Home NL
Blog
Diensten/produkten
Contact N
Columns N
Artikelen
Preken /Overwegingen
preken 2014
preken 2015
preken 2016
preken 2017
preken 2018
Home EN

 


Overweging Kerstdag 2014 
Licht dat alle mens verlicht

Lezingen: Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 1, 1-12; Johannes 1, 1-14. 
Het begin van de lezing uit Jesaja plaatst ons aan het eind van de Babylonische ballingschap. De stammen van Juda keren terug naar het grotendeels verwoeste Jeruzalem. Ezra zal een begin maken met het herstel en de bouw van de tweede tempel. Het herstel van Gods woonplaats onder zijn volk. Er is vreugde over de terugkeer van de Heer in Jeruzalem. Want met de verbannen stammen was ook de Heer in ballingschap. De ballingen keren weliswaar terug naar een verwoeste plek, maar het is wel hun thuis en met goede moed beginnen zij aan de wederopbouw. Het moet de vreugde zijn van jezidi’s die gevangen zitten op een bergplateau en worden belegerd door IS en die door Koerden worden bevrijd om te kunnen terugkeren naar hun vernielde huizen en steden waar zij hun bestaan weer kunnen opbouwen. De vreugde van mensen die uit vluchtelingenkampen kunnen terugkeren naar hun door rebellen verwoeste dorpen. De vreugde van mensen die na de vloedgolf kunnen teruggaan naar hun gehavende woonplaats waar hun doden liggen en hun wortels.

De vreugde waarom het hier gaat is geen onverdeelde vreugde, niet maar louter blijdschap. Het is door verdriet gelouterde vreugde. Een overlevende van de tsunami in Atjeh zei ervan dat de ziel een hoge prijs betaalt aan het leven. Zo is het ook met ons die in de wereld leven. Onze vreugde kan nooit naïef paradijselijk zijn, alsof er geen wereld bestaat, geen geschiedenis, geen bestaan dat door dalen en langs toppen gaat. Bij Jesaja staat het heel dramatisch: het zijn de puinhopen van Jeruzalem die jubelen. Onze vreugde stoelt op levenservaring, op verdriet en op hoop en vertrouwen. Dat is precies de context waarin we de boodschap van de engel ontvangen: “heden is u een redder geboren”. De opwekkende kracht van dit bericht bestaat er juist in dat zij gericht is tot en ontvangen wordt door herders in de nacht, mensen die uitzien naar bevrijding en licht.

Dit licht is niet zomaar de dageraad, die het einde van nachtelijke bedreigingen aankondigt. Het is, binnen een messiaans verlangen verstaan, en met de woorden van de Hebreeënbrief gezegd, de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen. Dit deel van de brief positioneert de Zoon vooral in zijn hiërarchieke plaats boven de engelen als heer van de wereld. Dit licht van God is een nieuwe schepping. En Hij heeft het vermogen de wereld te herscheppen naar recht en gerechtigheid. Elders in de brief zal Hij ook priester in eeuwigheid als Melchisedek genoemd worden, en ook de hogepriester die het offer van verzoening voor het volk ontvangt, en zal Hij afgebeeld worden als de nieuwe tempel. In Hem is dat wat de Heilige van zijn volk scheidt, de voorhang, voorgoed gescheurd. In Hem komen God en zijn volk samen.

De evangelist Johannes gaat verder in op het motief van de nieuwe schepping in bewoordingen die sterk aan het begin van genesis doen denken. Daarin verwijst hij naar Christus als het Woord en het Licht van God. We weten dat in genesis God de schepping sprekend tot stand brengt en dat het eerste woord van de schepping “licht” is. Jezus zelf is dat eerste woord van de schepping, Hij is het licht dat in de wereld is gekomen. Licht heeft verschillende aspecten en Johannes gebruikt er twee van. Licht maakt dingen zichtbaar en het bevordert groei en vruchtbaarheid. In de duisternis is geen zichtbaar onderscheid. Pas wanneer het licht is kunnen we de afzonderlijke dingen onderscheiden. Hoe we die dingen zien hangt af van de kleur en de intensiteit van het licht. 
Om de afzonderlijke dingen van ons leven te kunnen onderscheiden hebben we ook een licht nodig. Dat licht kan vele vormen aannemen. Een idee, een gevoel, een theorie, een ideologie. Bijvoorbeeld het idee dat mensen een bedreiging vormen, een gevoel van mededogen, de evolutietheorie, de ideologie van de vrije markt. 

Als christengelovige mensen proberen we naar onszelf en de wereld te kijken met het Licht van Christus. Dat is geen neutraal licht. Het toont de werkelijkheid, onze wereld en ons handelen in relatie tot Gods liefde, tot gerechtigheid, vrede, compassie. In het licht van Christus, dat onze bestemming laat zien, zien we waar we staan ten opzichte van de bedoeling van ons leven. Het onthult waar het fout zit in ons leven en in onze wereld. Je zou dat licht onbarmhartig kunnen noemen, want licht liegt niet. Maar hoe zouden we anders moeten weten waar we aan toe zijn en waar we staan? Gelukkig heeft dit licht ook nog een ander vermogen. Wanneer duisternis het licht aanneemt, wordt het licht. Zo is het ook met ons leven. Wanneer we Christus aannemen in ons bestaan, verlicht Hij ons van binnen en worden we licht. We groeien in innerlijke vrede, barmhartigheid en gerechtigheid. Met Hem worden we een nieuwe schepping. Licht mag dan enigszins onbarmhartig lijken, het is niet eenkennig. Het schijnt op en voor alle mensen. Het is aan de mensen zelf of zij het licht aannemen of niet, of zij duister willen blijven of licht willen worden.

Het licht heeft dus een universele werking en is een universeel aanbod. Het verlicht iedere mens, hetzij onthullend hetzij daarnaast ook verlichtend. Gods licht wil iedere mens verlichten, maar of dat ook daadwerkelijk gebeurt hangt van de keuze van de mens zelf af. Zoals Johannes zegt: “maar allen, die hem aangenomen hebben, heeft hij het vermogen gegeven kinderen van God te worden”. We mogen dat ruimhartig en inclusief opvatten. Er zijn geen mensen op voorhand van uitgesloten. Het is een waarlijk katholiek aanbod, voor alle mensen van alle tijden en waar zij ook zijn. Dat maakt de menswording in Christus eerder exemplarisch dan exclusief. Hij is het unieke voorbeeld van een door genade haalbare werkelijkheid. De menswording geeft universele hoop voor alle mensen van alle tijden en voor de wereld waarin wij leven.

 

Kinderen van God worden vraagt van ons een wedergeboorte naar de geest. Dat is een geweldige mogelijkheid die ons geschonken wordt. Het betekent namelijk dat we niet bepaald zijn door de concrete omstandigheden van onze menselijke geboorte. Zelfs niet ten volle bepaald door onze levensgeschiedenis. Allen die hem aannemen hebben het vermogen kinderen van God te worden. Het is nooit te laat en we kunnen ons altijd bekeren tot het goede. Het aannemen van Gods liefde is daarvoor voldoende. Die liefde is altijd voorhanden voor wie ze verlangt, onaangetast door ons handelen, altijd nieuw. Als het licht zelf. Wanneer we ons hart maar op een kier zetten komt het licht van zijn liefde daar al binnen om ons leven te verlichten en ons de weg te wijzen. Daardoor verandert ook ons zicht op de wereld en op onze medemens. Wanneer we de geboorte van Christus vieren, vieren we de mogelijkheid om ook zelf opnieuw geboren te worden. De deur van de schaapsstal die voor ons open staat, zodat we ons kunnen scharen in zijn licht. Het scheppingswoord waardoor we waarlijk mens worden en kind van God. Opdat ook in ons het woord van God, Christus zelf, vlees en bloed mag worden, handen en voeten krijgen. En onder ons mag wonen tot heil en zegen van allen. Amen.

top

Overweging Kerstnacht 2014 
Voor alle mensen

Lezingen: Jesaja 9, 1-6; Titus 2, 11-14; Lukas 2, 1-20. 
De tweede lezing in de kerstnacht is een deel van de brief van Paulus aan Titus. Hij heeft Titus op Kreta achtergelaten om de geloofsgemeenschap ter plaatse verder op te bouwen en te organiseren door oudsten en opzichters te benoemen. Hij spoort hem aan voor de jonge gemeente zelf een voorbeeld van geloof te zijn. Paulus noemt hem in de brief zijn wettig kind volgens het gemeenschappelijk geloof. En via de brief spoort Paulus de leden van de gemeenschap aan zich moreel juist en maatschappelijk te gedragen en hij motiveert dat dáármee dat de genade van God is verschenen tot heil van alle mensen. 
Een klein zinnetje met een enorme betekenis. Ook al zullen we niet ieder woord van de zin meteen verstaan, -want wat is dat dan “genade en heil”-, toch zijn we allen hier samen gekomen voor precies die betekenis. Het is ons heilsverlangen dat ons samenbrengt, ook al zouden we dat misschien nooit zo zeggen. We verlangen hier iets te ervaren van hetgeen we zijn kwijtgeraakt. Een innerlijke vrede, een vertrouwvolle rust, een zich aanvaard en gedragen weten, een onbevangenheid, gevrijwaard van angst en niet langer beducht voor onze medemens. 
Op dit moment en hier is het er, die heilservaring. Nu en hier voelen we ons opgenomen en bemind.

In dat ene zinnetje vat Paulus de betekenis van de geboorte van Jezus samen. Een kind is ons geboren, een nieuw begin van leven, nieuwe toekomst, onaangetast als pasgevallen sneeuw. De genade van God is verschenen. Dit is geen belofte met betrekking tot iets dat in een nabije of verder verwijderde toekomst zal gebeuren. Het is gerealiseerde toekomst. Wat zijn zal is er reeds, nu en hier. De onbegrensde tijd van God is nu. Zijn genade, zijn liefde en barmhartigheid zijn geen abstracte begrippen, woorden die hooguit een gevoel van troost oproepen, maar geen ware troost bieden. Zij worden vlees en bloed in dit kind, een concrete mens, in Jezus. In die menswording wordt zijn liefde een zaak van ons allemaal. Wat klinkt in Jesaja staat op één lijn met de boodschap van Paulus en de aankondiging in Lucas: “een kind is ons geboren, Gods genade is verschenen, heden is u een redder geboren, Christus, in de stad van David”. Die samenhang maakt het tot een vreugdevolle boodschap van vele generaties gelovigen. De hoop van Israel en de verwachting van de messiasgelovigen die in Jezus de christus herkennen, komen samen. Deze laatsten zijn geen nieuwlichters. Zij staan in een lange traditie van heilsverwachting en ervaren uitredding.

Nieuw is de boodschap van Paulus dat deze belofte menselijke waarheid is geworden en voor alle mensen in de wereld is gekomen. Gods liefde is inclusief en universeel. Niet maar voor één volk of voor één groepering, of voor één kerkgenootschap. Het heil dat geopenbaard wordt in de geboorte van Jezus, geldt voor iedereen. De menswording betreft ons allemaal. 
Vorige week waren mijn vrouw en ik te gast in een nieuw opvanghuis annex klein museum van het Leger des Heils in de Oudezijds Armsteeg in Amsterdam. Vlakbij de Oude Kerk en midden in de rosse buurt. Een geweldig project waar de directeur-coördinator van alle huizen in Amsterdam en Amstelveen in vlot Amsterdams enthousiast over vertelde. Een fantastisch getuigenis van een geïnspireerd mens. Een inspiratie ontleend aan iemand die in de buurt tientallen jaren actief is geweest: de majoor, zoals zij genoemd wordt. Iedereen kent haar als majoor Bosshardt, naar wie dit huis ook genoemd is. 
Zij trad iedereen met dezelfde, verre van naïeve, maar altijd onbevangen en liefdevolle blijmoedigheid tegemoet vanuit haar lijfspreuk: “niemand afschrijven”. Dat betekent dat je een open oog hebt voor de situatie waarin iemand verkeert, maar die niet als een definitief eindstation beschouwt. Een mens is altijd meer dan zijn situatie. 

En zo is het ook met Gods liefde. Die liefde schrijft niemand af, op welke dwaalwegen iemand zich ook bevindt. Die genade is immers verschenen om te redden en niet om verloren te laten gaan. Gods liefde is de kracht die in staat is om ons persoonlijk leven, maar ook de wonden van de wereld te helen en ons te redden van verdeeldheid en onrecht. Wanneer wij in staat zijn om die liefde zò te beleven en ons eigen te maken dat zij een natuurlijk bestanddeel wordt van de wijze waarop wij met elkaar omgaan.

Het teken waarin de redding van onze wereld zich openbaart, is opmerkelijk. In Lukas horen we: “en dit zij u tot teken. Jullie zullen een kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een krib”. Dit teken betreft de zaligmaker, de redder, de Messias, de heer uit de lijn van David. Natuurlijk, elke koning, keizer en admiraal komt als baby ter wereld. Maar daarvan zeggen we niet dat die babygestalte een teken is. Het is gewoon de beginfase van het natuurlijk verloop. Maar van deze koning, verlosser, Messias is het kind het teken. Dit teken verwijst naar de redding van onze menselijkheid en de verlossing van onze wereld.

We zien dit teken terug in een haveloos kind dat bedelt onder een viaduct in India. In het meiske dat zich schuchter aanbiedt aan schaamteloze misbruikers. In de kindjes die met een blikje voetballen in de modder van een vluchtelingenkamp. In de zwijgende vraag van een verweesde albino in Afrika. In de demente prima ballerina die een schaduw is van haar triomfen. In een door drank en drugs gehavende Herman Brood die door liefdevolle handen gewassen wordt (die van majoor Bosshardt trouwens). In de mens die hulpeloos uitziet naar een medemens. 

De Messias gaat gehuld in lompen. De waarheid van ons mens-zijn is de weerloosheid. De redding van onze wereld komt niet geharnast te paard. Schuilt niet in een raket op een vliegtuig afgevuurd vol nietsvermoedende burgers. En al helemaal niet in de ontvoering en ontering van jonge meisjes, of de ideologische salvo’s waar schoolkinderen het slachtoffer van worden. Noch in de represailles daarop. 
Het teken van onze redding is een kind gehuld in lappen. Weerloos, kwetsbaar, ontwapenend. Tegenover dit teken worden wij zelf machteloos. We kunnen die kwetsbaarheid onmogelijk met onze kracht tegemoet treden. We maken ons zacht en liefdevol, want alleen op die manier kunnen we het behoeden en beschermen. Als we dus iets willen begrijpen van de uitspraak dat de genade van God is verschenen tot heil van alle mensen, moeten we de betekenis niet zoeken in abstracties. We moeten kijken naar de drager van dat heil. En die drager is de mens Jezus die gekomen is om te dienen en niet om te heersen. Die zijn kracht zoekt in de liefde en zijn bewogenheid met mensen. Hij representeert in zijn levenshouding een andere weg. Een uitweg uit de cirkel van kwaad en haat. Het heil is niet iets, maar iemand. Iemand die er wil zijn voor degene die hulp nodig heeft. Voor degenen die gevangen zitten in zichzelf of in maatschappelijke structuren van onrecht en uitsluiting. Iemand die niet in alles zichzelf zoekt, maar die in de medemens op zoek gaat naar God. Een mensenmens. Kortom een mensch, zoals het in het Jiddisch heet.

Als de herders laten we ons overrompelen door zijn weerloze aanwezigheid in ons midden die ons oproept van Hem te getuigen. Laten we leven in zijn spoor om meer mens te worden, een medemens, een naaste. Om het aanzien van de aarde te veranderen van een huis dat verdeeld is door strijd en onrecht in een huis van brood, dat wil zeggen levenskansen, voor allen, kortom een waar Bethlehem. Amen.

top 

Overweging 14 december 2014 
Verheugt u 


Lezingen: Jesaja 65, 17-25; 1Thessalonicenzen 5, 12-24; Johannes 3, 22-30. 
Met al onze verwachtingen die we hebben voor ons leven, dat van onze kinderen en voor de toekomst van de wereld leven we elk jaar, verwachtingsvol, naar we zeggen, toe naar Kerstmis met alle geseculariseerde beelden die zo langzamerhand daarbij horen. Knusheid, gezelligheid, vrede, warmte. En elk jaar vieren we in die opgang naar Kerst de zondag gaudete, verheugt u; de zondag van de vreugde in een wereld die maar niet verandert. Nu is de liturgie niet de meest aangewezen plaats om politiek te bedrijven, maar we kunnen niet ontkennen dat we in een zorgelijke tijd leven. Tegelijk ben ik bang dat dat niet nieuw is en als ik eerlijk ben meen ik dat mijn ouders dat veertig jaar geleden ook al zeiden. Ik troost me met de gedachte dat jonge mensen helemaal niet zo somber zijn over de wereld. En dat is maar gelukkig ook, aangezien zij nog betrekkelijk aan het begin van hun leven staan. Toch meen ik dat de wereld in onze eeuw die nog maar net begonnen is, instabieler is geworden. En hoe het zich zal ontwikkelen weten we niet.

