijn deel van leven. De Eeuwige is de grond waarvan hij leeft. De meetsnoeren van de Ene zijn als gebedssnoeren over de psalmist gevallen waarmee hij Gods akker is geworden. Om vruchten te dragen van het koninkrijk. Wat of wie zal hem deren? In God verblijvend en daar zijn veiligheid vindend zal zelfs de dood over hem geen macht hebben. In God is hij bestemd voor het leven. En zo zingt ook zijn loflied.
De meetsnoeren waarmee land bemeten wordt en de gebedsriemen waarmee de joodse bidder zich omwikkelt gaan hand in hand. Met het aanleggen van de gebedsriemen maakt de bidder zichzelf tot goede aarde waarin het gebed valt als zaad om vruchten te dragen die God welgevallig zijn. De Thora, de heilige Schrift zelf is het meetsnoer dat over de toegewijde gelovige valt en deze tot leven strekt. Wanneer tenminste het woord naar de geest wordt verstaan en uit de geest beleefd en geleefd wordt.
De psalm gaat over de dynamiek van trouw, vertrouwen en betrouwbaarheid zonder welke geen relatie, en dus ook geen leven, mogelijk is. Het is ook het centrale thema in de geschiedenis van God en zijn volk. Trouw aan de Schrift is leven naar de Geest waarmee deze gegeven is.

De lezingen die we in deze viering horen, getuigen ervan. 

De lezing uit Jozua brengt in herinnering hoe God zijn volk heeft gered uit Egypte. Een weg door het water heeft gelegd. De achtervolgers heeft verslagen. De herinnering aan vroegere heilsdaden bemoedigt het volk bij een onzekere toekomst. Daardoor juist kan herinnering plaats maken voor hoop en voor de verwachting dat God op grond van zijn trouw en niet op grond van de verdienste van zijn volk, ook nu zijn volk genadig is en binnenleidt in het beloofde land. De trouw die God aan zijn volk heeft bewezen, nodigt uit om trouw te zijn aan God. Om zelfs in benarde situaties zijn lof te zingen vanuit de innerlijke zekerheid van de trouw die hij zal bewijzen. Zijn trouw is, anders dan ons geloof, niet aan verandering en slijtage onderhevig.


Aangezien we de aanwezigheid van God zelf niet altijd in de concrete omstandigheden aan den lijve ervaren, hebben we zijn woord waaraan we ons kunnen toevertrouwen. Zijn woord dat leven geeft, en ons bestaan richt op hem die bron van eeuwig leven is. Het woord van God is op die manier te ervaren als een rivier in de woestijn, die ons hart laaft dat dorstig is naar de bronnen van het leven. Die onze soms dorre levensakker vruchtbaar maakt en onze liefde doet opbloeien. 
Het beeld van een rivier in de woestijn is een ijzersterk beeld voor mensen die in droge gebieden leven. Misschien kunnen tuinbezitters er dit jaar iets meer van begrijpen. Wanneer rivierbeddingen zich vullen met water en de aarde vochtig wordt, ondergaat de uitgedroogde natuur een dramatische verandering. Groen komt op, bloemen, planten, grassen als bij wonder. Bijna onherkenbaar. Misschien hebben jullie wel eens opnames gezien van de bloei van de woestijn wanneer het water komt. Zo bloeit een mens op onder Gods genade. Zo wordt de mens een nieuwe mens wanneer hij leeft in het woord van God. Hij wordt zelf een levend woord, wanneer hij trouw houdt aan de wet van de Heer.


Dit vleesgeworden woord herkennen we in Jezus de Christus. Als Christus/Messias is hij letterlijk de belichaming van Gods belofte en het zichtbare teken van zijn trouw daaraan. Als Jezus is hij de trouwe dienaar van God, de rechtvaardige die leeft naar de geest van de thora, hij is chassid en tzaddik, dat is toegewijd en rechtvaardig. 
En, om Simon Petrus aan te vullen, hij heeft niet alleen woorden van eeuwig leven, hij is woord van eeuwig leven. Daarop is de verontwaardiging van de omstanders in de evangelietekst gebaseerd. Op de zelfopenbaring van Jezus als het brood dat uit de hemel is neergedaald. Op de aanduiding dat hij dat vleesgeworden woord van God is, het woord van eeuwig leven en dat wij als leerlingen dat vlees moeten eten en die geest indrinken. In het stuk voor deze lezing in het Johannesevangelie heeft Jezus gezegd: “wie van mijn vlees niet eet en van mijn bloed niet drinkt zal geen leven hebben in zichzelf, maar wie van mijn vlees eet en van mijn bloed drinkt zal eeuwig leven hebben”. Woorden die vele van zijn leerlingen ronduit schandelijk vinden. Zij interpreteren het dan ook letterlijk, terwijl Jezus duidelijk maakt dat de woorden die hij spreekt geest en leven zijn. Dat dus zijn woorden geestelijk verstaan moeten worden. Geestelijk voedsel voor geestelijke mensen, zoals Paulus zegt. Jezus is het vleesgeworden, het mensgeworden, woord van God. Hem tot ons nemen is dat woord van leven tot ons nemen. Dat woord dat naar de psalmist zegt, hem dag en nacht onderwijst en tot hem spreekt. Het woord dat hij kauwt en herkauwt om het te leren verstaan en te integreren in zijn bestaan, zodat hij ernaar leeft . Een woord dat niet door ons vermalen en verteerd wordt, maar dat ons transformeert tot wat wij mogen zijn: levende gestalte van Gods liefdeswoord.


Trouw heeft voor ons verschillende relationele aspecten. Trouw aan mensen, trouw aan onszelf, trouw aan God. In de oorsprong zullen zij wel bij elkaar komen, maar soms ervaren we ze als concurrerend. Ik hoor mensen nog wel eens zeggen dat zij toch ook trouw moeten zijn aan zichzelf, wanneer zij onder bepaalde verplichtingen uit willen komen. Sommige mensen ervaren de trouw aan God als een zelfverloochening. 
Dat lijkt me niet de bedoeling. 
Ik denk dat dit soort innerlijke conflicten te maken hebben met onze eigen verdeeldheid. We leven in verschillende domeinen en binnen die domeinen van werk, vrije tijd, gezin, instagram en facebook denken we dat er iets anders van ons verwacht wordt, of zijn we een andere persoon. Maar ook innerlijk kunnen we verdeeld zijn. In onze relatie met God kunnen we ons heel vrij en geborgen voelen, terwijl we ten opzichte van anderen verlegen en geremd zijn. We zijn complex en binnen die complexiteit zoeken we naar evenwicht in onze fundamentele relaties: die met God, met onszelf en met anderen. Binnen dat evenwicht kunnen relaties met elkaar in concurrentie zijn.

We kunnen daaraan ontsnappen door te beseffen dat alles wat wij hebben en zijn vervat is in de primaire relatie van ons bestaan, die van God met ons. En dat onze trouw, binnen welke relatie dan ook, vervat is in Gods trouw aan ons. En dat niet begrepen op een wettische of dogmatische manier, maar naar de geest van het verbond. In de verschillende aspecten van ons bestaan mogen we die trouw en die liefde zichtbaar maken.
Daardoor wordt onze trouw niet gereguleerd door conventies, maatschappelijke verwachtingen, of voorbijgaande persoonlijke verlangens. Maar door het besef dat onze trouw gedragen wordt door Gods trouw aan ons. Trouw aan de ander is daarin niet vreemd aan de trouw aan onszelf. Integendeel, in onze trouw aan God worden we meer onszelf en naarmate we meer onszelf zijn kunnen we ook oprechter trouw zijn aan de ander. En daardoor gaan leven, bidden en werken ook een grotere eenheid vertonen en is die eenheid ook vanzelfsprekender.

Laten we nog even terugkeren naar psalm 16. We krijgen het advies om het woord dat God is, diep in ons hart te bewaren en het steeds voor ons geestesoog te houden, dat wil zeggen het steeds bewust te zijn. Van daaruit voedt het onze gedachten, zuivert het onze woorden, richt het onze handelingen en laat het onze voeten gaan op de weg van de vrede en de ontmoeting. Een symfonie van de drievuldigheid die onze relatie met God, met onszelf en met de medemens is. In die relatiedynamiek wordt zichtbaar wie God is.
We vieren het in tekenen in de eucharistie waarin deze relaties worden geduid en waarin we er deel aan krijgen. De tafel waaraan we gevoed en gelaafd worden met het woord dat onze honger naar vrede en gerechtigheid stilt en waar onze dorst naar waarlijk leven wordt gelest. Amen.

 top


Overweging 19 augustus 2018  

vlees en bloed 
Lezingen: Spreuken 9, 1-6; Efeziërs 5, 15-20; Johannes 6, 51-59.

Vorige week was er in de viering waarin ik voorging een jongeman aanwezig die een paar jaar geleden uit Syrie gevlucht is en naar Nederland gekomen. Hij was met iemand van de statie meegekomen. Een buitengewoon aardig mens en moslim. Hij vierde met ons, een christelijke gemeenschap, mee in een voormalige synagoge. Hoe universeel wil je het hebben.
Ik merkte dat ik tijdens het lezen van de evangelietekst en het bidden van het tafelgebed met een meer uitgebreide aandacht probeerde te luisteren. Luisteren doe ik overigens altijd. Ik lees, spreek en bid luisterend, niet pratend. Maar in dit geval probeerde ik ook te luisteren via zijn oren. En dan doordat het in de teksten gaat over Jezus ( de profeet Isa in de koran) die wij zoon van God noemen, de eniggeborene wiens vlees wij eten en wiens bloed wij drinken. En ik dacht: wat moet deze man in zulke woorden verstaan? Zal hij niet denken: ‘dat kan toch niet waar zijn’.

Dat is ook de reactie van mensen in de omgeving van Jezus: “Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven?”. 
We hernemen het einde van de evangelielezing van afgelopen zondag, namelijk: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is nedergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood dat ik geven zal, is mijn vlees voor het leven van de wereld”.  Volgende week gaan we weer door waar we vandaag eindigen. Dan hebben we vier zondagen gedaan over de leerrede van Jezus uit Johannes 6. En doordat het zo in stukjes is geknipt verliezen we het overzicht van dit moeilijk te begrijpen stuk tekst. Het is niet alleen moeilijk voor ons, maar ook voor de omstanders in het verhaal. Een groot aantal van zijn volgelingen zal hem na deze toespraak de rug toekeren. Zij vinden het onbegrijpelijk, godslasterlijk en aanstootgevend. Dit is geen leer, dit kan niet waar zijn. Bovendien wie denkt die Jezus wel wie hij is? Hij is toch gewoon de zoon van Jozef, we kennen zijn ouders toch.

En inderdaad, zo begrepen kan het niet waar zijn. Is het ook niet waar, ook al zeggen we het lichaam en het bloed van Christus te eten en te drinken. En dat is maar waar wanneer we dit op een bepaalde wijze verstaan en dan is het ook allesdoordringend waar.
Om dit te begrijpen moeten we even terug naar het begin van het evangelie en misschien nog wel verder. In hoofdstuk 3 heeft Jezus in de nacht een intiem geestelijk gesprek met Nicodemus. Deze is een leidende figuur binnen de kring van de Farizeeën en een verborgen leerling van Jezus. Het gaat daarin over opnieuw geboren worden. Nicodemus verstaat dit niet, dat wil zeggen hij pakt het op in letterlijke zin. Ook hier klinkt weer: “Hoe kan dat zijn?” Jezus zegt daar: “alleen wie geboren wordt uit water en geest is in staat het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Wat uit vlees geboren is, is vlees; en wat uit geest geboren is, is geest. De geest waait als de wind…Zo is ieder die geboren is uit de geest”. Met andere woorden het gaat niet om een wedergeboorte in fysieke zin, maar een wedergeboorte naar de geest. Niemand dan de geest van God kan zeggen waar dit vandaan komt. Maar waar iemand door die geest wordt aangeblazen vindt een vernieuwing van het leven plaats, een wedergeboorte.

Even verderop in hoofdstuk 6 staat: “Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die ik tot jullie spreek zijn geest en leven.” We moeten de woorden dus naar de geest verstaan. Ook al wordt bij Johannes herhaaldelijk over vlees gesproken met betrekking tot Jezus. In het begin al wanneer gezegd wordt dat het woord God en het woord van God vlees geworden is. Jezus noemt zich levend brood en dat brood is zijn vlees voor het leven van de wereld. “Wie mijn vlees eet”, zegt Hij, “en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik blijf in hem”

 

Ook Paulus spreekt in navolging hiervan over geestelijke zaken voor geestelijke mensen, die niet langer naar het vlees leven, maar in Christus nieuwe mensen zijn geworden.
De eerste lezing liet de Wijsheid aan het woord die mensen oproept om te eten van haar brood en van de wijn te drinken die zij heeft gemengd. Zij nodigt mensen uit die niet ingevoerd zijn in de wijsheid van de Thora, het woord van God, begin en eind van alle wijsheid, om zich te voeden en te laven met dat woord. Prediker 8,15 zegt dat men tegenover de wispelturigheid van het leven maar het beste kan eten en drinken en blijmoedig zijn. De rabbijnse traditie in Talmoed en midrasj verstaat dit als studie van de Thora en rechtvaardig leven, goed handelen. Het woord geestelijk tot je nemen en integreren in je bestaan. Dat is uiteindelijk nog het beste en het wijste om te doen. 

Het Johannesevangelie zou je kunnen rekenen tot de nieuwtestamentische wijsheidsliteratuur. Het is voedsel voor ingewijden en voor wie dat willen worden. Het is wat je noemt mystagogie, invoering in de geheimen van het geloof. Dat is een onderricht dat gelovigen na de doop ontvingen om te leren wat geloven en het vieren van het sacrament innerlijk betekenen. Namelijk nieuwe mensen worden, opnieuw geboren worden zoals we in de paasnacht met dramatische kracht bij de doopbesprenkeling kunnen uitzingen: “dat wij volstromen met levensadem en schreeuwen eindelijk geboren”. Iets wat we met Pinksteren, de volheid van Pasen, kunnen herhalen. Hoofdstuk 6 van het Johannesevangelie situeert zich niet voor niets aan de vooravond van Pesach. Uitredding, uittocht van slavernij naar vrijheid, van naamlozen naar mensen, van rechteloze arbeidsslaven naar volk onder de wet, van dood naar leven.
Voor allen die geloven betekent de geboorte in geloof: niet langer mensen van vlees en bloed naar het vlees, maar mensen van vlees en bloed naar de Thora, dat is naar het levend woord van God.  

We worden uitgenodigd om de woorden niet letterlijk te verstaan, maar naar de betekenis die ze hebben in het licht van het woord van God. Ze te begrijpen met betrekking tot het sacrament van Christus’ aanwezigheid in zijn leerlingen. Het Johannesevangelie behandelt de sacramentele bestaansverbondenheid van de Vader, Christus en diens leerlingen. Een geestelijke levensverbondenheid die niet louter geestelijk, ideematig,  is maar vlees en bloed wordt. Het vlees en bloed van Christus verwijzen naar de Thora en de toepassing ervan. De Thora is geen wetboek met regels, het is een boek dat strekt tot leven wanneer het genuttigd wordt, gekauwd en herkauwd om begrepen en doorgrond te worden, en wanneer het gedaan wordt. Pas dan is het levend,  geactualiseerd woord. Woord en daad. Belijdenis en getuigenis. Een levenslange liefde voor Gods woord en ernstige toeleg op rechtvaardigheid. Wanneer we de levende werkelijkheid van Christus tot ons nemen worden we deel van de levende Thora, van de voortgaande openbaring van het Woord van de Eeuwige in de tijd en in de wereld.  

Wanneer we zeggen dit kan toch niet waar zijn, verstaan we de woorden in materiële betekenis. Zoals we dingen meestal begrijpen. Maar de waarheid waarover we spreken is geen fysische waarheid, het is geloofswaarheid. Het is een bepaalde manier van kijken naar en beleven van de werkelijkheid. Je ziet het pas wanneer je gelooft. Het is scheppende waarheid zou je kunnen zeggen. Onbestrijdbaar en waar als de liefde zelf. Alleen maar verifieerbaar in de incarnatie ervan in de leerlingen, c.q. gelovigen.

Als wij straks als geestelijke mensen te communie gaan en in het brood en de wijn het lichaam en bloed van Christus tot ons nemen consumeren we de levende Thora, het levenmakend woord van God, opdat wijzelf levende Thora worden, plek van openbaarmaking. We worden consubstantieel, dat is: een in wezen met christus. Dat wil zeggen we ontvangen en worden bevestigd in de identiteit die ons door de doop geschonken is. Geen particuliere identiteit, maar die van Christus die ons in zijn wezen vervat. Niet als de persoon van Jezus, maar als de vertegenwoordiging en gestalte van het hele volk Gods. Na de communie worden in de liturgie de woorden uit het evangelie herhaald, zeggend: “blijf in Christus en Christus blijft in u”.
Dit om aan te duiden dat we door de intieme verbondenheid met Christus in dit concrete leven van ons lichamelijk bestaan worden wat we boven dit persoonlijke en individuele ook zijn en misschien wel meer zijn, namelijk Christus in zijn volheid. Daar zijn we in waarheid. Dit diepe besef omtrent onze christelijke identiteit schreeuwt om incarnatie en openbaarwording, verlangt vlees en bloed te worden voor het leven van de wereld. Wat niet waar kan zijn wordt waar wanneer we leven naar dat woord dat ons tot leven roept. Amen.

 top


Overweging 12 augustus 2018  

Brood om te leven; bread and roses 
Lezingen: Deuteronomium 8, 1-10; Efeziërs 4, 30- 5, 2; Johannes 6, 37-51.

De laatste weken lezen we in de liturgie veelvuldig over brood. Al vier weken gaat het er in de evangelielezing over. Het geeft aan dat het als een belangrijk thema gezien wordt. Niet alleen liturgisch, maar ook in het dagelijks leven is brood belangrijk in letterlijke zin en als symboolbegrip. Brood is meer dan de dagelijkse boterham. Het staat voor noodzakelijke levensvoorwaarden en voor een menswaardig bestaan. Brood is geen neutraal begrip. Het ispolitiek en ethisch geladen.

De laatste week van juli en de eerste week van augustus stond Amsterdam in het teken van de emancipatie en erkenning van de gay community, meer volledig gezegd van de LHBTI-gemeenschap. Ook was er de internationale aids-conferentie, een ziekte die vooral door de homogemeenschap internationale bekendheid kreeg en die in de jaren 80 en 90 voor miljoenen doden verantwoordelijk was. Waardoor ook de acceptatie van deze gemeenschap weer ernstig onder druk kwam te staan. 

De televisie zond de film Pride uit waarin de Londense gay gemeenschap in haar strijd om erkenning zich in 1984 solidariseerde met de stakende mijnwerkers die zwaar te lijden hadden onder de politiek van Thatcher. De grootste klappen vielen in de armste streken van noordoost Engeland en in Wales. In de film wordt onder andere het lied ‘Bread and Roses’ gezongen. Dit is een vakbondslied dat teruggaat op de staking van Amerikaanse vrouwen werkzaam in de textielindustrie, en niet zelden met een immigrantenachtergrond, die in 1912 staken voor een fatsoenlijk loon (brood) en een menswaardig leven (rozen). 
Uit ongeveer dezelfde tijd (1917) kennen we het broodoproer in Amsterdam; een opstand van het arme deel van de bevolking tegen het nijpend voedseltekort.
De voorbeelden verbinden een aantal momenten in de strijd om brood en een menswaardig bestaan, om voldoende levensmogelijkheden en dignity. Het kan aangevuld worden met de meest duistere passages uit onze mensengeschiedenis, in verleden en recente dagen: christenvervolgingen, pogroms, het lynchen van zwarte medemensen, vrouwenonderdrukking. Elk mens vecht voor een plek onder de zon en voor respect. Minstens, verlangt ernaar; naar dagelijks brood en naar bestaanserkenning. 

Als we in de Schrift lezen over brood, gaat het om leven in de volle betekenis van het woord, naar lichaam en geest. En dat is meer dan je hoofd boven water houden. Brood in de letterlijke en in de figuurlijke zin, -zowel als levensmiddel en ook als bestaansmogelijkheid-, is voorwerp van schaarste, van overvloed voor sommigen en gebrek voor anderen; en daarmee is het ook voorwerp van strijd. Het heeft van doen met de wijze waarop mensen samenleven en daardoor is het politiek, maatschappelijk en ethisch.
Brood staat voor wat onze honger stilt. En voor alles wat we dringend nodig hebben om te kunnen leven. Dat houdt ook in onze honger naar recht, veiligheid, levensruimte, zelfontplooiing. 

De Hebreeuwse letters l, ch, m kunnen zowel brood als strijd betekenen. Afhankelijk van de uitspraak lèchèm of lachem. Eigenlijk is dat ook het dubbelzinnige van Jezus. Hij is geboren in bethlechem, broodhuis, maar zijn dood is het gevolg van strijd. Hij is brood van leven, maar ook teken van tegenspraak. Zijn leven is onderscheidend en dwingt tot keuzes, en als zodanig is hij ook aanleiding tot tweestrijd.
Liefde en haat, oorlog en vrede liggen dicht bij elkaar. Dood zaaien of leven verwekken: aan ons de keuze. Brood symboliseert dit keuzemoment. Als brood en strijd, leven en oorlog zo dicht bij elkaar liggen, wat maakt dan het verschil? Waar gaat brood over in strijd? Leven in dood en verderf? Het hangt af van wat je ermee en ervoor doet.

Brood zou je kunnen definiëren als grondstof voor leven. Dat kan van alles zijn en in de praktijk is het dat ook. Kijk maar naar wat we nodig hebben voor ons leven en hoe er strijd over ontstaat. Leefruimte, vrijheid, geld, energie, graan, biobrandstof, grondstoffen, idealen en levensovertuigingen. We hebben ze allemaal nodig en zij zijn evenzo vaak oorzaak van oorlog. Wat levensnoodzakelijk is voor allen vervreemdt ons op een bizarre manier van elkaar en drijft ons uiteen. We raken erdoor verwijderd van onze oorsprong. Dat wil zeggen: wanneer het wordt toegeëigend en gestapeld in plaats van gedeeld naar wat ieder nodig heeft.
 

Al helemaal in het begin van de Schrift horen we hierover. De mens die in de tuin van Eden is geplaatst krijgt de keuze tussen sterfelijkheid en leven. Zijn nieuwsgierigheid, zijn begeerte om gelijk aan God te zijn brengen hem ertoe de verkeerde keuze te maken. Hij reikt naar de eeuwigheid en verkrijgt de sterfelijkheid. Het gaat er niet om dat hij op een kinderlijke manier ongehoorzaam is. Door te willen zijn wat hij niet is en nooit zal kunnen zijn, namelijk als God zijn, is hij niet gehoorzaam aan wie hij als mens is en verliest daarmee zijn oorspronkelijkheid en zijn integriteit. Hij onttrekt zich aan het scheppingswoord dat aan de oorsprong staat van zijn bestaan. Gehoorzaamheid aan het woord van God is in de eerste plaats leven in overeenstemming met het scheppingswoord. Vóór de wet komt de schepping. Eerst is er het woord dat de mens schept en in het leven roept als beeld en gelijkenis van God. Niet als God, maar als beeld en gelijkenis. Daar ligt de essentiële keuze die aan alle andere keuzes voorafgaat. Wil ik als mens leven of niet? Daarna komt de vraag: hoe doe ik dat dan? En dat is de Wet. We willen immers de weg (terug) vinden naar het paradijs, naar het beloofde land.
 

En daar beginnen de lezingen van vandaag. Het volk dat op weg is door de woestijn naar het beloofde land, ontvangt opnieuw een woord van God. Ook dit woord stelt het volk voor de keuze. De geboden, de woorden van God, worden gegeven met het oog op leven. Opdat het volk in vrede en welstand woont in het land dat het gaat betreden. Het gebod is geen keurslijf, geen nieuwe slavernij, maar een weg naar vrijheid en geluk. Anomie (dat is wetteloosheid) en onbeperkte individuele vrijheid betekenen slavernij (lees evt. Levinas over vrijheid en gebod in Het menselijk gelaat). We hebben een verkeerd begrip van vrijheid wanneer we denken dat individuele vrijheid het hoogste goed is en maatgevend voor de inrichting van onze samenleving. Wanneer we onze persoonlijke vrijheid niet aan banden laten leggen door wat menselijk juist is, dan verliezen we allen onze gezamenlijke vrijheid. Dit is onafhankelijk van welk religieus systeem dan ook. 
Maar leven is meer dan vrijheid. Het is leven in verbondenheid. Om mens te zijn in de volle betekenis van het woord moeten we ons voeden naar lichaam en ziel. Het volk mag dan in het beloofde land leven in overvloed, maar het woord leert hoe daar mee om te gaan, zodat er voor iedereen levensmogelijkheden zijn.
Het verschil in brood als bron van leven en als oorzaak van strijd is gelegen in de toe-eigening waarbij de ander wordt uitgesloten. Zodra iemand zich toe-eigent wat bedoeld is voor allen, met name de gaven van de schepping, gaat het fout. Dan ontstaat een tweedeling tussen bezitters en bezitlozen en daarmee ontstaan rijkdom en armoede, overdaad en gebrek. Wanneer dat verschil te groot wordt, desintegreert de menselijke samenleving. 

Het volk Israel heeft die les al kunnen leren in zijn tocht door de woestijn. Bij de gave van het brood uit de hemel. Daarbij werd van Godswege gezegd dat men niet meer mocht nemen dan wat men voor die dag nodig had. En op de dag voor de sabbat een dubbele portie. Het brood uit de hemel is immers bedoeld voor het hele volk (in messiaanse zin is dat alle mensen). Wat meer werd genomen, bedierf. Niet alleen wat genomen is bederft, maar het bederft ook degene die meer neemt dan het toekomende deel.  We bidden nog steeds voor het dagelijks (het ons toekomende) brood. Dat is niet alleen een smeekbede, maar zeker ook een ethisch appèl. Het herinnert ons eraan dat de gaven die we van God vragen niet ons exclusieve bezit zijn. Dat wij ze niet ten koste van het leven van anderen mogen toe-eigenen. Bovendien leert het ons te vertrouwen op de zorgende liefde van God. Heel veel toe-eigening en stapeling van bezit is immers gebaseerd op hebzucht en angst. 

De leerlingen van Jezus leerden die les bij de broodvermenigvuldiging. Zij wilden de mensen wegsturen van de plaats en de persoon die hun levenshonger stilde. De leerlingen hadden maar amper genoeg voor zichzelf bij zich, vijf broden en twee vissen. Toen zij op het woord van Jezus deelden wat zij hadden, werden zij van bezitters deelgenoten aan de gaven van de schepping, hieven zij het verschil tussen hongerigen en bezitters op. De gaven die we om niet ontvangen, de vissen, en het brood, vrucht van de aarde en van het werk van onze handen, zijn er om gedeeld te worden, om te voeden wie hongeren en dorsten naar leven.

Jezus wijst zijn leerlingen op de weg van concrete gerechtigheid. Het beloofde land is niet alleen visioen, geen louter spirituele werkelijkheid. Het ontstaat heel concreet daar waar de gaven van de schepping en het werk van onze handen ten dienste worden gebracht van het geheel. Dat maakt het verschil tussen dood en leven, tussen vrede en oorlog.  
Zoals Jezus zichzelf geeft voor het leven van de wereld, zo ook moeten de leerlingen doen. Niet als bezitters, maar als uitdelers van Gods rijke genade. De Efezebrief wijst ons de weg: “Weest als geliefde kinderen navolgers van God en wandelt in de liefde zoals Christus u heeft liefgehad. Weest vriendelijk jegens elkaar en barmhartig en vergeeft elkaar”. Voor dat leven ontvangen we het brood uit de hemel, het woord van de Thora, brood van eeuwig leven, vleesgeworden, Christus zelf, in de eucharistie, de maaltijd die een afbeelding is van de wereld zoals die zou moeten zijn. Daar worden we naar lichaam en ziel gevoed om ervan te delen met velen, voor het leven van de wereld. Amen.

 top

 

Overweging 29 juli 2018  
Vooruit gestuurd naar de overkant 
Lezingen: Jesaja 63, 7-14; psalm 114; Marcus 6, 45-52.

De teksten van de zogenoemde ‘derde Jesaja’ dateren naar aangenomen wordt van na de Babylonische ballingschap. De ballingen die terugkeerden naar het eigen land hadden natuurlijk de hoop en de verwachting dat zij thuis zouden komen en dat Israël hersteld zou worden. Niet helemaal als zelfstandige staat, maar toch. Maar de verhouding tussen de afstammelingen van degenen die achtergebleven waren en van degenen die weggevoerd waren was niet zo vredevol. De herbouw van de tempel was erg enthousiast begonnen, maar bleek een langdurige en zeer kostbare klus. Terwijl het resultaat niet in de buurt kwam van de eerste tempel die in 586/585 was verwoest. Bovendien was de ark verdwenen. De economie leed onder de kosten en arbeidsinzet voor de herbouw van de tempel. Er was ook geld en menskracht nodig voor de bouw van huizen, de ontginning van land en het opzetten van bedrijvigheid om de ruim veertigduizend remigranten op te vangen en van bestaansmiddelen te voorzien.
Het messiaanse vuur waarmee de ballingen waren opgetrokken naar Jeruzalem doofde op de weerbarstigheid van de praktijk van het leven in Israël. What’s new zou je zeggen. De problemen die ze ondervonden zijn kennelijk van alle tijden. Het herstel van Israël in de spirituele en uitgebreide zin van het woord als de vervulling van het messiaanse visioen voor Israël en voor de volken vraagt een lange adem en een volgehouden geloof. 

Dit wordt ook uitgebeeld in de parabel van de leerlingen op het meer. De leerlingen worden door Jezus vooruit gestuurd. Zij proberen de overkant te bereiken. Voor hen het thuisgebied waar zij wonen en werken. Maar binnen de setting van de parabel mogen we de overkant zien als het beloofde land, als toekomst. Jezus probeert zijn leerlingen voor te bereiden op hun toekomstige taak. ‘Roeien met de riemen die je hebt tegen de wind in’. What’s new?  Dat is nog steeds het beeld van de opdracht van Jezus om maar alvast naar de overkant te gaan. Maar de leerlingen slagen daarin niet zonder de hulp en de aanwezigheid van Jezus. Met hem in hun midden komen zij in wateren der rust om psalm 23 er bij te betrekken. Het meer komt tot bedaren en het water trekt zich terug, zoals in psalm 114 gezegd wordt: voor deze overtocht en de doortocht van het nieuwe Israël.

Het beeld van de zwoegende leerlingen op het meer van Gennesaret of Tiberias roept voor ons ook andere beelden op. Beelden van duizenden mensen die naar de overkant willen gaan. Ook voor hen is de overkant een visioen van de vervulling van hun hoop op een nieuw en beter bestaan. Vaak hebben ze al een hele reis achter de rug voor ze aan het water van de Middellandse Zee komen. In kleine bootjes wagen zij de oversteek. Met tegenwind en hoge golven. Velen komen om het leven. En velen worden gered door hulp van buitenaf. Niet dankzij de mensensmokkelaars en mensenhandelaren die hen in deze gevaarlijke situatie hebben gebracht. Mensen die misbruik maken van de wanhoop van hun medemens. Die hun hoop op een nieuw leven gebruiken als verdienmodel. 
Eenmaal aan de overkant blijkt dat het beloofde land en het land van onbegrensde mogelijkheden nog veraf is. Zij ondervinden nog steeds de tegenwind van mensen die niet op hen zitten te wachten. Die in hen een bedreiging zien voor de stabiliteit van hun landen en voor de economie. Zij worden maanden- en soms jarenlang heen en weer geslingerd op de golven van hoop en berusting. Wel of geen erkenning, wel of geen status, wel of geen verblijfsvergunning, wel of geen werk, een huis, een toekomst.

Al deze mensen hebben iets gemeen. De repatrianten uit ballingschap, de vluchtelingen uit Afrika, de leerlingen van Jezus. Zij allen verlangen naar en zien uit naar een nieuwe werkelijkheid. Zij verlangen thuis te komen op een plek waar zij in veiligheid zijn, niet worden onderdrukt, niet opgejaagd. Waar zij in gerustheid kunnen wonen en werken en leven.
Zij hebben nog iets gemeen: Het zijn mensen zoals wij met dezelfde verlangens en behoeften. Over de generaties heen en over de staatkundige grenzen heen zijn het onze broeders en zusters. 
Ook al lijkt alles het tegendeel te willen aantonen, er is maar één wereld. Ook al lijkt de wereld van de rijken los te staan van de wereld van de armen, en bewonen zij een ander domein. Zij zijn intensief en oorzakelijk op elkaar betrokken.  Zo zijn ook de wereld van God en de wereld van mensen niet vreemd aan elkaar en niet van elkaar te scheiden. Zij behoren tot eenzelfde narratieve structuur. Zij delen in hetzelfde verhaal van belofte en hoop, van verbond en vervulling. God, mens en wereld zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het verhaal dat zij delen, het verbond, stuwt voort naar zijn voleinding. Maar dat moet je durven zien en je moet er in durven geloven. 


De leerlingen worden vooruit gestuurd naar de overkant. Jezus zal hen volgen. Waar zij getuigen van hun geloof, komt Jezus aanwezig. Maar zij zijn nog niet in staat zelfstandig naar de overkant te komen. Zij lopen vast op de golven van hun twijfel en Jezus komt hun tegemoet. Zij kunnen hun ogen niet geloven. Zij menen een geest te zien. Nog weten zij niet wie Jezus is. En dat is vreemd. 
Het evangelieverhaal mogen we immers lezen tegen de achtergrond van eerdere gebeurtenissen in het verhaal. Jezus had zijn leerlingen al twee aan twee uitgezonden om op goed vertrouwen op weg te gaan. Hij had hun macht gegeven over de onreine geesten. Zij hadden opgeroepen tot bekering en veel zieken gezalfd en genezen. Zij waren teruggekomen van hun verkondigingsreis. Jezus had hen uitgenodigd met hem naar een rustige plaats te gaan om verhalen uit te wisselen. Maar een grote menigte mensen, hongerig naar een verlossend woord, was hen gevolgd en Jezus had hun onderricht gegeven omtrent het koninkrijk. Hij had de menigte gevoed met de vijf broden en twee vissen die de leerlingen bij zich hadden. Vijfduizend mensen werden gespijzigd en er bleef nog over voor een heel volk (het toekomstige sabbatsvolk). Daarna stuurt Jezus zijn leerlingen weg in het bootje waarmee zij gekomen waren, terug naar de overkant. Zelf gaat Jezus in de eenzaamheid bidden. Zo is de situatie van de lezing vandaag.

De leerlingen hebben tegenwind. Zij hebben moeite om vooruit te komen en schieten niet op. Het lukt hun niet aan de overkant te geraken. Het symboliseert het onbegrip van de leerlingen. Zij maken geen vooruitgang in geloof en in begrip. Ondanks hun zending en de gaven van de Geest die zij daarvoor ontvingen. Ondanks de tekenen die zij hebben mogen verrichten. Ondanks het teken van het brood dat Jezus, zelf het brood uit de hemel, heeft verricht. Ook nu is het voor hen te duister om Jezus te herkennen. Zij denken een geestverschijning te zien. Ook wanneer hij tot hen spreekt en bij hen in de boot stapt, zijn zij nog buiten zinnen. Terwijl zij toch ook al de ervaring met de rustende  Jezus hadden bij de storm op datzelfde meer, kennen zij hem nog steeds niet en daarom begrijpen zij ook niet. Hun hart is onontvankelijk, hun begrip versteend door hun gebrek aan geloof.
Zij zien niet dat hij in het teken van zijn gaan over het water herinnert aan de tocht door het water van de rode zee. Dat Hij de nieuwe Mozes is die zijn volk, het nieuwe godsvolk voorgaat en veilig brengt naar de overkant van het nieuwe leven. Op hem heeft het kolkende water van het meer, beeld van zondvloed, geen vat. Als eens Noach is Hij de nieuwe Adam en het nieuwe begin in de schepping, teken van een vernieuwd verbond.

De weg naar de overkant is voor ons allen een lange weg en succes is niet verzekerd. Maar we verlangen naar een nieuwe wereld. En het verlangen houdt ons gaande, ook waar het geloof wankelt. Het verlangen van mensen om tot vervulling te komen is niet per se religieus, het is naar mijn idee een universeel verlangen. Een verlangen naar de menselijkheid van onze wereld.


Jezus komt ons tegemoet. Hij deelt onze werkelijkheid. Temidden van onze omstandigheden treedt Hij bij ons binnen en verbindt zich met ons. In het evangelieverhaal is dat de vissersboot van de leerlingen en de tegenwind waarmee zij te kampen hebben, ook al is dat hun eigen onbegrip. Ook daar wil Jezus in binnenkomen. Geloven in iets dat buiten je staat of in iemand die geen deel van je leven uitmaakt is vrijwel onmogelijk. Maar wanneer we de werkelijkheid van Jezus, dat wil zeggen: dat wat hij betekent en waar hij voor staat, in ons leven toelaten, is het gemakkelijker in hem te geloven en hem bij ons te weten, ook wanneer het ons slecht gaat. 
Jezus is levende werkelijkheid wanneer we hem toelaten tot ons leven. Zonder een zijnsrelatie met God is geloven een intellectuele inspanning, onderhevig aan twijfel en drogbeelden, misschien zelfs wel fantasie. Jezus en wij zitten in hetzelfde schuitje, maar we gaan zeker niet met hem de boot in. Met hem komen we veilig aan de overkant. Veilig thuis.


Erkennen dat de ander is als wij, met eenzelfde verlangen naar een menswaardig bestaan, brengt de overkant dichterbij. Erkennen dat ons lot met elkaar verbonden is, maakt het makkelijker om elkaar als broeders en zusters te aanvaarden, hoe moeilijk die het ook soms met elkaar kunnen hebben. Je kunt mensen misschien ontvrienden, maar je kunt hen niet ontzussen of ontbroeren. We moeten dat ook niet willen, want de overkant bereik je alleen maar samen. Het is niet iets voor uitverkorenen, voor de happy few, het is zoals de wereld bedoeld is. En daar hoort ieder bij.

 

Levend in het (narratieve) spanningsveld van paradijs en rijk Gods, van heimwee en verlangen, herinnering en visioen zou het bewustzijn van de eenheid van onze wereld ons op het lijf geschreven moeten zijn.  Dit spanningsveld omvat immers ook de generaties van mensen van het begin tot de voleinding. Dit is tegelijkertijd de spanwijdte van ons religieus bewustzijn.

Dit bewustzijn in combinatie met de wereldwijde problemen aangaande vrede, veiligheid en leefomgeving doen me intens verlangen naar een klimaatverandering. Niet die waar vele klimaatdeskundigen ons voor waarschuwen. Ik verlang naar een ander klimaat van samenleven, een nieuw geestelijk klimaat. Ik verlang een einde aan de vervuiling van menselijke betrekkingen en de internationale diplomatie. Ik verlang intens naar een klimaat van openheid, eerlijkheid en acceptatie. Een klimaat waarin mensen zich niet bedreigd hoeven te voelen, niet opgejaagd. Waarin kinderen niet worden misbruikt voor welke doeleinden dan ook en zeker niet worden vermoord, omdat hun leven niets waard zou zijn. 
Kortom een klimaat dat in mijn opvatting overeenkomt met het visioen van het Koninkrijk. Daarom zouden we onze daden moeten normeren naar de ethiek van het Godsrijk, dat wat mij betreft een algemeen menselijk visioen is. Ons gedrag beoordelen naar wat het teweeg brengt; naar de consequenties en gevolgen voor dat visioen van een vervulde menselijkheid. Niet omdat het kan, maar omdat het moet. Amen.
 top

 

Overweging 22 juli 2018 
Maria Magdalena, groupie/apostel/verloste vrouw/ingewijde leerling? 

Lezingen: Sefanja 3, 14-17; 2Korintiërs 5, 14-18; Johannes 20, 11-18.
Rond Maria Magdalena is veel mythevorming. Zij zou de overspelige vrouw zijn, een dame van bedenkelijke zeden, de geheime geliefde van Jezus en zo meer. Er is een groot verschil tussen hetgeen over haar geschreven staat in de canonieke evangelies en wat over haar gezegd wordt. 
Dit nog afgezien van de wijze waarop over haar geschreven is in gnostische teksten uit de late eerste eeuw en tweede eeuw van de christelijke jaartelling. Mede door deze teksten is zij voorwerp van speculatie geworden. Bij de beeldvorming spelen natuurlijk ook andere belangrijke factoren een rol, namelijk het zicht op de vrouw in de joodse, vroeg christelijke, Grieks/Romeinse samenleving, de ideologie van de vroege kerk en merkwaardig genoeg een zesde-eeuwse pauselijke misvatting. 

De wijze waarop over Maria Magdalena gesproken wordt, wordt door ideologie bepaald, net zoals dat het geval is met Maria de moeder van Jezus en met Eva. De ideologische interpretatie van deze bijbelse vrouwen heeft geleid tot cultureel zeer dominante typologieën van de vrouw. De invloed daarvan heeft schade gebracht aan wat we nu ervaren als een normale en gewenste verhouding tussen man en vrouw. Het heeft zelfs in, wat we nu quasi, wetenschappelijke zin het beeld van vrouwen, en daarmee ook van  mannen, bepaald. 
Je kunt dus niet het feest van Maria Magdalena vieren zonder deze ideologische geschiedenis en zonder een hedendaagse verantwoording. Het gaat immers over de positie van de vrouw in de christelijke geschiedenis en daarmee ook in de dominante opvatting van de vrouw binnen de christelijk westerse samenleving. We hebben meestal geen idee hoever dat reikt. Die verborgen ideologie komt zelfs tot uitdrukking in de naam van de stichting van partners/vriendinnen van rooms-katholieke priesters: Magdala. Eigenlijk vind ik dat het toppunt van zelfontkenning. Het stoelt niet alleen op een verkeerde interpretatie van de figuur van Maria van Magdala, maar verheft de verborgenheid ook tot identiteit. Meestal om de positie van de priestervriend te beschermen. Ik ken daar heel veel voorbeelden van. Zelfs het schuldgevoel ten aanzien van de relatie is asymmetrisch. Zo werkt het christologisch priesterbeeld en het christelijk dienende vrouwbeeld door tot in onze tijd. 

In een tijd waarin mannen niet mogen schrijven over een thema als ‘de moeder de vrouw’, gebaseerd op een alleszins respectvol gedicht van Martinus Nijhoff,  moet je misschien terughoudend zijn om te spreken over vrouwen in de Schrift. Aan de andere kant gaat het ook om juist de ontmaskering van een mannelijke ideologie. En die geldt niet alleen de ontkenning van de rol van vrouwen in de vroege kerk, maar ook de ontkenning van de capaciteit tot het geestelijke bij vrouwen. Nota bene in het niet gecanoniseerde evangelie van Maria Magdalena wordt in twijfel getrokken of Jezus wel bijzondere dingen aan haar heeft geopenbaard. En dan met name omdat zij een vrouw is en Jezus alleen aan zijn mannelijke leerlingen de diepere betekenis van zijn leer zou hebben ontvouwd, zoals we dat in de canonieke evangeliën ook steeds lezen wanneer geschreven staat: “hij sprak in vergelijkingen, maar aan zijn leerlingen legde hij alles uit” of woorden van gelijke strekking.
In het eveneens apocriefe evangelie van Thomas staat in logion 114 na het bezwaar van Petrus dat Mariam (van Magdala) weg moet gaan uit het midden van de leerlingen, omdat vrouwen het leven (het eeuwige leven) niet waardig zouden zijn, dit antwoord (van Jezus): “zie, ik zal ze tot mij halen om haar mannelijk te maken, opdat ook zij een levende geest zou zijn, u mannen gelijk. Want elke vrouw die mannelijk zal worden, zal intreden in het rijk der hemelen”(Kijk in dit verband naar het tweede scheppingsverhaal waarin de mens door de levensadem van God een levende geest wordt. Adam is hier de hele mens, vóór de scheiding in man en vrouw).  
In dit Griekse begrip van sekse-gebonden mannen en vrouwen loopt mannelijk en vrouwelijk door de seksen heen. Ook de man kan vrouwelijk zijn, wanneer hij zich niet overeenkomstig de mannelijke genderbepalingen gedraagt. Niettemin is de genderbenoeming van eigenschappen (o.a. moed, geestelijk leven, verstand) als mannelijk en vrouwelijk even discriminerend als links voor het verkeerde handje en zwart voor alles wat negatief en kwaad is.

Niettemin verschijnt Maria Magdalena in de apocriefe en gnostische geschriften als de bijzondere leerling van Jezus aan wie hij de innerlijke betekenis van de leer heeft verkondigd, die zij op haar beurt ook aan de apostelen zou hebben verkondigd. De gnostische geschriften laten ook een controverse zien tussen haar en Petrus die niet wilde aannemen dat zij een bevoorrechte apostel zou zijn. Latere schrijvers vereenzelvigen haar met de zondares uit Lukas die Jezus de voeten wast en kust (lk 7,37 vv). Zij zien in haar het beeld van de zondige kerk die zich aan Jezus voeten vastklampt om met Hem te verrijzen,  zoals Maria Magdalena bij het graf  Jezus vastpakt (tegen alle regels in) om Hem vast te houden. Ook zeggen zij dat Jezus wel aan een vrouw als eerste zijn verrijzenis moest tonen, als teken van zijn overwinning op de dood die het gevolg van de zonde, aangezien een vrouw als eerste tot zonde had verleid. Allemaal niet bijster elegante verklaringen van iets wat schriftuurlijk niet ontkend kon worden. Namelijk dat Jezus als eerste is verschenen na zijn verrijzenis aan Maria van Magdala. Zij wordt dan ook in die zin wel als apostel erkend, echter zonder het gezag en het verkondigingscharisma van de mannelijke apostelen.

Het probleem van dit gegeven wordt vergroot doordat de Schrift verkeerd werd gehanteerd. Al vroeg werd Maria Magdalena vereenzelvigd met de zondares die bij een maaltijd bij Simon in Lukas 7, 37 en volgende verzen, Jezus de voeten wast en kust, maar ook wel met de overspelige die gestenigd dreigt te worden, met de vrouw die in Betanië Jezus de voeten zalft met het oog op, volgens Jezus, zijn begrafenis. Het bijbelse beeld raakt vermengd door de verbinding met deze bijbelse scenes waarin haar naam helemaal niet genoemd wordt. Die interpretatie wordt versterkt door een preek van Gregorius de Grote uit het eind van de zesde eeuw waarin hij over Maria Magdalena spreekt als de peccatrix, de zondares, die zich bekeerd heeft. Daardoor wordt deze menggestalte van Maria Magdalena als het ware pauselijk gesanctioneerd.
Thomas van Aquino (1225-1274) gaat terug naar de Schrift en noemt haar apostel van de apostelen. 
En als we eerlijk over haar willen spreken kijken we eerst naar de canonieke teksten, heel goed wetend dat ook deze in hun redactie en in hun canonisering bevooroordeeld zijn. Maar niettemin neemt zij daarin een bijzondere plaats in.

 

Er zijn niet zoveel verschillende Schriftplaatsen waar over Maria van Magdala gesproken wordt. In hoofdstuk 8,2 noemt Lukas haar als een van de vrouwen die Jezus volgen. Verder wordt zij bij alle vier de evangelisten genoemd rond het sterven en met name het graf en de opstanding van Jezus.

Lukas 8,2 noemt Maria Magdalena als een vrouw bij wie zeven demonen zijn uitgedreven. Bij een vrouw worden die demonen al snel met een ongeoorloofde seksualiteit in verband gebracht. Op grond daarvan en door de nabijheid in de tekst vond een verbinding plaats met de zondares die Jezus de voeten zalfde in hoofdstuk 7. Maar niets wijst erop dat die vereenzelviging gedaan kan worden. 
Dat zij van demonen bevrijd is geworden, waaraan in de evangelieteksten geen wonderverhaal ten grondslag ligt, lijkt eerder te duiden op haar inwijding in de spirituele weg. Het is een gnostisch gegeven dat men op weg naar bevrijding en verlichting van de geesten van begeerte, zelfzucht, identificatie en onwetendheid bevrijd moet worden. Ook in de algemene christelijke leer en levenswijze wordt dit van een goed christen gevraagd.  De vermelding van deze bevrijding van geesten bij Maria Magdalena wordt ook vermeld in het laatste en later toegevoegde deel van het Marcusevangelie waarin Maria Magdalena als boodschapper van de opstanding wordt ten tonele gevoerd (lees in dit verband hoofdstuk 16 1-8, het eerste einde van het evangelie, en het toegevoegde deel 16, 9-20). 
Lukas noemt haar op deze plaats (8,2-3) als een van de vrouwen die Jezus van nabij volgen. Die net als de overige leerlingen uit de intieme kring van vrienden, de chevraja (de inner circle van de leerlingen van een rabbi), leerling is en die bovendien uit eigen middelen samen met de andere genoemde vrouwen Jezus en zijn discipelen financieel ondersteunt. Zij is niet zomaar iemand, maar een sociaal, financieel en spiritueel onafhankelijke vrouw, die, aangetrokken door de leer die deze wonderlijke rabbi verkondigt, hem volgt en door hem onderricht wordt. Zij blijft bij hem tot het eind en wil hem tot in het graf verzorgen.

De vier gecanoniseerde evangelisten betrekken allen Maria Magdalena in de grafscene. De Marcusredactie voegt er zelfs een extra stuk tekst voor toe aan het evangelie.
Als de bijzondere leerling van Jezus is zij de eerste getuige van de verrijzenis, wellicht omdat zij door hem is ingewijd en omdat zij hem trouw is gebleven tot onder het kruis en tot aan het graf. Haar valt de taak toe de apostelen, die het af hebben laten weten op het eind,  de verrijzenis van Jezus te verkondigen. Zij verkondigt hun nieuwe hoop en de realiteit van de belofte waaraan de leerlingen twijfelden door de dood van Jezus. Daardoor is zij met recht apostel van de apostelen. Amen.
 top

 

Overweging 15 07 2018 
Traveling light

Lezingen: Amos 7, 7-15; Efeziërs 1, 1-14; Marcus 6, 6b-13.
Het is een tamelijk modern verschijnsel om met een minimum aan bagage op reis te gaan. Traveling light. “We hebben lekker weinig bij ons en we zien wel waar we uit komen” wordt dan gezegd. We kunnen dat doen op grond van de luxe omstandigheden waarin we leven. Het is geen teken van armoede om met bijna niets te reizen. Wel in een aantal gevallen een uitdrukking van verlangen naar eenvoud. Het is, mede daardoor, vreemd genoeg, een teken van welvaart. Maar het getuigt ook van de luxe omstandigheid te kunnen leven met een gevoel van vrijheid, met een groot vertrouwen in de veiligheid en de betrouwbaarheid van onze wereld, ook de voor ons onbekende delen van de wereld. We gaan op weg met een bijna vanzelfsprekende onberedeneerde aanname dat de wereld daar lijkt op wat we hier gewend zijn. We beseffen niet hoe groot de luxe is van een dergelijk levensgevoel. Tegelijk kan ons dat ook naïef maken. We gaan op weg met niet veel meer dan onze smartphone en onze creditcard, waarmee we iedereen kunnen bereiken, alles kunnen opzoeken en overal kunnen betalen. Tenminste, daar gaan we van uit. Soms gaat het natuurlijk mis en dan blijkt hoe afhankelijk we zijn van onze naaste van dat moment. 
Zelf heb ik wel eens ‘s avonds op een vrijwel uitgestorven vliegveld gestaan in Midden India waar bleek dat mijn vlucht naar Mumbai gecanceld was. Om middernacht moest ik op Mumbai International Airport een vlucht halen naar huis. Zonder de spontane hulp van een vriendelijke jongeman zou ik nooit een andere vlucht hebben gevonden die me precies op tijd naar Mumbai kon brengen. 
Je weet nooit wie je naaste is of wie zich als zodanig openbaart. 
Door vertraging in het vervoer van het ene vliegveld naar het internationale in Mumbai kwam ik alsnog te laat. Maar door een bommelding waren alle vluchten uitgesteld en kon ik alsnog na anderhalf uur naar Amsterdam vliegen. De wereld steekt raar in elkaar.

Jezus stuurt zijn leerlingen ook light op weg met één stel kleren, een walking stick, of gaostok, als minimale bescherming, één paar sandalen en zonder geld of pinpas. Zij gaan op weg om te getuigen van de nabijheid van het koninkrijk. Niet in hun uppie, maar twee aan twee, want er zijn twee mensen nodig voor een geldig getuigenis. Juist om de aard van het koninkrijk te openbaren gaan zij niet beladen met evangelieboeken en geld voor de armen op reis. Zij gaan als armen onder de armen. Om aan armen de blijde boodschap te verkondigen. Daarbij gedragen zij zich niet rijken. Zij maken zich afhankelijk van de gastvrijheid van de plaats waar zij maar komen. Want juist in die dynamiek van de ontvankelijkheid van en voor de ander openbaart zich het koninkrijk van God. Welk ander getuigenis zouden zij kunnen geven. Door zegenend en weldoend rond te gaan en als vreemden door naasten ontvangen te worden. Vreemden worden naasten en bezoekers zijn tot zegen. Zij drijven de boze geesten van vreemdelingenhaat uit en genezen van de ziekte van zelfzucht. 

De leerlingen gaan op reis, net als wij  in groot vertrouwen, maar zij gaan ook als getuigen van dit vertrouwen. Zij laten zien dat zij geloven in wat zij verkondigen en zij doen wat zij zeggen. Zij gaan en komen in gerustheid, niet op grond van welvaart, maar van het shalom van het koninkrijk der hemelen dat aan ons nabij is. En het is er wanneer we de grenzen tussen mensen  durven op te heffen. Wanneer we geen muren tussen elkaar optrekken. Niet langer bang zijn voor elkaar. Wanneer we elkaar niet als vreemdeling betitelen, maar als zuster, broeder, tochtgenoot, naaste.
In hun optreden zijn de leerlingen de nabijheid van het rijk der hemelen dat in Degene die hen zond aan hen geopenbaard is. Het is geen hiernamaals, maar menselijke werkelijkheid. Het rijk der hemelen gaat om menswording. Om de menswording van de mens en de menselijkheid van de wereld. Het is geen ontkenning van de wereld. Het neemt de menselijke werkelijkheid radicaal serieus als vertrekpunt en aangrijpingspunt van de groei van het koninkrijk Gods.


De wijze waarop de leerlingen gezonden worden, een paar kleren, sandalen, geen geld, doet denken aan het boek exodus en aan de nacht waarin de slaafgemaakte Joden haastig moeten eten, sandalen aan de voeten en staf in de hand om bij het krieken van de ochtend, bij het eerste licht, op weg te kunnen gaan. Het licht achterna en beschermd door de mist. Op weg naar een nieuwe wereld met niets anders dan een belofte en op geleide van een trafficker in wie zij geloven, Mozes, een halve Egyptenaar en jood die opstond tegen het regime. Die woorden van bevrijding verkondigt, preekt over uitredding en over een nieuw thuisland vol van mogelijkheden en overvloed. En zij gaan op weg, lopen vast op het water, dat zich verdeelt, en bereiken de overzijde voor een lange tocht over land. Tot zij aankomen in een land dat hun in het vooruitzicht is gesteld, maar waarin zij niettemin hun plek moeten bevechten. 

Zo gaan mensen haastig op weg met niets anders dan een belofte en een verwachting, een bundeltje of een rugzakje met wat spullen. Begeleid door traffickers die hun van alles beloven en in het vooruitzicht stellen. Die hun niet zelden van hun laatste dingen beroven.  ’s Nachts in een gammele vrachtauto door de woestijn, onder bescherming van de duisternis op weg naar het licht. Met hoop die alleen gevoed wordt door de erbarmelijke omstandigheden waar zij vandaan vluchten op weg naar den vreemde. Zij lopen vast op het water dat niet vaneen wijkt. Waar wrakke bootjes hen opnemen. Een deel wordt verzwolgen, een deel wordt gered en bereikt de overzijde waar nieuw land ligt met hoop op nieuw leven. Waar ook voor hen een lange tocht begint over land, of het lange wachten. Vreemden onder vreemden. Zij zien uit naar een vreemde die zich als naaste openbaart; Naar iemand die in hen de mogelijkheid ontdekt van een nieuwe wereld. Konden we zo maar naar elkaar kijken. In de wetenschap dat het koninkrijk der hemelen niet van ons afhangt, maar van de ander. Dat het via de ander gaat. Op het moment dat de willekeurige ander een naaste wordt. Zo nabij is het koninkrijk.