In ieder geval hebben we niet zoveel vertrouwen meer in het vooruitgangsgeloof dat de hele periode van de Verlichting en de Moderniteit tot diep in de twintigste eeuw kenmerkte. Het mensbeeld is veranderd en de maatschappelijk-economische systemen zijn ontmaskerd. Ik denk dat op brede schaal het idealisme terrein heeft moeten prijsgeven aan het pragmatisme. De vernieuwing van het aanschijn van de aarde, welvaart en welzijn voor allen, is geen kwestie van groei in kennis en economie. Dat is gebleken. Het nieuwe dat God verlangt voor ons is geen kwestie van groei en menselijke ontwikkeling. Is er dan geen hoop voor onze verwachtingen? Het zou een ramp zijn als dat zo was.

Wanneer we de verhalen van de Schrift lezen als een werkelijkheid buiten ons, komen ze op afstand te staan. Ik denk niet dat dat de bedoeling is. Dan kunnen we ze ook niet echt begrijpen. Misschien wel als literaire tekst, maar niet als inspirerende tekst die betekenis heeft voor ons leven. Zo is het ook met de profetische tekst van Jesaja met zijn beelden die zo ver buiten onze dagelijkse werkelijkheid staan. We kunnen het lezen als een utopie en alleen maar moedeloos worden omdat we niet zien hoe dat ooit zo zal moeten zijn. Misschien lezen we het als een opdracht aan ons. Dan constateren we dat zolang het verhaal bestaat en gehoord wordt er niet veel van is gerealiseerd. En dat ook wij zelf niet dichterbij zijn gekomen. Als we denken dat de werkelijkheid die erin wordt beschreven, binnen ons bereik ligt, of zou moeten liggen, dan kunnen we niet anders dan teleurgesteld en gefrustreerd worden. En dat kan ook niet de bedoeling zijn.

We moeten misschien op een ander spoor gaan zitten. Gods wereld is geen vrucht van menselijke ontwikkeling. Zijn wereld bestaat al. Die hoeft niet uitgevonden en niet gemaakt te worden. We moeten er alleen deelgenoot van worden. En dat is geen kwestie van groei en ontwikkeling, maar van bekering. Dat wat wij het rijk der hemelen noemen en wat we ten diepste verlangen sluiten op elkaar aan. Het zijn geen elkaar wezensvreemde werelden. Daarom kunnen we er ook over spreken als over “thuiskomen” en “vaderland”. Het rijk der hemelen is immers midden onder u. Is dat ook niet de betekenis van de menswording? Betekent de geboorte van Jezus niet dat de Eeuwige midden onder ons komt? “Midden onder u staat Hij die gij niet kent”, zegt de Doper in het Johannesevangelie. Het Rijk der hemelen is dus niet een “iets”, een iets waar wij naar streven of naar op weg zijn. Het is Iemand, Iemand die we kunnen leren kennen en liefhebben. Iemand in wie Gods woord werkelijkheid is geworden.

Naarmate we iemand beter leren kennen en liefhebben zal ons leven veranderen. Daar hoeven we niet zoveel voor te doen. Voor een groot deel gebeurt dat vanzelf. Door met Christus een gezamenlijk leven op te bouwen, zul je meer en meer delen in wie Hij is. Je wordt als het ware zelf meer en meer rijk van God. En dan komen de visioenen dichterbij. Dan worden het beelden, scenario’s, betekenisgevende verhalen waarin we kunnen huizen en leven.

Misschien is de kracht van de voorbereidingstijd op de grote Christusfeesten wel dat we uitdrukkelijk de tijd nemen om in te groeien in het verhaal, zodat het ook ons verhaal kan worden. Ons verhaal van geboorte, ons verhaal van lijden en perspectief, ons verhaal van het ontvangen van de Geest. Ons verhaal van het wonen van God in ons. Van ons vertrouwd raken met Hem.

Dit verandert onze omgang met de wereld. Nu denken we nog teveel dat we de wereld kunnen beheersen en domineren. Dat we onze eigen werkelijkheid kunnen maken. En natuurlijk is het ook zo dat we aan de oorsprong staan van onze eigen werkelijkheid. We geven haar vorm door onze strevingen, onze keuzes en beslissingen, onze verlangens en door wat we nalaten. Maar er zijn ook grote delen van onze werkelijkheid, van ons leven, die we helemaal niet kunnen besturen. En ook daarin worden we uitgedaagd het verhaal van God met ons te ervaren. Niet door alles klakkeloos te aanvaarden wat er in ons leven gebeurt. Terecht kunnen we delen daarvan als zinloos en onrechtvaardig beschouwen. Maar wanneer we ons leven in het perspectief van God zien en van diens toekomst, is de beleving ervan anders. Hoe anders kan ik niet zeggen en mag ik ook niet zeggen. Ik heb niet het recht dat voor anderen in te vullen. Ieder schrijft haar en zijn eigen verhaal met God. Doorheen de gebeurtenissen van het leven. Maar juist dat leven leert ons dat het niet alleen van ons afhankelijk is. Zo is het ook met het openbaar worden van het Godsrijk. Het Johannesevangelie zegt: “geen mens kan iets verwerven, indien het hem niet van de hemel gegeven is”. Dat betekent niet dat we moeten wachten tot het gegeven wordt, zonder zelf iets te doen. Eerder zeiden we al dat het Godsrijk een wederzijdse doordringing is van God en mens. Een gezamenlijk verlangen. Een win-win situatie voor allen. Daarbij kun je eigenlijk niemand uitsluiten. Waar mensen uitgesloten worden ligt het conflict op de loer, is er geen vrede en stabiliteit. Dat zien we dagelijks om ons heen gebeuren.

Paulus zegt het heel duidelijk in zijn eerste brief aan de christenen van Thessaloniki. “streeft steeds naar wat goed is voor elkaar en voor alle mensen”. Met andere woorden: bij wat we doen en nastreven zouden we niet alleen ons eigen belang voor ogen moeten houden of dat van de eigen kleine groep, maar wat goed is voor allen. Wat in het Latijn heet het bonum commune, het gemeenschappelijke goede. We kennen het als the commonwealth, of het gemenebest. In principe is dat die staatsinrichting die het algemeen belang dient, dat wat voor de gemeenschap het beste is, in het vertrouwen dat wat voor het geheel het beste is, ook het beste is voor het individu als deel van die gemeenschap. Dat gaat verder dan politiek. Het zegt dat we in onze individuele keuzes en beslissingen een breder kader nemen en ook onze medemensen betrekken.

Dat is nogal wat. We kunnen dat zeker niet zonder hulp van de hemel. De hemel is namelijk precies het referentiekader waarbinnen wij zulke keuzes maken. Daarom vervolgt Paulus: “bidt zonder ophouden” om kracht en om niet te vergeten waar het om gaat. Blijf wakker en laat de geest niet suf en uitgeblust raken. Houd je verre van alle soorten kwaad, opdat je er niet mee besmet of in verstrikt raakt. Dat is niet laf, maar verstandig. Het kwaad kan erg aantrekkelijk en verleidelijk zijn en vindt gemakkelijk wegen om zich in je hart te nestelen. Het beste verweer daartegen is misschien de raad die Paulus geeft om altijd blij te zijn en God voor alles te danken. Somberheid, boosheid, jaloezie, je tekort gedaan voelen, zijn een ideale voedingsbodem voor verwijdering. Dat geldt voor de verhouding tussen mensen onderling, maar ze voeren je ook weg van God. Blijmoedigheid en dankbaarheid hebben namelijk iets onbevangens dat ons toegankelijk maakt voor onze medemens en voor God zelf. Daarmee zijn we een ideale voedingsbodem voor de groei van het Godsrijk. Is het zo simpel? Ja, ik ben ervan overtuigd dat het zo eenvoudig is. Kun je dan altijd blij en dankbaar zijn? Misschien niet, of, misschien wel natuurlijk niet. Maar is dat een reden om steeds maar somber en ondankbaar te zijn, en geen vreugde aan het leven te kunnen of mogen beleven? Er schuilt veel wijsheid in de stenen van onze hal ter gedachtenis aan de verwoesting van de tempel. Daarbij hoort een wijze raad die zegt: ‘Herinner in uw vreugde dat we nog in ballingschap zijn en herinner in uw verdriet dat we opgaan naar Jeruzalem’. Onder de onafheid van ons leven is geen vreugde volkomen, maar onder de belofte is geen verdriet totaal. Onze vreugde en ons verdriet rusten beide in de zegenbede: “de God van de vrede, Hij moge u heiligen, geheel en al. Heel uw wezen, geest, ziel en lichaam moge ongerept bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Die u roept is getrouw: Hij zal zijn woord gestand doen.” Amen.

top

Overweging 30 november 2014, eerste zondag van de advent.
Weest waakzaam 


Lezingen: Jesaja 64, 1-9; 1Korintiërs 1, 1-9; Marcus 13, 24-37. 
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we in onze verwachting tijdens de advent wat dubbel zijn. We bereiden ons voor op de geboorte van Jezus met alle beelden die daarbij horen. Tegelijk zien we, blijkens de lezingen, uit naar de komst, de wederkomst van de Messias. Om nu zomaar te zeggen dat beide hetzelfde zijn gaat voorbij aan hetgeen de beide gebeurtenissen tot uitdrukking brengen. Eigenlijk kunnen we nooit genoeg beseffen dat de evangelieteksten en de brieven allemaal geschreven zijn na de dood van Jezus. Wij lezen die teksten alsof ze een chronologisch verslag zijn. Eerst werd Jezus geboren, toen groeide Hij op, Hij onderwees zijn leerlingen en verrichtte tekenen, Hij werd veroordeeld en gedood en is verrezen. Maar de schrijvers van de teksten kijken als het ware door de bril van de latere ontwikkelingen naar de dood en het leven van Jezus. De verhalen hebben hun grond in het geloof dat Jezus de Messias is, de gezalfde van God. De Messias is het beeld van de hoop voor het godsvolk en de drager van de belofte dat God zijn volk zal uitredden uit verdrukking en in vrede zal laten wonen. Hij bemiddelt de vervulling van die belofte. Op Hem is de hoop van Israël gevestigd en het ziet verlangend uit naar zijn komst.

De leerlingen van Jezus hebben in Hem die Messias herkend. Maar niet in de profetische beelden van de glorieuze opvolger van de strijdbare koning David die zijn volk gewapenderhand bevrijdt. Veeleer in de niet minder profetische beelden van de leraar der Wijsheid, de leraar der Gerechtigheid en de lijdende dienaar van de Heer God, zoals deze beschreven is in de wijsheidsliteratuur en bij verschillende profeten. De Messias als representant van een nieuwe religieuze en maatschappelijke orde. Een die bereid is voor zijn volk te sterven, ja zelfs door de dood heen te gaan. Die daar bovendien ook toe gedwongen wordt doordat Hij wordt geëxecuteerd. Maar ondanks de erkenning van Jezus als de Messias door zijn leerlingen hebben zijn leven en dood toch niet die nieuwe wereld en dat nieuwe leven gebracht waarop men hoopte. Zij hebben de eindtijd ingeluid die vervuld zal worden bij zijn wederkomst in heerlijkheid. De eerste generatie gelovigen dacht die wederkomst zeer aanstaande te zijn. Dat lezen we ook in de evangelietekst waar staat “dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, voordat al deze dingen geschieden”.

In het oude geloof was de Messias niet van menselijke geboorte. Hij heeft dan ook geen ouders. Hij is er op de tijd die God wil en ook door diens wil. Marcus en Johannes kiezen er dan ook voor om hun evangelie te laten beginnen bij het optreden van de profeet Johannes die de volwassen Jezus aanwijst en Hem doopt waarbij Jezus geopenbaard wordt als degene op wie Gods geest rust en die de zoon van God is. Titels die verbonden zijn aan de Messias. Op die manier legitimeren deze evangelisten dat in Jezus de Messias gekomen is. Maar een aantal leerlingen kende Jezus. Zij kenden zijn ouders, zijn geboorteplaats, zijn broers en zussen. Deze Messias is dus wel degelijk uit ouders geboren, maar is tegelijk ook zoon van God. Bovendien moet Hij volgens een andere opvatting over de Messias in de lijn van David staan. Zie hier de contouren van de kindheidsevangelies bij Mattheus en uitgebreider bij Lucas. Als Hij dan geboren is, dan is zijn geboorte toch met wonderen omgeven Deze wonderlijke omstandigheden van zijn conceptie en geboorte maken de band met David en met God zichtbaar. Bovendien openbaart Hij zich kort na zijn geboorte zowel aan het volk Israël als aan de volken. Deze getuigenissen geven legitimatie aan het feit dat in Jezus de Messiaanse koning gekomen is die niet gekomen is om te heersen, maar om zijn arm volk te dienen.

De gelovige overtuiging dat in Jezus de Messias, zoon van God, geboren is als mens heeft een andere betekenis dan het geloof dat in Jezus de Messias in de wereld is gekomen om zijn rijk te openbaren en ook te vestigen, het rijk dat Hij bij zijn wederkomst zal voltooien. De menswording en de openbaring van het Godsrijk spreken ons op verschillende wijze aan. 
Wanneer wij geloven dat God zich in Jezus als mens heeft geopenbaard, zegt dat onmiddellijk iets over ons. De Eeuwige heeft daarin ons mens-zijn geheel in zijn liefde opgenomen. En zoals die liefde zich in Jezus heeft geopenbaard, zo verlangt die zich ook in ons leven te openbaren. Met Jezus zijn wij in al onze schamelheid en beperktheid woonplaats van de Allerhoogste geworden. God heeft zijn heil niet alleen aan ons en voor ons bewerkt, maar juist ook in ons. Door de menswording is ons menselijk bestaan eens en voorgoed getransformeerd. In Hem zijn wij kinderen van God en erfgenamen van de belofte. Het gegeven van de menswording vertelt ons dat we niet eerst volmaakt moeten worden voordat God zich met ons inlaat. We hoeven niet de perfecte woonplaats te zijn. Doordat God in ons woont worden wij van binnenuit meer en meer mens. Het is de werking van zijn liefde die in ons aanvult wat we tekort komen. Die liefde maakt ons heel.

In Jezus als Messias is het Godsrijk aangebroken en geopenbaard. Niet als een uitwendige structuur, maar als geleefde werkelijkheid. Het is geen rijk dat ons als een staat met allerlei wetten en regels omvat en waarin wij wonen. Het is een gezamenlijke humane zijnswerkelijkheid die in ons groeit naar de wet van de liefde. Een werkelijkheid van waaruit wij leven. Een werkelijkheid die menselijker wordt naarmate wij zelf meer mens worden. Die werkelijkheid is in Jezus geopenbaard en gerealiseerd. Door de menswording is dit rijk ook binnen ons bereik gekomen. Als mogelijkheid en in belofte en hoop. Daardoor mogen wij leven als in hoop verloste mensen.
We leven tussen het reeds en het nog niet van het Godsrijk. De Messias is gekomen, maar zijn Rijk is nog niet voor allen gerealiseerd. De lange duur ervan zou ons moedeloos en onverschillig kunnen maken.

We zouden met Reve kunnen zeggen in zijn gedicht ‘Graf te Blauwhuis, voor buurvrouw H. te G.’ uit Nader tot u:

Hij rende weg, maar ontkwam niet,

en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.

Een strijdbaar opschrift roept van alles,

maar uit een bruin geëmailleerd portret

kijkt een bedrukt en stil gezicht.

Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,

ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.

Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Dagelijks komen we de tekenen van een heel andere werkelijkheid dan het Godsrijk tegen. In onze verscheurde wereld, maar ook in ons verdeelde zelf. De houding waartoe het gegeven van de menswording en het visioen van het Godsrijk ons in deze tijd oproepen is die van een heldere en open waakzaamheid. Waakzaam en alert om te zien wat er zich in ons hart voordoet en om te beoordelen of dat in relatie staat tot de groei van het rijk in ons. Of het staat in de richting van de groei in menselijkheid. En we moeten waakzaam zijn om de tekenen van de tijd te zien en in de wereld te onderscheiden wat de gerechtigheid en de vrede bevordert en wat niet.