Op die bewuste avond werd ik van bezitter tot balling in een vreemd land en tot arme europeaan die geholpen moest worden. Ik was alleen, tot een naaste mij vond die me hielp. Ik geloof dat het koninkrijk der hemelen zo werkt. Het wordt geopenbaard waar mensen erkennen dat zij elkaar nodig hebben. Waar mensen elkaar tot zegen zijn.


Wanneer we ons gedragen als rijken, als mensen die alleen maar gebruik maken van anderen, maar menen de ander niet nodig te hebben, dan kan de dynamiek van het Godsrijk niet tot stand komen. Het loopt dood op de zee van arrogantie waarin men uiteindelijk verdrinkt. Als leerlingen van Jezus zijn we in de wereld gezonden om elkaar te helpen, te bevrijden van kwade geesten en om elkaars kwalen te genezen en elkaar te helen. De geesten en ziekten die ons verhinderen mens te worden en mens voor en met mensen te zijn. Hoogmoed, verdeeldheid, zelfzucht, naijver, angst en haat. Dat vraagt bekering. Niet als vrome en deemoedige godsdienstoefening van schuldbesef (die vaak ook nog eens een ongezonde zelfverheffing is), maar een zich open omkeren en omzien naar elkaar. Dit vanuit het besef van de radicale verbondenheid en eenheid van de schepping en als schepping de eenheid en verbondenheid met God. Die eenheid kan niet ontbonden worden zonder het verlies van onze identiteit en wie we als mens zijn.  
Je weet nooit wie je naaste zal zijn en iedere mens draagt het geheim van het koninkrijk in zich. Mogen we leren elkaar zo tegemoet te treden, in het volste respect voor het geheim dat God in ons kan openbaren. Amen.
 top


Overweging 8 juli 2018
Als mensen niet geloven

Lezingen: Ezechiel 2, 1-7; 2Korintiërs 12, 1-10; Marcus 6, 1-6.
“Als niets van wat je doet voldoet, wat doe je dan nog?” 
Dit is een voorbeeld van een moderne koan, een zenraadsel. Zenraadsels zijn bedoeld zijn om de leerling op het verkeerde been te zetten en aan te sporen om anders te denken. Om dat wat hij denkt te weten op te geven en opnieuw te kijken. Niet zoveel anders dan wat Socrates deed met zijn leerlingen. Met een verwijzing naar het beroep van zijn moeder, zegt hij zijn leerlingen te willen verlossen van het idee dat zij iets weten om van daaruit tot kennis te komen.  
Zo willen ook verhalen in de Schrift onze blikrichting omkeren. Ons leren om onze werkelijkheid om te denken, om anders naar onszelf en de wereld te kijken. Vanuit het standpunt van de Belofte en de Verwachting, het verlangen naar verlossing. Daartoe maakt het vaak gebruik van omkeringen. De hoge wordt verlaagd en de geringe verhoogd. Er wordt gespeeld met duister en licht, nacht en dag, wijs en dwaas, machtig en onmachtig. 
In de verhalen hier lijkt het te gaan om het vermogen om in de wereld iets gedaan te krijgen. Iets wat dan van doen heeft met bevrijding. Bezien vanuit het standpunt van bemeestering en vanuit het ogenschijnlijk passieve standpunt van geloof. Ze komen grofweg samen in de vraag: ‘wie is het die handelt?”

Onder ons mensen leeft sterk de overtuiging dat we onze wereld kunnen vormgeven. Door technologie en op basis van ideeën. En voor een groot deel is dat ook zo. Toch blijkt telkens weer dat onze ideologieën en ons vermogen de werkelijkheid te manipuleren tekort schieten. De wereld gedraagt zich complexer dan we denken en onze doelstellingen zijn beperkt. Gericht op deelbelangen, bijvoorbeeld alleen economie, machtsevenwicht of nationalisme. 
Anderzijds heeft de opvatting dat wij niets aan ons geluk en ideaal kunnen doen en dat uitsluitend God op zijn tijd de wereld verlost aan aanhang verloren. ‘Das schaffen wir’ en ‘eens komt de grote zomer’ kennen beide zo hun echec. 
Op grond van de schepping, van de belofte en van het verbond geloof ik overigens niet zo in of het een of het ander. Maar dat is natuurlijk al een zeer bepaalde gelovige kijk op onze werkelijkheid. Ik geloof in de relationaliteit. In God en mensen samen. Daarbij gaat het me niet om God en mens te definiëren, maar om te zien wat er op grond van die inzichten tussen hen met de wereld gebeurt. Ons handelen en onze verwachtingen en onze hoop worden immer door die relatie gevoed. We staan niet op onszelf, niet als individu en niet in de tijd. Bovendien is de tijd voor de gelovige geen onverschillig gegeven, maar fungeert in de dynamiek van Gods heilsbelofte en het menselijk bestaan.

We zien vandaag Paulus en Jezus optreden. 

Al in het voorgaande hoofdstuk heeft Paulus uiteengezet dat hij zichzelf niet op de voorgrond wil zetten, maar hij wil wel in verweer komen tegen en de gemeente behoeden voor verkondigers die wel met de eer willen strijken, maar niet Christus verkondigen, doch zichzelf. Hij heeft in dat hoofdstuk reeds verwezen naar zijn kennis en hier gaat het door. Het begin van het verhaal is een quasi bescheiden exposé van zijn persoonlijke openbaring. 
Hij verhaalt over een mens die 14 jaar voor deze brief een ervaring had. Het gaat kennelijk over zijn bekering en zijn inwijding in de geheimen van het koninkrijk. Dit is een vrijwel onbetwistbare aanspraak op de autoriteit van zijn optreden. Wat hij verkondigt is hem direct geopenbaard. Hij heeft de Pardes, de tuin, betreden. De omheinde hof van de diepere betekenis van de Thora. 
Eli Wiesel vertelt in zijn ‘Talmoedisch eerbetoon’ de spirituele mystieke ervaring van Akiva en drie vrienden die willen doordringen in de leer van het koninkrijk. Zij komen er niet zonder kleerscheuren van af. Alleen Akiva verlaat de tuin in vrede. Ook Paulus ontvangt in deze mystieke weg een doorn in het vlees, zoals Jakob in zijn kennismaking met God een mankement ontvangt. Kennis van het goddelijke moet tot deemoed leiden en niet tot hoogmoed. Hoe groter de kennis, hoe dieper de deemoed. Dat geldt ook voor Paulus. Natuurlijk handelt hij en is onvermoeibaar in zijn verkondiging. Hij is al ettelijke keren verdreven, gestenigd, geslagen, in de gevangenis geweest, hij heeft op zee gedreven, is beroofd en wat niet al. En alles in zijn zorg voor de gemeenten van Christus. Hij mag in zijn ijver een dwaas lijken, maar is het niet. Hij weet waarover hij spreekt en wil alleen beoordeeld worden op zijn getuigenis. Hij roemt op zijn zwakheid want dat behoedt hem voor eigenwaan en opent de ruimte waarin Gods kracht zich kan openbaren. 
Kennis van het goddelijke is immers niet gelijk aan het vermogen om verlossend te handelen. Het is afzien van weten, loslaten van zelf doen. Kleiner worden om groter te zijn.

Het andere verhaal, dat over Jezus, laat zien dat ook goddelijk handelen niet zonder meer verlossend is. 
Wanneer je iemand niet kent ben je misschien meer geneigd om iemand op face value te beoordelen. Op het niveau van facebook zeg maar.  Wanneer je iemand kent heb je de neiging deze mens gevangen te houden in het verhaal dat je van diegene kent. Je hebt de neiging om een onbekende die ambassadeur op een aanzienlijke standplaats is hoger in te schatten dan een vriendje uit je klas die dat is geworden. Dom, maar waar. En iemand die je lager inschat kan het niet gemakkelijk goed doen. Zelfs wanneer die goed doet. Kinnesinne en gebrek aan geloof in de kwaliteiten van de ander. Het lot van de profeet in eigen stad.
Er staat geschreven van Jezus dat hij in zijn eigen stad niet veel krachtdaden kon doen, niet in staat was om zijn kracht te ontplooien. Behoudens een paar genezingen. Ikzelf zou al heel blij zijn wanneer Gods kracht zich zo in me zou openbaren. Maar het verhaal vertelt ook dat Gods kracht ontvangen moet worden. Geen openbaring zonder receptie; geen wonder zonder geloof.  Geloof is immers de openheid om in verschijnselen Gods werk te kunnen zien en als zodanig te ontvangen. Openbaring is de gelovige benoeming van die openheid. Geloof en openbaring staan nergens in spanning. Zonder geloof kunnen we wel verschijnselen waarnemen, en ook ons daarover verwonderen, maar nooit het wonder van Gods openbaring ervaren. Geloof laat ons de wereld lezen als de ontmoetingsplek van God en mensen. Dat is geen rimpelloos verhaal. Het wordt voortdurend bevraagd op betekenis en die is niet zonder meer voorhanden. Het is spannend en serieus en het kent meerdere personen. De relationele werkelijkheid van God en mensen is even weerbarstig als die van mensen onderling. Maar we verlangen allen naar hetzelfde doel.
 
In zijn Nieuwsbrief “blijf erin geloven en wanhoop niet” citeert Ton Lathouwers Elie Wiesel als volgt: “Men moet wel waanzinnig zijn om te geloven dat wij mensen kunnen verlossen, dat wij de mensheid kunnen redden, dat wij elkaar heden ten dage kunnen helpen. Maar ik pleit voor zo’n waanzin. Ik pleit voor mystieke waanzin, een waanzin die maar één obsessie kent: verlossing… niet zozeer voor onszelf maar voor iedereen. (…) Precies wanneer wij de uiterste grens van de wanhoop hebben bereikt, wat gaan wij dan doen? Daar blijven staan? Voor altijd? In onze traditie is wanhoop nooit het antwoord. Het is de vraag. De vraag van alle vragen. En er komt geen antwoord. Er kan geen antwoord komen. Wat ga jij dan doen?” 
Stoppen met handelen is geen optie. Maar wel het doorbreken van de identificatie van het handelen met de eigen persoon, het ik. De eenzijdige zelfgerichtheid van ons handelen en de toe-eigening van het resultaat ervan.
De vraag “wat doe je wanneer je weet dat alles wat je doet niet voldoet?” is een fundamenteel ethisch appel. De oproep om als mens te blijven handelen, ook al weet je je handelen ontoereikend. Omdat je ervan overtuigd bent dat wanneer dit niet gebeurt de ontmenselijking van de wereld toeneemt. We kunnen de verlossing van de wereld niet bewerken, maar we kunnen deze wel faciliteren. Wanneer we geloven dat in ons handelen God en mensen inbegrepen zijn. Dat ons doen opgenomen is in het onderling afhankelijk netwerk van het geheel van God en medemensen dat verlangt naar verlossing. Amen.

 top

 

Overweging 1 juli 2018  
aangeraakt 
Lezingen: Spreuken 3, 1-8; 2Korintiërs 8, 9-15; Marcus 5, 22-43. 

Aanraken is een precaire aangelegenheid. In onze samenleving is het bijna besmet geraakt en in sommige andere samenlevingen is aanraking taboe. Wat in een bepaalde situatie normaal is, en zelfs gewenst, is in een andere situatie volstrekt onaanvaardbaar. Er zijn belangrijke culturele en religieuze verschillen in geschreven en ongeschreven regels die zich bovendien door de tijd ontwikkelen.

Binnen een streng islamitische of Joodse omgeving geeft een man een vrouw geen hand. Dat heeft met afstand en reinheidswetgeving te maken. Bij ons lopen jonge mannen in het algemeen niet hand in hand, ook al vliegen ze elkaar bij een doelpunt in de armen. In het Oosten is het volstrekt gebruikelijk dat zij hand in hand lopen of met de arm over de schouder.  

Een wildvreemde raak je niet zomaar aan, tenzij het je beroep is. In de lift en de bus staan we in principe zover mogelijk van elkaar af, tenzij het niet anders kan, maar dan kijken we elkaar bij voorkeur niet aan.  Binnen pastorale en andere professionele relaties moet je nog meer dan vroeger beducht zijn voor aanraking.

Aanraking is van een sociaal aanvaardbare vorm van communicatie tot iets geworden van het strikte privédomein en voor uitzonderlijke gelegenheden; het is al snel laakbaar, verdacht, of strafbaar. Het resultaat van teveel ongewenste en ongezonde aanraking. We moeten zoeken naar nieuwe vormen.

Jezus raakt met grote regelmaat mensen aan en mensen proberen ook hem aan te raken, zoals omstanders de koning, de bisschop van Rome of een ander idool proberen aan te raken. Alsof daarmee iets van de aangeraakte op hen overgaat. In het geval van Jezus is dat zeker zo. Zijn aanraking is zonder uitzondering heilzaam.

Vandaag gaat het verhaal over twee vrouwen en het tafereel is een drieluik. In het centrum Jezus in de menigte en daarin een vrouw die hem aanraakt. Het linker paneel de overste van de synagoge die voor Jezus te voet valt en hem vraagt zijn dochtertje te genezen. Het rechterpaneel toont Jezus in de kamer van het meisje terwijl hij haar bij de hand pakt en opricht. Ik hoop dat u het enigszins voor u ziet.

De twee verhalen zijn aan elkaar gekoppeld en hebben van doen met overgangen in het leven van een vrouw. Van meisje naar jonge vrouw en van vruchtbare vrouw naar oudere dame. De beide situaties markeren de periode van lichamelijke vruchtbaarheid, begin en eind. Daarmee ook de sociale verplichtingen en verwachtingen, de afhankelijkheid, plaats in de samenleving, wat je als vrouw wel en niet mag doen.

Het meisje is jong, twaalf jaar blijkt uit het rechter paneel. Geen kind meer en nog net niet huwbaar ( zij is na’ara); tussen tafellaken en servet. Als de dood kennelijk voor wat haar te wachten staat. Misschien zou zij het liefst kind blijven, zoals het jongetje Oskar Matzerath  uit Der Blechtrommel van Günther Grasz of zoals Peter Pan, ook een jongen die niet volwassen wil worden, een figuur geschapen door James Barrie.
Hoe het ook zij, zij schuwt de overgang naar een onvermijdelijke volgende levensfase. Jezus pakt haar bij de hand en doet haar opstaan. Zij staat op uit haar verlamming en loopt rond. Als teken van haar genezing laat Jezus haar eten geven.

De andere vrouw bevindt zich in haar nadagen. Zij schuwt de oude dag waarin zij niet huwbaar meer is en afhankelijk wordt van naastenliefde. Zij vloeit al twaalf jaar uit de bron. Zij is derhalve onrein en kan zich eigenlijk niet onder de mensen begeven. Dwars door de conventies en verboden in neemt zij haar recht in handen en raakt Jezus aan om te genezen. Terstond stopt de bloeding. Zij kan als oudere vrouw haar plaats in de samenleving innemen met alle rechten vandien.

Ook hierin, in deze concrete omstandigheden van een mensenleven, maakt God in Jezus zijn naam waar als degene die redt en uitkomst biedt. Hij verlost beiden van de situatie waarin zij gevangen zaten, zodat zij verder kunnen en zich weer binden en toevertrouwen aan het leven.   
Elke levensfase heeft zijn eigen uitdagingen, problemen en mogelijkheden. We kunnen de gang van het leven niet stoppen. Niet voor de drempel van de volgende fase blijven staan. Om de volle maat van het leven te leven moeten we kunnen loslaten en ontvangen. Het heden loslaten om het nieuwe heden te ontvangen. We willen ons graag vasthouden aan de status quo, zijn een beetje bang voor veranderingen. Je weet wel wat je hebt, maar niet wat je krijgt. De interventie van Jezus vertelt juist dat in elke nieuwe situatie je ontvangt wat je nodig hebt om die te leven.


Voor Gods toekomst, misschien beter gezegd, voor het heden van zijn koninkrijk geldt hetzelfde. We moeten ervoor kunnen loslaten om het te ontvangen. Loslaten wat we zijn om te worden wie we zijn. Afstand doen van de realiteit zoals we die kennen om ons in te zetten voor de werkelijkheid die we verwachten en waarnaar we verlangen.
Daarvoor moeten we in onze wil ruimte maken voor de wil van God. Of zoals de eerste lezing het zegt: “vertrouw op de Heer met heel uw hart en verlaat u niet op uw eigen inzicht. Denk aan Hem op al uw wegen”.
Dat is moeilijk voor ons, om onze eigen wijsheid ondergeschikt te maken aan de wijsheid van God. We weten het zelf immers zo verschrikkelijk goed (met name voor een ander!). En in ieder geval beter dan de buurman, de MP of de directie. Emancipatie is voor ons gelijk geworden aan de eigen maat. Wij zijn zelf maatgevend. Dat maakt het vrijwel onmogelijk om met respect en een open geest naar een ander te luisteren.
Toch willen we ons spiegelen aan Jezus en verlangen we door hem gered te worden. Daarvoor moeten we ons aan hem toevertrouwen. De hand uitstrekken naar hem om door hem aangeraakt te worden en naar lichaam en ziel genezen te worden, zodat we verder kunnen met het leven in de richting van het koninkrijk der hemelen.


Hij die zelf, zoals Paulus schrijft, arm is geworden om onzentwil, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. Deze armoede en rijkdom zijn natuurlijk niet in materiële zin bedoeld. Jezus heeft zich ontledigd door ons menselijk bestaan op zich te nemen. In hem is God naar ons toe gekomen om ons tot zich te trekken en met hem te verenigen. Hij heeft zijn leven gegeven en over ons uitgestort, opdat wij tot waarlijk en voluit leven zouden komen. Dit leven ontvangen hebbend mogen wij ook elkaar tot leven strekken. Dit niet voor onszelf houden maar delen zoals Jezus het heeft gedeeld. Alleen zo kunnen we het namelijk behouden. We moeten het geven om het te kunnen ontvangen. Daar worden wij niet armer van, maar geestelijk rijker.

Maar meestal zijn we bang voor dat ondeelbare moment tussen gegeven hebben en nog niet ontvangen. We zijn bang dat wanneer we onszelf en wat we te bieden hebben weggeven, dat wil zeggen, investeren in het rijk Gods, we met lege handen komen te staan en niets ontvangen. Eigenlijk is dat gebrek aan Godsvertrouwen en aan geloof. 
Om ons te binnen te brengen waar het om gaat binden we het woord van God aan ons hart en in ons verstand, zijn woord van liefde en trouw. En we zingen erover om ze niet te vergeten. Want vergeten is de dood in de pot. In psalm 119 zongen we daarom: “Hoe houdt een jong mens zich vrij van schuld? Door naar uw woord zijn weg te richten. Ik zoek u met heel mijn hart, laat me niet afwijken van uw geboden. De weg van uw geboden verblijdt mij meer dan rijkdom en overvloed. Uw wetten zijn voor mij een vreugde, nooit zal ik uw woord vergeten”. 


Het is het psalmdeel dat staat onder de strofe met de letter ‘bet’. Die letter staat voor ‘huis’. Leven naar het geschreven woord van de Heer en het Levend Woord Jezus,  in vertrouwen op God en in vreugde om zijn wet, brengt ons in het huis van God. Niet zozeer in het hiernamaals, maar nu reeds, aangezien we leven voor zijn aangezicht en naar zijn geboden. Het leert ons onszelf los te laten en de verworvenheden van de wereld, zodat we kunnen worden wie we zijn in Gods ogen, kunnen groeien in menselijkheid en zo het aanschijn van de aarde vernieuwen en haar maken tot een huis voor alle mensen. Amen.
 top

 

Overweging 24 juni 2018
Geboorte Johannes de Doper, op de drempel van een nieuwe tijd 


Lezingen: Jesaja 40, 1-8; Handelingen 13, 14b-26; Lucas 1, 57-66.
Vandaag vieren we de geboorte van Johannes de Doper, de neef van Jezus van moeders kant. Zijn naam geeft aan dat in hem Gods genade zichtbaar wordt en dat hij Gods genade belijdt in zijn verkondiging. Een genade die zichtbaar wordt in zijn geboorte en in zijn oproep tot bekering en levensvernieuwing; en ook in zijn verkondiging van het nieuwe dat God in Christus tot stand brengt. Hij wijst Jezus aan als het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt. Een boodschap die bij velen in goede aarde valt, verlangend als men is naar bevrijding van onderdrukking en naar een herstel van het verbond. Johannes had vele volgelingen, zodanig dat men in hem ook wel de Messias zag, wat hem doet zeggen: “ik ben de Messias niet”. Verlangen naar het nieuwe lijkt wel een universeel verschijnsel. Niet alleen als religieus verlangen, maar ook als seculier wereldlijk verschijnsel.

Het is zowat 50 jaar geleden dat ik in het Londense Shafterbury theatre de musical Hair bijwoonde. Het was echt wat je noemt een event, en voor mij een zeer indrukwekkende belevenis. De hippie flower power rock opera doorbrak allerlei taboes (gesymboliseerd door de lange-haardracht) met betrekking tot seks, gender, ras, normativiteit, vijanddenken, burgerlijke kaders, gezag en persoonlijke vrijheid. In die tijd was daar natuurlijk al stevig aan gerammeld, maar hier kwam het bij elkaar in een overrompelend theaterstuk. En heel de zaal werd erin meegenomen. Een van de nummers heet Aquarius en gaat over het aanbreken van het tijdperk van Waterman, een van de 12 tekens van de dierenriem. Een tijdperk naar verluidt gekenmerkt door creativiteit, persoonlijke verdieping en spirituele groei, verbondenheid, innerlijke vrijheid, intuïtiviteit, heelheid. De dageraad van een nieuwe tijd, een New Age van holisme en verbondenheid in plaats van macht en verdeeldheid. Een zeer aansprekend ideaal waarin we ook graag wilden geloven, hoewel we meer inzetten op vrijheid dan op holisme. Dat zal wel met de leeftijd te maken gehad hebben ;-). Niettemin werd ik erg aangesproken door het idee van een universeel bewustzijn dat alles met alles verbindt. Ik had werkelijk het gevoel dat hier het begin van iets nieuws plaatsvond.

Dit uitzien naar een nieuwe tijd en het geloof in de mogelijkheid ervan treffen we in vele culturen aan. Het sluit aan bij de cyclus van dag en nacht, van herfst, winter en lente en zomer, die dan ook als metaforen voor tijden van verval en opbloei gebruikt worden. Denk maar eens aan een titel als Herfsttij der Middeleeuwen, het grote werk over het einde van de Middeleeuwen van Johan Huizinga en De Ondergang van het Avondland (Untergang des Abendlandes) over het einde van de westelijke cultuur door Oswald Spengler. Aan de andere kant beschikken we over utopische fantasieën, aangezien de verlangde wereld niet voorhanden is. Zoals bijvoorbeeld Walden, een sociaal experiment van de psychiater en schrijver Frederik van Eeden, Utopia van Thomas More waarin hij de ideale staat beschrijft, zoals Karl Marx in das Kapital de groei naar een voor hem  ideale samenleving uiteenzet. Deze voorbeelden maken duidelijk dat men de wereld zoals die is, niet ideaal vindt. Dat en de manier waarop men de mens, als individu en sociaal wezen, beoordeelt liggen ten grondslag aan de maatschappelijke vernieuwing of omwenteling. 
Maar meer nog dan het werken aan een goede wereldordening onthult het verlangen naar een nieuwe tijd dat we onze wereld in meerdere of mindere mate als een dystopie beschouwen, als een plek waar we ons eigenlijk niet helemaal thuis voelen, en die soms bedreigend en angstwekkend is.  Het verlangen heeft van doen met onze eigen existentie. Het is het antwoord op een onzeker en bedreigd bestaan. 

In de Schrift wordt het aangeduid als van God verwijderd zijn, als verweesd zijn, als woestijn, ballingschap, duisternis en gebrek aan toekomstperspectief. Het verlangen sluit in de gestalte van hoop aan bij de trouw van God. De beelden die bij dit verlangen horen zijn: thuiskomst, voorspoed en veiligheid, nieuwe hemel en nieuwe aarde, nieuwe schepping.

We zingen dit verlangen en deze hoop biddend uit in lied Gb 709 van Ad den Besten: “Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild, hebt boven ’t nameloze mij uitgetild. Laat mij dan dankbaar leven de volle tijd, geborgen in de bevende zekerheid, dat ik niet uit dit smal en onvast bestand van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand”. 
Het drukt uit dat we dit bedreigd bestaan eigenlijk alleen in dankbaarheid en gerustheid, hoe wankel die ook kan zijn, kunnen leven in het geloof dat ons bestaan, in beginsel en uiteindelijk, in Gods hand geborgen is.


De dageraad van een nieuwe tijd en een nieuwe schepping. Daarmee associeer ik Johannes de Doper. In het Oosten wordt hij Prodromos genoemd, de Voorloper. Hij loopt vooruit op en verwijst naar wat en met name naar wie na hem komt. Namelijk naar Hem in wie een nieuwe schepping zich aandient en die ons bestaan boven het nameloze uittilt en een naam bij God geeft. En dit alleen maar op grond van diens genade. In menselijke zin wordt deze geopenbaard in de geboorte van Johannes zelf bij een oud en kinderloos echtpaar. In religieus menselijke zin in zijn verkondiging van de Messias, de Gezalfde van God die het kwaad van de wereld wegneemt. Zo staat zijn oproep tot bekering in lijn met de verlossing van zonden. Met de naam Johannes, God is genadig, wordt als het ware de menselijke  lijn van het bloed doorbroken. Hij wordt niet naar zijn biologische vader genoemd, maar ontvangt een naam waarin Gods werkzaamheid onder de mensen oplicht. Hetzelfde gebeurt nog sterker in Jezus. 


Met de Messias breekt een nieuwe tijd en een nieuwe schepping aan. Dat wil zeggen: niet absoluut nieuw, maar een nieuwe fase in het verbond, een nieuwe gestalte van Gods belofte en een nieuwe openbaring van zijn trouw. De bekering die Johannes preekt maakt de weg recht en maakt ruim baan voor de komst van de Messias en daarmee voor de vervulling van de schepping. Het is de dageraad van het eschaton, de definitieve vervulling van Gods belofte, de belofte die eigenlijk het brood voor onderweg is waar het Godsvolk van leeft, het woord van God dat stand houdt in de tijd, zolang die ook maar duurt.

Aangezien Johannes opereert op de drempel van de vervulling wordt hij ook gezien als Elia, van wie het verhaal gaat dat hij zou verschijnen bij de komst van de Messias. Daardoor wordt ook Jezus geïdentificeerd als die Messias. De verhalen betreffen dan ook  geen historiografische waarheid, het is heilsverkondiging. Erop gericht om Gods grote daden van genade en barmhartigheid en verlossing te verkondigen. Verhalen die ons vertrouwen en geloof versterken.

De nieuwe schepping komt niet zomaar tot stand, zo leert de ervaring ons. Een beleving van de bevrijdende kracht van het nieuwe betekent nog niet de verlossing van de wereld. De vervulling van de belofte geschiedt op zijn tijd. Maar dat betekent niet dat we gedwongen zijn lijdzaam af te wachten: ‘stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw”. In Christus is de belofte vervuld en is de nieuwe schepping gekomen. Ook voor ons, zij het in hoop. Zij het in geloof en niet in de aanschouwing. 

Wij worden vernieuwd door het geloof en door omkeer. Dat is het revolutionaire inzicht. Dat de nieuwe schepping niet buiten ons is, maar in ons. “Wie in Mij gelooft heeft eeuwig leven”, zegt Jezus in het Johannesevangelie. Paulus schrijft in zijn tweede brief aan de christenen van Korinthe: “zo is dan iemand die in Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is er al”. De wereld wordt niet vernieuwd, wanneer wijzelf niet vernieuwd worden.
In doop en eucharistie ontvangen we die nieuwe schepping en de identiteit van Christus. Dat is de naam die we bij God ontvangen: geliefde, gezalfde. Dat is de betekenis van de zending die we na de communie ontvangen met de woorden: “blijf in Christus en Christus blijft in u”. Daarmee zijn we teken van Gods aanwezigheid in de wereld. De nieuwe schepping die oplicht in de oude wereld. Onafhankelijk van het tijdperk waarin we leven. Gods tijd is nu. 
Het lost de enorme problemen van de wereld niet op, maar het geeft er wel perspectief aan. Het biedt bovendien een handelingsrichting. Wanneer we in Christus zijn, gaan we anders met de wereld en onze medemensen om. Ook daarin wordt het nieuwe zichtbaar en tastbaar. Mogen we dan telkens weer de geestkracht ontvangen om te blijven geloven in onze idealen en visioenen in het vertrouwen dat zij aansluiten bij de bedoeling van de schepping. Amen.

 top 

 

Overweging 17 juni 2018 
verhalen van hoop en toekomst

Lezingen: Ezechiel 17, 22-24; 2Korinthiërs 5, 1-10; Marcus 4, 26-34.