We mogen met Paulus bidden dat we stand houden tot de voleinding. Dat we ons het visioen niet uit handen laten slaan doordat we er niet langer in geloven. De advent is een goede tijd om ons diepste verlangen weer krachtig te maken en ons hart te richten op Gods liefde die in ons mens wil worden. Alleen zo kunnen we ons blijven inzetten voor de menselijkheid van onze wereld. Amen.


top

Overweging 23 november 2014 
Kinderen van De Dag (dies illa) 


Lezingen: Daniel 12, 1-3; 1Tessalonicenzen 5, 1-11; Matteus 24, 15-35. 
Hoe moeilijk is het niet om iets onder woorden te brengen waarvoor je geen woorden hebt. We zeggen dan ook wel: ‘daar zijn geen woorden voor’. Hoe vertel je over iets wat je voor het eerst hebt meegemaakt? Hoe maak je duidelijk aan anderen waar je bang voor bent, maar wat zich nog niet heeft voorgedaan? Welke voorstellingen gebruik je om verwachtingen onder woorden te brengen die zich buiten je ervaringsveld afspelen? Wat doe je? Je kunt er natuurlijk over zwijgen. Maar je kunt ook proberen erover te vertellen. Je doet dat dan met woorden en beelden die je kent; je gebruikt ze om iets onbekends duidelijk te maken. Op vergelijkbare wijze gebruiken we concrete dingen om een abstracte werkelijkheid aan te duiden. We geven bloemen om te zeggen dat we van iemand houden. We leggen bloemen op een graf als stil teken van ons geloof in het leven. De natuur is voor ons een verwijzing naar Gods aanwezigheid. Brood en wijn zijn tekenen van de levensgave van Christus. Het is erg moeilijk om iemand die nog nooit in Rome is geweest te vertellen wat het betekent om door 20 eeuwen en meer aan geschiedenis te lopen en eeuwenoude monumenten op ieder straathoek tegen te komen. Eenzelfde probleem doet zich voor met de lezingen. Men maakt gebruik van voorstelbare beelden om een onvoorstelbare werkelijkheid duidelijk te maken. Van de tijd af dat mensen zich bewust zijn van de wereld waarin zij leven, denken zij over de wereld na: waarom is de wereld er, kan die er ook niet zijn; wat is de betekenis en bedoeling ervan; als de wereld een begin heeft, heeft hij dan ook een einde en hoe ziet dat er dan uit? Antwoorden worden gevonden of geconstrueerd door na te denken, door wetenschappelijk onderzoek te doen, door theoretische verklaringen op te stellen en die te toetsen, en ook door gelovige interpretaties van de wereld en de betekenis ervan in theologale zin.

In de lezingen hebben we te maken met de laatste. De wijze waarop men dat eindpunt van de wereld ziet wordt verteld aan de hand van beelden uit de natuur. Natuurgeweld, kosmische verschijnselen als zonsverduisteringen, het duister van de nacht, de onzekerheid van de mens ten opzichte van een niet te beheersen en te voorspellen natuurkracht zijn elementen van die beeldtaal.

Het lijkt erop dat alles zal vergaan. Door de overweldigende verschijnselen verliezen we de andere elementen in de lezingen uit het oog. En het lijkt me dat het nu juist daarom gaat. In Daniel is sprake van een periode van grote verdrukking. Degenen die in het boek van het leven zijn opgetekend, zullen ontkomen. Gestorvenen zullen opstaan ten oordeel. Maar de verstandigen en rechtvaardigen zullen stralen voor eeuwig.

De tekst van het evangelie is erg dreigend. Deze wereld wordt verwoest en moet plaats maken voor de nieuwe wereld. Er is niets wat je kunt doen om daaraan te ontkomen. Vluchten of schuilen heeft geen zin. Niemand kan een zinnig advies aan de ander geven. We zijn totaal afhankelijk van het oordeel in de komst van Christus. De uitverkorenen zullen worden verzameld van de uithoeken van de wereld.

Thessalonicenzen waarschuwt voor de instabiliteit van de dingen waar we ons vertrouwen in stellen. Maar bemoedigt tegelijk de getrouwe leerlingen als kinderen van het licht die niet aan de duisternis worden prijsgegeven.

Door de positieve elementen die de verhalen bevatten wordt het duidelijk wat de bedoeling en boodschap van deze verhalen zijn. Deze wereld zoals wij die kennen gaat voorbij. De wereld die gebroken is en vol onrecht is niet de uiteindelijke wereld. Zij is niet Gods wereld. Deze wereld valt ten prooi aan de duisternis waarvan de duistere praktijken van deze wereld getuigen. Hoe en wanneer dat gebeurt weten we niet en we hebben daar ook geen greep op. Het is Gods initiatief. We vallen niet in de handen van mensen of van de natuurkrachten, maar in die van God. Degenen die wijs genoeg zijn om te leven naar Gods bedoelingen en die rechtvaardig zijn zullen gespaard blijven voor het leven. Als deze teksten ons willen waarschuwen dat deze wereld voorbijgaat, dan toch in de eerste plaats om ons te vermanen, wakker te schudden. Zij willen ons opwekken om te leven als kinderen van het licht. Zo te leven dat onze levenswijze aansluit bij de bedoeling van ons bestaan.

De teksten in de bijbel gaan niet over kosmologie en natuurkunde. Het gaat om het verhaal van God met mensen. Om wat vruchtbaar is in die relatie, om wat gericht staat op leven. Dat wordt gezegend, wat er ook verder te gronde gaat. De boodschap is er niet een van vernietiging. Het is een boodschap van hoop. We hoeven niet bedroefd te zijn dat wat niet op het licht geijkt is te gronde gaat. Waar licht is verdwijnt de duisternis nu eenmaal.

In het lied van Oosterhuis “licht dat ons aanstoot” is het prachtig verwoord.

Licht dat ons aanstoot in de morgen 
voortijdig licht waarin wij staan, 
koud, één voor één, en ongeborgen, 
licht, overdek mij, vuur mij aan. 
Dat ik niet uitval, dat wij allen 
zo zwaar en droevig als wij zijn 
niet uit elkaars genade vallen 
en doelloos en onvindbaar zijn. 
Licht van mijn stad de stedehouder, 
aanhoudend licht dat overwint. 
Vaderlijk licht, steevaste schouder, 
draag mij, ik ben jouw kijkend kind. 
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen 
of ergens al de wereld daagt 
waar mensen waardig leven mogen 
en elk zijn naam in vrede draagt. 
Alles zal zwichten en verwaaien 
wat op het licht niet is geijkt. 
Taal zal alleen verwoesting zaaien 
en van ons doen geen daad beklijft. 
Veelstemmig licht om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft. 
Liefste der mensen, eerstgeboren, 
licht, laatste woord van Hem die leeft.

Het duister gaat voorbij. Het is niet het einde, maar de voleinding. De bemoediging die we ontvangen is dat wij kinderen zijn van het licht, bestemd om heil, redding te verwerven, om deel uit te maken van die voleindig. 
Kinderen van de dag die komen zal. De dag van Christus Jezus. Het zal niet altijd nacht blijven en duister. Alles wat niet op het licht is geijkt zal voorbijgaan. Uiteindelijk blijft het licht, eerste woord van de schepping en laatste woord van Hem die leeft en leven geeft. Amen.

top

Overweging 9 november 2014 
een goede dienaar 


Lezingen: Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 13, 7-17; Matteus 25, 14-34. 
Voor deze zondag kiezen we ervoor om het feest ter gedachtenis van de in 739 te Echternach overleden Sint Willibrord te vieren, de patroon van de Nederlandse kerkprovincie, apostel van de Lage landen en degene die op het eind van de zevende eeuw en begin 8e eeuw in onze contreien het christelijk geloof heeft verkondigd. Met hem was een gezelschap van pelgrimerende monniken en geloofsverkondigers en na hem volgden er nog velen. Eén van die latere verkondigers is onze Lebuinus (patroon van de oud-katholieke geloofsgemeenschap in Twente en Ommelanden) die naar schatting zo’n zestig jaar na Willibrord in de lage landen kwam en samen met Marcellinus het geloof heeft verkondigd ten oosten van de IJssel. 
In relatie tot het feest van Willibrord is gekozen voor de Matteuslezing over de betrouwbare knecht die het hem toebedeelde deel van het bezit van zijn meester vermeerdert voor zijn Heer. Het is niet zo moeilijk om hier het zendingswerk van Willibrord en diens opvolgers in de verkondiging te herkennen. Zij hebben naar vermogen hun best gedaan en, vanuit het hun toevertrouwde evangelie, het geloof onder de heidenen vermeerderd voor hun Heer. Deze betekenis van het evangelie wordt onderstreept door de eerste lezing waarin gesproken wordt over de liefelijkheid van de voeten van de bode die goed nieuws komt brengen. De verkondigers die de Blijde Boodschap van het Evangelie brengen tot vreugde van wie verlangen naar verlossing. De Hebreeënbrief benadrukt het peregrijns karakter van deze verkondigers door te wijzen op het feit dat wij hier geen vaste woonplaats hebben, maar dat het hemelse Jeruzalem ons vaderland is. Op dit hemelse Jeruzalem en dat uiteindelijke vaderland staat hun verkondiging gericht.

Hierdoor lijkt het alsof de lezing van het evangelie als een successtory wordt geïnterpreteerd. `Zie je wel, deze verkondigers zijn de goede dienaren en zij worden binnengeleid in de vreugde van hun Heer’. En dat is natuurlijk geweldig voor deze mensen. Maar ik blijf wat zitten met degene die niet zo succesvol is, maar die bang is en angst heeft voor de Heer, zodat hij zich eigenlijk niet vrij durft te bewegen. Hij heeft een beeld van zijn Heer dat hem verlamt. In het verhaal wordt dat beeld ook nog versterkt. Het lijkt me van belang daar toch even bij stil te staan.

Generaties gelovigen zijn opgevoed met een beeld van God dat angstig maakt. De verheven en volkomen onvoorspelbare rechter die ongevoelig is voor menselijke overwegingen. Die een ontzagwekkende macht bezit en een huiveringwekkende vorm van gerechtigheid toepast. Het oordeel van deze rechter betreft de mens die we zijn, zondig en wel, en de daden die we verrichten. Het begint al in de min (belast met de erfzonde als wij zijn!) en dan moeten we, met onze beperkte mogelijkheden tot het goede, nog gaan leven. Dat is eigenlijk een onmogelijke opdracht. Misschien is dit voor sommigen wat te dik aangezet, maar niettemin. Zo kweken wispelturige dominante werkgevers initiatiefloze werknemers en zo kweken onvoorspelbare ouders angstige en geremde kinderen. Die daar dan vervolgens door die ouders nog op aangesproken worden ook. In het beste geval zijn de werkgevers en de ouders zich het niet bewust en bedoelen ze het niet zo kwaad. In het slechtste geval is het een manier om macht uit te oefenen.

De knecht die het talent dat hem wordt toevertrouwd, begraaft, lijkt me zo iemand. Zo bang voor zijn heer dat hij verlamd raakt en dan maar liever niets doet om straf of kritiek te vermijden. Je ziet het bij mensen die murw geslagen zijn. Niet in staat om iets te ondernemen, wetend dat zij daardoor negatieve reacties over zich afroepen. Het wordt op den duur een levensscript van self-fulfilling prophesy. De structurele slachtoffers en verliezers. 
Het is moeilijk om daaruit te geraken. Om zoveel zelfvertrouwen te creëren dat je opnieuw verantwoordelijkheid voor je eigen leven op je kunt nemen en weer dingen kunt gaan ondernemen, om minder afhankelijk te worden van goedkeuring of afkeuring van anderen. Deze interpretatie maakt het verhaal tot iets dat geenszins op de blijde boodschap lijkt. En dat terwijl we Jezus hebben leren kennen als degene die oude Godsbeelden doorbreekt, die nadruk legt op liefde en barmhartigheid. In wie willekeur juist heeft plaatsgemaakt voor genade. Die ons bevrijd heeft van angst. Die God vanachter de haag van zijn geboden haalt en nabij brengt als een betrouwbare en liefdevolle vader.

Daarom moeten we verder kijken. Bij de zondag na Pinksteren 27 wordt dezelfde evangelielezing gegeven. Dat is de zondag die het dichtst bij 9 november valt. Deze zondag dus. Daar staat de lezing in relatie tot een ander deel uit Jesaja ( 48,17-21) en tot een stuk uit de eerste brief aan de Thessalonicenzen (4,1-8). En deze lezingen staan samen in het aspect van het eind van het kerkelijk jaar en de voleinding, zijnde de doorbraak van het Koninkrijk van God. In die profetenlezing maakt de Heer zich bekend als de verlosser, die zijn volk onderricht om het te helpen en te leiden. Hij roept het op om uit ballingschap weg te trekken, dat wil zeggen te naderen tot God. Thessalonicenzen roept op tot levensheiliging als uitdrukking van het verlangen om bij God te willen horen. De evangelielezing die dan volgt is een waarschuwende oproep; een aanmaning om zo te leven dat het rijk van God ons niet ontgaat. Om het verbond en het beloofde land dat aan het Godsvolk is toevertrouwd en beloofd, op een goede manier te beheren. Zodanig dat het vruchten draagt tot lof en eer van God en heil van mensen. Er wordt een stimulerend en een afschrikkend voorbeeld gegeven. Het is erg pedagogisch van aard. Stimuleren en waarschuwen; beloning in het vooruitzicht stellen en dreigen met straf. 

We moeten dan ook niet denken dat hiermee een feitelijke gang van zaken met betrekking tot het oordeel wordt geschetst. Het is een literaire vorm om de volgelingen van Jezus, de leden van het verbond, op te roepen en wakker te schudden. Tenslotte leefde men in de veronderstelling dat de wederkomst van de Messias aanstaande was. Het was dus van het grootste belang om te leven onder het aspect van het hemels Jeruzalem. Geen dwaalwegen te gaan en te luisteren naar het onderricht van de leiders van de geloofsgemeenschap en dienovereenkomstig te leven.

We lezen de tekst nadrukkelijk in samenhang met de lezing uit Jesaja over de vreugdebode. Het is een goed bericht, een boodschap van heil, gericht op ons welzijn. Het stelt het koningschap van God in het vooruitzicht. Dat betekent een wereld van vrede, gerechtigheid en leven voor allen. Een leefwereld waarin niet dictators en warlords de dienst uitmaken, maar de God van onze vaderen (en moeders). De meetrekkende en bevrijdende God die oog heeft voor de noden van zijn volk en het niet uitbuit. Aan de komst van dat koninkrijk kan iedereen zijn steentje bijdragen. Ieder naar vermogen. Niemand wordt boven zijn krachten beproefd, niemand overvraagd. Niemand beoordeeld op wat hij niet kan. Dat wordt aangegeven met de woorden dat iedere knecht naar diens bekwaamheid een deel van het bezit van zijn heer is toevertrouwd. 

Maar om het rijk mede tot stand te brengen moet wel ieder zijn bijdrage leveren. Naar de mogelijkheden die iemand heeft. Zolang dat niet gebeurt, ontglipt het koninkrijk ons allen. Voor de groei van het koninkrijk zijn we verantwoordelijk voor elkaar. Degenen die vruchten dragen van vrede en gerechtigheid, wier leven staat in de richting van het Godsrijk, mogen nu al leven in de vreugdevolle ervaring van dat rijk waarin zij, naar Augustinus zegt, nu al leven in hoop. De anderen staan nog buiten.

En degene die te angstig is? Laten we die meenemen omwille van de goede afloop van het verhaal van God en mensen. Angst om iets verkeerd te doen heeft soms ook te maken met het idee dat je perfect zou moeten zijn. Alsof dat zou kunnen! Niemand hoeft bang te zijn en niemand hoeft perfect te zijn. Onze toekomst is al gezekerd in Jezus Christus. Hij heeft onze onafheid reeds in zijn liefde opgenomen. Wij zijn al verlost. We zijn al bestemd voor het leven. We hoeven er alleen maar naar te leven. Amen. 

top

Overweging 2 november 2014, Allerheiligen/Allerzielen 
Getekend voor het leven 


Lezingen: Wijsheid 3, 1-9; Openbaring 7, 2-4. 9-17; Matteus 5, 1-12. 
Vandaag vieren we weliswaar het Hoogfeest van Allerheiligen, en we hebben ook de lezingen van het feest, maar we staan ook stil bij de gedachtenis van Allerzielen. Allerheiligen en Allerzielen zijn niet voor niets op twee achtereenvolgende dagen geplaatst. En ook niet voor niets aan het begin van de laatste maand van het kerkelijk jaar. Een maand die start met de gedachtenis van hen die in geloof zijn voorgegaan en eindigt met de zondag van de voleinding, de definitieve doorbraak van het Godsrijk. Degenen die we vandaag gedenken verwijzen naar die werkelijkheid van het Godsrijk en vertegenwoordigen die. 
Allerheiligen staat hoger in rang op de liturgische kalender. Het is echter mijn ervaring dat de beleving van Allerzielen voor ons sterker is. En dat is niet verwonderlijk. Heiligen staan wat verder van ons vandaan, maar onze doden dragen we bij ons. Soms leven we langs de contouren van de leegte die zij in ons bestaan hebben achtergelaten. We zoeken en vragen naar antwoorden die niet gegeven worden. We houden ons bezig met van alles en nog wat, zodat het gemis niet alleen maar pijn doet. Iedereen, gelovig of niet gelovig, moet zich verhouden tot de dood en moet zich daarmee ook bezighouden met de betekenis van het leven. 

Zonder geloof staat het leven in het teken van de sterfelijkheid en is de dood daar de beaming van. In de gelovige beleving is de dood geen punt achter een kortstondig bestaan, maar een vraagteken. Een vraagteken als uitdrukking van de openheid naar het initiatief van God. Dat is het initiatief van de belofte. Door deze belofte staat ons leven onder het aspect van de eeuwigheid en de dood in het teken van het leven. Nee, klip en klare antwoorden worden ook de gelovige niet gegeven, maar woorden wel. Woorden die duiden, woorden die bemoedigen, die troosten en perspectief bieden. Door die woorden weten we ons deel van een verhaal te zijn. Het verhaal van God met ons en van hen die daarvan getuigen.

En zo lezen we ook vandaag uit het grote verhaal, verbonden met die wolk van getuigen die ons zijn voorgegaan. Om inzicht te krijgen in de betekenis van ons leven en daardoor getroost en gesterkt te worden. 
We weten uit eigen ervaring dat zachtmoedige mensen die rechtvaardig in alles proberen te leven niet altijd de meest succesvolle mensen zijn. Vaker moeten zij wijken voor hen die erop uit zijn om te heersen, die net even eerder bij het buffet van het leven komen en er de beste hapjes van nemen. Het is in onze ogen niet rechtvaardig dat wie netjes en een beetje bescheiden probeert leven, vaak het onderspit delft. Eigenlijk leggen zij de onrechtvaardigheid van onze samenleving bloot. De tekst van het boek Wijsheid probeert zich met die ogenschijnlijke onrechtvaardigheid uiteen te zetten. Het stelt dezelfde vragen als wij: “hoe kan het dat de rechtvaardige in armoe sterft en dat de onrechtvaardige zich van geen kwaad bewust is?” Wijsheid duidt op een diepere structuur van rechtvaardigheid door te zeggen dat de zielen van de rechtvaardigen in Gods hand zijn. Zij verkeren, anders dan de onrechtvaardigen, in een vrede die hun hele bestaan omvat. 
Wanneer er over de zielen van de rechtvaardigen gesproken wordt, worden we eigenlijk een beetje op het verkeerde been gezet. Wij verstaan onder ziel dat immateriële van ons dat mogelijk onsterfelijk is en dat van God is. Hier wordt veeleer bedoeld dat wat iemand maakt tot wie die is, de persoon. Maar ook wel staat het begrip voor leven. 
We lezen dus: ‘Het leven en de persoon van de rechtvaardige zijn in Gods hand’. Het is die hand die de rechtvaardige behoedt en draagt. De rechtvaardige is rechtvaardig juist doordat hij niet wordt aangetast in zijn persoon door het onrecht dat hem omringt en dat hem overkomt. Hij blijft wie die is, een tzaddik, een rechtvaardige. Naar de Joodse overtuiging zijn het ook de rechtvaardigen die een plaats hebben in het uiteindelijke oordeel over de wereld. Sommigen geloven dat de rechtvaardige in zijn gebed een directe toegang heeft tot de Eeuwige. De rechtvaardige, kortom, is een heilige. Niet doordat hij is heiligverklaard, maar doordat hij leeft in een voortdurende intieme omgang met God. Hij verkeert met God. Hij beantwoordt aan het gebod dat aan het hele godsvolk is gegeven: ‘Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig’. 
Ditzelfde woord horen we terug bij Paulus in de benoeming van de eerste christenen als de heiligen. Een heilige, rechtvaardige levenswandel is het zichtbare teken dat je leeft in het verbond. Dat leven is geborgen in God. Zo’n leven staat hier al gericht op het bedoelde en uiteindelijke Leven. Zo’n leven heeft toekomst, ook al wordt het getekend door verdriet en lijden.

Om precies die toekomst van leven gaat het ook in de Bergrede waar we een zeer bekend deel van lezen, de zogenoemde zaligsprekingen. Het staat helemaal aan het begin van de Bergrede. Jezus overvalt bijna zijn toehoorders met deze ongehoorde woorden. Het gaat over mensen die lijden onder de last van hun bestaan. Mensen die ogenschijnlijk geen leven en geen toekomst hebben. Die in de ogen van anderen door God verlaten lijken te zijn en verre van gezegend. Zij ontvangen een zegen als balsem op hun wonden. Voor hen klinkt uit de mond van Jezus de stem op de berg die, aan de vooravond van de bevrijding uit de slavernij in Egypte, zegt: “ik heb de ellende van mijn volk gezien”. Hij vertolkt Gods barmhartigheid die zich het lot van zijn mensen aantrekt en zich naar hen toebuigt.

Een zaligspreking zou je in dit verband kunnen opvatten als een zegening. Iets goeds uitspreken over iemands leven. Maar de betekenis van zalig gaat toch iets verder. We weten in het algemeen niet zo goed raad met het begrip en kennen het hoofdzakelijk in de betekenis van lekker of heerlijk. We zeggen het ook wel van mensen (een zalig mens) en dan bedoelen we een leuk spontaan hartverwarmend mens. Maar met de religieuze betekenis hebben we meer moeite.

Het begrip zalig in de zaligsprekingen heeft met toekomst en leven te maken. Het wordt in psalm één gezegd van de mens die niet het slechte pad kiest, maar het woord van de Heer dag en nacht bemediteert. En dan komen we eigenlijk weer uit bij de rechtvaardige. Zalig en heilig is dat wat gericht staat op het heil van mensen, is wat het leven bevordert. De kracht van de woorden van Jezus is dat Hij met groot gezag leven aanzegt aan mensen bij wie het leven stagneert en wordt belemmerd.

Durven wij ook zo naar ons leven te kijken, wanneer het ons tegenzit? Durven we de woorden leven en toekomst te zeggen in het zicht van de dood? Durven we erop te vertrouwen dat in de zaligsprekingen ook ons leven wordt gezegend en betekent? Kunnen we onszèlf lezen in de armen van geest, in hen die treuren, in wie uitzien naar vrede en gerechtigheid, in de zuiveren van hart? De zaligsprekingen gaan immers ook over ons. Ons wordt temidden van de gebrokenheid en de onafheid van ons bestaan toekomst van leven aangezegd. Wij worden getroost met de belofte dat wij niet voor de dood, maar voor het leven bestemd zijn.

En in het vervolg daarvan. Durven wij deze woorden te laten klinken in onze wereld? Als zij voor ons gelden, waarom dan niet voor onze medemensen? Wat zou het betekenen wanneer we ze uitspraken in Nigeria, op de Middellandse zee, in Syrië en in Irak? Wat, wanneer deze woorden zouden klinken in de sloppen van Kolkata en temidden van de dakloze zwerfkleuters onder de viaducten van Mumbai? Wanneer ze gezegd werden in vluchtelingenkampen? Zouden we ze geloofwaardig vinden? Zouden we ze geloofwaardig kunnen maken door onze inzet om het aanzien van de wereld te veranderen? Door te leven als heiligen, zaligen, rechtvaardigen, dat wil zeggen in diepe verbondenheid met het Woord van God, dat in de eerste plaats een woord van licht en van leven is.

In navolging van Jezus zijn wij dat licht der wereld. Zalig zijn wij die genodigd zijn aan de maaltijd des Heren waarin ons het leven wordt aangereikt als een uitnodiging en oproep om dat leven door te geven aan wie er nood aan heeft. Zo worden wij zalige, heilige mensen die een zegen zijn voor de wereld waarin wij leven. Amen. 
top

 
Overweging 26 oktober 2014
Het belangrijkste gebod

 
Lezingen: Deuteronomium 6, 1-9; 1Tessalonicenzen 2, 1-8; Matteus 22, 34-46. 
Regelmatig horen we individuele mensen en bedrijven klagen over de veelheid van regelgeving. De ondoorzichtigheid van het woud aan Nederlandse en Europese regels en wetten voor ieder die iets wil ondernemen. De complexiteit van de belastingwetgeving die volgens de politiek nodig vereenvoudigd moet worden, maar waarbij iedere partij andere prioriteiten stelt. Al heel wat jaren klinkt de roep om een terugtredende overheid, verlaging van de regeldruk en een grotere verantwoordelijkheid voor het maatschappelijke middenveld en de individuele burger. In christen-democratische kring heette dat de zorgzame samenleving (dus niet het socialistische model van de zorgzame staat). De liberale politiek spreekt van de participatiemaatschappij waarin zowel het "meedoen" van links liberaal als de eigen verantwoordelijkheid van rechts liberaal zich herkent. 


Alle politieke motieven met betrekking tot wet- en regelgeving doen ons de vraag stellen waar regels eigenlijk voor zijn. En ook: hoeveel moet je regelen, wat moet je regelen en wat niet? De lezingen van vandaag gaan over regelgeving. Ook in de tijd van Jezus waren er verschillende opvattingen over religieuze onderwerpen en regelgeving. Ben je een goede Joodse gelovige wanneer je precies gelooft wat de Sadduceeën zeggen of wanneer je de Farizeeën volgt? Men wilde weten waar Jezus stond met betrekking tot belangrijke geloofsvragen. Is Hij een gelovige Jood of een sektarische ketter? Tot welke gelovige groepering hoort Hij? Moet je alle regels naleven die op grond van interpretaties van de Bijbelteksten geschreven zijn, of kan het ook anders? En wat vindt Hij daarvan? Je kunt je voorstellen dat die vragen belangrijk zijn voor de Joden die Jezus wilden volgen en voor de mensen die uit de heidenvolken in Jezus wilden geloven, maar die geen Joden waren, niet besneden en niet op de hoogte van alle geboden, laat staan van de verplichting om ze allemaal na te komen. De vraag die er ligt is dus: waar gaat het eigenlijk om in het geloof? In het boek Deuteronomium gaat het ook om geboden en regelgeving. Het is geen eenvoudig boek. Het bevat oudere en jongere teksten die bij elkaar geplaatst zijn in een voor de samensteller historisch logische of theologisch samenhangende manier. Soms lijkt het alsof er verdubbelingen in staan of dat teksten elkaar wat tegenspreken. Er zijn teksten waarvan je aanvoelt dat het grondregels zijn en andere die met de eredienst te maken hebben en cultisch zijn. Weer andere betreffen de omgang met mensen, met bezit en handel. En dan zijn er ook teksten die toepassingsregels bevatten en uitwerkingen van de grondregels. 
Wat we zojuist lazen komt na de opsomming van de tien geboden. Het lijkt dat die worden hernomen. In ieder geval horen we hier een soort uitwerking van het eerste gebod. Het is een van de belangrijkste teksten voor dagelijks gebruik onder de Joodse gemeenschap. De tekst staat in de gebedsriemen die voor het dagelijks gebed worden omgelegd. Het staat in de mezoeza op elke deurpost. Het staat in het op weekdagen gebeden 18-gebed. Hoor Israel, hoor volk van God. Al eerder was gezegd dat God op de eerste plaats dient te komen en dat naast de God van de uittocht geen andere goden aanbeden mogen worden. Nu wordt gezegd hoe het verbondsvolk God moet liefhebben en dienen en hoe het de herinnering aan Hem levend moet houden. En wel: met heel je hart, heel je ziel en heel je kracht. Dit vraagt wat toelichting. 

Wanneer gezegd wordt met heel je hart, betekent dat met een onverdeeld hart of ook wel met alle tegenstrijdige gevoelens die in ons hart aanwezig zijn, met zijn goede en kwade kant. We hebben God lief als de mens die we zijn, met onze goede en minder goede eigenschappen. Dat betekent ook, en dat is heel bevrijdend, dat we niet volmaakt hoeven te zijn om God van harte lief te hebben. Heel je ziel is wat moeilijker. Eigenlijk wordt ermee bedoeld je van God ontvangen leven en de door Hem ingeblazen levenskracht. Het wordt ook wel vertaald met heel je leven. Heel je kracht wordt vaak beter weergegeven met heel je vermogen. Daarmee wordt alles aangeduid wat je kunt en wat je bezit. Het woord vermogen heeft ook precies die dubbele betekenis. Met onze talenten en met wat we vergaren worden we uitgenodigd God lief te hebben. Om het wat populair te zeggen staat er dat we God moeten liefhebben met heel ons hebben en houden. Zonder terughoudendheid en zonder iets achter te houden. Maar ook zonder fantasieën over heiligheid of perfectie. Gewoon als de mensen die we zijn, maar dan wel helemaal. Dit is dus al een zeer verstrekkend gebod. Hier zou je alles al onder kunnen begrijpen. Niettemin zijn er nog honderden geboden die bijna alle aspecten van het leven betreffen. Van opstaan tot slapengaan, van handel tot gemeenschap, van voedsel tot bidden, van ziekte tot reinheid.

 Sommige groepen of richtingen binnen het Joodse geloof leggen grote nadruk op de precieze naleving van al die geboden. Andere gaan meer uit van de essentie van de geboden. Jezus lijkt daar tussendoor te laveren. Soms verzwaart hij een gebod, soms lijken bepaalde geboden Hem van weinig belang, ook als staat er dat Hij geen titel of jota van de wet wil afschaffen. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘er staat geschreven: je zult niet doden. Maar ik zeg je: wanneer je je broeder of zuster een dwaas noemt ben je al strafbaar’. In een ander geval zegt Hij over het ritueel reinigen van vaatwerk dat het mensenregels zijn en uiterlijkheden die innerlijk niets betekenen. Maar in beide gevallen is Jezus gericht op de essentie van de geboden. Uiterlijke vervulling van geboden betekent voor Hem niets zonder de juiste innerlijke gesteltenis. En een minimalistische opvatting van de geboden verfoeit Hij al evenzeer. Het is natuurlijk een goede zaak om niemand te doden. Maar het is niet voldoende. Je mag ook niet iemands goede naam besmetten of twijfel zaaien omtrent iemands integriteit. Dat is, zij het op een andere manier, ook iemand van het leven beroven.

Wanneer Jezus dus gevraagd wordt naar het belangrijkste gebod, noemt Hij het voor Hem onlosmakelijke twee-ene gebod om God lief te hebben en de naaste (ook als staat het gebod om de naaste lief te hebben niet bij de passage die we lazen). En wie de naaste is heeft Hij met de parabel van de barmhartige Samaritaan ook duidelijk gemaakt: dat is ieder die ik ontmoet. In dit gebod tot liefde is alles van God en van de mens vervat. Daarom kan, in overeenstemming met de school van Hillel, gezegd worden dat hieraan wet en profeten hangen. De wet is de uitwerking van dit twee-ene gebod en de profeten willen ons telkens weer aan de aard van de relatie met God en medemensen herinneren. Wanneer voorgeschreven is om de Naam en de dag van God te eerbiedigen is dat alleen maar een logisch uitvloeisel van het gebod Hem zelf lief te hebben. Respect voor de ouders als schenkers van leven, niet doden, niet stelen, geen overspel plegen, niet vals getuigen en niets begeren dat niet van jou is zijn slechts uitwerkingen van het gebod tot naastenliefde. 
De vermeerdering van wetten en geboden regelen weliswaar de samenleving, en uit de praktijk van een gebrekkige liefde die ons leven kenmerkt, is dat ook goed, maar het kan ook aanleiding zijn tot haarkloverij over de vraag of iets nu net nog wel of net niet kan. Juist daardoor kan het afleiden van waar het ten diepste over gaat. Regeltjes naleven, of er net naast leven, is geen gerechtigheid. Gerechtigheid is voluit meedoen met God, van harte en met je hele persoon en in al je betrekkingen.

Wie zo in het leven staat. Wie zo met God en mensen kan verkeren is als het ware zelf een rechtsbron geworden. Zo iemand houdt zich niet bezig met regeltjes, maar leeft vanuit de ene omvattende wet van de liefde. Geen liefde die zelfgericht is, of die eigen gewin zoekt. Maar de verpersoonlijking van Gods liefde onder de mensen, geheel naar het model van Jezus zelf.