In de lezingen van vandaag tuimelen de beeldspraken over elkaar. Bij Ezechiël is sprake van een twijg van een hoge ceder die geplant wordt op een berg en uitgroeit tot een prachtige ceder. Paulus spreekt over het lichaam als tent en woning. Het verschil zal niet onbekend zijn aan kamperende vakantiegangers of aan mensen die na de gelukkige verkoop van hun oude huis en in afwachting van het nieuwe in een caravan wonen. Hij speelt ook met begrippen als naakt en overkléed, namelijk na de zondeval en bekleed met Christus, en over het in den vreemde zijn. Marcus vertelt ons parabels van het Koninkrijk als zaad dat in de aarde valt.

Wanneer deze parabels voor de leerlingen van Jezus al uitleg behoeven, hoeveel te meer dan voor ons. Bovendien zijn we de parabel en de allegorie als vertelvorm een beetje ontwend. Wie leest er nog de Lof der Zotheid of Elkerlyc. En ook de reclame van de krekel en de mier van de nutsspaarbank ligt al een poosje achter ons. We hebben liever concrete verhalen die zeggen waar het op staat en die geen omweg nemen. Ook de kinder- en jeugdliteratuur heeft een verrassend hoog gehalte van concreetheid. Misschien heeft het ook te maken met onze kijk op de werkelijkheid. Velen geloven niet in een metafysische of verborgen betekenis achter of boven de concrete werkelijkheid. Terwijl de wereld van de betekenissen en van de ethiek in de vertelvorm denk ik bij uitstek het domein is van de parabel. 

 
Bijkomend bezwaar is ook dat parabels op een bepaalde manier verhullend zijn. De betekenis wordt niet onmiddellijk prijsgegeven. Waarom schrijft men in de bijbel verhullend, zou je zeggen, alsof de boodschap alleen voor insiders of voor hen die dat willen worden bestemd is? Terwijl elders gezegd wordt dat de blijde boodschap voor iedereen bedoeld is. Dan zou toch iedereen die moeten kunnen verstaan? 
Bij Marcus echter lijkt er sprake van een grote mate van exclusiviteit. Immers tot de menigte spreekt Jezus in parabels, maar aan zijn leerlingen legt Hij alles uit. En eerder in het hoofdstuk staat een nog veel strengere uitspraak in relatie tot het onderricht van Jezus. Daar vertelt Hij (begin hoofdstuk 4) de vergelijking van de zaaier die ruimhartig zaait op rotsgrond, tussen distels en op vruchtbare grond. Wanneer Hij dat gaat uitleggen aan zijn leerlingen, die het ook niet begrijpen, zegt Hij: “Aan jullie is het geheim van het Koninkrijk van God onthuld, maar zij die buiten blijven wordt het in vergelijkingen aangeboden, opdat zij kijkende niet zien en luisterende niet horen, opdat zij zich niet zouden bekeren en kwijtschelding krijgen” (Marcus 4, 11-12). Dit klinkt nogal onbarmhartig en ook tegenstrijdig. Ter verklaring zou je kunnen zeggen dat het betreft degenen die buiten blijven staan. Dat wil zeggen die zich niet willen inspannen om door te dringen tot het hart van het geloof en die niet de daarbij horende consequenties voor hun leven willen aanvaarden. De eerste generaties Christenen waren namelijk behoorlijk straf in de leer en in hun levenswijze. 
De parabel moet voorkomen dat mensen op een goedkope manier binnen komen. Wel zeggen zich te bekeren en kwijtschelding ontvangen, maar zich niet van binnen omkeren. Bovendien gaat het in die tijd om een bedreigde leer die vervelende consequenties kan hebben voor wie haar belijdt en wie haar verkondigt.

Ook al vertelt de parabel zijn betekenis niet onmiddellijk, en zijn we er niet meer aan gewend, toch opent de parabel juist de gevoeligheid voor de spirituele betekenis van onze wereld, wanneer die wordt toegelicht. Een betekenis die, wanneer die in alle concreetheid en onmiddellijkheid verteld zou worden, meteen zou worden verworpen. Wanneer ik zou zeggen: “je kunt in je ontwikkeling maar één stap tegelijk zetten”, dan zouden velen misschien denken “ja, ja, dat zal wel”.  
Maar als ik nu een verhaaltje vertel, dan wordt het misschien anders. ‘Op de brede drempel van de alte schul zitten twee kinderen te dammen. Reb Alter loopt voorbij en vraagt: “Noe, kinderen kennen jullie de betekenis van het damspel”? Zij zeggen van niet. Hij zegt: “je mag in het spel alleen vooruit en niet achteruit. Je kunt maar éen stap per keer zetten. Maar wanneer je de overkant hebt bereikt, kun je gaan waar je wilt. En zo is het”.’


Al deze hiervoor genoemde aspecten spelen mee in de betekenis van de verhalen die we lezen. 
De woorden van Ezechiël klinken in een situatie van ballingschap. Ezechiël vertelt zijn volksgenoten over de oorzaak van hun ballingschap om hen te laten begrijpen waarom ze in deze situatie verkeren, hij vertelt hun over het verbond en de noodzaak van bekering, maar hij bemoedigt zijn volk ook met verhalen over hoop en toekomst. En daarover lazen we in de eerste lezing. Namelijk dat de Heer van het verbond trouw blijft, ondanks de ontrouw van het volk. Dat hij zijn volk zal herstellen en terugbrengen in het land van de belofte. Dat hij het koningschap voor Israël zal herstellen. Al te openlijk zal hij daar niet over hebben kunnen spreken. Het beeld dat hij gebruikt is dat van de ceder op de berg van God die hoog zal oprijzen en zijn takken wijd uitspreidt, het beeld van de koning onder wiens bescherming het hele volk mag wonen. Een profetisch beeld dat onmiddellijk verstaanbaar is voor het volk Israël, maar wellicht niet voor wie daarbuiten staan.


Net zoals in de vergelijkingen bij Marcus ligt de vervulling bij God zelf. In Ezechiël staat het als: “Ik de Heer heb gesproken en ik zal het doen”. Het heilshandelen van God vindt plaats aan het volk, in de eerste plaats omwille van zijn verbond en niet omwille van de verdienste van zijn volk. 
Bij Marcus is met betrekking tot het koninkrijk van God sprake van de mens die zaait en God die de wasdom geeft. We zijn als mens niet eindverantwoordelijk voor de vervulling van het Koninkrijk. Dat zou ons overvragen. Het is te veelomvattend. We doen ons deel, en dat moeten we ook doen, en dat is alles. Dat bevrijdt ons ook van het zorgelijke idee van de maakbaarheid van het koninkrijk en daarmee het idee dat het van ons afhangt. 
Maar we moeten wel het zaad van het verlangen in ons hart uitstrooien of toelaten. Het is maar hoe je onze eigen rol bekijkt. En dat verlangen doet zijn werk, overdag en ’s  nachts. Het verlangen naar een geheelde wereld van vrede, geluk en recht slaapt immers nooit. Of zoals Augustinus het zegt: “Naar de eeuwige weldaden moeten we vurig verlangen en er volhardend om vragen; niet met veel woorden, maar met een hart vol verlangen. Het verlangen bidt altijd, ook al zwijgt de tong. Als je voortdurend verlangt bid je altijd. Wanneer slaapt ons gebed? Slechts dan als ons verlangen bekoelt” (preek 80).


Zo gaan we in geloof en verlangen onze weg door dit leven, nog niet in de aanschouwing, maar in het tijdelijk onderkomen en zien uit naar de vervulling van ons bestaan: te wonen in het huis van de Heer. Hoe en waar we dat ook situeren; als een hiernamaals of als een ingeschapen bedoeling van ons bestaan die verlangt zich te realiseren en die de motor is van ons eigen verlangen.
Dit onaffe maakt ons leven nu niet minder waardevol. Maar we beseffen  wel de gebrokenheid en het nog-niet-karakter van ons leven. Er is ziekte en pijn, verdriet en eenzaamheid. En op grotere schaal uitbuiting, slavernij, oorlog en marteling. Juist daardoor wordt ons verlangen naar een bedoelde wereld voortdurend aangewakkerd. We leven in het diepe besef dat dit hier niet de bedoeling van ons menszijn is. 

Dat betekent niet dat er geen oprechte liefde en geen oprechte goedheid zijn. Gelukkig wel, anders zouden we helemaal niet kunnen verlangen en hopen. Het is de geest van God, het besef van de uiteindelijke bedoeling van ons leven die ons doet verlangen en die ons geschikt maakt om het Koninkrijk te ontvangen. Die van dorre onverschillige grond een hongerige vruchtbare akker maakt.

De verhalen van perspectief en hoop houden ons gaande en staande. Ze laten ons zien dat ons een andere toekomst wacht dan het gebroken nu. Ze tonen ons dat we geen willoze slachtoffers zijn van het lot, maar dat we ons lot kunnen keren door zelf om te keren en andere wegen te gaan. En dat in dat perspectief Gods toekomst ligt als een zekerheid.


Dat perspectief kunnen we hier en nu reeds ervaren, omdat heel de schepping deelt in de Geest van Gods liefde die het geschikt maakt om het Koninkrijk te ontvangen. Dit besef is een bijvangst van de parabels. Wanneer namelijk het koninkrijk van God vergeleken wordt met bijvoorbeeld een akker, zegt dat niet alleen iets over de aard van het koninkrijk, namelijk als de akker waarin de mens is uitgezaaid om tot vruchtbaar leven te komen. Het betrekt ook de akker als zodanig in dat beeld van het koninkrijk. Want zo werkt het in onze beleving. Daarmee onthult de parabel niet alleen iets van de voor het oog verborgen werkelijkheid, maar het stelt onze concrete werkelijkheid ook in het teken van het heilige, namelijk de akker als plek van Gods werkzaamheid, van het mysterie van groei en vruchtbaarheid. Daarmee krijgt onze werkelijkheid koninkrijkswaardigheid als plaats van openbaring. 
En als we niet buiten blijven staan, maar binnen durven treden in die verlangde en bedoelde werkelijkheid kunnen we het, ondanks alles, dagelijks zien en dagelijks horen. Amen. 

top


Overweging 10 juni 2018 

tent van samenkomst

Lezingen: Genesis 28, 10-18; Openbaring 21, 2-5; Lucas 19, 1-10.

Vandaag gedenken we de dag dat deze vieringsruimte de Heer is toegewijd. Door die bijzondere bestemming is het heilige ruimte. Gewijd tot Gods eer en tot heiliging van mensen. 
Het is de plaats waar de samengebrachte gemeente zich oriënteert op God om die te ontmoeten in woord, gebed en sacrament. En om zich als gemeenschap van Christus op te dragen aan de Vader en in de Geest bevestigd te worden als lichaam van Christus, verblijfplaats van God tussen de mensen. Daarbij bidden we dat God ons tegemoet wil komen, zoals wij verlangen Hem te ontmoeten in ons samenzijn, Hem dankend voor de zegeningen die we reeds hebben ontvangen.

Daarbij lezen we verhalen die iets vertellen over plaatsen van ontmoeting. Verhalen die stammen uit een tijd waarin nog geen sprake was van kerkgebouwen, maar wel van kerken in de betekenis van gemeenschappen van Christus. Waar Christus wordt aangeduid als plaats van Godsontmoeting, staat Hij in een verhaaltraditie van Godsontmoetingen, die als zodanig het karakter hebben van een voorlopigheid, van belofte. Vooruitlopend op een vervulling, gesymboliseerd in het hemels Jeruzalem.
Zo heeft ook deze plaats waar wij samenkomen het karakter van voorlopigheid en van belofte, maar tegelijkertijd als pleisterplaats ook het karakter van de reële ervaring van ontmoeting; van even plaats van God zijn. En als gebouw met een bijzondere bestemming verwijst het naar Gods aanwezigheid.


Jakob noemt de plek onder de blote hemel waar hij zich te rusten legt en waar voor hem de hemel zich opent, niet alleen plaats waar God aanwezig is, maar ook huis van God en poort van de hemelen. Op die plaats bevestigt God de belofte aan Abraham gedaan. Vervolgens neemt Jakob de steen waarop zijn hoofd rustte, overgiet die met olie en richt die op als wijsteen, teken van herinnering en verwijzing. En hij noemt de plaats Betel, huis van God. Jakob legt hier als het ware de eerste steen voor het huis Israël, zijn latere naam. Het verhaal licht weer op wanneer we Jezus horen zeggen dat de mensenzoon geen steen heeft om zijn hoofd op te rusten, dat hij de steen is die versmaad wordt, maar hoeksteen wordt van de nieuwe tempel.

Het verhaal over Jakob lijkt in eerste instantie misschien op een individuele Godservaring. Een ervaring die we wellicht zelf ook kennen. Onder een volle sterrenhemel op een stille en verlaten plaats. Zo ontzagwekkend dat we niet anders kunnen dan die in verband te brengen met Gods aanwezigheid. Zoals het maanlicht op een kalme zee, een veld vol verschillende bloemen en zo veel andere dingen in de geschapen wereld die ons de aanwezigheid van God bijna tastbaar in herinnering brengen. Maar het verhaal van Jakob gaat niet over de individuele Godservaring. Jakob is geen individu. Hij is een corporatieve persoon (corporate personality), hij representeert het volk Israël. Wat aan Jakob geopenbaard wordt is de belofte aan Israël. Het huis van God is daar waar het volk van God met God in communicatie staat, waar er een heen en weer is tussen de hemel en de aarde. In de individualiteit bestaat geen relatie, geen generaties, geen volk, geen identiteit. Zo is ook Christus niet te zien als individu. Wat in Hem geopenbaard wordt betreft het in Hem vernieuwde godsvolk. Ook Hij heeft een corporatieve identiteit waarin wij als zijn gemeenschap delen. Hierdoor kunnen we ook alleen maar samen Christus representeren.
Zo vormen ook wij huis van God. Waar Gods aanwezigheid binnenkomt wordt een willekeurige plek huis van God, ontstaat gemeenschap, worden individuen een volk. In Hem is de mensengemeenschap namelijk inbegrepen. Zijn aanwezigheid brengt een verandering teweeg.

Kerk is daarmee ook plek van bekering. De plaats mag dan geheiligd zijn, maar dat betekent niet dat alleen heiligen erbinnen mogen gaan. We treden de ruimte van de ontmoeting binnen als zondaars; wat toegankelijker gezegd: gewoon als de mensen die we zijn met licht en donker. Zo stellen we ons in Gods openbarend licht. Dat ons liefdevol aan het licht brengt. Niet door shaming en blaming. Maar taktvol ons in onze waarde latend. En juist dat schept de vrije ruimte die nodig is voor bekering. We bekeren ons niet onder dwang, maar in het licht van onze bedoeling en in de wetenschap ons als de mens die we zijn aanvaard te weten. Zo wordt het ons duidelijk gemaakt in het verhaal over Zacheüs. Wanneer Jezus het huis van Zacheüs tot zijn huis maakt, kan deze zich bekeren en herstel doen (tesjuva en tikkun; berouw en boete). Zo wordt Zacheüs teruggeplaatst in de relaties binnen de samenleving waaruit hij was verstoten en weer lid worden van het volk van de belofte, zoon van Abraham.

Wij komen hier niet omdat we heilig zijn, maar om geheiligd te worden.


Wat we als kerkgemeenschap en volk van God zijn, zijn we in voorlopigheid en in belofte. Nog is de schepping niet voltooid. Het oude is weliswaar voorbij, maar het nieuwe heeft zich nog niet gevestigd. We leven tussen doop en voleinding. Het tijdperk van de Geest, het tijdperk van de kerk. We verwachten het nieuwe Jeruzalem. 
De ontmoetingen die we hier hebben, de momenten van Godsopenbaring sterken ons geloof en vertrouwen in de waarheid en de betrouwbaarheid van de belofte: “zie ik maak alles nieuw”.
Die ervaringen roepen ons telkens op ons te bekeren en ons leven in het licht van de gerechtigheid te stellen, zoals ook Zacheüs in het verhaal doet. We verwachten het nieuwe Jeruzalem en verlangen intens naar een vrije respectvolle wereld, een huis waar recht wordt gedaan aan mensen, waar vrede heerst, waar afgedwaalden mogen thuiskomen. Waar wie zichzelf verloren hun identiteit als mens hervinden. 

Tegelijk schept dit verlangen ook een verantwoordelijkheid om te leven in overeenstemming met dit verlangen. We kunnen in alle redelijkheid niet beweren naar vrede te verlangen wanneer we in onmin met onze omgeving leven. “Probeer, zover het van u afhangt, met ieder in vrede te leven”, zegt Paulus. En Jezus: “als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van hen die naar de letter leven, zullen jullie het koninkrijk niet binnen gaan”.
De inzet op vrede en gerechtigheid, waarden van het nieuwe Jeruzalem, is geen opgelegde verplichting. Die inzet wordt ingegeven door de liefde die we zelf ontvangen hebben, namelijk die van God voor zijn volk. Het is het vanzelfsprekende antwoord op het liefdesaanbod van Godswege. Een wisselwerking gesymboliseerd in de ladder van Jakob, waarlangs engelen omhoog en omlaag gaan. Een wisselwerking zoals beschreven in psalm 85, vers 11 en volgende: “Liefde en trouw ontmoeten elkaar, heil en vrede omhelzen elkaar. Trouw ontkiemt uit de aarde, rechtvaardigheid daalt neer uit de hemel. En de Heer schenkt almaar zegen, en onze aarde geeft vruchten in overvloed”.

Wanneer we kerkwijding vieren, vieren we ook op een bepaalde manier onze doop. Jakob zalft een steen met olie tot een wijsteen als herinnering aan de plek waar God zijn belofte bevestigt om van Jakob een volk te maken. De stenen van dit huis waarin wij samenkomen zijn gezegend tot een herinnering aan  en verwijzing naar Gods trouw. Wijzelf zijn bij de doop gezalfd met olie om levende wijstenen te zijn van de nieuwe tempel in de Geest gebouwd rond de hoeksteen die Jezus Christus zelf is.  In de doop zijn we  gezalfd en geheiligd tot teken en verwijzing naar Gods aanwezigheid onder de mensen. En we doen dit in een wereld die nood heeft aan concrete tekenen van Gods aanwezigheid, aan vrede, aan gerechtigheid, aan respect en veiligheid, aan perspectief. Mogen wij dan zijn waartoe we gezalfd zijn. Amen.

 top

 

Overweging 27 mei 2018
drievuldig 

Lezingen: Exodus 3, 1-6; Romeinen 8, 12-17; Johannes 3, 1-16.

Wie God voor zichzelf is, wie God is in absolute zin, weten we niet en daarom is alle spreken over God in die zin eigenlijk onmogelijk. Al ons kennen is slechts stukwerk, zoals Paulus het verwoordt. Ons spreken en belijden gaat niet over God zelf.  Het gaat altijd over de wijze waarop God zich aan ons voordoet, zich aan ons openbaart. Dat is ook het geval bij de drie-eenheid of de Drievuldigheid. 
We belijden God als drievuldig, omdat daarin zich voor ons een wezenskenmerk van God openbaart, namelijk dat God niet zelfgenoegzaam in een onkenbare en ontoegankelijke  soevereiniteit opgesloten is, maar per se relatie is. Het zijn van God is altijd er-zijn, betrokken zijn, in relatie zijn. Zo openbaart zich ook zijn naam: ik ben er.  Geen afwezige, maar een betrokken en solidaire God. Deze God van Abraham, van Izaak en van Jakob levert zich over en levert zich uit in een liefdevolle leven schenkende en bevrijdende betrekking. En wordt God van Mozes en van het onderdrukte volk dat Hij als zijn zoon erkent en er een verbond mee sluit, deelgenoot maakt van zijn belofte. 
Deze drie-eenheid is het beeld van de openheid van God. Van de goddelijke liefdesdynamiek. Van zijn verbondenheid en wat die verbondenheid bewerkt.

We leren God maar kennen in de ervaring met hem, niet in de eerste plaats door over God na te denken. We benoemen onze ervaringen naar God toe. Het denken, het begrijpen volgt die ervaring. Dit is vergelijkbaar met menselijke relaties. Je leert iemand niet kennen door over die persoon te gaan zitten nadenken, maar door je ermee te verbinden, door er ervaringen mee op te doen, door in relatie te komen. In de geschiedenis die je met elkaar opbouwt, leer je de ander kennen. Over die ervaringen kun je dan nadenken om iemand beter te leren begrijpen. Zo is het met God niet anders. De gelovige leert God kennen door ervaringen met Hem op te doen en daarover na te denken. Onze eigen zoektocht wordt ondersteund door de ervaringen van anderen. De heilige Schrift is een bijna onuitputtelijke bron van zulke ervaringsverhalen.

Daarin is God voortdurend met zijn volk bezig om zijn wezenlijke verbondenheid met zijn volk gestalte te geven. Scheppend, bevrijdend, herscheppend. 
Binnen het verbond dat God met zijn volk sluit is het volk zoon van God. Drager van de messiaanse opdracht om de wereld te heiligen. God, verbond en volk vormen een drie-eenheid die gericht staat op heiliging, voltooiing en verlossing. God heiligt zijn volk door zijn naam eraan te verbinden; het volk heiligt God door te leven naar zijn verbond; de heilige belofte van het verbond, het woord van God, verbindt hen met en aan elkaar. Het woord komt binnen bij de mens om deze te transformeren tot wie hij door uitverkiezing al is: kind van God. Om ons te heiligen en te bevrijden van wie we niet zijn en te worden wie we wel zijn. 

De ervaring van het menselijk onvermogen om zich aan het verbond te houden vertaalt zich in de hoop op een messiaanse figuur die in staat is het verbond te herstellen. Deze figuur gaat meer en meer het zoonschap/ kindschap vertegenwoordigen. Op hem is de hoop van het volk gesteld om de relatie met God te herstellen. De christusgelovige Joden troffen in Jezus die Messias aan. Dat vervangt de belofte niet, maar vernieuwt die om het godsvolk in het zoonschap/ kindschap te herstellen. De opdracht tot heiligheid en heiliging blijven onverminderd van kracht.

Door ons geloof maken we deel uit van dit herstelde volk. Door Hem kan Paulus zeggen dat allen die door de Geest van God gedreven worden kinderen van God zijn. Niet alleen degenen die door het verbond in het vlees kinderen van de belofte zijn. 
Door ons geloof in de Messias Christus Jezus zijn wij als dochters en als zonen aangenomen. We worden als het ware opnieuw geboren. Nu niet naar het lichaam, maar naar de Geest die is in Christus Jezus.

We worden herboren om te kunnen worden wat we zijn, kinderen en erfgenamen van de belofte. Dat is geen verdienste, dat is liefdesgave.

“Want alzo heeft God de wereld liefgehad dat hij zijn eniggeboren zoon gegeven heeft, opdat wie in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven hebben zal.” God geeft zichzelf voor het leven van de wereld. Een wereld die in zichzelf dood is, maar openbloeit wanneer deze geïnspireerd wordt door een geest van liefde. Daardoor krijgt de wereld het perspectief van Gods belofte. Wanneer er een geest van liefde door de wereld waait, verandert het aanschijn der aarde. Het ijs om de harten van mensen smelt erdoor tot tranen van vreugde, om het wat pathetisch te zeggen. Of met de woorden van de psalm die spreekt van onze opgang naar het hemels Jeruzalem: “degene die in tranen op weg gaat, keert zingend naar huis terug”.


Het is Gods liefde die zijn hemel omlaag buigt en de ellende van zijn volk ziet, die naar zijn volk toekomt om het uit slavernij te bevrijden. Geen ander dan die een nageslacht beloofde aan Abraham en met hem onderhandelde over het lot van Sodom, geen ander dan die Izaak redde van het offerhout  en die vocht in de nacht met Jakob. 

God is zelf heilig verbond en bevrijdende relatie. Die relatie staat niet buiten ons en is niet zonder ons. Door ons kindschap in geloof participeren wij in de trinitaire relatiedynamiek van God. Op sacramentele wijze krijgen we deel aan die relatie tot bevrijding en heiliging van de wereld. Zodat wij ook zelf sacramentele waardigheid krijgen. Zelf teken van godsopenbaring en godsontmoeting worden. 

Het is niet zozeer Gods theologische gestalte die in de drie-eenheid wordt uitgedrukt. Het is veeleer het beeld van een verbond voor het leven met zijn geliefde kind. Een liefde die zich ook door ons aan de wereld kennen laat wanneer we leven naar zijn Geest. Het is Gods liefde zelf die door ons stroomt, geen andere. Wij geloven dat deze liefdevolle bevrijdende mededeelzaamheid tot het wezen van god behoort. Daarom behoort het ook tot het wezen van ons geloof om er voor elkaar te zijn: liefdevol en bevrijdend.
Er is geen scheiding. Maar onderscheid in eenheid. Er is maar één liefde en maar één wereld.  Die liefde krijgt vorm in onze inzet voor gerechtigheid en vrede, goede relaties tussen mensen en volkeren, verbondenheid en solidariteit met wie lijden en onderdrukt worden, in de liefde tussen mensen, in het bouwen aan een goede wereld en een vruchtbare samenleving. Wanneer wij zelf de wereld alzo liefhebben dat wij er onze talenten voor inzetten om de wereld te heiligen en te verlossen in zijn economische-, politieke- en machtsstructuren en relaties. Amen.
 top

 

Overweging Pinksteren 20 mei 2018 
Geest van waarheid

Lezingen: Genesis 11, 1-9; Handelingen 2, 1-11; Johannes 14, 8-17.

Aan het eind van ons gedeelte van het evangelie belooft Jezus aan zijn leerlingen de Geest van de waarheid. Hij doet dat in de toespraak die Hij aan tafel houdt op de laatste avond van zijn leven. De volgende dag komt het woord waarheid terug in zijn gesprek met de prefect van Judea Pontius Pilatus. Jezus zegt daar dat Hij gekomen is om te getuigen van de Waarheid en dat ieder die uit de Waarheid is luistert naar zijn stem. Hierop spreekt Pilatus de overbekende woorden ‘Wat is waarheid’.
Als Romeins politicus weet Pilatus dat waarheid vele gezichten heeft en dat het in deze  politieke kwestie rond Jezus niet om waarheid gaat, wat die dan ook is, maar om belangen. 
We weten dat ook in onze wereld feitelijke waarheid en politieke waarheid niet altijd parallel lopen. We hebben een nieuw arsenaal aan begrippen erbij gekregen als het gaat om waarheid: zoals framing, verschillende percepties van de feiten, verbreding van de feiten is ook een hele mooie, of iets fake nieuws noemen. Van een tijdje geleden kennen we het fotoshoppen, hetgeen we al lang niet meer gebruiken omdat er zoveel gefotoshopt wordt. Wel kennen we het oppoetsen van de waarheid in de wijze waarop mensen zich presenteren op social media. Waarheid is op veel terreinen een vluchtig begrip geworden. Vastheid en betrouwbaarheid worden schaarser.  
Bij Johannes staan de Waarheid en de wereld op gespannen voet.  Misschien niet zozeer doordat de waarheid geweld wordt aangedaan, hoewel dat met betrekking tot Jezus natuurlijk wel het geval is, en wel op verschillende niveaus van waarheid. Jezus legt namelijk niet alleen onrecht bloot, maar is ook zelf waarheid. De spanning tussen de wereld en de waarheid is bij Johannes intrinsiek verbonden met zijn opvatting van wat waar is en wat de wereld is. 
Dat lijkt nogal moeilijk, maar het staat dichterbij ons dan we denken. De wereld staat voor hem gelijk aan godsverduistering en aan veranderlijkheid. Dat kan eenvoudigweg geen plaats van waarheid zijn. Waarheid is naar zijn idee wat eeuwig is en vaststaat. Waarheid staat in de hemel vast. God die onveranderlijk is, is waarheid. Het is zelfs de vraag of de wereld bij Johannes zelfs wel zijnskwaliteit bezit. Aangezien in het Platoonse denken alleen wat onveranderlijk is zijnskwaliteit heeft. De rest bestaat alleen maar in voorlopigheid. Daarbij is zijn een categorie van vastheid en bestendigheid. In de Griekse tekst is waarheid de vertaling van oudtestamentische begrippen als waarheid, vastheid, trouw en betrouwbaarheid.