Het is precies dit gegeven dat Augustinus aanleiding gaf tot de kernachtige uitspraak: ama et fac quod vult, bemin en doe wat je wilt. Dat is geen uitnodiging tot willekeur. Zo leven kan alleen maar wanneer de menselijke liefde samenvalt met Gods liefde en de menselijk wil met Gods wil, wanneer beide, de liefde en het menselijk streven, zijn bevrijd van zelfzucht en tot rust zijn gekomen in God. Amen. 

top

Overweging 19 oktober 2014 
scheiding van kerk en staat? 

Lezingen: Jesaja 45, 1-7; 1Tessalonicenzen 1, 1-10; Matteus 22, 15-22. 
Het deel van het evangelie dat we vandaag lezen staat na een aantal vergelijkingen over het koninkrijk der hemelen en voordat Jezus spreekt over de laatste dingen. De sfeer is vijandig en op het agressieve af. Vertegenwoordigers van verschillende partijen stellen de leer van Jezus en het gezag waarmee hij onderricht geeft op de proef. Op zich is dat niet ongebruikelijk. De mondelinge overlevering van de tora vindt plaats door onderzoek van de traditie en door vraag en tegenvraag. Zo wordt de actuele waarheid van de schrift gevonden voor de omstandigheden van mensen. Maar deze algemeen aanvaarde methodiek dient hier een ander doel. Het gaat niet om de vinding van geloofswaarheid, maar om Jezus in het nauw te brengen en strafbare uitspraken te ontlokken. Men legt Hem een keuze voor die onmogelijk is. Voor God of de keizer. Zich uitspreken voor de één is kiezen tegen de ander. De wereld van God is weliswaar onvergelijkbaar met die van de keizer, maar beide zijn voor Joden realiteiten waar zij rekening mee moeten houden. God in relatie tot hun identiteit en de keizer als bezetter. 
Uit het antwoord van Jezus zou je kunnen begrijpen dat hij het conflict uit de weg gaat. Het lijkt een hele vroege uiting van de scheiding van kerk en staat. God en keizer vertegenwoordigen dan twee domeinen die niet met elkaar communiceren. Daarmee wordt godsdienst iets van het private domein en niet van het politieke. 
Maar in de tijd van Jezus werd dat onderscheid helemaal niet gemaakt, niet bij Joden en niet bij Romeinen. Joden kenden een theocratie waarbij God en godsdienstige regels ook het publieke domein regelden. En de keizer achtte zelf zich een god die ook dienovereenkomst behandeld wilde worden. 
In zulke omstandigheden klinkt de vraag aan Jezus veel spannender dan in onze tijd waarin de koning geen god is en het publieke domein wordt geregeld door seculiere wetten en niet door godsdienst.

Bovendien werd de romeinse belasting door Joden beschouwd als een inbreuk op de sacrale soevereiniteit van het Joodse volk. In het Joodse bestel waren volksgenoten vrij van belasting. Het betalen ervan was de erkenning van een onderhorigheid. Ongehoord voor een volk dat vrij is onder God. En dan nog onderhorigheid aan ongelovigen, aan heidenen. Hoe dat beleefd werd wordt misschien duidelijk aan de gebeurtenissen die plaatsvonden na de verwoesting van de tempel door keizer Titus. Het is ongeveer de periode waarin het Matteusevangelie geschreven werd. Alle Joden onder Romeins bestuur werden verplicht de "joodse belasting" (fiscus judaicus) te betalen. Deze bedroeg twee drachmen. Het bedrag dat iedere Jood gewoonlijk betaalde voor het onderhoud van de tempel in Jeruzalem, werd nu geheven voor de tempel van Jupiter in Rome. Vijftig jaar later kwam het Joodse volk onder Bar Kochba in opstand tegen de Romeinen. Het werd verpletterend verslagen door Hadrianus die de heilige stad volledig romaniseerde en ontoegankelijk verklaarde voor Joden.

De verwoesting van de tempel onder Titus vond plaats na de dood van Jezus. De opstand onder Bar Kochba na de samenstelling van het Matteusevangelie. Maar beide gebeurtenissen tekenen de sfeer waarin we de kwestie die aan Jezus wordt voorgelegd, mogen begrijpen. Jezus wordt op de proef gesteld in zijn trouw aan de Joodse identiteit en in zijn houding tot de Romeinse overheerser. Jezus moet laveren tussen de meer radicale en meer collaborerende facties die alle opkomen voor het Joods eigene. Kennelijk is Hij voor al die partijen van belang en ieder wil weten waar Hij staat. 
Hij die zegt de geest van de Schrift te vertegenwoordigen en die mensen bij het hart van de Schrift wil brengen, wordt buiten zijn wil tot politiek figuur. En dat kan ook niet anders. Een keuze voor de geest van de wet en voor de God van Abraham, van Izaak, van Jakob Israel, van Mozes, is niet alleen een godsdienstige keuze, maar ook een politieke. Maar Jezus wil geen revolutie en geen opstand. Hij kiest voor een andere weg. Voor een andere manier waarop conflicten worden opgelost. Een andere wijze van samenleven.

En daarom komt Hij met dit antwoord. In vertaling: "geef de keizer wat de keizer toekomt en geef God wat God toekomt". Hij zegt dit nadat Hij gevraagd heeft Hem een belastingmunt te laten zien (kennelijk het tweedrachmen muntstuk). Hij vraagt naar de beeldenaar (ikoon) en het opschrift (de naam van de beeldenaar). Die blijken eenduidig van de keizer. Letterlijk zegt Jezus dan: "geef dan terug/ geef af de dingen van de keizer aan de keizer en de dingen van God aan God". De beeldenaar en het opschrift bepalen dus van wie iets is. 
De tweedrachme draagt de beeldenaar en het randschrift van de keizer. Het hoort hem toe. 

Wat behoort dan God toe? Wat draagt de beeldenaar van God en zijn opschrift? 
Wie anders dan de mens? En wat anders dan zijn Woord? 
De belastingmunt behoort tot de wereld van de keizer. Een wereld die geregeerd wordt door geld, belasting, onderdrukking, geweld, dienstplicht. De beeldenaar waarnaar Jezus zonder woorden verwijst, is de God van Israel, zijn God. Een wereld geregeerd door liefde, zelfgave, vrijheid, eredienst. Een wereld die de normeringen aanreikt voor de ordening van deze wereld. 
De opmerking van Jezus is niet revolutionair in politieke zin, maar wel in wereldbeschouwelijke zin. Hij brengt de wereld in de dynamiek van Gods toekomst. Door ikoon van God te zijn en je leven in dienst te stellen van zijn Woord, bouw je in deze wereld al aan Gods wereld, vertegenwoordig je de komende wereld.

We betalen God de munt die we zijn. Wij zijn door God gemunt en dragen zijn stempel en zijn opschrift. De belasting die we Hem betalen is de inhoud van ons leven. Ons leven is nooit alleen maar particulier, nooit alleen maar privé. We bewegen ons in de wereld en in het publieke domein. Onze uitingen zijn publiek. In wat we doen en laten beïnvloeden we het weefsel van de samenleving. Wanneer we geloven in het koninkrijk van God, heeft dat gevolgen voor ons denken en handelen.

De politieke systemen die voortkomen uit een sociaal en historisch positivisme zijn ontmaskerd. De idee van de maakbare samenleving middels economisch politieke, of sociaal politieke systemen is ogenschijnlijk gestorven. Is daarmee de geschiedenis voorbij? Het is maar welke geschiedenis je voor ogen hebt. De geschiedenis van God met zijn mensen is niet voorbij. Wij geloven in de betrouwbaarheid van de belofte. We hebben niet de pretentie te denken dat de ideale en verlangde toekomst uitsluitend het werk van onze handen is. Wel geloven we in de dynamiek van het menselijk antwoord op Gods verlangen.

Dat antwoord geven we in de omstandigheden van onze wereld en onze tijd. Als de bezette mensen die we zijn. Mensen die staan onder economische druk. Mensen bezet door dwang van buitenaf, door verplichtingen waarin we ons soms niet herkennen en soms verliezen. Omstandigheden waarin we het gevoel hebben niet aan ons eigen ik toe te komen. De bezettende macht van onze tijd die ons voor de keuze stelt om misschien meer aan die keizer te geven dan ons lief is. 
Maar laten we altijd proberen aan ons zelf te geven wat van ons is. En wat ten diepste van ons is, dat wat onze identiteit als gelovige mensen uitmaakt, is ook van God. We bieden aan wat we hebben ontvangen: ons zelf, ten dienste van het koninkrijk, niet het keizerrijk. Als uitdrukking van het sublieme: "en toch". Tegen de wanhoop en de vertwijfeling in. Tegen de dagelijkse berichtgeving in. Misschien mogen we ons dus inspannen om aan Hem terug te geven wat van Hem is: het koninkrijk van vrede en gerechtigheid, de door God en mens verlangde wereld. Amen.

top

 

Overweging 12 oktober 2014 
bij God aan tafel 

Lezingen: Jesaja 25, 1-9; Filippenzen 3, 17-21; Matteus 22, 1-14. 
Ook deze week horen we in de evangelielezing een vergelijking over het koninkrijk der hemelen. Het rijk lijkt op een koning die een bruiloftsmaal voor zijn zoon aanricht, wordt er gezegd. We kennen het verhaal. De koning nodigt de gebruikelijke gasten uit. Maar de een na de ander laat het afweten en sommigen mishandelen zelfs de dienaren van de koning. Na een strafexpeditie van de zijde van de koning laat hij de mensen van de straat plukken, zonder onderscheid en wie er toevallig maar voorbijkomt, om naar zijn maaltijd te komen. Onder hen bevindt zich iemand die geen bruiloftskleed draagt en deze wordt buiten gegooid.

Dit lijkt toch wel een groot onrecht. Men wordt als willekeurige voorbijganger uitgenodigd en dan buiten gegooid omdat je in spijkerbroek komt en niet in smoking. En nog wel door de gastheer die zelf orders heeft gegeven om willekeurige passanten uit te nodigen. Het verhaal roept wel wat vragen op. De vergelijking vraagt om verheldering. Wanneer het gaat om een koning en diens zoon weten we eigenlijk meteen al dat het om God de Vader en zijn Zoon Christus gaat. Wij herkennen de maaltijd als het bruiloftsmaal van het lam, de maaltijd des Heren. Maar in bijbelse zin is de maaltijd in eerste instantie het beeld van de messiaanse vervulling. De eucharistische maaltijd is daarvan de afbeelding. Tot de vervulling van de messiaanse belofte zijn in eerste instantie de leden van het oude verbondsvolk geroepen. Het is de ervaring van de schrijver van het Matteusevangelie dat deze Jezus niet erkennen als de Messias. En dat daarom de vervulling gaat naar degenen die uit de volkeren geroepen zijn. En dat zijn in principe allen die gehoor willen geven aan de uitnodiging van de koning. Er vindt dus een verschuiving plaats in de tekst van het oorspronkelijke godsvolk naar het nieuwe godsvolk uit de volken. De strafexpeditie tegen de moordenaars van de dienaren van de koning zet de verhoudingen wel erg op scherp. Er wordt een duidelijke scheiding aangebracht tussen degenen die uiteindelijk genodigd worden en wie de uitnodiging hebben afgewezen. En dan wordt er nog iemand buitengeworpen in de duisternis. Dat is te verstaan wanneer we zien dat het verhaal twee fases beslaat. De uitnodiging tot de maaltijd en de maaltijd zelf. Allen zijn uitgenodigd deel te nemen aan het koninkrijk, maar in het koninkrijk is nog het oordeel. Iedereen wordt genodigd op grond van God’s barmhartigheid, maar niet ieder is uitverkoren op grond van God’s gerechtigheid.

Dit klinkt behoorlijk streng en misschien ook wel onbarmhartig. Maar ik denk dat het te maken heeft met een dilemma van de gewijde schrijvers. Er is de ervaring dat heel veel heidenen geloven in Jezus als de Messias. De ervaring ook dat binnen de Joodse orthodoxie Jezus niet erkend wordt en dat men hem als een onruststoker door de Romeinen heeft laten berechten. De geloofsgetuigen die worden omgebracht omwille van hun getuigenis van de Messias Jezus kunnen onmogelijk niet tot de genodigden van het koninkrijk horen. Hetzelfde geldt voor de bekeerlingen uit de volken en messiasgelovige Joden. Maar de soevereiniteit van de koning moet ook bewaard blijven. Het kan niet zo zijn dat de belijdenis van Jezus als de Messias een one way ticket to paradise is of een vrijkaartje voor de hemel. Er is ook nog zoiets als een oprechte levenswandel en een innerlijke gesteltenis van gerechtigheid. 
Er moet een voorbehoud gemaakt blijven voor God. Vandaar de openheid in het verhaal dat het uiteindelijke oordeel niet ligt in de uitnodiging maar in de goedkeuring, in de bevestiging door de koning zelf.

Het verhaal van Matteus stemt overeen met de moeilijke situatie van de Christusgelovigen in de tijd waarin het evangelie tot stand is gekomen. Het probeert op die situatie, en de vragen die daaruit voortkomen, een gelovig/ theologisch antwoord te geven. Geheel in de traditie van de creatieve schriftgetrouwe waarheidsvinding in de situatie en omstandigheden van het moment.

Die situatie is bij Jesaja heel anders. Daar gaat het om het uiteindelijk perspectief van de taak van het godsvolk. De vervulling van het godsvolk ligt niet exclusief in haar eigen deelname aan de messiaanse vervulling, ook hier voorgesteld als een maaltijd, maar in de deelname van alle volken aan die vervulling. Het Godsvolk is teken, baken en gidsland. Maar Gods belofte is pas vervuld wanneer alle talen en volken onder het banier van zijn liefde zijn geschaard.

Wellicht merkt u het in uw hart dat deze inclusieve benadering ons aanspreekt en warm maakt. Wij hebben als christenen tegenwoordig wat minder relatie met uitsluiting en discriminatie. Minstens in ideologische zin. Nog niet zo lang geleden was dat heel anders. En in sommige kringen nog steeds. Ook buiten de christenheid vindt men scherpe tegenstellingen tussen uitverkorenen en verdoemden. Tussen honden en prinsen. Dat maakt ons bang. Het doet ons verlangen naar het perspectief van Jesaja. Dat op Gods hoogte alle volkeren tezamen komen om maaltijd te vieren met mergrijke spijzen en parelende wijnen. Waar de sluier die over de volkeren ligt is weggenomen. De sluier van haat. De sluier die onze ogen bedekt en ons verhindert de ander te zien als onze zuster en broeder.

Onder de invloed van de diepe verdeeldheid in onze tijd en de wijze waarop we die beleven, hebben we minder behoefte aan scheiding. Ook al is het schering en inslag. Kon het verhaal van Matteus de vroege christen bemoedigen en bevestigen, voor ons houdt het eerder een waarschuwing in.

Laten we ons ervan bewust blijven dat God iedereen roept die zijn dienaren maar tegenkomen. Dat degenen die denken uitverkoren te zijn, niet te vast moeten rekenen aan de goede kant van de belofte te zitten. Dat je er niet bent wanneer je aan de maaltijd genodigd bent.

Al eerder werd het koninkrijk als maaltijd vergeleken met de maaltijd des Heren, de eucharistie als voorafbeelding van dat koninkrijk en daadwerkelijke representatie ervan. In de deelname aan de eucharistie hebben we actueel deel aan het koninkrijk der hemelen. We vieren het "nu al" van de messiaanse tijd. Het is de koning die ons uitnodigt bij de bruiloft van zijn zoon en wij, van de straat geraapte mensen als wij zijn, zijn de gasten van de koning. Het zijn immers niet onze geloofsadel en grote rechtvaardigheid die ons tot vanzelfsprekende gasten van de koning maken. Toch zijn we genodigd en meer nog dan dat. Nergens in het verhaal wordt over de bruid gesproken. De in onze oren discriminerende zin over de niet in bruidskleed gehulde gast onthult wie de bruid is. 
Wij, de gasten van de koning, zijn tegelijk de bruid van de zoon.

Dit maakt wellicht de opmerking over het bruidskleed wat begrijpelijker. Er wordt hier geen big fat wedding bruidskleed verwacht. Eenvoud siert de mens en zeker de gelovige. Het bruidskleed is de gelovige houding waarmee de zoon als bruidegom ontvangen kan worden om een voor het koninkrijk vruchtbaar leven te leiden.