Wanneer Johannes Jezus en Pilatus in gesprek brengt ontstaat er een begripsverwarring tussen beiden over het begrip waarheid. Dit soort gesprekken is het stokpaardje van Johannes. Daarbij verschuiven in het gesprek de betekenissen van een begrip van een materiële naar een spirituele, van een feitelijk verstaan naar een gelovig verstaan. We kennen dit uit het gesprek van Jezus met de Samaritaanse bij de bron waar Hij water vraagt en haar water van kennis en leven geeft. Bij Nicodemus waar het gaat om opnieuw geboren te worden. Bij het broodwonder waar Hij zijn leerlingen opdraagt de mensen te eten te geven. Zijn leerlingen denken dat het om brood gaat, maar het gaat eigenlijk om brood van eeuwig leven. Deze verhalen bieden Johannes de gelegenheid om duidelijk te maken  dat hij geestelijke verhalen vertelt voor geestelijke mensen. Verstaanbaar voor wie uit de waarheid zijn. Die in geloof verstaan.

De waarheid waarover gesproken wordt is geen waarheid van feiten. Het is een zijnswaarheid. Zoals God waarheid is, niet door zijn feitelijkheid, maar door zijn wijze van zijn. Hij is trouw, betrouwbaar, eeuwig. Zijn leven is niet van tijd en moment afhankelijk,  maar is vast en zeker. 
De waarheid zoals die in de wereld is, is van tijd en plaats afhankelijk, van standpunt en politiek klimaat. We kunnen er natuurlijk voor kiezen ons in die waarheid van de wereld te definiëren en ons ermee te identificeren. Dan zijn we het ene moment zus en het andere zo. Onze waarheid is dan een jas waarmee je je bekleedt. Waarheid is zoals je verschijnt. Maar dat is niet zoals onze waarheid is in de ogen van Johannes en van Jezus. 
Onze waarheid valt niet samen met onze gestalte, maar met wie we zijn in de ogen van God. Beter gezegd: wie we zijn, zijn we in God, of nog anders gezegd: wanneer we in God zijn, in Christus zijn, zijn we waar ofwel zijn we in waarheid.

Dit geloven en ernaar leven is leven in de Geest van de Waarheid. Dichtbij Christus en dichtbij God. En dat is de inhoud van het gebed van Jezus op de laatste avond van zijn leven. De intieme verbondenheid van Jezus in God, God in Hem en Hij in zijn leerlingen door de Geest. Het is die Geest van liefde, trouw en betrouwbaarheid, scheppingskracht die ons de waarheid omtrent onszelf openbaart.

Vanuit die Geest zien we elkaar, verstaan we elkaar als de mensen die we zijn. In de eucharistie treden we in de waarheid van dat zijnsverbond. Om in de wereld te getuigen van die waarheid en van de wezenlijke verbondenheid tussen God en mensen die ver te zoeken is in de wereld waarin we leven. Of dat nu in de grote mondiale structuren is, in de geopolitiek of op de werkvloer. 

De parabel van Babel gaat uit van die verwarring. Het geeft een interpretatie van de feitelijke toestand van onze wereld. En het verhaal wijt die toestand aan het feit dat de inwoners van Babel zich afwenden van het licht, van het Oosten. Misschien ook doordat zij zich op de vlakte ophouden. Maar veel meer doordat zij zich een soort berg, voorkeursplaats van Gods aanwezigheid, bouwen om hun eigen naam te verhogen. 
Precies dat is het zondige euvel. Het verhogen van de eigen naam ten koste van andere volken en van God. 
We richten bergen van kennis en mogelijkheden op. Winnen er Nobelprijzen mee en putten de aarde uit. We hebben een grote vernietigingskracht die we op andere volken kunnen richten om de eigen naam te verhogen. Maar het ontbreekt ons aan perspectief, aan richting, aan waarheid. 
Alles wat we alleen voor onszelf doen gaat ten koste van anderen. Is vergeefs gedaan. Het is niet vruchtbaar. Het brengt de waarheid niet dichterbij, omdat het zonder God gedaan wordt. 

Het is alleen maar wanneer we in waarheid de aarde bewonen dat gerechtigheid neerdaalt uit de hemel (zie psalm 85)

De schrijvers van de Schrift hadden intuïtief een scherp beeld van de menselijke mogelijkheden wanneer deze zich verenigen en zich op een gezamenlijk doel richten. Eendracht maakt macht in het kwadraat. 
Wij zien een veelheid van talen als uitdrukking van de verschillende werelden en systemen die erachter schuil gaan. Wij constateren in onze wereld een toenemende ideologische segregatie waarbij volken en groepen zich opsluiten in het isolement van hun gelijk. Daarbij gaat het niet alleen om godsdienst, sjiieten tegenover soennieten, islam tegenover andere godsdiensten. Het betreft ook economische ideologieën, staatkundige en culturele.

Ik ben er diep van overtuigd dat iedere mens in beginsel verlangt naar mens-zijn samen met andere mensen. Dat ieder verlangt om begrepen en gewaardeerd te worden. Om vrijuit en in vrede te kunnen leven.  Dat geldt zeker voor degenen die in de hoek zitten waar de grootste klappen vallen. De meest kwetsbaren op aarde, de rechtelozen en machtelozen, de op de vlucht gedreven massa’s. Het geldt ook voor hen die er de oorzaak van zijn; maar die hopeloos verstrikt zijn geraakt in hun eigen ambities en overtuigingen waardoor zij blind zijn geworden voor de impact van hun handelen. Mensen die hun eigen naam willen vestigen ten koste van de levens van anderen.
We moeten niet ophouden te trachten elkaar te verstaan in ons verlangen naar vervulling, hoe moeilijk dat ook is wanneer de wegen zo ver uiteen liggen. En nog moeilijker wanneer men niet naar de ander wil luisteren. Maar we moeten het volhouden omwille van de toekomst van de aarde. We leven immers alleen maar in vrede wanneer we allen in vrede leven. Amen.
 top

Overweging 13 mei 2018
zondag na Hemelvaart 

Lezingen: Exodus 19, 1-11; 1Johannes 5, 9-15; Johannes 17, 14-26.

Na Hemelvaart worden de leerlingen teruggeplaatst in het geloof. De tijd dat zij Jezus konden ontmoeten en dat Hij zich na Pasen in verschijningen aan hen voordeed is voorbij. De tijd van geloof en getuigenis is aangebroken. De eerste Johannesbrief verwoordt het als volgt: “wie in de zoon van God gelooft heeft het getuigenis in zich. En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven”. Geloven in het van God doortrokken leven van Jezus en in de belofte van een onbederfelijk leven waartoe we bestemd zijn, doet iets met onze kijk op de wereld. 
We noemen deze zondag die van de verweesden. En wellicht zijn we dat ook. Maar niet doordat we in de steek gelaten zijn, maar eerder doordat we door onze kennismaking met Jezus niet langer thuis zijn in de wereld zoals die is. Dat we door ons geloof thuishoren in een andere wereld. Geloven in wat Jezus representeert ontmaskert onze wereld en stelt deze in het licht van Gods belofte.

Wanneer je gelooft in de bevrijdende liefde van God die iedere mens tot recht van leven wil brengen, kun je nooit meer naar onze wereld kijken zonder deze onder de kritiek van die liefde stellen. Door de hemelvaart van Jezus wordt iedere leerling in elke tijd teruggeworpen op dit geloof en met name op de verantwoordelijkheid die dit oproept voor de wereld waarin we leven. Daartoe zijn de leerlingen in de wereld. Een wereld die misschien God niet kent, God als bevrijdend concept wellicht niet nodig heeft,  maar wel nood heeft aan dat waar God voor staat.

Bij Johannes staat de wereld altijd in een wat kwade reuk. Het is de plek van onbegrip en duisternis. De wereld is niet ontvankelijk voor het Woord van God, het Licht der wereld. Daardoor lijkt het alsof de wereld en God tegenover elkaar komen te staan. En dat lijkt me toch niet de bedoeling. Vanuit een gelovige benadering heeft God de wereld juist geschapen als woonplaats voor mensen. Niet tot een chaos, maar tot een bewoonbare plaats. Om daarin vruchtbaar te leven in de verschillende aspecten van ons bestaan. Hij heeft de Tora gegeven als richtsnoer om ons leven langs die meetlat te kunnen leggen en het te kunnen beoordelen; om ons te helpen in verbondenheid en vrede met God en mensen te leven.  God staat juist niet onverschillig ten opzichte van de wereld en wij natuurlijk al helemaal niet. Het gaat er juist om dat we de wereld van God in relatie brengen met de wereld van mensen en vice versa. De opdracht die het godsvolk ontvangt is immers om de wereld te heiligen.

Daartoe is ook Christus in de wereld gekomen. Niet om de gegroeide en bestaande tweespalt tussen hemel en aarde, tussen vlees en geest, tussen duisternis en licht te bevestigen, maar om die te verzoenen. Om heel te maken wat uiteen ligt. Om de oude vijandschap te overwinnen en de wereld te heiligen, zodat zij deel kan nemen aan de viering van de sabbat en daarin tot voltooiing kan komen.
Christus, de Messias, is in de wereld, onze concrete wereld, gekomen om die te plaatsen in het perspectief van God. De wereld en dat perspectief ervan zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden en de mens heeft een onvervreemdbare en niet te ontlopen taak met betrekking tot de heiliging en de verlossing van de wereld.

Om de wereld te heiligen moeten we er een zekere afstand van kunnen nemen. We moeten er niet mee samenvallen, haar niet in haar bestaande gestalte verabsoluteren. Dat geldt overigens niet alleen voor onze houding ten opzichte van de wereld, maar ook voor onze houding ten opzichte van onszelf. Ook wijzelf vallen niet samen met onze bestaande gestalte en staan altijd open naar ons mogelijk zijn. Zo staan zowel de wereld als wijzelf altijd open naar de belofte. 

Het niet van de wereld zijn, waar Jezus over spreekt, is dus niet per se een afwijzen van de wereld, ook al heeft het die betekenis in de christelijke wereld in toenemende mate wel gekregen. De christelijke wereld is in onderscheiding gaan denken, in of…of, dan wel nu en later; deze wereld en het hiernamaals. Daarin is de dynamiek verdwenen van realiteit en perspectief, van het nu en de belofte. Terwijl die dynamiek juist essentieel is voor het verbond van God met zijn volk. 

Het domein van de mens en het domein van God worden zo tegenover elkaar geplaatst. Zij worden concurrenten. En dat is helemaal niet de bedoeling van de schepping. Dualisme van lichaam en geest, de wereld en de duisternis tegenover de hemel en het licht. Maar zo was het toch niet bedoeld? De schepping is aan het licht gebracht; het licht is in de wereld gekomen en in dat licht dat Christus is, komt de wereld in een nieuw daglicht te staan, wordt zij nieuw. Dat wil zeggen: ontvangt zij haar betekenis.
Als de nieuwe mensen die wij zijn, zijn we al inwoners van de nieuwe wereld, van die voltooide schepping. We moeten er alleen naar leven, zoals Paulus ons zegt. Jezus bidt juist op de laatste avond van zijn leven dat Hij en zijn leerlingen intensief en intiem met elkaar verbonden blijven. Dat zij één zijn. Zoals de Vader en het mensgeworden Woord één zijn. Zoals de wereld en het licht dat in de wereld is gekomen één zijn. Onafscheidelijk verbonden.

Wat betekent dat nu voor ons? Eerstens zouden we ervan doordrongen kunnen raken dat er maar één wereld is. Dat de wereld van God en de wereld van mensen elkaar niet uitsluiten, maar met elkaar verweven zijn. Dat de wereld van God de bestemming en voltooiing is van de wereld van mensen. Die fundamentele eenheid tussen de bestaande en de verwachte wereld mag ons inspireren om niet in competitie te denken. Wij zijn allen onderweg naar onze bestemming. Soms met grote verschillen in de gekozen weg, dat wel. We zouden af moeten van het wij - zij – denken. Moeten proberen elkaar in ons verlangen naar geluk en vrede te verstaan over grenzen van taal en cultuur heen. Vrede bestaat alleen wanneer allen in vrede leven. En daarvoor hebben we alle mensen van goede wil nodig.

Daarnaast zouden we misschien onze keuzes meer kunnen laten bepalen door de toekomst dan door het verleden. Meer door het beloofde perspectief dan door de status quo. Dat het verleden zich herhaalt heeft misschien meer te maken met het gegeven dat we hardleers zijn, en onze keuzes afstemmen op het verleden, dan met een natuurwetmatigheid. Durven we ons leven te richten op het nieuwe dat God met ons begonnen is? En daarmee als het ware ons verleden los te laten. Zelfs wanneer we daar onze identiteit aan ontlenen. Een identiteit waaraan we ons vastklampen zelfs wanneer dit armoede, herhaling van zetten, slachtofferrollen en onvermogen inhoudt. Zijn we zo vol van Geest dat we in vertrouwen durven kiezen voor innerlijke vrijheid, geluk, rechtvaardigheid, solidariteit en vrede? Durven we onze toekomst in elkaars  handen te leggen?

De Johannesbrief wil ons in ieder geval op dat spoor zetten: “ik heb u deze brief geschreven om u ervan te overtuigen dat u eeuwig leven hebt, u allen die waarachtig gelooft in de naam van de Zoon van God. Ons vertrouwen in God geeft ons de zekerheid dat Hij naar ons luistert, wanneer wij Hem iets vragen overeenkomstig zijn wil,  en…dat we krijgen wat we in onze gebeden hebben gevraagd.”  

We hebben dus nu al deel aan de komende wereld en we mogen leven in het vertrouwen dat de Eeuwige ons geeft wat we nodig hebben om tot onze bestemming te geraken. Zijn wil loopt daarin parallel aan ons verlangen naar vervulling. God heeft de wereld niet verweesd achtergelaten. Hij geeft zijn woord opdat wij leven zouden hebben. ‘Heel de aarde behoort Mij toe’,  lezen we in Exodus. Als schepping deelt de wereld in Gods heiligheid. Dit maakt de opdracht om de wereld te heiligen een stuk begrijpelijker en ook makkelijker. Dan gaat het om het bevestigen van wat er in potentie al is. Het zichtbaar maken van de bedoeling van ons bestaan. Amen.

 top

 

Overweging 10 mei 2018 
Hemelvaart

Lezingen: Ezechiel 1,3-5a.26-28a; Efeziërs 1, 15-23; Lukas 24, 49-53. 

Zoals de gelovige interpretatie van het leven van Jezus een opdracht inhoudt, betekent het ook een belofte. Zijn verrijzenis, als eerste uit de doden, nodigt ons uit ons te verzetten tegen alle dood en tegen het onrecht dat de dood als gevolg heeft. Het is ook de belofte dat heel ons menselijk bestaan in zijn liefde begrepen is en wij mogen delen in zijn opstanding; mogen opstaan tot nieuw leven; een nieuwe schepping, nieuwe mensen worden. Liturgisch zien we uit naar de volheid van Pasen in de gave van de Geest die leven doet en nieuw leven schenkt. De geboorte van de gemeenschap van Christus als eerstelingen van de Geest. Dat is wat we met Pinksteren vieren als oogstfeest en gedachtenis van de gave van de Thora.

Tussen Pasen en Pinksteren vieren we de thuisvaart van Jezus naar de hemel. Om duidelijk te maken dat Hij werkelijk opgestaan is, worden na Pasen verschijningsverhalen verteld. Maar Degene die als levend brood nedergedaald is uit de hemel moet ook ten hemel worden opgenomen om de cyclus vol te maken en daarmee ook de belofte aan ons te completeren. Door zijn ‘hemelvaart’ wordt duidelijk wat ons perspectief is en waar onze bestemming ligt. Namelijk het rijk der hemelen, het ons toekomende leven. Niet dat het ons toekomt op grond van een recht of verdienste, maar op grond van Gods belofte en diens trouw. 


Wat opvalt is dat in onze Oudkatholieke tekst van het evangelie van Lukas helemaal geen sprake van een hemelvaart is. De tekst luidt: “en het geschiedde, terwijl hij hen zegende, dat hij van hen scheidde”. Zo staat het in de meest gebruikelijke Griekse teksten. Hij gaat gewoon weg, Hij verwijdert zich van hen en zij keren vol vreugde terug naar Jeruzalem. Jezus gaat op naar zijn heiligdom in de hemel als voortzetting van zijn intocht in Jeruzalem, zijn verheffing aan het kruis en zijn opstanding. De leerlingen gaan weer op naar Jeruzalem. The place to be als het om God gaat en de aardse representant van het hemelse Jeruzalem, de thuishaven van Jezus en de beloofde woning van zijn leerlingen.   
De Willibrordvertaling en de Statenvertaling hebben beide staan dat Hij hen zegende en van hen heen ging en in de hemel werd opgenomen. Bovendien vallen de leerlingen daar eerst nog op hun knieën voor zij naar Jeruzalem terug gaan. Alleen in een voetnoot wordt een Griekse tekstvariant genoemd waarin staat dat Hij omhoog wordt gevoerd naar de hemel en dat de leerlingen zich voor hem buigen.
Van de evangelisten zegt alleen Markus dat Jezus, nadat hij gesproken heeft, in de hemel werd opgenomen en dat hij neerzit aan de rechterhand van God. Daarmee een logische verklaring gevend van het eind van de verschijningen van Jezus na zijn opstanding. Matteus en Johannes laten het in het ongewisse. In de aan Lukas toegeschreven Handelingen van de Apostelen vertelt hij hoe Jezus voor de ogen van zijn leerlingen werd opgeheven en aan hun zicht werd onttrokken. Twee mannen in witte kleren (verrijzenisgetuigen) vertellen dat Hij in de  hemel is opgenomen en ook vandaar zal wederkomen.


Net als Markus hebben ook wij behoefte aan heldere voorstellingen. Wanneer Jezus klaar is op aarde gaat Hij terug naar de hemel waar Hij ook vandaan gekomen is. Paulus volgt min of meer deze voorstelling, ook al is de betekenis theologischer. Het is een heel fysieke manier van spreken. Alsof Gods plaats zomaar te lokaliseren is. Alsof er geen verandering in ons wereldbeeld heeft plaatsgevonden. We mogen blij zijn met de Oudkatholieke vertaling en de vaagheid van Matteus en Johannes. Zij bieden ons de gelegenheid om de vraag te stellen hoe het nu eigenlijk zit met de hemelvaart van Jezus. Wat het betekent dat Hij uit het zicht verdwijnt en de leerlingen in vreugde achterlaat. De tijd van de ontmoeting en de verschijningen is voorbij en het tijdperk van het geloof en het getuigenis is aangebroken.


Als we het over de hemel hebben, dan spreken we over de levenssfeer van God. We moeten ons daar niet te veel bij voorstellen. Daarmee bedoel ik niet dat het niet zoveel voorstelt, maar dat al te concrete voorstellingen het begrip in de weg staan. In zijn algemeenheid is de hemel de aanduiding van dat waar ons leven op gericht staat, waartoe het bestemd is. De bedoeling die de altijd aanwezige noemer is van ons bestaan.


De verhalen over het leven van Jezus, over zijn zelfgave, het lege graf, de verschijningen en de opgang naar de Vader geven aan hoezeer het bestaan van Jezus aansluit bij die bestemming. In dit leven is Hij al geheel bij de Vader en leeft Hij geheel in de Geest van God. Maar voor de leerlingen ziet het eruit als een in de wereld komen en een teruggaan naar het bereik van God. Terwijl Hijzelf eigenlijk de hemel op aarde is. En het is de vraag of wij die scheiding tussen hemel en aarde zo sterk moeten aanzetten. Wanneer Augustinus over De Stad van God spreekt, zegt hij dat deze ook op aarde reeds aanwezig is en niet alleen het beeld is van de uiteindelijke stad, het hemels Jeruzalem. Gesitueerd aan het eind der tijden, of als bestemming na de dood.


Binnen het beeld van de Hemelvaart mogen we Jezus zien als de grote Voorganger. Zoals Hij, door de weg in de wereld te gaan, ons een weg van leven heeft getoond, zoals Hij door de dood is gegaan om voor ons een weg naar het nieuwe leven te openen, zo ook gaat Hij ons voor naar onze bestemming in zijn Hemelvaart. Hij is de eerste van de mensen en blijft ons de weg wijzen, de weg banen, die Hij zelf is.

Nadat Hij zijn leerlingen heeft bemoedigd door hen ervan te doordringen dat dood en graf geen eindpunt zijn, gaat Hij van hen weg. Hij verdwijnt uit hun zicht, zodat zij teruggeplaatst worden in hun geloof. Een geloof dat bergen kan verzetten. Een geloof dat wegen baant waar geen wegen zijn. Een geloof dat mensen hoop geeft en nieuw zicht op toekomst. En dus gaan zij vol vreugde naar Jeruzalem, de weg die Jezus zelf is gegaan. Beeld van de weg die wij allen in geloof mogen gaan. Zij gaan op naar het huis van de Heer. De weg naar Jeruzalem gaan is namelijk de weg naar God gaan, de weg naar vrede; is, met andere woorden, onze hemelvaart. 

Zoals gezegd houdt het leven van Jezus niet alleen een belofte in, zij geeft ook te zijn en te doen. Zoals Jezus heeft voorgeleefd, mogen de leerlingen hem navolgen. Zij zijn geroepen tot een actief getuigenis en daadwerkelijke verkondiging. 
Getuigen is echter iets anders dan overtuigen. Verkondigen is niet gelijk hebben of de waarheid in pacht hebben. Dat leidt nu juist tot conflicten. Getuigen is niet religieus koloniseren. Het is weerloos en geweldloos. Wanneer Jezus zegt dat zijn leerlingen van hem moeten getuigen, bedoelt hij niets anders dan dat zij overal waar zij komen een goed woord, een goede boodschap moeten verkondigen, een woord van vrede en perspectief voor allen die daarnaar hunkeren. En dat zij in hun woorden en daden van die vrede en dat perspectief moeten getuigen. Zij moeten voor-beeld, afbeelding zijn van het  rijk dat in Hem is geopenbaard. Dienstbaar aan de groei en het zichtbaar maken van een nieuwe orde, de orde van recht en gerechtigheid. Niet door die op te leggen, maar door deze in hun eigen levenswijze zichtbaar te maken. Wat is immers de geloofwaardigheid van een systeem dat mensen onderdrukt en onvrij maakt. Dat is niet het Godsrijk.

De hemelvaart van Jezus wijst ons dus op de taak die we hier te verrichten hebben. Natuurlijk moeten we onze ogen geestelijk gericht houden op het (hemels) perspectief, maar we moeten ook en vooral onze medemensen zien, hun vragen en verlangens naar vrede en leven horen. We moeten de wereld ontmaskeren in relatie tot het rijk der hemelen en stellen in het licht van het evangelie. Want dan blijkt pas wat de wereld is in het perspectief van Christus.
We doen dat getuigenis zonder aanspraak op succes. Zonder zekerheid van resultaat. Dat is wat het in praktische zin betekent dat we tijd noch moment kennen. Maar toch: op het moment dat we met onze beperkte mogelijkheden getuigen, dat wil zeggen iets laten zien van het rijk van God, dan is het er ook. Daarom is elk moment belangrijk en heeft elk moment eeuwigheidswaarde. We kunnen immers op elk moment iets van goedheid laten zien en elkaar een blik in het hemels Jeruzalem gunnen.

Dat is getuigen zijn, overal en altijd; waar wij gaan of staan zijn we vindplaats van God en openbaart zich zijn koningschap. Amen.

 top

Overweging 6 mei 2018
de aarde als bewoonbare plaats 
 
Lezingen: Jesaja 45, 15-19; 1Johannes 4, 7-21; Johannes 15, 9-17.

Als er iets is waarin God zichtbaar wordt, dan is het wel de liefde. Voor Augustinus is dat zó waar dat hij kan zeggen: “liefde is God”. Waar Johannes zegt dat God liefde is, ziet Augustinus de liefde zozeer als het wezenskenmerk van God, dat hij God er als het ware mee laat samenvallen. 
“Waar vriendschap is en liefde, daar is God” klinkt het in vele talen in Taizé, voor velen de plek waar iets zichtbaar wordt van een harmonische mensengemeenschap. 
Psalm 133, 3 in de oude berijming zegt:  “waar liefde woont gebiedt de Heer den zegen. Daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen en ‘t leven tot in eeuwigheid”. Liefde als het kenmerk van Gods woonplaats bij de mensen.

Niettemin spreekt de eerste zin van de eerste lezing van een verborgen God. En in één adem noemt de schrijver deze God ook redder van Israel. Verborgen en zichtbaar tegelijk. De verborgenheid betreft hier het kennen van God, het doorgronden van God. We kennen niet zijn wegen en zijn overwegingen. Die zijn ook voor het volk Israel als verbondsvolk verborgen. Waarom Hij zijn volk bevrijdt uit ballingschap is verborgen, maar dat Hij het doet is duidelijk en zichtbaar. Wie God precies is, weten we niet, maar hoe hij is voor ons zien we wel. We kennen Hem in wat Hij tot stand brengt. In zijn schepping, in zijn spreken, in zijn Zoon, in de Schrift. Hij heeft juist niet in het verborgene gesproken, staat in de lezing. Zijn liefde voor ons, zijn betrokkenheid op ons wordt daarin zichtbaar.


Zijn liefde voor ons verplicht ons aan elkaar, maakt Jezus ons duidelijk blijkens de woorden van het evangelie en de eerste Johannesbrief. We horen het in de vorm van een gebod: “wie God liefheeft, moet ook zijn broeder en zuster liefhebben. Dit gebied ik u, dat gij elkaar liefhebt”. Punt. Dit klinkt nogal massief, alsof daarmee alles is gezegd. Misschien is dat ook zo, maar daarmee zijn onze vragen niet opgelost. Want: waartoe moeten we dan liefhebben; wie zijn dan mijn broeder of zuster;  hoe moeten wij liefhebben? 
Naar mijn idee hebben dit gebod en de antwoorden op deze vragen van doen met de uiteindelijke bedoeling van de schepping. Het waarom van ons er zijn.
Ik wil met jullie nader kijken naar een deel van de Jesaja-tekst waar staat: “Hij, de ware God, die de aarde heeft gevormd en gemaakt, en haar grondslagen heeft gelegd; die haar niet als een leegte heeft geschapen, maar gevormd heeft tot een bewoonbare plaats”. 
Deze woorden gaan terug op genesis.  In het begin schiep/ vormde  God de hemelen en de aarde. En de aarde was een leegte (tohu) en woestenij (bohu) en duisternis (chosjek) was over de diepte. Deze woorden horen we terugkomen bij Jesaja: leegte (tohu) en duisternis (eretz chosjek). En dat is nu precies niet de bedoeling van de aarde. Daarom ook brengt God in genesis haar aan het licht, schept orde en bevolkt haar. In genesis wordt in een scheppingsverhaal verteld hoe het al tot stand komt. Dit krijgt bij Jesaja een profetische inhoud. Hier gaat het niet om het hoe, maar om het waartoe. Niet tot een leegte heeft God de aarde gemaakt, maar tot een verblijfplaats (l’sjèbèt).


Een verblijfplaats is iets anders dan een tijdelijke plek onderweg. In een woestijnomgeving onderweg zijn is bivak maken, tent opzetten en weer afbreken. Eventueel wachten uitzetten voor wilde dieren en bewaking tegen overvallers. Een verblijfplaats is dan een oase waar iedereen veilig is, waar het gezelschap tot rust kan komen, de beesten gedrenkt en de mens gelaafd kunnen worden. Een verblijfplaats kenmerkt zich door een zekere gerustheid, veiligheid en de mogelijkheid om op krachten te komen. In een verblijfplaats kun je wonen en je vestigen. Daar voel je je thuis en veilig. Daartoe heeft God de aarde gemaakt, met de bedoeling dat het een plek is waar men wonen kan, veilig is, gerust en in vrede.