Voor het ontvangen van de tekenen van brood en wijn als meer dan brood en wijn, als meer dan een ritueel van gemeenschappelijkheid in de vorm van een rituele maaltijd is geloof nodig. Niet als een verplichting of toelatingseis, maar omdat alleen in geloof de maaltijd, het brood en de wijn, ontvangen kunnen worden als tekenen. Tekenen van God’s liefde en van zijn verlossende kracht. Wij nodigen terecht breed uit en ieder die deelneemt is uitgenodigd aan de maaltijd, maar alleen wie gelooft wat er gevierd wordt, en dat geldt voor ieder van ons, proeft in de tekenen van brood en wijn het koninkrijk van God. Amen.

top

Overweging 5 oktober 2014 
betrouwbaar 
Lezingen: Jesaja 5, 1-7; Filippenzen 2, 14-18; Matteus 21, 33-43. 
Naarmate het verhaal van het evangelie van Matteus vordert, wordt de sfeer grimmiger. Vandaag lezen we uit het 21e hoofdstuk. Jezus is Jeruzalem binnengetrokken en door het volk met gejuich binnengehaald. Liturgisch moeten we ons even van dit moment losmaken, want het doet ons meteen denken aan Palmzondag. Op dit moment in het kerkelijk jaar verwijst het eerder naar de laatste dingen die te gebeuren staan en de urgentie van het moment. Jezus heeft geen tijd te verliezen. En dat merken we ook in het verhaal van Matteus over het optreden van Jezus. Hij laat zien waar het op aan komt en dat het er op aan komt.

Het begint er al mee dat Hij de tempel schoonveegt en alles wat niet met het eigene van de tempel in overeenstemming is, eruit gooit. Hij vervloekt een boom die geen vruchten draagt op zijn tijd. En daarmee wordt niet de tijd van de boom, maar de tijd van Jezus bedoeld, het tijdstip waarop de Messias hongert naar goede vruchten. Vragen over de rechtmatigheid van zijn gezag speelt Hij bruusk terug naar de vragenstellers. Hij spreekt, in de tekst die we lazen, dreigende taal tot zijn geloofsgenoten over het verspelen van de vervulling van Gods belofte.

Hier zien we Jezus als de profeet die Hij ook is. Geheel in lijn met de grote profeten uit de traditie zegt Hij waar het op staat. Profeten zijn zelden geliefd, want zij confronteren mensen met hun geweten. Zij laten zien wat er gebeurt wanneer mensen niet aan hun roeping beantwoorden. Zij tonen de gevolgen van nalatigheid, wanneer mensen de boel laten versloffen. Wanneer zij niet betrouwbaar zijn in de uitoefening van hun taak. Wanneer zij ontrouw zijn aan wat zij belijden en verkondigen. De bloeiende wijngaard raakt in verval en hun wordt ontnomen wat zij zich in hun misdadige overmoed menen te kunnen toe-eigenen.

De Oosterse beeldspraak zou ons ertoe kunnen brengen deze teksten van Jesaja en Matteus als louter verhalen te lezen. Alsof het niet onze werkelijkheid betreft. Maar zo is het niet. Luister maar eens: God heeft ons de aarde, zijn wijngaard, toevertrouwd als een plaats om te wonen. Om vruchten voort te brengen van vrede en gerechtigheid, om het leven op aarde te bevorderen en te bewaren. De beheerders putten de aarde uit voor eigen gewin. Machthebbers buiten mensen uit. Bronnen worden vergiftigd. Gezagsdragers verdraaien de waarheid. Mensen die een vertrouwensfunctie hebben schenden de mensen die aan hen zijn toevertrouwd. Politici nemen een loopje met hun kiezers. Verantwoordelijken in de financiële wereld spelen hoog spel met het geld van anderen. Mensen staan elkaar naar het leven omwille van hun vermeend gelijk, de eigen waarheid of het persoonlijk genot. Hierdoor verandert wat als goed, in beginsel zeer goed, is bedoeld voor hele volksstammen in een puinhoop en voor anderen in een onzeker bestaan of een dreigende werkelijkheid. In ieder geval in iets wat niet de bedoeling is. 
Het gaat daarbij niet om natuurrampen, maar om hetgeen door het handelen van mensen wordt veroorzaakt wanneer zij niet betrouwbaar zijn en zich niet houden aan de fundamentele wet van een samenleving: "hebt elkander lief".

Daarmee is echt niet bedoeld dat we elkaar steeds maar om de hals moeten vliegen. Of steeds maar weer "love you" moeten zeggen. Dit liefhebben gaat veel en veel dieper. Het is geen liefde die van alles wegpoetst of met haar spreekwoordelijke mantel bedekt. Deze liefde heeft een reëel zicht op de menselijke werkelijkheid, juist omwille van het behoud van het ideaal. Wanneer we onze tekorten bagatelliseren of vergoelijken, verliezen we zowel het ideaal als de realiteit uit het oog. Deze liefde houdt in dat we elkaar fundamenteel herkennen als kinderen van de ene God, als zusters en broeders, en dat we beseffen dat we alleen samen die wijngaard zijn. Of deze wijngaard wijn of azijn voorbrengt hebben we zelf in de hand. Aan God zal het niet liggen.

Die wijngaard bij Jesaja is dus niet alleen een ideaal, een abstracte werkelijkheid. Net zomin als het Koninkrijk van God dat is. Beide hebben betrekking op een persoonlijke menselijke werkelijkheid. Zoals ook in de tekst van Jesaja staat: de wijngaard is het volk Israël, met andere woorden het volk van God. De tempel die gereinigd moet worden, de vijgenboom die vrucht moet dragen, zijn wij. De beheerders van de wijngaard zijn wij. Wij maken plaats voor God, de landeigenaar, en zijn ook plaats van God, de wijngaard. Alleen wanneer we in herinnering houden dat we plaats van God zijn, kunnen we begrijpen hoezeer wij ervan af dwalen. Wij arbeiden voor Hem en zijn tegelijk het werk van zijn handen. Voor beide geldt dat de vruchten die we voortbrengen, als landlieden of als wijngaard, niet van ons zijn, maar voor God zijn, voor de groei van zijn Rijk. Wij hoeven slechts als vrucht de liefde voort te brengen waaruit we gemaakt zijn.

Dat wij het koninkrijk, de wijngaard zijn en tegelijkertijd er aan werken heeft te maken met het reeds en nog niet van Gods werkelijkheid. Misschien beter gezegd: Gods werkelijkheid is er altijd, maar het ontsnapt ons telkens weer. We kunnen het nooit bezitten. Het is en blijft Gods werkelijkheid waaraan we al of kunnen deelnemen, waarin we al of niet kunnen verblijven. Dat is niet zozeer te verstaan als een nu en een ooit, ook al zeggen we dat vaak. Het is veeleer een voortdurend te vervullen nu. Dat is een moeilijke zin en het klinkt alsof het van ons afhangt om de mogelijkheid van het nu te realiseren als het koninkrijk van God. En die zin is nog moeilijker te begrijpen. Maar het is wel waar het op neer komt. Dat we het heden, het nu, leren zien als een heilsmoment, als een mogelijkheid om het koninkrijk zichtbaar te maken. 
Daarom wil ik er ten dienste van de groei van het Godsrijk en om onszelf daarin serieus te nemen nog even bij stilstaan. 
De strengheid en de urgentie die Jezus in zijn optreden aan de dag legt, hebben met het nu van het koninkrijk te maken. Dat het geen uitstel duldt betekent niet zozeer dat het koninkrijk aanstaande is of nu komt, maar dat alleen nu de gelegenheid is om het koninkrijk zichtbaar te maken. Elk moment dat niet vervuld wordt, verdaagt het rijk Gods, zet het koninkrijk op afstand.

In die zin bestaat er niet zoiets als het gemakkelijke "morgen is er weer een dag". Nu is het de dag. Er is een bekend antwoord op de vraag: "Wanneer komt de Messias?" Het antwoord is: Heden,…. wanneer je luistert naar zijn stem. "Luistert dan heden naar zijn stem" staat in psalm 95, die als ochtendpsalm wordt gebeden. Elke dag opnieuw het heden van God. Luisteren is hierin niet vrijblijvend. Het is doen wat gehoord wordt. Gehoorzaam zijn. Gehoor geven aan het woord van de Eeuwige. Want alleen door gehoor te geven kunnen de Messias en zijn Rijk komen.

Het heden waarvan in de Schrift sprake is, is Gods tijd. Zijn moment. We hebben er geen beter woord voor. Gods plan voltrekt zich in een voortdurend nu, dat wij tellen in momenten. Wij kunnen alleen maar handelen in het moment. Niet gisteren of morgen, niet straks. Dat betekent dat elk moment eeuwigheidswaarde heeft, omdat het heden direct betrokken is op het zich voltrekken van het koninkrijk. 
Wat nu niet gedaan wordt is in eeuwigheid niet gedaan, zoals de, overigens atheïstische, filosoof Scruton zegt. Wellicht proeft u zó iets van de dringendheid van de oproep van Jezus. In de Joodse spreuken van de vaderen (de pirke avot) heet het "als niet nu, wanneer dan". Precies om aan te geven hoe belangrijk het moment is. Binnen de theologie van het conciliair proces van verzoening, d.i. van gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping, wordt grote nadruk gelegd op het begrip kairos als moment van onderscheidend handelen. 
Kairos is het moment dat zwanger is van heilsmogelijkheid. Jezus zelf is kairos, zou je kunnen zeggen, indachtig zijn woorden: "Heden is het Schriftwoord aan u vervuld". 
Ook de schrijfster en filosofe Joke Hermsen benadrukt in haar beschouwing van de beleving van de tijd het begrip kairos tegenover chronos. Chronos is de tijd die onverschillig voorbijvliegt. Kairos is de beleving van de tijd als zinvol moment, als de ruimte die uitnodigt tot zingeving. We komen maar aan ons mens-zijn toe wanneer we tijd niet zien als iets dat zich aan ons voltrekt, dat over ons heen walst, maar als de gelegenheid om invulling te geven aan wie we zijn.

Wie we zijn wordt ons genoegzaam duidelijk in de lezingen. Betrouwbare werkers in de wijngaard van de Heer, bestemd om goede vruchten voort te brengen. 
Laten we nog even luisteren naar de woorden van Paulus in de Filippenzenbrief: `zorg dat er niets op jullie aan te merken valt en dat je je niet inlaat met onrechtvaardige praktijken. Houdt je vast aan het woord dat leven geeft, uitziend naar de dag van Christus’. Zeker leven we ook in het 
nog-niet van de verwachting van de wederkomst van de Christus, maar Christus is  mens geworden, Christus is gestorven en Christus is verrezen. En dat verandert onze tijd; het is daardoor een tijd die doordrongen is van zijn heil. Zijn Rijk groeit midden onder ons. Het uur van de Heer is niet ooit, maar hier. Amen. 

top

Overweging 14 september 2014 
Kruisteken als levensteken 

Lezingen: Numeri 21, 4-9; Filippenzen 2, 5-11; Johannes 3, 13-17. 
Het feest van de verheffing van het heilig Kruis gaat terug op een legendarische gebeurtenis uit de vierde eeuw, rond het jaar 325. Een gebeurtenis die nauw verweven is met de christianisering van het Romeinse Rijk. Tot die tijd namelijk werd in het Romeinse Rijk de christelijke godsdienst onderdrukt en hoogstens gedoogd. In de vierde eeuw komt daar verandering in door toedoen van Constantijn de Grote. Door zijn moeder Helena die een relatie had met een romeinse officier, is hij zeker in contact gekomen met het christendom. De vader van Constantijn klom zeer hoog op in de hiërarchie en bracht het tot caesar en augustus. Constantijn volgde hem na diens dood op als keizer van het West-Romeinse rijk en veroverde ook het Oost-Romeinse rijk. Hij maakte Byzantium tot hoofdstad van het rijk, dat naar hem Constantinopel werd genoemd. Al eerder, in 313 had hij middels het edict van Milaan godsdienstvrijheid afgekondigd. Later bevoorrechtte hij het christendom als eenheid scheppende ideologie voor het hele Romeinse rijk. Op zijn sterfbed bekeerde hij zich daadwerkelijk tot het christendom door zich te laten dopen. Na de dood van zijn vader rond 306 had Constantijn zijn moeder Helena, die eigenlijk van tamelijk eenvoudige komaf was, de titel Augusta verleend. Deze christelijke Helena nu kreeg in 325, of daaromtrent, een visioen waarin zij gemaand werd een pelgrimage naar Jeruzalem te ondernemen. Zij vindt daar onder meer het graf van Jezus en gebiedt er een kerk te bouwen, de Heilig Graf Kerk. Ook vindt zij de resten van het heilig Kruis waaraan Jezus, de Verlosser, is gestorven. Zij laat een deel achter in Jeruzalem, een deel in Constantinopel en een deel neemt zij mee naar Rome. De drie oude patriarchaten. Helena bewaart ze samen met de door haar gevonden nagels in de kapel van haar romeinse paleis, waar korte tijd later een kerk overheen wordt gebouwd, de eerste Santa Croce in Gerusalemme. Men kan deze relieken nog steeds aanschouwen in de Heilig-Kruiskapel van de gelijknamige over deze kerk gebouwde huidige Santa Croce. De kerk staat op de resten van het paleis van Helena en vlakbij de Sint Jan van Lateranen, de kathedrale kerk van de bisschop van Rome.

Al vanaf heel vroeg heeft de verering van het heilig Kruis een eigen en belangrijke plaats ingenomen in de spiritualiteit van het christelijk geloof in Oost en West. Ook al zijn we ons dat misschien niet zo bewust, telkens wanneer we, de een veelvuldiger dan de ander, bij het bidden een kruisteken maken. Bij de kruisprocessie op het feest van Kruisverheffing worden kruisen hoog opgeheven, voor iedereen zichtbaar getoond. Op Goede Vrijdag, de sterfdag van Jezus, wordt het kruis vereerd met bijpassende gezangen en gebeden. Met al die rituelen en rituele gebaren willen we niet het kruis verheerlijken als plek van lijden en dood. Het gaat uiteindelijk niet om het kruis, maar om de gekruisigde. Het gaat om hetgeen door Hem in dit lijden en deze dood wordt betekend, geopenbaard. Weliswaar heeft Hij geleden en is Hij gestorven, maar Hij is ook opgestaan uit de dood, ten leven gekeerd. Niet als een zegetocht van en voor Hemzelf, maar als een teken van leven voor ons.

We verheerlijken het kruis niet als een teken van marteling en dood, maar als een teken van hoop en leven. Juist als een getuigenis tegen het lijden en de dood. Als het teken van de overwinning van een zelveloze liefde die de dood keert. Is het immers niet de liefde die alleen zichzelf zoekt, die de dood in de pot is? De eigenliefde die aanleiding is tot onrecht en zondigheid? Het kruis wijst op een hele radicale manier juist weg van die doodlopende weg. Daarom is het ook zo’n enorm teken van tegenspraak. Dat dood weg kan wijzen van dood. En dan niet in dat wat er gebeurt, maar in wat het betekent. Dit vraagt natuurlijk wel enige toelichting. Een toelichting waar ook de leerlingen van Jezus na diens dood sterk de behoefte aan hadden, om te kunnen begrijpen wat er nu eigenlijk gebeurd was en hoe zij dat moesten verstaan. En naar goed gebruik hanteren zij daarbij de grondregel dat Schrift Schrift verklaart. Zij zoeken dus naar gebeurtenissen en passages waarmee de latere gebeurtenissen verklaard kunnen worden. (Waarbij de gevonden verklaring overigens ook weer nieuw licht werpt op eerdere teksten.)

De slang is net als het kruis een dubbelzinnig symbool. Meestal associëren we de slang met begrippen als eng en gevaarlijk, dodelijk. In genesis leren we de slang kennen als de sluwe verleider die met kennis van zaken spreekt over de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad. De boom die in het centrum van het paradijs staat naast de boom van het leven. De vermenging van goed en kwaad tast het leven aan. Door goed te praten wat kwaad is en het goede in een kwaad daglicht te stellen wordt de integriteit van het bestaan aangetast. En dat is de dood in de pot. Dit is precies de vrucht van de zonde. Hierbij speelt zonde zich niet af in de bedompte sfeer van de zedigheid en de benepen moraal, maar is de kern van het kwade. Het verlies van integriteit. Door in te gaan op het verhaal van de slang die belooft dat de mens als God zal zijn, verliest de mens zijn integriteit en wordt wat hij niet is. Namelijk zondig en sterfelijk, doordat hij zich afkeert van God en van zichzelf.