Dit verblijven keert herhaald terug in de tekst van de Johannesbrief en het Johannesevangelie. Het woord dat daar gebruikt wordt is de vertaling van datzelfde begrip in de tekst van Jesaja.  Bij Johannes wordt het gebruikt in relatie tot God en diens liefde die zichtbaar wordt in onze liefde voor elkaar. Wanneer wij elkaar liefhebben verblijft God in ons. En wanneer wij in zijn liefde verblijven, verblijven wij ook in God. Het gaat om wonen en niet op doorreis zijn. Elkaar liefhebben is de voorwaarde om in God en diens liefde te blijven. Tegelijk is het er ook de uitdrukking en het teken van.


Wat voor soort liefde is dat dan? Is elke liefde goed genoeg? De vraag stellen is haar beantwoorden. Liefde is een veelomvattend begrip en wordt gebruikt voor vele vormen van betrokkenheid tussen mensen. We kennen de eigenliefde, de naastenliefde, vaderliefde en de moederliefde. De romantische liefde, de kuise liefde, de hoofse liefde en de vurige en hartstochtelijke liefde. We kunnen de liefde bedrijven en haar beoefenen, een groot verschil. Het woord zelf is duidelijk niet voldoende en we hebben allerlei bijvoeglijke naamwoorden en voorzetsels nodig om aan te duiden welke liefde we bedoelen. Een groot onderscheid is de liefde die uit is op eigen bevrediging en de liefde die het welzijn van de ander zoekt. Tussen liefde met een bijbedoeling en onbaatzuchtige liefde. Tussen liefde die zichzelf zoekt en de liefde die om niet gegeven wordt. De Schrift maakt onderscheid tussen eros en agape.

Augustinus zegt dan ook dat niet iedere vorm van liefde zuiver is. We hebben maar zuiver lief wanneer we de ander beminnen omwille van God en God omwille van zichzelf. We moeten niet beminnen omdat we er beter van worden of omdat we iets van de ander nodig hebben, al was het maar bevestiging. Liefde is niet gebruik maken van iets of iemand (uti) maar genieten (frui). Zuivere liefde is gratis, zoals de liefde van God gratis en om niet is. Het besef dat God ons bemint zonder voorbehoud en omwille van ons zelf, om wie we zijn en niet omwille van hetgeen we doen, laat ons zien wie we in de ogen van God mogen zijn. Beminnelijke mensen. En doordat we ons ten diepste bemind weten, hebben we de liefde niet als ruilmiddel nodig. We kunnen in gerustheid verblijven in de liefde van God en zijn vrij om de ander te beminnen. Dat begint bij de radicale aanvaarding van de ander in diens bestaan. Bevrijd van angst voor de vreemdheid van de ander. Met deze blik herkennen we elkaar als broeder en zuster.  

Dat is ware vrije liefde. Een liefde waarvan Augustinus zegt: “bemin en doe wat je wilt”. Die liefde heeft geen regels en geen wetten nodig. Zij is verankerd in God zelf en wijst de weg en geeft aan wat goed is om te doen. Het is de wegwijzer en de weg in één.  Een weg die leidt naar een goed leven voor ieder. Het is waarheid, weg en leven. Daarom gaat er aan het korte gebod uit de mond van Jezus nogal wat vooraf. Het komt niet uit de lucht vallen. Jezus zelf is de weg van die liefde gegaan tot leven van ons allen. Geen groter liefde kan iemand hebben dan dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden (vrienden die ook nog voor een deel vijanden zijn). Met de liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad moeten wij elkaar beminnen. Zijn liefde zet de standaard. Dat is de meetlat waarlangs onze liefde wordt afgemeten. Wij moeten elkaar niet zomaar beminnen, maar elkaar beminnen met dezelfde liefde waarmee Jezus ons heeft liefgehad. En die liefde is dezelfde liefde waarmee de Vader Hem heeft bemind. God, Jezus, wij, zijn in de Geest verbonden in een liefdesmenuet, de wereld een dansfeest. Door die Geest van liefde houden wij verblijf bij elkaar en verblijven in elkaar. Daartoe zijn wij geschapen en is de aarde ons gegeven.

Het gebod om elkaar lief te hebben en de ons gegeven mogelijkheid om dat te doen en zo Gods liefde onder ons zichtbaar te maken, staan ten dienste van het leven. Zij staan erop gericht om de aarde bewoonbaar te maken en te houden. Om het een verblijfplaats te laten zijn waar God zichtbaar woont temidden van zijn volk, zijn mensen. Dat betreft heel de aarde, niet maar een deel ervan; alle mensen niet slechts enkelen. De liefde waartoe wij ons geroepen weten en die geen andere is dan Gods liefde en de inwerking van zijn Geest, staat gericht op de vervulling van de schepping.  

In de tekst van Jesaja staat dat God de aarde heeft gevormd tot een bewoonbare plaats. We hebben al gezien dat dat de bedoeling weergeeft. Het moet een bewoonbare plaats worden en zijn voor allen. Het woord dat daarvoor gebruikt wordt is ook te vertalen als “tot een plaats van rust”. Er wordt namelijk het woord voor sjabbat gebruikt. Tot een sabbat maakt God de aarde. De zevende dag, de sabbat, is de voleinding van de schepping waarin God rust. Gods liefde voor ons en onze liefde voor elkaar staan dus in het teken van de voleinding van de schepping. Gericht op de sabbat van de wederkomst des Heren. Waarop Gods liefde alles zal zijn in allen. In die grote sabbat ligt onze bestemming. En we hebben er nu al deel aan wanneer wij rusten, verblijven en wonen in zijn liefde. Amen.

 top


Overweging 29 april 2018 

Verbonden met de bron

Lezingen: Handelingen 8, 26-40; 1Johannes 3, 18-24; Johannes 15, 1-8.
In onze tuin staat onder andere een rododendron die op dit moment overdadig bloeit met prachtige witte bloemen. We hebben daar wat takken afgeknipt en op vaas gezet. Vanochtend zag ik dat de bloemen al na enkele dagen beginnen te verwelken, terwijl die aan de struik nog volop bloeien. Het leek me een aardig bruggetje naar de evangelielezing van vandaag over het leven in verbondenheid met Christus. 

We verlangen er allen naar om op een of andere manier verbonden te zijn. Geen mens is een eiland. Sterker nog, in het isolement of in eenzame opsluiting verpietert het bestaan. Verbondenheid schept identiteit en doet leven. Die, kennelijk essentiële, behoefte aan verbondenheid kent vele vormen. Virtueel, sociaal, spiritueel. We kunnen ons een samenleving zonder social media en de mogelijkheden van het mobiele dataverkeer nauwelijks nog voorstellen. Het mobiele netwerk is niet alleen voor pubers de slagader waarmee zij van sociale zuurstof worden voorzien, en zonder welke zij zouden verkommeren. Het is ook van levensbelang, minstens van groot sociaal belang voor ouderen. Voor het contact met kinderen en kleinkinderen in verweggië. Voor het contact van vluchtelingen met het thuisland. Voor slachtoffers van een natuurramp met hun familie. Het is geweldig dat dat kan. Het is allang niet meer iets alleen voor jongeren. Ook danig bejaarde opa’s en oma’s appen en skypen er lustig op los via smartphone of tablet. De verschillende applicaties vormen een breed aanvaard en integraal onderdeel van ieders sociale en zakelijke netwerk. We willen ervaren dat we deel zijn van een familie, een gemeenschap, een gebeurtenis, een club, een bindend verhaal. Het geeft ons het gevoel erbij te horen en het geeft betekenis aan ons leven. Het plaatst ons individuele leven in de context en de samenhang van medemensen. Zo leren we wie we zijn en ontwikkelen en bevestigen onze identiteit.

Deze elementen treffen we ook aan in het verhaal over de kamerling uit de Handelingen van de apostelen, waarvan je je misschien afvraagt waarom het in de Handelingen van de apostelen is opgenomen. 
De man is hoogwaardigheidsbekleder en schatbewaarder, dat is financieel beheerder, van de kandakè, een eretitel voor de koningin of koningin-moeder van de Ethiopiërs. Hij bekleedt dus een hoge en vertrouwelijke post. In de Griekse tekst staat ook dat hij een eunuch is, een onvruchtbaar gemaakte. Hij is ontwikkeld en kan lezen, schrijven en, gezien zijn functie waarschijnlijk ook wel rekenen. En dat is meer dan de meeste koningen in die tijd en tot in de Middeleeuwen konden. De man is naar Jeruzalem gegaan om in de tempel te aanbidden en is in zijn reiswagen op de terugweg. Hij leest in de boekrol van Jesaja, die hij wellicht in de tempelwinkel heeft gekocht, maar begrijpt niet wat hij leest. We hebben van doen met een geletterde slaaf, lijfeigene, aan het Ethiopische hof, iemand van Joodse afkomst die in ballingschap een onvruchtbaar leven leidt. Hij is niet in staat zich te plaatsen in het geloofsverhaal van zijn volk. Vervreemd als hij is van zijn geestelijke achtergrond. 

Door de Geest bewogen gaat Filippus naar hem toe en hoort hem hardop lezen uit de profeet. Het gaat om de passage in Jesaja 53 vers 7 die enigszins afwijkend geciteerd wordt in Handelingen, maar waarin staat: “Hij werd gefolterd, maar hij onderwierp zich; hij heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat naar de slacht wordt geleid. En zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders, heeft hij zijn mond niet geopend”.
Het gaat over de lijdende dienaar van de Heer. Een tekst die in verband gebracht wordt met Jezus, de koninklijke dienaar. Door de uitleg van Filippus kan de eunuch zich in dit verhaal plaatsen en wordt van balling volksgenoot. Hij laat zich dopen en vervolgt met vreugde zijn reis. Hij blijft wie hij is, maar met een ander perspectief. Dit thuiskomen van de vreemdeling, de balling, die volksgenoot wordt verdient kennelijk een plek in de Handelingen van de Apostelen. Hun werk is er in navolging van Christus op gericht de ballingen thuis te brengen, de vreemdelingen onder een noemer bijeen te brengen, de verstrooide kinderen te verzamelen. 
De onvruchtbare man zonder verhaal in den vreemde die op bedevaart ging naar Jeruzalem, vond nieuw leven, vreugde en perspectief in het profetisch verhaal van Israël.
Hij wordt verbonden met het levende verhaal van het godsvolk. Deel uitmaken van een perspectief biedend verhaal is voor iedereen van levensbelang. 
Zonder een verhaal dat de geïsoleerde ervaringen van ons bestaan betekenisvol bijeen houdt is het leven absurd, soms een klucht en soms een niet te rijmen tragedie.


In de verschillende communities waarin we op het web aanwezig zijn, kan identiteit iets vluchtigs krijgen. Een constructie voor de gelegenheid. Meer een schijngestalte dan een echte identiteit. We kunnen spelen met deze identiteit zolang die niet geconfronteerd wordt in de ontmoeting. 
In gelovige zin is identiteit nooit een constructie en zeker geen spel. Het volk van God is volk van God door uitverkiezing, maar wòrdt volk van God temidden van de volken door te leven naar zijn wet. Kind van God zijn we krachtens de scheppingsorde; lidmaat van Christus door de doop; zusters en broeders worden we door te leven naar zijn woord en in zijn liefde. Eerst is er de genade, dat wil zeggen Gods liefde, en dan is er het antwoord waarin de genade bevestigd wordt.
Onze identiteit is in de eerste plaats een geschonken identiteit. We krijgen die aangereikt van degene die ons het eerst heeft liefgehad. “Ik ben jullie God en jullie zijn mijn volk. Wees heilig, want ik de Heer ben heilig. Ik heb jullie bevrijd uit Egypte en jullie uitgekozen. Leef naar mijn woord, opdat jullie gelukkig zijn”. En Jezus: “Met de liefde waarmee de Vader Mij heeft liefgehad heb ik jullie liefgehad. Blijft in mijn liefde”. 

In deze en vergelijkbare passages wordt eerst identiteit aangezegd en daarna een aanwijzing gegeven om overeenkomstig die identiteit te leven. Eerst de gave en dan de opgave, zo je wilt. In alle gevallen betreft het een identiteit die niet bepaald wordt door wie we kennen of zeggen te kennen op onze facebook- of LinkedInpagina, maar door Wie we gekend worden.
Achter die liefde kunnen we ons niet verschuilen. We kunnen niet, om met de Johannesbrief te spreken, zeggen dat we God liefhebben zonder daarvan in concrete daden van naastenliefde te getuigen. Dat zou ons tot een leugen maken, die geen concrete herinnering hebben aan de memo’s die Christus voor ons heeft achtergelaten. Het is immers precies die liefde waar we een beroep op doen, die onthult wie en wat we zijn. En we worden wie we als gelovige zeggen te zijn wanneer we ons aan zijn liefde toevertrouwen en zo met Hem verbonden blijven.


Wanneer Christus de wijnstok is en wij de ranken, wanneer we dus zo met elkaar verbonden zijn dat zijn levenssappen door ons heen stromen, hoe zouden we dan andere vruchten kunnen voortbrengen dan vruchten van goedheid, mededogen en godsverbondenheid? Wanneer we naar de woorden van de eerste Johannesbrief, die in deze tijd ook gelezen wordt, kinderen van God zijn, wat zouden we dan anders kunnen doen dan elkaar liefhebben zoals God ons liefheeft. 
Wie we zijn, zijn we in verbondenheid met God en Christus. En zonder die verbondenheid zijn we niet. Ons leven kan maar in gelovige zin vruchtbaar zijn wanneer we blijven in Hem zoals Hij blijft in ons. 

En dat niet als vreemdeling of inwoner, maar als eigen. God is het immers die door de inwerking van zijn Geest in ons, ons thuisbrengt en ons onze identiteit geeft, ons tot onszelf maakt.
We zeggen het telkens weer na de communie: “blijf in Christus en Christus blijft in u”. Het is de uitdrukking voor een zeer nabije en intieme levensverbondenheid. Zodat zijn liefde in ons stroomt en wij de vruchten van die liefde voortbrengen die ons tot werkelijke leerlingen van Christus maken en kinderen van de allerhoogste die ons het eerst heeft liefgehad en zijn beeld in ons tot uitdrukking brengt. Mogen wij, zoals de Johannesbrief zegt, de zekerheid ervaren dat wij thuishoren bij de waarachtige God en daarvan vreugdevol getuigen in onze oprechte betrokkenheid bij elkaar. Connected en wel. Amen.   

 top


Overweging 22 april 2018  

elkaar hoeden en weiden 
Lezingen: Ezechiel 34, 1-10; 1Johannes 3, 1-8; Johannes 10, 11-16

Wat mogen we van elkaar verwachten? En waarop zouden we elkaar in alle redelijkheid kunnen aanspreken?
Het antwoord op deze vraag is gekoppeld aan de relatie die we met elkaar hebben.

Er is een groot verschil tussen verwachtingspatronen in het meer persoonlijke sociale en private intermenselijke verkeer en ten aanzien van rollen die mensen in een samenleving vervullen, hoe groot of klein dat samenlevingsverband ook is. In het gezin lopen rolverwachtingen en persoonlijke verwachtingen naast en door elkaar. En zo is het ook in de relatie tot God. In de maatschappij overwegen de rolverwachtingen. We willen er graag op kunnen vertrouwen dat mensen beantwoorden aan onze verwachtingen.
Vertrouwen stoelt op betrouwbaarheid. In relationele zin is dat de zekerheid dat mensen zijn wie ze zeggen te zijn, dat zij doen wat zij zeggen, dat zij zich gedragen in overeenstemming met de rol die zij vervullen. Een vader, een leraar, een pastor, een rechter, een wethouder of een minister. Hun functie roept terechte verwachtingen op en het schokt ons wanneer zij zich daarnaar niet gedragen. Anderzijds moeten we ook realistisch zijn in onze verwachtingen.


Vrede, veiligheid en vertrouwen in de samenleving, en ook in de kerk, hangen af van de betrouwbaarheid van de relaties en instituties. Hoe formeler de relatie, hoe meer je erop moet kunnen vertrouwen dat mensen zich gedragen overeenkomstig hun taak en functie. En dat ook instituten zich als zodanig gedragen.
Wanneer dat niet gebeurt, raken mensen het vertrouwen in de samenleving kwijt, en in het ergste geval desintegreert de samenleving. Het instituut verliest zijn geloofwaardigheid. Het wordt tot iets waar het vermeende recht van de slimste, de sterkste, de brutaalste geldt. Dat mechanisme maakt vele slachtoffers; en we zien het dagelijks gebeuren. 
Wanneer dat institutioneel op het niveau van de leiding gebeurt, wordt de gerechtigheid gegijzeld en raakt het volk in ballingschap. Het is niet zo moeilijk om te herkennen hoe in onze wereld door bepaalde leiders het recht wordt gemanipuleerd en het volk zijn zekerheid en veiligheid verliest. Met onder andere als gevolg geestelijke ballingschap, isolement en feitelijke migratie. Zo zou het niet moeten zijn in een samenleving van mensen.

In ieder geval wijzen de lezingen ons op een andere weg. Ezechiel laakt de herders die zich verrijken ten koste van de schapen. Die de schapen alleen als melkkoe zien. Het is de arrogantie van de macht. We kennen nogal wat herders van volken die zich verrijken ten koste van hun onderdanen. Die zwelgen in persoonlijke rijkdom in plaats van de rijkdom van het land ten goede te brengen aan het volk voor gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en werkgelegenheid.
De Schriften normeren de samenleving naar termen van verantwoordelijkheid, zorgvuldigheid, barmhartigheid en gerechtigheid. Deze worden gezien binnen het verstaansmodel en de context van het verbond van God met zijn volk. Een verbond dat gebaseerd is op een liefdevol kennen van elkaar. Vanuit religieus standpunt bezien normeert de relatie tussen God en zijn volk alle andere relaties. 

Ten aanzien van God hebben we persoonlijk ook allerlei verwachtingen die we baseren op wat we van hem menen te kennen, op de rollen die we hem toedichten, inclusief de vaderrol, de herdersrol. Hoe we God zien bepaalt ook wat we van hem verwachten. Het tekent de relatie die we met hem onderhouden. Ook voor die relatie geldt dat we onze verwachtingen telkens moeten toetsen.  Soms kunnen we heel lang toe met de beelden die we van God hebben. Er kunnen zich ook situaties voordoen waarin dat beeld barst. Situaties waarin God niet beantwoordt aan onze verwachtingen. Ligt dat dan aan God? Ligt het aan ons verwachtingspatroon? Weten we eigenlijk wel wat we kunnen verwachten? Kennen wij onszelf, kennen we God voldoende om dat te weten? Gaan we dan uit elkaar wanneer de Ander ons teleurstelt of zoeken we samen een weg verder door dit leven?

We spreken heel vaak over de almachtige God en dat schept nogal wat verwachtingen. Het is de vraag of die wel zo reëel zijn. Misschien in verband met de schepping, misschien. De scheppingsverhalen gaan echter niet zozeer over Gods macht. Zij gaan over het protoverbond van licht en leven, van voedsel en vruchtbaarheid, van respect voor elkaars eigenheid in de relatie tussen God en de mens. De God van het verbond beantwoordt eigenlijk niet aan het beeld van de almacht. Het is eerder een God van vallen en opstaan, van vergeving en nieuw begin, van, solidariteit, gerechtigheid en trouw. Die de gebrokenen opricht en het geknakte riet niet breekt. Die ballingen thuisbrengt en zijn gegeven woord bewaart. Het is een mensengod. Geen onmenselijke god. Het is precies deze God die gerepresenteerd wordt door Jezus Christus. Hij is de gestalte van de relatie die God met zijn volk onderhoudt. 

Het evangelie getuigt ervan waar Jezus zegt: “Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij. Ik geef mijn leven voor mijn schapen”. Hij is de betrouwbare getuige, de zichtbare en tastbare kant van God. Degene die we niet kunnen zien wordt geopenbaard in Hem. 
Wanneer wij luisteren naar zijn stem wordt het één kudde en één herder die alleen samen elkaar betekenen. Zonder herder geen kudde en zonder kudde geen herder. Zij bestaan, net zoals de gemeente en de voorganger, slechts in relatie tot elkaar. 
Daarom is het ook zo belangrijk om samen te komen en samen naar zijn stem te luisteren. Het woord van de Schrift te beluisteren. Want in dat luisteren groeien we in eenheid met elkaar en met Hem en worden we volk van God. In het biddend en dankend samenkomen ontvangen wij zijn leven om, ik zeg het nog maar eens, te worden wat we zijn, gemeenschap van Christus, lichaam van Christus. Zo leren we ook de Vader kennen met dezelfde liefde waarmee Hij ons kent.  

Deze week was ik bij een lezing van professor Frances Young. Zij heeft zich intensief bezig gehouden met de studie naar de ontwikkeling van ons geloof en van onze geloofsbelijdenissen in de vroege kerk. Daarbinnen ook met het vroegchristelijke mensbeeld. Mede op grond van haar studie van de vroege kerkvaders ziet zij in de vroege kerk een meer corporatieve identiteit en niet zozeer een individuele. Dat betekent onder andere dat ook het uiteindelijke heil geen individuele aangelegenheid is, net zo min als opstanding en nieuwe schepping. Het is mooi om hier te spreken van een corporatieve identiteit omdat dit woord afgeleid is van het Latijnse woord voor lichaam. Wij zijn maar Lichaam van Christus wanneer we staan in een hechte relatie met elkaar en met Christus. Deze verbondsrealiteit van een corporatieve identiteit geldt ook voor het godsvolk van het oude en het nieuwe testament.
In een situatie waarin het individu maatgevend is en uitgangspunt voor het denken over de samenleving pleit zij voor een nieuw mensbeeld. Een dat niet uitgaat van het individuele zelf dat zich vanuit zichzelf ontplooit,  maar een die zijn identiteit ontleent aan  wederkerigheid en relatie. Aan verbondenheid. Het is juist onze eigen gebrokenheid die ons in verbinding brengt met de naaste. Het is niet alleen dat we elkaar nodig hebben in praktische zin, we kunnen alleen maar mens zijn met elkaar. We kunnen alleen maar kinderen van God zijn in liefdevolle verbondenheid met God en met elkaar. 
Het lijkt op het 12e eeuwse Perzische sprookje van Farad ut-din atarn waarvan de titel zoveel betekent als samenkomst/samenkomen van de vogels.  Het gaat over de vogels (zielen) die op zoek gaan naar het hof van hun koning Simoerg. Zij moeten gaan door zeven valleien: die van het zoeken, de liefde, de kennis, de onthechting, eenheid, ontzag, armoede en afstand doen van het ik. Uiteindelijk komen dertig vogels bij hun koning, wiens naam betekent: dertig vogels. Zij herkennen de koning in zichzelf en de koning herkent zichzelf in hen. Zij hebben een gemeenschappelijke identiteit en in de zoektocht zijn zij geworden wie zij zochten. Zo gaat het ook in de samenkomst van de gelovigen.

 
En we herkennen het in de woorden van de Johannesbrief: “Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft. Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook. De wereld kent ons niet, omdat zij hem niet heeft erkend. Geliefden, nu al zijn we kinderen van God en wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard. Maar wij weten dat, wanneer hij zal verschijnen, wij aan hem gelijk zullen zijn, want wij zullen hem zien zoals hij is. Wie dat verwacht maakt zich zuiver, zoals Jezus zuiver is”. Amen. 

 top

 

Overweging 15 april 2018 
werkelijk tegenwoordig 

Lezingen: Handelingen 4, 5-12; 1Johannes 1, 1-7; Johannes 21, 15-24.

Het verhaal van de Petrusopdracht begint heel terloops met een verwijzing naar de maaltijd die Jezus houdt aan de oever van het meer van Tiberias met een aantal van zijn leerlingen, te weten Simon Petrus, Tomas, de twee zonen van Zebedeus, namelijk Johannes en Jacobus, en nog twee niet met name genoemde leerlingen en daarbij nog Natanaël die we als leerling van Jezus kennen, en vermoedelijk als apostel Bartolomeus kennen. Een beperkt gezelschap dus.
Bij het beluisteren van het verhaal is het goed om te beseffen dat het een van de scenes is die de schrijver van het Johannesevangelie ons verhaalt over de verschijning van Jezus na zijn Pascha. Verhalen die erop gericht zijn om ons duidelijk te maken dat Jezus werkelijk verrezen is, niet als God, maar als mens van vlees en bloed. Daarin ligt immers de hoop voor hen die geloven en delen in de verrijzenis. Jezus is zichtbaar, tastbaar, spreekt en eet en drinkt. In een oude Griekse tekst wordt met betrekking tot de opstanding gezegd: “niet God is in de mens opgestaan, maar de mens in God”. In God worden we een nieuwe schepping.

Ook na zijn dood en opstanding is Jezus werkelijk tegenwoordig. In de zorg voor zijn gemeenschap, in de verkondiging door zijn leerlingen, in hun heilzaam handelen en in hun samenkomsten is Hijzelf aanwezig, als gastheer en als voedsel. 

Het verslag van de Handelingen van de apostelen begint met de gave van de Geest door wie de leerlingen worden bemoedigd en geïnspireerd om te doen wat Jezus hun heeft opgedragen. Zo lezen we direct voor de lezing van vandaag over de genezing van een verlamde die al zijn hele leven, meer dan veertig jaar, bij de Schone Poort, een van de tempelpoorten, ligt te bedelen zonder dat hij de tempel kan binnengaan. Op gezag van Jezus zegt Petrus deze mens genezing aan. En hij staat op en gaat de tempel, symbool van het beloofde land en de herstelde schepping, dansend binnen om God te loven en te danken. God werkt door en aan mensen zonder aanzien des persoons, niet op basis van macht en stand, maar door geloof en overgave.
Dat is waar het om gaat: dat we het heil dat ons geschiedt niet op ons eigen conto schrijven, maar in verbinding brengen met de werkzaamheid van God, waarvoor we Hem prijzen en danken.
Voor dit heilzaam optreden worden Petrus en Johannes voor de overheden gebracht die kennelijk beducht zijn voor hun gezag. Alsof de Geest zich kooien laat, of alleen spreekt door Schriftgeleerden en hogepriesters. Van Geest vervuld legt Petrus voor hen vrijmoedig getuigenis af van Gods reddende kracht die in Jezus wordt geopenbaard en werkzaam is. Hij vertrouwt zich toe aan de Naam die boven alle namen is en die klinkt als een bemoediging en als een belofte: Jezus, d.i. God redt en behoedt. Wie zouden zij vrezen wanneer Hij bij hen is.

Deze zelfde Petrus komen we ook tegen in het evangelie. Leerling van het eerste uur, soms sneller met de tong dan met het hart. Loyaal en angstig, gelovig en twijfelaar, belijder en loochenaar. Wat dat betreft lijkt hij wel wat op ons. Tijdens het gesprek na de maaltijd is hij minder zelfverzekerd dan in de Handelingentekst en zich bewust van zijn beperkingen. Een goede eigenschap voor een leidinggevende lijkt me. Tot driemaal toe vraagt Jezus hem of hij van Hem houdt. Steeds bedroefder antwoordt Petrus ja. Hij ontvangt de opdracht om de gemeenschap te leiden. Hoe deze opdracht in relatie staat tot het exclusieve of collegiale petrusambt laat ik buiten beschouwing. Van belang is hier dat de zorg voor de gemeenschap gebaseerd is op de liefde tot Jezus. Petrus is verre van perfect en niet bijster geleerd en dat is maar goed ook. Zo staat hij dicht bij mensen. De doorn van de loochening in zijn eigen vlees behoedt hem voor hoogmoed, die een valkuil is voor iedere mens maar zeker ook voor een leidinggevende in de kerk. Het gaat om een functie die uit liefde voor Christus dienstbaar is aan de levensvervulling van mensen. 

Deze liefdesdienst is niet beperkt tot het ambt en de ambtsdrager die mens is zoals Petrus mens is. Het is een opdracht die zich over alle leerlingen van Jezus uitstrekt. Allen zijn tot de gemeenschap van de Vader en de Zoon geroepen. 
Die gemeenschap is de inhoud en het doel van de verkondiging zoals dat verwoord is in de lezing uit 1Johannes 1. Die gemeenschap met de Vader en de Zoon is bron van volmaakte vreugde en deelhebben aan het eeuwige leven dat bij de Vader is en geopenbaard is en aan ons verschenen, zichtbaar voor alle ogen, in Jezus Christus. 
Geheel in de traditie van de Johanneïsche literatuur wordt dit leven met licht geassocieerd en dood met duisternis. Het eeuwige leven bij de Vader wordt zo in verband gebracht met het scheppingslicht. Zo is God te noemen licht en leven. Er is in Hem geen spoor van duisternis en dood, alleen licht en leven. De wegen van de wereld en de werken van het duister zijn Hem vreemd. Maar wanneer wij gemeenschap met Hem hebben, wandelen we in zijn licht. Zijn kinderen van het licht. Als leden van die levensgemeenschap zijn we ook geroepen van dit licht te getuigen in onze leefwijze. Licht te brengen in de duisternis van onze wereld en waar het leven van onze naaste verduisterd is door pijn, verdriet, angst en onrecht, geweld en verlamming.

De gemeenschap met de Vader in de Geest met Christus en met elkaar vieren we wanneer we samenkomen voor de heilige maaltijd.  Daar is het net als bij de maaltijd aan de oever van het meer, Jezus zelf die bedient. Daar is het Jezus die voedsel vraagt aan zijn leerlingen. Maar als zij met vis aankomen heeft Hij al een vuur gereed en brood en vis. Het voedsel dat Jezus van zijn leerlingen vraagt is hun geloof en Hij voedt hen met zijn leven.

Wanneer wij, op zijn woord, in geloof samenkomen, is de verrezen Heer als gastheer in ons midden. Hij deelt ons van de gaven die Hijzelf voor ons heeft bereid en die Hijzelf is. Brood gebroken en wijn gedeeld, lichaam en leven tot opbouw van gemeenschap.
Het zijn de tekenen waarin Hijzelf zich met ons verbindt en gemeenschap heeft met ons. In een heel oud tafelgebed van de begintijd van de kerk, ver voordat de instellingswoorden een centrale plek kregen in het eucharistisch gebed,  komt de bede voor: “kom en heb gemeenschap met ons”. Dat is niet de uitdrukking van een dogmatische theologie. Dat is een intiem en levenscheppend gebeuren. Het is de uitdrukking van het geloof dat aan ons geschiedt wat wij vieren. Dat Christus werkelijk in ons midden komt om zijn leven met ons te delen, opdat we worden wat we zijn, gemeenschap en lichaam van Christus. In de eucharistie actualiseren we onze doop waardoor we in het Lichaam van Christus zijn opgenomen. Dit kunnen we onmogelijk uitwendig als een ritueel vieren. Het is deelnemen aan een liefdesdynamiek die ons niet onberoerd laat. 
Zoals Jezus hierin zichzelf inbrengt als levengever, zo brengen wij onszelf in als gelovige ontvanger van dit leven.  En alleen in deze gelovige toenadering worden we wat we vieren. Het is mysterion, het transformeert ons en stelt ons leven in het teken van zijn Licht. 

Misschien klinkt het allemaal wat exaltisch. Je komt dit wel tegen in de mystieke literatuur en in oude sacramentsliturgische teksten. Deze oude laag van existentieel vieren van de geloofsgeheimen zijn we in onze hang naar begrijpen en definiëren misschien wat uit het oog verloren. Hoewel toch de laatste jaren in brede kring juist de beleving bij de waarheidsvinding een belangrijke plaats inneemt. 
Wat we niet kunnen of durven zeggen, kunnen we vaak wel zingend voltrekken. Zoals in de tekst van ‘Gij zelf zijt, Heer, het levend brood’ (t. J-P Lécot; m. G.Kirbey, 1560-1634): 


Gij zelf zijt Heer, het levend brood gebroken voor ons heil.
De band die ons tezamen houdt. Gij, die verrezen zijt.

Ik ben het brood dat leven geeft aan wie in Mij gelooft.
Ik doe hem opstaan uit de dood, wanneer ik weder keer.

Wij eten van hetzelfde brood, verenigd in geloof.
Hetzelfde lichaam vormen wij: de kerk/gemeenschap van onze Heer.
 

Het vieren, bidden, zingen en ter tafel gaan maakt ons op ervaarbare wijze tot de gemeenschap van Christus die leven ontvangt van Hem en leeft in en door zijn Geest. Om, als Petrus, vervuld van de heilige Geest vrijmoedig getuigenis af te leggen van de blijde boodschap en de belofte die deze inhoudt. Namelijk dat wij lichtmensen zijn en geroepen om elkaars vreugde volkomen te maken. Want in de blijmoedige gever komt God aan het licht. Amen.

 top

 

Overweging 8 april 2018 
geloven en dan zien

Lezingen: Jesaja 26, 1-13; 1Johannes 5, 1-6; Johannes 20, 24-31.  
“Eindelijk gerechtigheid”, hoorde ik iemand zeggen toen hij na lang wachten in het team was gekozen. Kennelijk had hij er al  langer op gewacht en vond hij dat hij er recht op had om gekozen te worden. We zien het in het algemeen als gerechtigheid wanneer iemand zijn trekken thuis krijgt en wanneer een voorbeeld van maatschappelijke inzet een lintje krijgt. 
We hebben allemaal wel een idee van wat gerechtigheid is en wat rechtvaardigheid inhoudt, een soort natuurlijk aanvoelen. We beseffen eigenlijk niet dat dat aanvoelen ook is aangeleerd. Het is veelal een schematisch idee van recht gebaseerd op vergelding en beloning. Eigenlijk de meest primitieve vorm van rechtsbestel. De rechtsnorm daarbij is dat het goede beloond en het kwade bestraft moet worden. 

Met dit beginsel ben je er natuurlijk nog lang niet. Het gaat namelijk niet in op wat recht is en op wat het recht beoogt. Bovendien is het goed om te beseffen dat daarbij ook wat goed of kwaad is buiten beschouwing blijft. Dat moet apart worden gedefinieerd. En we weten dat goed en kwaad vooral afhankelijk zijn van cultuur, politiek, persoonlijke belangen en … religie. We mogen ons gelukkig prijzen dat we leven in een rechtsstaat waarin burgers worden beschermd, rechters politiek onafhankelijk zijn, en waarin het recht wordt gedomineerd door billijkheid, gerechtigheid voor allen en rechtvaardigheid. In de rechtspraak is bovendien een vorm van barmhartigheid en maatvoering aanwezig.
Gerechtigheid is immers een subtiel gegeven en verre van eenduidig. En wanneer we het op God toepassen wordt het er niet eenvoudiger op. Rechtvaardigheid, trouw, liefde en barmhartigheid zien we toch als eigenschappen van God. Maar soms zijn deze eigenschappen in onze beleving met elkaar in tegenspraak. Kan God zowel almachtig als liefdevol zijn?  Kun je God van een levensdelict beschuldigen? Van ontrouw en nalatigheid? De eigenschappen waarmee we God bekleden en de verwachtingen die daaruit voortvloeien verhinderen soms het vrije zicht op God. We verlangen te vaak naar de zichtbaarheid van God op de wijze waarop we hem willen zien. Met andere woorden God moet doen wat we van hem verwachten.

Dit zien we ook in het volksgebed in Jesaja. Volgens het schema van bestraffing en beloning moet God de bozen straffen. In het vervolg blijkt dat dit dan de volksvijanden betreft. God moet volgens de bidder een onderscheid maken in de behandeling van het volk en van de vijanden van het volk die dan ook als vijanden van de HEER gezien worden. Het is eigenlijk net zo primitief als wanneer twee vijanden tot dezelfde God bidden om de overwinning op de ander. Als God liefde is dan bemint hij vriend en vijand; de vriend om hem aan zich te binden, de vijand opdat hij zich bekeert. Door de boze genade te verlenen leert Hij deze wat liefde is in plaats van hem door straf te bevestigen in het kwaad. De gerechtigheid van God is gericht op de heelheid van heel de mens en het herstel van het geschonden beeld van God; het staat gericht op de nieuwe mens. Wat God beoogt stijgt uit boven onze schemata voor recht en gerechtigheid en onze tweedelingen in goed en kwaad.

De apostel Tomas bepaalt tot in detail wat hij wenst te zien alvorens hij wil geloven. Hij wil wonden zien en tekenen en ze betasten. Hij wil pas geloven wanneer hij het kan vastpakken. Hij lijkt op degenen die voor Jezus en de bijbel op zoek gaan naar historisch bewijs. Zij beseffen onvoldoende dat het niet gaat om een historisch gegeven, maar om een geloofswaarheid. Zelfs wanneer je historisch bewijs vindt van een alles verwoestende vloed, dan nog zegt dat niets over het verlangen naar een nieuwe schepping. Ook al is er een historische figuur te vinden met de naam Jezus zoon van Jozef en ook al is die te vereenzelvigen met een man die aan het kruis is gestorven, dan nog zegt dat niets over de theologische interpretatie van Jezus als de Messias; een Werdegang die niet langs de weg van zichtbaarheid geschiedt, maar door het geloof. Door een gelovige interpretatie van zijn leven en door een gelovig lezen van de Schrift is de belijdenis van Jezus als de Messias en als zoon van God tot stand gekomen. 

Dat wordt ons ook met zoveel woorden duidelijk gemaakt in het verhaal van het evangelie over Tomas. Tomas was natuurlijk verre van ongelovig. Hij verlangde juist te geloven. De traditie kent en erkent hem als de verkondiger van het geloof in het Midden-Oosten tot in India, met name Kerala. Het is met deze Mar Thoma kerken, dat de Oudkatholieke kerken banden hebben.

In zijn boek over het lezen van de bijbel en de interpretatie van de teksten zegt Augustinus: “wanneer je niet gelooft begrijp je niet”. (voor ons een verkeerd citaat van Jesaja 7,9. Voor Augustinus was het een van de twee Septuagintteksten die hij tot zijn beschikking had. Zie Wat betekent de bijbel, II §§ 39-40)
Dit wijst erop dat geloven niet alleen een geloofswaarheid tot inhoud heeft, zoals bijvoorbeeld de geloofsbelijdenis, maar ook dat het een wijze van benaderen, van waarnemen van de werkelijkheid is. We lezen uit geloof om tot geloof te komen. We zoeken geen bewijs, maar voedsel voor ons geloof. Het sluit aan bij de bede: “Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp” uit Markus 9,24. Geloof is de grondhouding van waaruit we de wereld beschouwen. Geloven is voor Augustinus leven in de liefde Gods. Groeien in geloof is groeien in liefde jegens God en de medemens. 

Het gaat dus nooit om bewijzen om tot geloof te komen. Wie niet gelooft wordt niet overtuigd, ook al stapelen bewijzen zich huizenhoog op. Maar wie gelooft ziet. Zo ook zag en geloofde de leerling die bij het graf van Jezus kwam en zag dat het leeg was, behoudens de windsels. En ook dit is geen journalistiek bewijs, maar de uitdrukking van een gelovig kijken, en zien van een geloofswaarheid. 
Geloven is geen resultaat, maar een vertrekpunt. Wanneer we geloven zien we de aanwezigheid van God. Daar hebben we geen bewijs van zijn bestaan voor nodig. 

Het gaat om hetgeen ook in de eerste Johannesbrief staat. Ieder die gelooft is uit God geboren. Dat wil zeggen: deze is, en ik benadruk is, de nieuwe mens. Niet: zal zijn, maar is in geloof reeds vernieuwd naar het beeld van God, is een nieuwe schepping, kind/dochter/zoon van God. Wie God liefheeft, heeft ook zijn kinderen lief, zegt dezelfde brief. Dat wij in de liefde zijn blijkt uit het feit dat we leven naar zijn woord. Wie en wat uit God geboren is overwint de wereld, de werkelijkheid zoals die in duisterheid verkeert. Liefde en geloof overwinnen de wereld. Dat wil zeggen dat deze ons de moed en energie geven om vol te houden in ons verlangen naar een nieuwe schepping, naar vrede en vervulling. En er ook naar te leven. Dit geloof is niets anders dan de werking van Gods Geest in ons, waardoor we zicht houden op de uiteindelijke waarheid omtrent wie we zijn in Gods ogen.

Geloof opent deuren die voor ogen die bewijzen willen zien gesloten blijven. Het is een oude paradoxale wijsheid om op te geven wat je begeert om te vinden wat je verlangt. Het is het sprookje van Serendip: je gaat op zoek naar kennis, maar vindt liefde en in die liefde alle kennis waarnaar je op zoek was. Eerst zien en dan geloven is een weinig avontuurlijke levensinstelling. Geloven is het liefdesavontuur met God aangaan. En wanneer je de sprong waagt blijkt het een zekerder weg dan de weg van zekerheid. Dat betekent niet dat er alleen maar jubel en hosanna op die weg is. Maar het is wel de weg die van God uitgaat, met God gaat en bij God uitkomt. Amen.

 

 top

 

Overweging 29 maart 2018
Witte Donderdag
zuiveren van hart

Lezingen: Exodus 12, 1-14; psalm 81; Johannes 13, 1-15.
Wat Johannes ons vertelt is eigenlijk ongehoord. Ik heb geen idee hoe het verhaal indertijd werd ontvangen. Iets daarvan wordt misschien duidelijk in de reactie van Petrus, hoewel die in tweede instantie ook te maken heeft met de verschillende interpretatie van reinheid.
Johannes is een meester in het omkeren van betekenissen en het kantelen van blikrichting. Dat zal hier niet anders zijn. Hij is de enige evangelist die dit verhaal vertelt. Het moet wel een bijzondere betekenis hebben. 
Een ervan is dat al heel vroeg in de overlevering het instellingsnarratief in de bestaande evangeliën is ingevoerd. Voor het ontstaan en de verbreiding van het Johannesevangelie. Andere is dat de schrijver van het Johannesevangelie een heel eigen accent geeft aan het verhaal over de laatste avond van Jezus met zijn leerlingen. Wij zouden zeggen het verschil tussen een diakonale interpretatie en een liturgisch theologische interpretatie. De laatste benadrukt meer het verzoeningskarakter van Jezus sterven. Het diakonale aspect betreft meer de zending van de leerlingen ten dienste van de wereld. 

Het beeld dat Johannes Hiervoor gebruikt is dat van de voetwassing. Vanzelfsprekend dienen we dit voor ons ongebruikelijke beeld allereerst te verstaan binnen de omgeving van het Midden-Oosten. Het is daarbij niet ongebruikelijk om bij het binnengaan van een huis, of voor het gaan aanliggen voor een maaltijd, de voeten te wassen en ze te ontdoen van stof en zand. Soms werd het door bedienden gedaan. Het werd beschouwd als een nederige arbeid. Joodse bedienden of Joodse slaven mochten er volgens de talmoed niet toe gedwongen worden. Maar het was niet alleen maar een nederige arbeid of een verdeemoediging. Het werd ook beschouwd als een bijzonder eerbetoon. Zonen en dochters wasten de voeten van de vader. Een Joodse vrouw werd verondersteld, ook als zij eigen slavinnen had die dat zouden kunnen doen, om de voeten van haar man te wassen en ook zijn handen en het hoofd. Leerlingen wasten de voeten van hun meester. De nicht van R. Eliezer (rond het jaar 90) bood aan de voeten van diens leerlingen te wassen. De moeder van R. Jismael (rond het jaar 135) stelde er een eer in de voeten van haar geleerde en vooraanstaande zoon te wassen. Om als echte weduwe, die op ondersteuning van de gemeenschap kan rekenen, erkend te worden vermeldt 1Timoteus bij de goede werken gastvrijheid en het wassen van de voeten van de heiligen. 
Dit toont aan dat de voetwassing een in de cultuur opgenomen fenomeen is waarvoor ook allerlei regels gemaakt zijn. Ten fundamente is het een uiting van eerbied; niet zozeer voor de persoon, maar voor hetgeen de persoon in religieuze zin vertegenwoordigt. 

Petrus beschouwt het ritueel in eerste instantie als een dienstbetoon en weigert het. Daarna ziet hij het kennelijk als een reinigingsritueel doordat hij er de handen en het hoofd bij haalt. Kortom hij vertegenwoordigt de leerling die het niet begrijpt. In dit verband wijst Jezus erop dat zijn leerlingen rein en gezuiverd zijn, behalve degene die hem overlevert. Maar ook hem heeft hij de voeten gewassen. Het gebaar overstijgt het verraad en, als het erop aankomt ook de verloochening door Petrus. 
De reinheid heeft in dit verband een bovenrituele betekenis. Dat blijkt uit de verwijzing naar Judas. Het is dezelfde betekenis waaraan gerefereerd wordt in psalm 24 met betrekking tot degene die de plaats, de berg, van God betreedt, namelijk die rein is van handen en zuiver van hart. Psalm 15 beschrijft het als volgt: Wie mag verblijven op Gods heilige berg? Wie vrij is van schuld, gerechtigheid beoefent, trouw is van hart, niet naar  lasterpraat luistert noch spreekt, geen onrecht doet in welke vorm dan ook.
Al deze deugden zijn erop gericht de Naam van God in de wereld hoog te houden en om God te eren in elkaar.
Dienst aan de medemens is dienst aan God. Door elkaar de voeten te wassen (en niet door elkaar de oren te wassen) eren we God in de naaste. We eren de ander als beelddrager van God. Daarmee vermeerderen we de aanwezigheid van God in de wereld en brengen zijn koninkrijk naderbij. Dienstbaarheid in die zin is een zeer gelaagd begrip.

We mogen de voetwassing zien in het kader van Jezus’ leven ten dienste van de wereld. Binnen het kader van dienstbaarheid beschouwd vertegenwoordigt het gebaar zijn liefde die tot het uiterste gaat. Als eerbetoon ziet het de eerste betekenis van iedere mens die uitstijgt boven diens gedrag. De ander eren en blijven liefhebben richt een appel op die diepste betekenis. Die niet afhankelijk is van de mate waarin iemand in staat om lief te hebben, maar van de mate waarin God ons liefheeft.

Voor een leerling van Jezus betekent het dat deze zich niet laat voorstaan op dit leerlingschap. De leerling kan er geen rechten aan ontlenen. Zij/Hij kan slechts navolgen. 
Wanneer we de tafelgemeenschap vieren ervaren we in tekenen wat het betekent om je leven te geven voor het heil van de wereld. Dat is niet per se martelaarschap, want dat is in de Joodse cultuur helemaal niet zo populair. Het is eerder een focus op het eren van de aanwezigheid en de naam van God in wat je doet en laat en in de manier waarop je je leven leeft. 
Wat we in de tafelgemeenschap vieren en ervaren loopt vooruit op oogmerk van die inzet. Dienst aan de groei van het koninkrijk. Amen.

 top


Overweging 25 maart 2018
Opgang naar Jeruzalem


Lezingen: Jesaja 50, 4-7; psalm 118 deels; Filippenzen 2, 5-11; Marcus 11, 1-11.
Gezegend wij die hier gekomen zijn in de naam van de Heer. 
Wij gaan op naar Jeruzalem als symbool van de stad van God, visioen van vrede, samenklank van de nieuwe wereld.

Wat we vandaag hebben gedaan is een heilig spel. We trekken binnen met palmen en stellen ons in de plaats van de leerlingen en bewoners van Jeruzalem die Jezus binnenhalen en verwelkomen in zijn stad. In vervlogen tijden werden mysterie- mirakel- en passiespelen georganiseerd om de toeschouwer in de gelegenheid te stellen om inzicht te krijgen in het geloof op het niveau van de beleving en om zich te kunnen identificeren met het afgebeelde. Eerlijk gezegd denk ik dat wij het meer als een ritueel uitvoeren en niet als een belevenis. Niet als een bibliodrama waarin wij zelf de spelers zijn en waarin we onze positie ten opzichte van Christus ervarend onderzoeken. Ik bedoel daarmee te zeggen dat we ons moeilijk verplaatsen in de positie van de mensen in het Schriftverhaal die Jezus binnenhalen als de davidische koning op wie de verwachting van Israël gericht is. Gelukkig zingen we ook gezangen die ons misschien meer aanspreken op belevingsniveau. Met andere woorden: dat we het verhaal herkennen als ons verhaal. Niet als iets dat zich in een ver verleden en buiten ons heeft afgespeeld, maar als een heilsgebeurtenis die hier en nu geactualiseerd wordt en zich aan ons voltrekt. Het is niet verleden, maar geschiedenis die nu geschiedt wanneer wij ons openstellen voor zijn komst.

Het is de Messias, de Gezalfde die komt -bekleed met de Naam van de Eeuwige-, de Christos, die zijn stad binnentrekt. Hij is afgedaald uit het hemels Jeruzalem om zich te verbinden met ons menselijk bestaan en trekt nu met zijn leerlingen op naar het aardse Jeruzalem, en naar de tempel als beeld van het hemelse Jeruzalem. In dit aardse Jeruzalem zal Hij zijn leven voltooien, maar zijn opgang naar Jeruzalem gaat door tot in zijn hemelvaart. En in het hemels Jeruzalem zal Hij allen tot zich trekken voor wie Hij een plaats heeft bereid. Zijn opgang is ook onze opgang.

Voordat Jezus ingaat tot zijn lijden, ingaat in de dood, en ingaat in het graf, gaat Hij op naar Jeruzalem en de tempel. En ook al wordt het als een fysieke en concrete gebeurtenis beschreven, de betekenis stijgt boven de gebeurtenis uit, zoals dat met alles wat Jezus doet het geval is. Of zijn leerlingen, en ook wij dus, dat nu begrijpen of niet. We moeten het verhaal dan ook niet op een journalistieke manier verstaan. Het is geen ooggetuigenverslag van de intocht van Jezus. Zoals we dat wel kennen van de intocht van de koning op Prinsjesdag.

Ook Jezus krijgt in het verhaal een koninklijke ontvangst. Mantels worden over zijn rijdier gelegd. Mensen leggen mantels op de route, men had natuurlijk nog geen rode loper voorhanden. En Hij wordt toegezwaaid met groene takken. Teken van de vrede waarin Hij door zijn volk ontvangen wordt. Echt een blijde intocht.
Het volk juicht hem toe met oude woorden waarin hoop en verwachting en vreugde doorklinken: “Hosanna. Gezegend die komt in de naam van de Heer. Gezegend het koninkrijk dat komen gaat, van onze vader David”. De nazaat van David zou immers het koningschap voor Israël herstellen. In Jezus zag men die koninklijke nazaat. En men had in die zin veel verwachtingen van Hem. Verwachtingen die in de tekst van het Evangelie ook herhaaldelijk worden uitgesproken. Maar die toch voorbijgaan aan wie Hij werkelijk is.

Het zijn de verwachtingen die doorklinken in de profetentekst: “Jubel dochter van Sion, uw koning komt naar u toe. Hij is rechtvaardig en zegevierend, hij is nederig en rijdt op een ezel. Hij breekt de boog van de sterken en kondigt vrede aan onder de volken”. Een koning die werkelijk zijn volk dient en die ervoor zorgt dat zijn volk in vrede met de omringende volkeren kan leven. Geen onderdrukker of dictator, maar een die regeert naar recht en billijkheid. Hij treedt niet binnen door de poort van de macht of door allerlei electorale beloftes die al of niet ingelost worden. Hij komt als rechtvaardige, als leraar der gerechtigheid, en gaat binnen door de poort van gerechtigheid, zoals psalm 118, 19-20, het zegt.


Deze koning berijdt geen paard of kameel, geen praal- of zegewagen, maar een veulen dat nog niet bereden is. Losgemaakt van de plek waaraan het gebonden was, zoals Jezus ook ons losmaakt en bevrijdt van onze boeien en banden.  Het dier is onschuldig en niet getraind, zoals een krijgsros dat is. Een dier waaraan niets koninklijks of krijgshaftigs is. Hij gaat ook niet naar het paleis om zijn plaats in te nemen en zijn volk te bevrijden op de manier die het volk wellicht hoopte en verwachtte. Hij gaat naar de tempel.
Daarmee geeft Hij aan dat zijn koningschap niet deze wereld betreft, maar de komende wereld, ook al staat deze wereld niet los van de komende. Het ware Jeruzalem wordt gesymboliseerd door de tempel. Het is een messiaanse zegetocht. Waarin Jezus enerzijds zijn koningschap bevestigt en anderzijds duidelijk maakt dat zijn koningschap van een andere orde is dan de gebruikelijke. Het gaat Hem om de komende, de beloofde wereld. In die wereld treedt Hij binnen wanneer Hij Jeruzalem binnentrekt.

In het Joodse bewustzijn is het opgaan naar Jeruzalem een betekenisvol element van de spiritualiteit. Het betekent een einde aan ballingschap en verstrooiing. Het is een thuiskomen in alle aspecten van het bestaan, fysiek, sociaal en geestelijk. Het is opgaan naar God en leven in verbondenheid met God en het godsvolk. De opgang naar Jeruzalem is een terugkeer naar de bodem van je bestaan, letterlijk en geestelijk. 
Met zijn intocht ontvangen we het perspectief van thuiskomen, van vrede. Het beloofde land en de stad van vrede, de komende wereld. 

De Heer is er voorgoed in binnengetrokken. We ontvangen het van Hem. Nooit als bemeesterde werkelijkheid, nooit als veroverde stad. Altijd als beloofd land, geschonken werkelijkheid, aangereikt aan wie er als rechtvaardige binnengaat. Elke poging om het met macht en geweld tot stand te brengen is gedoemd te mislukken. Het is het rijk der weerlozen, de onbevangenen, de niet voor de oorlog getrainden. De veulens. 
We ontvangen het hier en nu wanneer we samenkomen in zijn Naam en eucharistie vieren. Hier is Jeruzalem waar Hij bij ons binnentrekt. Hier is de komende wereld, hier is stad van vrede.
Wat aan Jezus geschiedt en in Hem geopenbaard wordt is het bestemmingsperspectief voor ons allen, omdat Hij heel ons menselijk leven in zich heeft opgenomen. Wat dit betekent lezen we in psalm 118 vers 18 en volgende. Daarin staat beknopt en bondig wat het Paasmysterie inhoudt. Het bedt Jezus in in de Schrifttraditie en de verwachting van het volk Israel. 

“Wel heeft de Heer mij zwaar beproefd, maar niet aan de dood prijsgegeven. Open de poort die gerechtigheid heet, ik wil naar binnen en de Heer danken. Hier is de poort van de Heer, hier mag binnen wie rechtvaardig blijkt. U dank ik, U hebt mij verhoord, U bent mijn redder gebleken. U bent mijn God, U wil ik danken, hoog zal ik U prijzen, mijn God. Breng dank aan de Heer, want hij is goed, zijn liefde is grenzeloos”.
 
In de intocht wordt vooruit gegrepen op Pasen. Op de rechtvaardige overwinning van het rechtvaardige leven. Wat er ook zal gebeuren in de tijd die voor Hem ligt, Hij zal zegevieren. Niet op de wijze van de wereld, maar op een manier die de wereld overwint en overstijgt. En over Pasen heen verwijst zijn intocht naar het binnengaan in het hemelse Jeruzalem en de woonplaats van de allerhoogste. Wat Hij gaat doen in de week die voor ons ligt is een definitieve doorgang maken naar het leven. Uittocht uit het sterfelijke leven, doortocht door de woestijn van de dood, intocht in het beloofde land en de stad van vrede, het uiteindelijke messiaanse rijk, het koninkrijk dat onweerhoudbaar komen gaat.

Met deze glorierijke intocht wordt aangeduid dat zijn lijden en sterven geen sof betekenen, geen einde, geen mislukking van zijn leven en zijn zending. Het is de koninklijke weg die Hij als dienende vorst moet gaan om voor zijn volk de weg naar het rijk van leven en vrede te banen. Die weg gaat dwars door het menselijk defect heen naar de voltooiing van de schepping en daarmee van het menselijk bestaan. Zo staan we als de nieuwe mens in witte kleren gehuld, -in ons doopkleed en op zijn paasbest-, in de poort van het definitieve Jeruzalem met vredestakken in de hand te juichen om de Heer in onze beoogde en beloofde werkelijkheid welkom te heten; een werkelijkheid die Hij zelf voor ons heeft mogelijk gemaakt. En die we hier en nu al, in belofte en gebrokenheid, maar ook in vreugde en dankbaarheid, mogen ervaren en aan elkaar waarmaken. Amen.

 top

 

Overweging 19 maart 2018  
sterven om te leven?  