Maar de slang heeft in de traditie van de geschriften ook een andere kant. Hij is ook symbool van leven en van het leven dat zich vernieuwt, zich herschept. Telkens legt de slang zijn omhulsel af en komt daaruit als nieuw tevoorschijn. Mozes gebruikt dit symbool en heft het omhoog op een staak opdat allen die er naar opzien in leven blijven. Wanneer Jezus aan het kruishout verheven wordt is Hij, naar analogie, degene die het leven vernieuwt. Die allen die naar Hem opzien voor het leven bewaart.

God is Heer over dood en leven. De slang die in de woestijn de dood van het volk betekende, betekent ook de redding wanneer deze door Mozes op bevel van God op een paal in de hoogte wordt gestoken voor ieder die er naar op wil kijken om gered te worden. De slang die in het centrum van het paradijs de dood bracht door de onfortuinlijke keuze van de mens, is hier Jezus die aan de boom van het leven hangend een teken van leven is voor ieder die in geloof naar Hem opziet. Zo neemt Hij onze menselijkheid in al zijn aspecten op om ons weer op het leven af te stemmen.

Door ons mens-zijn in alle aspecten op te nemen heeft Hij het menselijk bestaan weer geheiligd. Door zijn lijden en dood heeft Hij ook de dood overwonnen. Met name daardoor is in de openbaring van de menswording het accent sterk op het levenseinde van Jezus komen te liggen als het verlossingsmoment bij uitstek. Dit ten koste van de betekenis van de menswording als zodanig. Daarin wordt het kruis dan te eenzijdig het teken van lijden en dood als de noodzakelijke weg naar verlossing.

Naar mijn smaak heeft dit levenseinde van Jezus in de spiritualiteit van het geloof een te grote nadruk gekregen. De navolging van Jezus lijkt dan toegespitst te worden op lijden en dood. Alsof dat ook voor ons een noodzakelijke weg naar verlossing zou zijn. Ik vermoed dat de nadruk op de verkondiging van het lijden en sterven van Jezus omwille van ons ook een sterk ideologisch karakter heeft. Hiermee kan ook veel menselijk leed worden goedgepraat.

Het lijden en sterven van Jezus kan echter nooit het menselijk leed rechtvaardigen. Juist omdat het door het kruis van Jezus wordt ontmaskerd als iets dat niet strookt met de bedoeling van het mens-zijn. Het zijn niet de eindtermen van ons leven. En het vindt er zeker niet zijn vervulling in. Dat is scheefgetrokken theologie en verkeerde spiritualiteit.

Het verheerlijken van het kruis is niet het verheerlijken van het lijden, maar het vieren van de overwinning op het lijden en de dood. Zeker hebben leed en dood een niet weg te denken plaats in ons leven, maar zij vormen er niet de allesoverheersende werkelijkheid van. God heeft zijn zoon in de wereld gezonden, niet om deze te veroordelen en te verdoemen, maar om die te redden. En opdat alwie in Hem gelooft leven zal hebben en wel in overvloed. Hij is in de wereld gekomen om die opnieuw in Gods licht te stellen. Hij heeft ons mens-zijn op zich genomen om het te helen in Gods liefde, niet om het te breken in lijden en dood. De weg van Jezus gaan is voluit leven en liefde doen. Amen.
 
top

Overweging 24 augustus 2014 
Je leven winnen 
Lezingen: Jesaja 51, 1-6; Romeinen 11, 25-36; Matteus 16, 21-27.

Beste zusters en broeders op de weg van het geloof, het is heel verleidelijk om na de woorden van het evangelie over de religieuze betekenis ervan te spreken. Hoe we ons verliezen door het voor onszelf te houden en hoe we het winnen door Jezus te volgen en daarin zijn leven deelachtig te worden. Ons leven voor zijn leven, zijn leven voor ons eeuwig leven. Hoe waar dit ook moge zijn, we ontkomen er niet aan de woorden van het evangelie ook letterlijk te verstaan en ze te associëren met de pijn en het verdriet van ons bestaan. Ons leven verliezen of dat van onze geliefden is de meest verdrietige ervaring in ons leven. Afscheid nemen, mensen achter laten is het moeilijkste dat er is. Het is niet eenvoudig om je van die betekenis los te maken. Dat je om het leven te winnen afstand zou moeten doen van het kostbaarste dat je ontvangen hebt, is moeilijk te begrijpen, wanneer je gelooft dat God ons juist in dit leven heeft gewild.

Er zijn dus verschillende lagen waarop we de woorden van het evangelie kunnen verstaan. Maar we moeten ook rekening houden met de tijd en de omstandigheden waarin deze woorden zijn opgetekend. Tegen de tijd dat het Matteusevangelie zijn vorm krijgt is de tempel verwoest en zijn de tempelschatten naar Rome gevoerd. Er zijn al conflicten tussen de Jezusaanhangers, de toragetrouwe joden en degenen die een vreedzame verhouding met de Romeinen nastreven, eventueel door zich aan te passen. We horen dat ook in de woorden van de brief aan de Romeinen. Paulus waarschuwt de christengelovigen zich niet te verheffen boven degenen die de belofte van het verbond al eerder hebben ontvangen. Het is een tijd van strijd en vervolging. Een tijd waarin het erop aan komt. Een tijd om te getuigen aan welke kant je staat. En dat gold voor alle Joodse gelovigen. Na enkele tientallen jaren zou het leiden tot de Joodse opstand onder Bar Kochba die door een aantal volgelingen voor de Messias werd gehouden. In deze tijd van urgentie vermaant Jezus zijn leerlingen en spoort hen aan een duidelijke keuze te maken.

In de Joodse traditie bestaan namelijk verschillenede gradaties van aanrekenbaarheid met betrekking tot het nalaten van het geven van getuigenis. Voor het ontkennen van de Godsnaam. In de privésfeer is het minder erg dan in het openbaar, aangezien het dan meer mensen ter ore komt. In tijden van vrede is het minder erg dan in tijden van onderdrukking. In zo’n situatie wordt door trouw aan het geloof de grootste eer aan de Naam gebracht en lijdt die bij ontkenning de meeste schade. Vandaar dat Jezus zo boos wordt op Petrus omdat deze Jezus tot een belangrijke overtreding van dit gebod aanzet. 
In elk van de genoemde gevallen wendt een mens door ontkenning van de Naam zich af van de bron van het leven en daarmee van het leven zelf. Zoals de psalmist zegt: "zonder u is geen leven". Leven zonder God is in ballingschap zijn, in een land zonder water wonen, dan verdroogt de ziel die de zetel is van het leven met God.

Wie onder druk alleen zijn hachje wil redden, zal zichzelf en uiteindelijk ook zijn leven verliezen. En ook al verliest hij zijn leven niet letterlijk, dan nog moet hij zoveel van zichzelf prijsgeven, dat het zijn leven niet meer is.

In deze sfeer klinkt het "wie zijn leven wil bewaren, zal het verliezen, maar wie zijn leven geeft om Mijnentwil, zal het redden". Hierdoor plaatst de evangelist Jezus op één lijn met de Naam van God. Toch is het geen aansporing om je leven prijs te geven voor Jezus. De boodschap is eerder deze: wanneer je voor de keuze komt te staan, kies dan voor wat werkelijk van doorslaggevende betekenis is voor je leven. Doe je dat niet, dan verlies je langzaam maar zeker je leven. 
Zo’n keuze vraagt de moed om tegen de stroom in te zwemmen. Het vereist geloof in jezelf en in Degene die je in het leven heeft gewild. Zelfs al zou dat de uiterste consequentie vragen. 
Maar het is niet zo dat we het martelaarschap zouden moeten opzoeken als iets dat op zich eervol is. Of als iets dat de weg naar het ware leven opent. Daar is het leven te kostbaar voor. Kiezen voor het leven is de eerste keuze. Het leven zelf is de weg naar het ware leven en daarin worden we voor genoeg uitdagingen en beproevingen gesteld. Het is precies dit ons gegeven leven dat we ten volle moeten leven om het als een waarachtig leven te kunnen beleven. Met alles wat er zich in voordoet. Wat dat is, is voor ieder van ons verschillend. Voor Jezus is dat anders dan voor zijn leerlingen. Jezus moet zijn weg gaan om authentiek te kunnen leven. De leerlingen moeten hun weg gaan met wat zij op die weg tegenkomen. Van die weg mogen en kunnen we elkaar niet afhouden, zoals Petrus probeert bij Jezus.

Dat ieder zijn weg moet gaan, blijkt uit het antwoord dat Jezus aan Petrus geeft: "wie Mij wil volgen (in de authenticiteit van mijn leven, niet in de inhoud ervan), moet zijn kruis op zich nemen." Meestal legt men bij het lezen de nadruk op "kruis". Maar ik zeg "zijn" kruis op zich nemen zoals ook Jezus dat doet. Wanneer Petrus Jezus daarvan wil afhouden, noemt Jezus hem "satan", dat is verleider, beproever.

Ook wij kennen die beproeving, wanneer we niet willen en kunnen accepteren wat er in ons leven gebeurt. Niet kunnen accepteren wie we zijn. Wanneer we ons leven niet op ons willen nemen en ons verzetten tegen hetgeen we niet kunnen en willen aanvaarden. Dit is zo begrijpelijk wanneer hetgeen ons overkomt haaks staat op wat we menen van ons leven te mogen verwachten. Ook al weten we diep van binnen dat we geen aanspraken op het leven kunnen doen gelden.

Het is echter in dat verzet dat we ons leven verliezen, in het niet willen en kunnen accepteren van wat onafwendbaar en onveranderlijk is. Ons leven brandt erin op. Wellicht herkent u het wel uit eigen ervaring. En als dat zo is, zult u ook herkennen dat we ons leven, hoe bedreigd ook, terugwinnen op het moment dat we ons overgeven aan wat is. In die overgave, dat ogenschijnlijk verliezen, herwinnen we ons leven. Hervinden, hoe tegenstrijdig dit ook lijkt, de regie, worden weer ons authentieke zelf.

In christelijke zin worden we wie we krachtens de doop zijn, in het volgen van Christus. Dat wil zeggen door te leven in zijn Geest. Niet door hetzelfde te doen, maar door in zijn Geest te doen wat ons te doen staat. We worden ons christelijk zelf door niet te leven voor onszelf alleen, maar door te leven in zijn Naam (wie zijn leven geeft om Mijnentwil zal het vinden). We stellen daarmee niet onszelf in het centrum van ons bestaan, maar Christus. We leven niet egocentrisch, maar Christocentrisch. 
Ogenschijnlijk geven we daarmee ons persoonlijk leven op. En we voelen daarbij ook verzet om eraan toe te geven. Maar zodra we het doen, vinden we ons leven in christelijke zin. En naar mijn idee ook in menselijke zin. We worden immers niet geboren tot een individueel bestaan, maar als medemens.

Dat is de betekenis van wie zijn leven verliest om mijnentwil. Dat kan onder zeer bepaalde omstandigheden betekenen dat je je leven offert. Maar in de dagdagelijkse betekenis van ons leven en in onze tijd en omgeving betekent het niet anders dan leven in zijn Naam. Het is de erkenning dat de betekenis van ons persoonlijke leven niet gelegen is in onszelf. Het is gelegen in medemenselijkheid. We hoeven niet een ik te worden, want dat zijn we al, we mogen medemens en christen worden en daarmee krijgen we deel aan zijn leven, een leven dat staat in het teken van de uiteindelijkheid. Amen.

top

 

 

Overweging 10 augustus 2014 
de wanhoop nabij 
Lezingen: Jona 2, 1-11; Romeinen 9, 1-5; Matteus 14, 22-33. 
(jezus is aan onze wanhoop nabij wanneer we denken ten onder te gaan en het geloof verliezen) 

Soms probeer ik me wel eens voor te stellen hoe mijn leven er uit zou zien wanneer ik niet zou geloven. Hoe ik zou denken, hoe ik naar mensen zou kijken, naar de wereld en naar de geschiedenis. Waarop ik mijn keuzes zou baseren. Maar ik kan het me niet voorstellen. Ik begrijp ook niet zo goed waar mensen die zeggen "nergens in te geloven" de basis voor hun keuzes vinden. Afgezien nog van de vraag of het mogelijk is om te leven zonder ook maar in iets te geloven. Het verst kom ik nog met mensen die een door humanistische waarden gestuurd leven hebben. Dit houdt op geen enkele manier een waardeoordeel van mijn kant in. Ik ken heel veel mensen die goed en verantwoordelijk leven en die niet in God geloven. Velen van u zullen dat herkennen in hun kinderen en kleinkinderen. Ik verwonder me alleen, ook over mezelf, omdat ik niet zonder geloof kan en nooit zonder vormen van geloof ben geweest. Ben ik dan een mens van geloof? Ik hoop het. Heb ik een groot geloof? Ik weet het niet. Wat de aard van je geloof is blijkt maar wanneer het op de proef wordt gesteld. Geloof is nooit zomaar goedgelovigheid. Het is een door het leven beproefd en gelouterd geloof. Van zijn naïveteit ontdaan en volwassen geworden.

Vandaag horen we verhalen over gelovige mensen die op de proef worden gesteld. Een profeet en een leerling, twee verschillende gestalten van getuigenis. We kennen het verhaal van Jona in de "wallevis" en associëren die twee ook altijd met elkaar. Maar wat de rest van het verhaal betreft en de betekenis ervan dat is nog iets anders. 
Jona is eigenlijk een ongehoorzame profeet. Jona wordt door de Eeuwige geroepen om naar Nineve te gaan om de stad te redden van de ondergang, maar hij beweegt zich juist weg van Nineve en weg van God. 
Het is wrang dat op dit moment in de geschiedenis het gebied van Nineve, tegenover Mosoel aan de Tigris, ook nood zou hebben aan een profeet om het te redden uit de handen van Isis. Maar goed, Jona gaat in tegenovergestelde richting van waar God hem toe roept. Niet omdat hij niet in God gelooft, maar omdat hij weet dat God zich toch wel over Nineve zal ontfermen en hij niet als woordvoerder van God wil optreden. Hij gelooft niet in zichzelf, niet in het belang van zijn taak. Hij wenst geen schakel te zijn in de relatie tussen God en de Ninevieten. 
Hij verliest daarbij een belangrijke dynamiek in de relatie tussen God en mensen uit het oog. Natuurlijk zal God zich ontfermen, maar het is voor de mensen wel belangrijk dat zij weten dat God zich ontfermt heeft. Jona moet daarvoor zorgen. Het optreden van een profeet zorgt ervoor dat mensen hun eigen geschiedenis zien in het licht van het verbond, in het licht van Gods verhaal met mensen. De Ninevieten moeten zich bewust worden van hun ongerechtigheid en zich bekeren, zodat de barmhartigheid van God ook gevoeld en ontvangen kan worden. Zonder inzicht en bekering treedt er geen verandering in het gemoed van de Ninevieten op.

Van die taak begrijpt Jona kennelijk niets. Daarom beweegt hij zich in de verkeerde richting en brengt daardoor anderen in problemen en komt ook zelf steeds dieper in de ellende. Hij belandt in het water van de zee en wordt opgeslokt door een grote vis. Met flarden van psalmen (psalm 22 en 69 bijvoorbeeld) wendt hij zich tot de eeuwige om uitredding en de vis werpt hem op het droge waarna hij omkeert en de weg naar Nineve gaat. Jona maakt nu zelf de beweging door van inzicht in zijn heilloze weg, van omkeer, en ervaart daarin Gods barmhartigheid.

Het verhaal van de leerling gaat over Petrus. We kennen Petrus als impulsieve man, vol vertrouwen, die soms zijn hand overspeelt. Zijn geloof is spontaan, gul en hartelijk. Wanneer Jezus hem uitnodigt om over het woelige water naar Hem toe te komen, aarzelt Petrus niet. Maar midden in de golven zinkt hem de moed in de sandalen en in wanhoop wendt hij zich tot Jezus: "Heer redt mij". Hij leert hier wat het betekent om te zeggen: "Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp". 
Zo herkenbaar voor ieder van ons wanneer de golven van het leven ons dreigen te overspoelen en we de wanhoop nabij zijn. Wanneer we eraan twijfelen of we het wel redden, of we de situatie waarin we verkeren wel te boven komen. Dan is het moeilijk om te blijven vertrouwen en te geloven dat je niet ten onder gaat. Te geloven dat Jezus onze wanhoop nabij is en zijn hand reddend uitstrekt wanneer wij onze hand uitstrekken naar Hem. Dat we dan niet in het luchtledige grijpen, maar worden opgevangen, vastgehouden, opdat we niet verzinken. 