Lezingen: Jeremia 31, 31-34; Hebreeën 5, 1-10; Johannes 12, 20-33
“In de school van het lijden gehoorzaamheid leren” en “je leven haten” zijn voor ons geen gemakkelijke begrippen en roepen ook weerstand op. 
Juist wanneer je worstelt met het leven en moeite hebt om voor jezelf op te komen en zonder schuldgevoelens voor jezelf te kiezen. Wanneer je opgevoed bent met de deugd van gehoorzaamheid en het belang van jezelf weg te cijferen. En zij die net geleerd hebben om zichzelf te aanvaarden en van het leven te genieten, zouden dan moeten leren om hun leven hier te haten? Zou ik mensen die veel voor de kiezen hebben gekregen aan pijn, verdriet en verlies moeten vertellen over de waarde van de school van het lijden? En meer nog, mag ik dat? 
Ik denk van niet, zeker niet wanneer je het lijden presenteert als een opvoedkundig middel, lijden als instrument van leren, als een bewuste beproeving van Godswege. En ook niet wanneer gehoorzaamheid gezien wordt als een disciplinering. En ook niet wanneer de verwachting van het eeuwige leven de betekenis van het leven hier bagatelliseert en van zijn waarde berooft.  
Want dan worden de uitspraken van de Schrift corrupt en staan zij haaks op de liefde van God voor zijn mensen.

Je zou er natuurlijk voor kunnen kiezen om dit soort teksten maar helemaal niet te lezen, omdat we er in eerste instantie “niets mee kunnen” zoals dat heet. Soms doen we dat ook. Bepaalde gewelddadige passages in de psalmen worden uit de liturgie geweerd, omdat ze te gruwelijk zijn. En er zijn grote delen van de bijbel die om andere redenen nooit in de liturgie voorkomen. Maar ook in de delen die wel gelezen worden, staan uitspraken die mensen tegen de borst stuiten en die op zijn minst uitleg nodig hebben. En dat is hier ook het geval.


Binnen het kerkelijk jaar staan de lezingen gericht op de Goede Week, en daarmee op de betekenis van het lijden en sterven van Jezus Christus. Voor het begrip wordt gebruikt gemaakt van overgeleverde bijbelse beelden. Als hogepriester is Hij zowel de offeraar als het offerdier. Een beeld dat stamt uit de tempelliturgie. In gehoorzaamheid aan de nood aan verzoening van zijn volk draagt Hij zichzelf op als zoenoffer. Daarin kiest Hij niet voor zijn eigen leven om het te behouden, maar geeft het voor de verlossing en het leven van velen. Jezus geeft aan het kruis zijn leven om de dood (de vorst der wereld), die het gevolg is van de zonde, te overwinnen. En om daarmee de gevallen adam met God te verzoenen en voor hem de poort naar het leven te openen. De offer- en verzoeningsgedachte uit deze theologische benadering zullen we wellicht herkennen, ook in de offergedachte van de eucharistie. De kracht ervan is dat we in Christus reeds verzoend zijn. We hoeven daar, en volgens velen kunnen daar, niets voor doen. Het is iets wat Gods liefde in Christus voor ons heeft bewerkt. Het is genadegave.

Toch leggen de meeste gelovigen in de praktijk meer het accent op het voorbeeldige en unieke leven van Jezus Christus dan op zijn offerdood. Zijn dood is dan eerder het gevolg van zijn getuigend leven, zijn dienst aan de gerechtigheid en van zijn keuze om zijn leven radicaal in dienst van de Geest van het Woord van God te stellen. De opstanding is dan de ultieme bevestiging van dat leven dat welbehagen vindt bij God en dat door zijn liefde hersteld wordt, als nieuw gemaakt wordt. Het blijft daarbij van belang dat Jezus als Gods Zoon ten volle mens is. Immers alleen als mens kan Hij ons menselijk bestaan in al zijn aspecten, ook in zijn sterfelijkheid, meenemen in het levensperspectief dat Hij voor ons opent.
Hierin zien we al hoe de klassieke benadering in het geloof verschuift naar begrippen die beter aansluiten bij ons mensbeeld, bij onze eigen verantwoordelijkheid, onze kijk op het leven en ons verlangen naar waarlijk leven.


De school van het lijden uit de Hebreeënbrief slaat dus in de eerste plaats op Jezus. Hij die God was heeft als mens geleden. Hij heeft werkelijk geleden en is werkelijk gestorven. Als het maar in schijn zo was, zou het geen betekenis hebben voor ons als mens. Hij heeft niet gekozen voor de privileges van zijn goddelijke status, maar is gehoorzaam gebleven aan zijn opdracht, ook in het lijden. Daarin is Hij een voorbeeld van trouw aan God de Vader en aan zichzelf, die in wezen één zijn. Hij kiest daarin voor het leven dat niet vergaat, ook al kost het Hem zijn leven in de tijdelijke en sterfelijke orde.

Die gehoorzaamheid heeft niets met disciplinering te maken. Hierin is het lijden op geen enkele manier een pedagogisch middel. Het betreft geen gehoorzaamheid aan een ander; maar trouw aan zijn eigen diepste kern en bedoeling. Het stemt overeen met de uitspraak in de profeet Jeremia waarin gezegd wordt dat God zijn wet van liefde en leven in het hart van zijn volk, in het hart van zijn mensen legt. Om die innerlijke wet als richtsnoer te gebruiken voor de wijze waarop zij in het leven staan. 
Op die manier leren ook wij. Enerzijds door trouw te blijven aan de keuzes die we maken en anderzijds door antwoord te geven op wat ons overkomt en daarin trouw te blijven aan de bedoeling van ons menszijn. 

De keuzes die wij maken hebben altijd een prijs. Je moet er iets voor over hebben. Het ideaal waarvoor we kiezen. Het geloof waarnaar we leven. De mensen voor wie we instaan. Zij vragen offers en inspanning. En telkens staan we voor de keuze of we bereid zijn die prijs te betalen. Of het offer te brengen dat misschien onze krachten te boven gaat. Daarin worden we op de proef gesteld met betrekking tot onze gehoorzaamheid aan onze idealen, aan waar we zeggen in te geloven, in onze trouw aan mensen,  en uiteindelijk in onze trouw aan onszelf. En daarmee onze geloofwaardigheid. Sommige idealen en waarden achten we belangrijker en groter dan ons individuele leven. Denk maar eens aan onze vrijheid, aan de veiligheid van onze kinderen, het beschermen van wie we liefhebben. 

In wat ons overkomt wordt de trouw aan onszelf op de proef gesteld. Het leven is strikt genomen niet rechtvaardig en niet altijd eenvoudig. Wanneer het ons voor de wind gaat, is het gemakkelijk de illusie vast te houden dat we zelf aan het roer van ons leven staan. Maar bij tegenslag, bij groot verdriet is dat anders. Je kunt het gevoel krijgen alleen maar slachtoffer te zijn, dat de regie over je leven je geheel ontnomen wordt. Ingrijpende gebeurtenissen kunnen ons het leven afhandig maken. We kunnen erdoor het idee krijgen dat we een willoos voorwerp van het leven zijn. Juist dan staat de trouw aan onszelf, aan ons geloof onder druk. Kunnen we ook dan gehoorzaam blijven aan wie we zijn en aan hetgeen we geloven? Dat kan een hele worsteling zijn.
Wie we werkelijk zijn komt aan het licht in de manier waarop we met onze keuzes leven en in de wijze waarop we reageren op wat ons overkomt. 

Gedurende de middeleeuwen en lang daarna werd dit leven alleen maar gezien als een tranendal dat zijn gebrokenheid te wijten had aan de zonde. De mens leefde hier in afwachting van het eeuwige leven dat het echte leven was. Het hiernamaals was daarmee belangrijker dan het hiernumaals. Met betrekking tot onze verwachting van Gods wereld is dat misschien nog zo, maar niet met veronachtzaming van dit leven. We geloven dat dit leven ook in betrekking staat tot de uiteindelijke bestemming van ons bestaan. Dit leven ontvangen we juist om het kostbare en belangrijke van ons bestaan zichtbaar te maken en te beleven. Alleen in dit leven dat ons als uniek en eenmalig gegeven is, kunnen we God zichtbaar maken. 

Ook in persoonlijke zin hebben we geleerd om ons van die negatieve blik op het bestaan te bevrijden. We mogen zijn wie we zijn en sterker nog, we hebben de opdracht om te worden wie we kunnen zijn. Het gaat erom goed gebruik te maken van de mogelijkheden die ons gegeven zijn in de omstandigheden waarin we leven. Ook al zijn die mogelijkheden beperkt en de omstandigheden niet gunstig. Je leven haten of minachten is geen leven. Daarmee ontken je de unieke mogelijkheden van je eigen bestaan. Wie we niet zijn moet sterven om ruimte te maken voor wie we kunnen zijn. Ons bevrijden van de oordelen die ons klein en gevangen houden, om ons in vrijheid te ontplooien. 

Door ons geloof echter zetten we niet alle kaarten op het zichtbare deel van ons leven. We geloven dat ons leven ten diepste zijn betekenis niet aan zichzelf ontleent, maar aan Degene van wie we het ontvangen. Daardoor willen we ons leven niet alleen voor ons zelf houden, maar leven we het ook voor anderen. Wanneer we alleen voor onszelf leven, verliezen we de essentie en de bedoeling van ons bestaan. We raken dus eigenlijk ons leven kwijt. Ons leven bereikt zijn volheid wanneer we het delen met anderen in dienst van ons gemeenschappelijk ideaal. Als christenen bereiken we ons leven niet wanneer we het ophangen aan Ik, Mij en Mijn, maar wanneer we, dat prijsgevend, leven in Christus, Jezus volgend.

Misschien dat door bovenstaande gedachten de aanvankelijk negatieve oordelen over delen van de tekst wat gewijzigd zijn en we iets van de dieperliggende betekenissen hebben kunnen achterhalen. Zij zijn immers bedoeld om ons te helpen op te staan en in de volle betekenis mens te worden en leven te hebben in overvloed. Amen.

 top

 

Overweging 11 maart 2018  
gratuïteit 
Lezingen: Jozua 4, 19- 5,1.10-12; Efeziërs 2, 4-10; Johannes 6, 4-15.

Waarom is er temidden van vijfduizend mensen maar één jongetje dat vijf broodkoeken en twee lekkerbekjes bij zich heeft? Teveel, misschien voor zichzelf en te weinig voor allen. Maar niet te weinig om te delen. 
Natuurlijk heeft het evangelieverhaal een allegorische betekenis. Toch is het intrigerend waarom het zo verteld wordt. Duidelijk is dat het om een kind of misschien een jong slaafje gaat. Het heeft namelijk geen actieve rol in de beslissing omtrent zijn voedsel.  Ook is duidelijk dat het om kleinvis gaat dat op vuur geroosterd is. Het zal ook gaan om kleine platte broden zoals die ook nu nog in het oosten bij de maaltijd worden gegeten. Al met al zeker niet genoeg om een menigte magen te vullen. 
Toch is wat het onmondige kind bij zich draagt voldoende. Verwijst de figuur van het kind naar het volk dat niet weet wat het in feite in handen heeft. Maar dat ook geen eigenaar kan zijn van wat het heeft. Verwijzen de broden en de visjes naar de vijf boeken van de wet van Mozes en de vissen naar de schriftelijke en mondelinge traditie, of naar het woordverbond en de openbaring in Christus? De broden en vissen zullen zeker een geestelijke betekenis hebben die te maken heeft met de gave Gods. En bovendien zullen zij zeker verwijzen naar één van de belangrijkste aspecten in de relatie tussen God en zijn volk en daarmee naar een wezenlijk element in de relatie tussen mensen onderling.
Het lijkt me van belang om ons daarin te verdiepen; en dit ook in relatie tot de inzameling van kleding en voedsel die we vandaag houden en met betrekking tot wat de essentie van vasten is. En zelfs ook in het licht van deze zondag die zondag laetare genoemd wordt, zondag van vreugde. En het heeft van doen met de gave-structuur van ons leven.

 

Luigino Bruni, professor geschiedenis van de economie en politieke economie, gaf de aanzet tot een project “economie van gemeenschap”. Dit als tegenwicht tegen een economie van privatisme.
“De economische wetenschap heeft er helaas voor gekozen de meest basale en pessimistische drijfveren van de mens als uitgangspunt te nemen en is daarom geneigd ieder individu te beschouwen als een gewiekste opportunist die zich alleen inzet en correct gedraagt wanneer hij de juiste prikkels krijgt of geconfronteerd wordt met controles en sancties,” zo stelt Luigino Bruni in het boek “De ongekende kant van de economie”. Vertaling van L’altra metà dell’economia.  Tegenover politieke economie stelt hij een civiele economie. Hij ziet de markt als plaats van reciprociteit, dat is wederkerigheid, en van civil happiness, zoiets als gemeenschappelijk welbevinden. Behalve het (vrije) marktmechanisme is er ook altijd een andere kracht aan het werk, al wordt die in de economische wetenschap nauwelijks opgemerkt: die van de belangeloosheid, beter gezegd gratuïteit. Mensen bewijzen elkaar voortdurend spontane gunsten. Ze zijn, ook in het economisch verkeer, niet altijd enkel berekenende wezens. In sommige mensen is bovendien een bijzondere gratuïteit werkzaam: die van het charisma. Charisma is volgens Bruni en Smerilli het talent en de onweerstaanbare gedrevenheid om mooie en goede dingen tot stand te brengen tot welzijn van anderen. We vinden charisma bij onder anderen kunstenaars, stichters van religieuze gemeenschappen, initiators van goede-doelenorganisaties, en zeker ook bij ondernemers. Gratuïteit zien zij als een wezenlijke dimensie van ons mens zijn.


Deze week wekten twee gebeurtenissen in Nederland de publieke en politieke verontwaardiging. De ene betrof de uitspraak van de voorzitter van de Raad van Bestuur van Schiphol dat zijn opvolger een man zou moeten zijn. Hij deed die uitspraak op Internationale Vrouwendag. Hij legitimeerde dat door te zeggen dat er een evenwicht moest zijn in RvB van mannen en vrouwen. Maar eigenlijk bedoelde hij te zeggen dat er niet meer vrouwen dan mannen in de RvB zouden moeten zitten. Een argument dat nooit gebruikt wordt wanneer er meer mannen dan vrouwen in een RvB of Raad van Toezicht/ Commissarissen zitting hebben. Je kunt niet anders concluderen dan dat het te maken heeft met een dominante mannelijke cultuur binnen het bedrijf. Deze dominante cultuur treffen we ook aan in de Bijbel en in deze evangelielezing. Er wordt wel een keer over mensen gesproken, maar in de nadere bepaling is alleen sprake van mannen. In hetzelfde verhaal bij Matteus worden vrouwen expliciet buiten beschouwing gelaten waar staat “afgezien van vrouwen en kinderen waren het zo’n vijfduizend mannen die gegeten hadden”. 
Zoals deze teksten niet waardenvrij geschreven zijn, lezen wij ze ook niet waardenvrij, maar vanuit ons waardensysteem. Op een bepaalde manier gelezen kunnen ze de ongelijke positie van mannen vrouwen rechtvaardigen. En dat is heel vaak gebeurd. Maar je kunt ze ook lezen vanuit een rechtvaardigheidsbeginsel dat mannen en vrouwen een gelijkwaardige geschapenheid delen en daarmee bepaalde tegenstrijdigheden in de tekst blootleggen. En ook zien hoe Jezus in een aantal situaties met deze dominante cultuur om gaat.
Een andere gebeurtenis is een salarisverhoging van de bestuursvoorzitter van de ING naar 3 miljoen euro. Dit terwijl de bank ook bezig is in te krimpen, producten en processen te rationaliseren, winst te maximaliseren en mensen te ontslaan. Het is een typisch voorbeeld van de dominante economische cultuur die gefundeerd is in een zogenaamde vrije markt, die eigenlijk alleen schuldenaars en schuldeisers kweekt, en gericht is op maximale profijt voor de aandeelhouder.

Het doel van de economie om te voorzien in het gemeenschappelijk goede is hiermee verlaten. En daarmee ook het rechtvaardigheidsbeginsel dat ieder mag delen in de gemeenschappelijke welvaart. Een beginsel dat ook zorgt voor een stabiele samenleving, voor samenhang en gemeenschappelijk draagvlak. Een economie van gemeenschap die uitgaat van relaties en wederkerigheid en niet van individuele belangen.

 

Die samenhang, die gelukkig ook reëel bestaat, wordt gedragen door een begrip dat wezenlijk is aan ons menszijn. Namelijk dat van de gratuïteit, de belangeloosheid. Het ligt aan de basis van ons leven. We ontvangen immers ons leven en de schepping met alles wat het ons geeft. Gratuïteit is het kenmerk bij uitstek van Gods liefde voor ons en, als het goed is, van onze liefde voor elkaar. 
In de Schrift wordt de belangeloosheid van Gods liefde voor ons steeds weer bezongen. Van een psalmtekst als “God geeft het zijn vrienden in de slaap” tot de verhalen van bevrijding en meetrekkende betrokkenheid. De gave van de wet op de Sinaï als het verbondscontract dat God zijn volk aanbiedt opdat het gelukkig en lang leeft in het land. Het manna als voedsel voor onderweg en de vruchten van het land zijn gaven om niet. Het verhaal van het broodwonder laat zien dat die belangeloze zorg doorgaat en gestalte vindt in Christus, die gezien wordt als de vervulling van de wet en de profeten, voedsel uit de hemel voor het leven van de wereld. Brood voor onderweg om te breken en te delen, zoals Jezus zijn leven breekt en deelt opdat wij leven. 
Ook in de burgerlijke samenleving, te onderscheiden van de politieke en commerciële samenleving, is gelukkig veel  gratuïteit. Deze krijgt met name gestalte in het werk van de vele vrijwilligers, zonder wie heel veel zorg, aandacht en inzet niet zouden bestaan. Zonder hen zouden verenigingen, mantel- en andere zorg, en tal van culturele instellingen niet kunnen bestaan. Ook dat hebben we deze week kunnen ervaren tijdens de vrijwilligersdagen.
Diezelfde gratuïteit vinden we ook in kringloopeconomie en andere moderne vormen van dienstenverkeer. Bij deze vormen van economie gaat het in de eerste plaats om gemeenschap en wederkerigheid. 

Zoals een goed bestier van een huisgezin ervoor zorgt dat allen krijgen wat zij nodig hebben en dat zij gelukkig kunnen leven, zo is het ook in het grotere van de samenleving. Een economie van gemeenschap is daarop gericht. 
Zij stoelt op het besef dat we geen eigenaar zijn van de middelen die voor allen bedoeld zijn. Dat wij niet toe-eigenend in het leven staan, maar bedacht zijn op het geluk van het geheel. Het principe van wederkerigheid houdt het bewustzijn levend dat geen mens alleen kan bestaan, maar dat we elkaar nodig hebben. Het ogenschijnlijk weinige dat ieder dan bij te dragen heeft, kan dan voldoende blijken voor velen. 
Dit vraagt een andere benadering van onze menselijke werkelijkheid, zowel op relationeel als op economisch gebied. Ook een andere houding ten opzichte van de schepping. Dankbaarheid voor hetgeen we om niet ontvangen hebben vertaalt zich in een belangeloze zelfgave in wat we te bieden hebben tot geluk van het geheel. Zo verrichten we de goede werken die God tevoren bereid heeft, opdat we daarin ons leven zouden leiden, zoals we in het gedeelte uit Efeziërs lazen. De mens die zo leeft is waarlijk de profetische mens die in de wereld moet komen om te getuigen van de mogelijkheid van een rechtvaardige wereld. Tot vreugde en geluk van allen. Amen.

 top


Overweging 4 maart 2018  
het goede willen en het goede doen  


Lezingen: Exodus 20, 1-17; Romeinen 7, 14-25; Johannes 2, 13-22.
We kennen waarschijnlijk allemaal wel de ervaring dat we onszelf tegenvallen. Dat we niet beantwoorden aan wie we willen zijn of denken te zijn. Dat we dingen doen die we eigenlijk niet willen. Ik bedoel dat in eerste instantie niet moralistisch, maar veel meer existentieel. En natuurlijk zit daar ook een morele kant aan. Het doet zich in allerlei gradaties voor. Soms beperkt het gevolg zich alleen tot onszelf, maar veel vaker zijn er anderen bij betrokken. In het ene geval zal het minder schadelijk zijn dan in het andere, maar helemaal onschuldig is het nooit.


Soms is ons spreken sneller dan ons denken en hebben we iets gezegd waarvoor we ons achteraf schamen, waarmee we iemand gekwetst hebben. We hadden onze tong wel af willen bijten. Augustinus zegt daarover dat de tong ons gemakkelijk ten val kan brengen; het orgaan ligt op een glibberige plaats en glijdt makkelijk uit. 
Niet zelden voeren we een excuus aan als: “ik weet niet waarom ik het zei, ik bedoelde het niet zo, het ontschoot me”. Alsof dat “het” een eigen wil zou hebben. Het is een manier om de verantwoordelijkheid buiten ons te leggen.
Soms zijn we kortaf, geprikkeld, snauwerig of onverschillig. Bijvoorbeeld wanneer we zorgen hebben, onder druk staan of verdriet hebben. We reageren anders dan we willen en we van onszelf gewend zijn. We zeggen: “ik ben anders nooit zo; ik ben vandaag mezelf niet”. Het is kennelijk moeilijk om te erkennen dat dit onder omstandigheden ook een aspect van onze persoon is. En dat het iets is waarvoor we wel degelijk verantwoordelijkheid dragen.

Nu horen deze dingen wel bij het dagelijks leven en misschien vinden we ze daardoor minder erg. Maar dat zijn ze toch eigenlijk niet. Woorden kunnen mensen diep kwetsen. Ons gedrag kan, juist wanneer we het ontkennen of bagatelliseren, de onderlinge band danig verstoren. Bovendien liggen er altijd vooroordelen, oordelen en gevoelens aan ten grondslag. En nogmaals, ik bedoel dit niet moraliserend. Ik kijk naar het effect ervan op ons zelfrespect en op het weefsel van menselijke relaties.
Problematischer is het wanneer de zonde of het kwaad gezien wordt als een zelfstandige kracht buiten of binnen ons. “Het was sterker dan ik; het overkwam me; ik kon er geen weerstand aan bieden” zijn uitspraken die je nogal eens hoort uit de mond van verslaafden, en van mensen die anderen hebben misbruikt. Het probeert aan te duiden dat het niet de persoon was die handelde, maar het kwaad, de verslaving, de aandrift. Op die manier wordt de verantwoordelijkheid geheel vermeden. Niet ik was het die handelde, maar de zonde in mij.

Zo zou je ook de woorden van Paulus kunnen begrijpen waar hij tot twee keer toe in de tekst zegt: “Maar als ik doe wat ik eigenlijk niet wil, betekent dit dat ik met de wet instem en haar goed acht. In feite echter ben ik het niet meer die handelt, maar de zonde die in mij woont”. En verderop staat: “Als ik doe wat ik eigenlijk niet wil, ben ik niet meer de handelende persoon, maar de zonde die in mij woont”. Het is een gevaarlijke redenering die zich op het scherp van de snede beweegt en die gemakkelijk misbruikt kan worden. En in de praktijk blijkt die redenering ook vaak gebruikt te worden om volstrekt verwerpelijk gedrag te legitimeren. Dat is overigens niet wat Paulus doet. Hij gaat zijn verantwoordelijkheid nooit uit de weg. Hij constateert slechts dat “Ach, zwei Seelen wohnen in meiner Brust”. Het verlangen naar het goede en de neiging tot het kwade.

Ook hier bedoel ik het goede en kwade niet in eerste instantie moralistisch, ook al hebben zij onlosmakelijk morele en ethische kwaliteit. Goed is wat ons in verbinding brengt en houdt met onszelf, met God en de naaste; kwaad is dan wat ons tot ballingschap brengt en vervreemdt van onze relatie met onszelf, de medemens en God. 
Zonde is de neiging om alleen voor deelbelangen en de eigen persoon te kiezen en het belang van God, de naaste en onze bedoeling als mens uit het oog te verliezen. De zonde is niet het kwaad, maar bewerkt het wel. Wanneer we tenminste ermee instemmen. Het is als het ware een soort defect in ons systeem, zou je kunnen zeggen. Het is als een auto met een zo’n reservebandje. Je kunt er mee thuiskomen, maar het schiet niet erg op. Zo is het ook met ons. Je kunt er best mee thuiskomen in het rijk der hemelen, maar het blijft tobben.

Deze voortdurende  tweestrijd, die we allen in meerdere of mindere mate kennen, is het wat Paulus beschrijft. Aan onszelf overgelaten kunnen we die strijd niet winnen. Maar dankzij Gods genade waardoor wij in Christus Jezus verlost zijn, hebben wij hoop. Geloven dat wij leven in Gods liefde stelt ons in staat niet alleen het goede te willen, maar ook te doen. Maar de tweestrijd blijft zolang we leven. Het goede is nergens vanzelfsprekend en altijd kwetsbaar. Het is iets dat bij ons hoort. Mensen zijn maar zelden uit één stuk. We zijn niet onverdeeld goed. We zijn inconsequent en meerduidig. Ons doorzettingsvermogen is beperkt. Maar dat ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid. En wij kunnen niet op het lichaam afwentelen wat ons door de geest niet lukt. 

In preek 154 gaat Augustinus in op deze passage van de Romeinenbrief. Hij schrijft: “Op dit moment (in dit sterfelijk leven. W.), nu de strijd van de dood woedt, doe ik niet wat ik wil; ik laat mij deels leiden door de Geest (nl. Gods Geest. W.), deels door het lichaam (dat is mijn menselijke gestalte met alles wat het aankleeft. W.). Mijn betere ik door de Geest, mijn slechtere ik door het lichaam. Ik ben nog in tweestrijd, ik heb nog niet gewonnen. Maar er is mij veel aan gelegen om niet te verliezen. Ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. Waarom doet u dat dan? Omdat ik begeerten heb. Ook al geef ik niet toe aan mijn begeerten, ook al loop ik mijn begeerten niet achterna, ik heb ze wel. Jawel, ook dat ben ik. 
Het is namelijk niet zo dat ik samenval met mijn verstand, met mijn denken en willen, en dat mijn lichaam iemand anders is. Hoe zit dat dan? Ik persoonlijk, dat ben ik met mijn verstand en dat ben ik met mijn lichaam, want het gaat niet om twee tegengestelde naturen, maar om één mens met een dubbele geaardheid, want God door wie de mens gemaakt is, is EEN. Ik persoonlijk, ik zelf dus, onderwerp mij met mijn beter weten (mijn verstand) aan de wet van God, met mijn lichaam aan de wet van de zonde” (einde citaat uit: Leven in hoop. Preken over teksten uit de brieven aan de christenen in Rome en Korinte, Damon/ Augustijns Instituut 2011).
Ook al worden lichaam, verstand, geest wat tegenover elkaar geplaatst, Augustinus laat er geen misverstand over bestaan dat we het in beide gevallen zelf zijn (ipse ego, ego ipse).


Krachtens de schepping, krachtens het verbond dat God met ons gesloten heeft, krachtens de genade in Christus Jezus en krachtens de belofte die ons gegeven is zijn wij al in hoop verlost. Wij delen al in de vrijheid van de kinderen Gods. In Christus delen we al in de nieuwe mens. En juist omdat we in Hem nieuwe mensen zijn, zijn we ook geroepen te leven naar de Geest,  dat is: naar de wet van de liefde. En ook dat zegt Paulus, en ook Augustinus trouwens.

En aangezien onze liefde niet altijd even sterk is, mogen we blij zijn met de richtingwijzers die ons in de Schrift gegeven zijn. Zij helpen ons om de juiste keuzes te maken. En ze zijn zo simpel: God beminnen en de naaste; het leven, de goede naam en wat de naaste toebehoort respecteren. Hoe moeilijk kan dat zijn.
We geloven immers dat ook wij vindplaats van God kunnen zijn, dat zijn Geest ook in ons werkzaam is en dat we zijn liefde voor ons zichtbaar kunnen maken aan elkaar en in de wereld. Niet op grond van onze inspanning of verdienste, maar omdat God ons zo geschapen heeft. We hoeven daar alleen maar op te vertrouwen en ons niet van de wijs te laten brengen door al die andere stemmen om ons heen en in ons hoofd. 
We zijn een tempel van Gods Geest en zouden hetgeen ons geschonken is niet moeten verkwanselen, maar gebruiken om die tempel te heiligen. Niet volstoppen met onszelf, maar ruimte houden, zodat God er ook nog wonen kan. We kunnen niet zoveel doen aan wie we zijn, aan onze menselijke toestand kunnen we niet zoveel veranderen. Maar ons handelen wordt gelukkig niet alleen bepaald door wat we zijn. Juist in het goede dat we doen bevrijden we ons van wat we zijn om te worden wie we kunnen zijn. We worden niet bepaald door het verleden, maar door Gods toekomst. Amen.

 top

 


info@wardcortvriendt.eu