Zowel Petrus als Jona maken hier een geloofsontwikkeling door en leren dat ondanks hun twijfel en eigenzinnigheid God nabij is aan hun wanhoop. God wil immers niet de ondergang van zijn mensen, maar dat zij leven hebben en wel in overvloed. 
En dat is dan ook de diepere betekenis van de beide verhalen, zeker ook doordat zij bij elkaar geplaatst zijn. Er zijn verschillende manieren waarop je de verhalen kunt lezen en ze hebben meerdere lagen van betekenis. Er zitten elementen van bekering in. Openbaringselementen met betrekking tot de macht van God en diens vermogen om de natuurkrachten te bevelen. Je kunt ze lezen als wonderverhalen. We kunnen ze ook lezen als verhalen die een diepe betekenis hebben voor ons eigen leven. Openbaringsverhalen die iets onthullen van het mysterie van Gods liefde. Een liefde die, zoals gezegd, gericht is op leven. En zo willen ook wij ernaar kijken.

Twee keer wordt in het Matteusevangelie verwezen naar Jona. Eén keer voor het verhaal van de storm op het meer en één keer erna. Het geschiedt in antwoord op de vraag naar een teken. Mensen vragen Jezus om een teken dat zijn onderricht en zijn optreden moet legitimeren. Hij moet zich verantwoorden. Terwijl Hij zelf een sprekend teken is en zijn daden en woorden tekenen zijn van Gods werking in Hem. Zelfs zijn directe leerlingen begrijpen niet precies wat en Wie hij vertegenwoordigt. Op die vraag zegt Hij dan ook: "jullie zijn verdorven, jullie vragen nog om een teken, maar jullie ontvangen geen ander teken dan het teken van Jona". Het verhaal over de lotgevallen van Jona wordt door Jezus dus als een teken gezien. En daarom lezen we ook het verhaal over Petrus als een teken.

Beide verhalen verwijzen naar wat er in Jezus wordt geopenbaard. Het incident met Petrus en het verhaal van Jona vormen, naast al het andere waar het ook over gaat, een verwijzing naar de verrijzenis, de overwinning van Gods liefde over de dood, het teken van zijn ultieme trouw. In sprekende beelden wordt duidelijk gemaakt wat die trouwe liefde bewerkt.

Water is altijd een dubbelzinnig symbool. Het is bron van leven, maar verwijst ook naar de dood. In de Schrift verwijst het naar de torah, maar ook naar het sterfelijke leven. Jezus gaat bij zijn doop in het water van de Jordaan en staat eruit op als teken van zijn onderdompeling in het sterfelijk menselijk leven en zijn opstanding; water wordt veranderd in wijn, sterfelijk leven in onsterflijk bestaan. Jona moest de Ninevieten oproepen tot bekering, opdat zij de weg ten leven zouden gaan. Maar zelf gaat hij de andere weg, hij gaat onder in het water, de dood, en in de onderwereld, de vis, maar wordt gered en door de onderwereld uitgespuwd, terug in het domein van het leven. Gestorven, begraven, nedergedaald ter helle en de derde dag verrezen uit de doden. 
Petrus is als de dood dat hij ten onder gaat in de golven. Alsof met de wateren des doods alles voorbij is. Maar aan de rand van de dood en de wanhoop staat de Levende die uit het water, de dood, is opgestaan om hem tevoorschijn te trekken, zoals Hij ook Lazarus uit het graf tevoorschijn haalt. En zoals Hij zelf uit het graf tevoorschijn wordt gehaald.

De verhalen vertellen ons dat Gods liefde niet stopt bij de poort van de dood, dat zijn trouw verder reikt dan het graf. Waar wij geen uitweg zien baant God een weg naar leven. Waar wij dreigen ten onder te gaan reikt Hij zijn reddende hand, waar we in het duister van de dood verloren dreigen te gaan, trekt Hij ons op de kust van het leven. In de zogenoemde wonderverhalen van het evangelie wordt precies dit wonder van Gods liefde geopenbaard. Jezus zelf is de levende getuige van dit wonder. De verhalen openbaren ons wie en wat we zijn in Gods liefde, zij stellen ons leven in zijn licht en maken duidelijk waartoe we bestemd zijn. Zij veranderen angst in hoop, twijfel in vertrouwen, wanhoop in geloof. Niet als een wonderverhaal, maar door de gang van ons bestaan, door ons op het water te wagen en tot onze verrassing en vreugde te merken dat op het diepste punt er die hand is die ons redt. Amen.

top

 

Overweging 27 juli 2014 
één beeld is niet genoeg 
Lezingen: 1Koningen 3, 5-12; Romeinen 8, 26-30; Matteus 13, 31-35.44-49; 

In de liturgie neemt het dertiende hoofdstuk van het Matteusevangelie een belangrijke plaats in. Drie zondagen lezen we eruit. Het hoofdstuk bevat vergelijkingen over het rijk der hemelen. De ruimhartige zaaier, de zaaier van het goede zaad en het opkomende onkruid. Hier het mosterdzaad, het zuurdesem, de schat in de akker, de parelkoopman en het sleepnet. Verschillende beelden voor één en dezelfde werkelijkheid. Waarom zo ingewikkeld? 
Het rijk der hemelen is op zich een tamelijk abstract begrip. Het is wel duidelijk en concreet te maken, maar dan heb je weer andere beelden en concepten nodig. Het rijk der hemelen is een richtinggevend idee voor ons handelen en hopen en het is een concept van hoe het zou moeten zijn tussen mensen en, naar wij geloven, ook is bij God. Als begrip wil het de uitdrukking zijn van de vervulling, de voltooiing zo je wilt, van onze menselijke werkelijkheid. Iedereen die in het geloof is opgevoed, weet van binnen wel wat ermee bedoeld wordt. Maar als je het moet uitleggen, dan kom je niet verder dan een aantal omschrijvingen. 
Je komt er niet met maar één beschrijving, je hebt meerdere beelden nodig. Enerzijds omdat het rijk der hemelen een heel rijk begrip is, en anderzijds omdat de menselijke werkelijkheid, waarvan het de eindterm is, heel veel aspecten heeft. 
Misschien klinkt dit allemaal nogal vaag, maar we kunnen het wel dichterbij halen. Iedereen weet wel van binnen wat er met het voor ons leven zo belangrijke begrip liefde bedoeld wordt. Maar kunnen we ook eenvoudig met een paar woorden beschrijven wat liefde is? En als we dat al kunnen, hebben we dan de indruk dat daarmee alles over liefde gezegd is? Ik denk van niet. We beschrijven liefde aan de hand van menselijke gedragingen en naar wat het mensen doet. En dan hebben we het nog niet over de spirituele liefde en de liefde van God. 
Dezelfde problemen ontmoeten we bij de beschrijving van wat vrede is en wat gerechtigheid. We zijn er niet, op geen stukken na, door vrede te benoemen als de afwezigheid van oorlog. Want hoe is het dan met de veiligheid op straat en de huiselijke vrede. En is het dan alleen de afwezigheid van dreiging, of kan het ook positief geformuleerd worden als de omgeving waarin ieder zijn en haar recht op een ongeschonden bestaan kan ontplooien? 
Is gerechtigheid ook meer dan dat het goede beloond en het kwaad gestraft wordt? Heeft het ook te maken met recht verschaffen aan wie rechteloos zijn? Met recht doen aan de menselijke waardigheid? Houdt het rekening met de individuele omstandigheden waarin mensen leven en dingen gebeuren? 

En het zijn precies die begrippen, liefde, vrede, gerechtigheid, die essentieel zijn voor het begrip van het rijk der hemelen. Het is dus al met al niet verwonderlijk dat het evangelie in zoveel verschillende beelden spreekt over het rijk der hemelen. De vergelijkingen hebben te maken met deze essentiële begrippen. 
De parabel van het mosterdzaad spreekt van het kleine begin dat niettemin staat voor het rijk der hemelen. Onder de juiste omstandigheden groeit het uit tot een omgeving waarin vogels van verschillende pluimage zich veilig weten, zodat zij leven kunnen doorgeven aan hun jongen. Dit mag ons bemoedigen. Wanneer we in onze directe omgeving een klimaat scheppen waarin mensen zich veilig weten en kunnen ontplooien, scheppen we daar al een miniatuur rijk der hemelen. 
Van zuurdesem heb je maar weinig nodig om een betrekkelijk grote hoeveelheid meel te doordesemen waardoor het kan rijzen en bij bakken een lekker brood wordt. Daar waar Gods geest aanwezig is, ook al is het maar in enkelen, is het in staat de melige werkelijkheid te doordesemen en aangenaam te maken. Zo maakt ook een beetje liefde een onaangenaam mens beter te pruimen. Waar Gods geest maar even doorbreekt verandert de sfeer al meteen. Daar wordt het rijk der hemelen zichtbaar. 
Al eerder in het hoofdstuk is de vergelijking getrokken tussen de akker en de wereld en tussen de akker en het hart van de mens. In die akker van het hart en van wereld ligt het rijk der hemelen als een schat verborgen. Het rijk is dus niet veraf. Het ligt niet boven onze macht, maar onder onze voeten. Het is in de wereld op verborgen wijze aanwezig. Het is op te diepen. We hebben daarvoor geen metaaldetector nodig, maar juist een opmerkzaam hart. Om in onszelf en in de wereld de sporen van het rijk te achterhalen. Het rijk is niet iets van misschien later en ooit, maar van hier en nu. In deze wereld. En niet iets van een enkele uitverkorene, maar in het hart van iedere mens. 
Dat is zowel een bijzondere genade die ons gegeven is, als een enorme verantwoordelijkheid. We kunnen die verantwoordelijkheid voor de zichtbaarmaking van het rijk der hemelen in ons leven en in onze wereld niet op God afschuiven. Het is onze onvervreemdbare verantwoordelijkheid als mens in deze wereld die ons als woonplaats is gegeven om er het beloofde land van te maken. 

Het tevoorschijn brengen van het rijk gaat niet vanzelf. We moeten daar iets voor doen en iets voor over hebben. Wat kostbaar is krijg je niet voor niets. Maar wat we hebben is voldoende om het te verwerven. Het is meer een kwestie van prioriteiten en bestedingspatroon. Wanneer we onze aandacht, onze liefde en energie spenderen aan zaken die het rijk niet dichterbij brengen, zal het niet lukken. Maar wanneer we werkelijk naar dat rijk van vrede, liefde en gerechtigheid verlangen als naar een kostbare parel, dan zullen we ons ook daarop richten en focus houden en onze gaven daarvoor inzetten. 
De tekst spreekt ook, zoals al eerder over het laatste oordeel. Een gegeven waar we ons niet zo thuis bij voelen. Het is ook een passief beeld. In het sleepnet wordt van alles bijeengebracht en naderhand wordt, net zoals bij het onkruid op de akker, het bruikbare van onbruikbare gescheiden. Het onbruikbare wordt vernietigd. Het rijk der hemelen werkt dus ook als een zeef die uitzift wat bij het rijk hoort en wat er niet bij hoort. Ook al vinden we dit oordeel maar niets, toch is het een vorm van gerechtigheid. Het wil echter in de eerste plaats aansporen. Ook in het sleepnet van het eigen hart bevindt zich van alles wat we meeslepen in ons bestaan dat helemaal niet gericht staat op het rijk der hemelen. Vormen van haat, minachting, discriminatie, liefdeloosheid, zelfzucht zouden we moeten proberen uit dat net te halen en te scheiden van de dingen die ook in ons hart aanwezig zijn: vormen van goedheid, naastenliefde, respect voor de medemens, belangenloosheid en opofferingsgezindheid, eenvoudige en oprechte liefde, allemaal tekenen van het rijk der hemelen die in ons hart aanwezig zijn als een kiem van het beloofde land. 
Het kan niet zo zijn dat het rijk der hemelen een soort asielzoekersopvangcentrum is waar een scheiding wordt gemaakt tussen wie voldoen aan de criteria om binnen te mogen en wie niet. Allen die asiel zoeken in Gods vaderland zijn mensen die verlangen naar heelheid, geborgenheid, veiligheid en leven. Dat oprechte verlangen alleen al geeft een mens een verblijfsstatus in het rijk der hemelen. Wat Paulus daar ook over te zeggen heeft, hij zegt niet wie wel en wie niet uitverkoren zijn. Hij zegt te geloven dat God in alles het heil bevordert van wie Hem liefhebben. Zijn gerechtigheid strekt zich uit naar hen en zijn mildheid naar allen die Hem niet kunnen liefhebben. God is niet uit op scheiding, maar op transformatie van onze wereld en van ons menselijk bestaan om gelijkvormig te worden aan wie ons is voorgegaan.

Zelfs Calvijn, toch niet de meest zachtzinnige leermeester, zegt dat de predestinatie voor ons een labyrint is waar het menselijk verstand niet uitkomt. Het uiteindelijke oordeel, zo het er is, is niet aan ons.

Laat ons daarom met Salomo bidden om een opmerkzame geest. Om de wijsheid om onderscheid te maken in wat helpt Gods droom met ons te realiseren en wat niet. Vooral ook om een geest die door de oppervlakte van de dingen heen ziet naar wat iets echt is, naar wie een medemens echt is. Op te merken waar iemands verlangen nu echt naar uitgaat. Om een authentiek verlangen te herkennen en te bevestigen. Om het goede in elkaar te bevorderen, zodat we iets zichtbaar maken van die verborgen werkelijkheid in ons die we het rijk der hemelen noemen en die de vervulling is van ons diepe verlangen naar geluk, vrede, geborgenheid, verbondenheid, bevestiging en liefde. Amen.

top

 

 

Overweging 20 juli 2014 
Onkruid 

Lezingen: Wijsheid 12, 13-19; Romeinen 8, 18-25; Matteus 13, 24-30.36-43; 
Het is heel verleidelijk om in schema’s te denken. Het schept duidelijkheid en maakt een betrekkelijk eenvoudige indeling van gecompliceerde zaken mogelijk. We schematiseren lichamelijke verschijnselen om te beoordelen of iemand gezond is of ziek en om te bepalen welke ziekte iemand dan heeft. We delen menselijk gedrag in om te kijken of het aangepast, strafbaar, goed of fout is. Arm, rijk, goed, slecht, slim, dom, man, vrouw zijn schematiseringen waarnaar mensen worden beoordeeld. We gebruiken schema’s om regels op te stellen, om te kunnen tellen en onderscheid te maken.

Elk schema gaat uit van de opvatting dat iets of het een of het ander is. Het schema houdt geen rekening met de verglijdende schaal, de nuancering. En ook het gegeven dat iets zowel het een als het ander kan zijn is moeilijk in een schema onder te brengen. Inclusief denken wordt zeer bemoeilijkt door onze manier van omgaan met onze werkelijkheid volgens bepaalde categorieën en schema’s. De invloed van het schematisch denken is moeilijk te overschatten. Het heeft een enorme invloed op de manier waarop we naar onszelf kijken, naar onze medemensen en naar de wereld waarin we leven. Bewust en onbewust hanteren we allerlei oordelen waarmee we onze wereld indelen. We ontkomen er niet aan. We mogen ons er wel van bewust zijn. Juist in relatie tot de gebeurtenissen in de wereld, de oordelen die we daarover hebben en de hoop die we voor de wereld koesteren.

Het evangelie van vandaag hanteert ook zo’n duidelijk schema. Er is sprake van tarwe en van onkruid. Omwille van de tarwe wordt het onkruid niet van het veld gehaald, maar bij de oogst wordt het onkruid verbrand en de tarwe in de graanschuur opgeslagen. Bruikbaar en onbruikbaar, goed en fout, het een bewaard, het ander vernietigd. Een helder verhaal. Daarbij mis ik de nuancering die ik aantref in de Wijsheidslezing en die ik bij de voorbereiding van deze overweging een grotere nadruk wilde geven. Dit op grond van mijn overtuiging dat het helemaal niet altijd zo gemakkelijk is om een helder onderscheid te maken tussen wat goed en verkeerd is. Maar toen ik al doende was met de preek, gebeurde er iets in de wereld waardoor ik een andere vraag ging stellen. En ik voelde me verwant met de uitspraak van Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Dat de hele schepping zucht en barensweeën heeft en verlangt naar verlossing, zolang zij onderworpen is aan een doelloos en zinledig bestaan. 
De gebeurtenis was het neerhalen van een burgervliegtuig boven Oost-Oekraïne. De vraag daarbij was: "hoe lang kun je nuanceren? Zijn er ook daden, gebeurtenissen die objectief, altijd en voor iedereen kwaad zijn?" Maar vooral ook: "hoe ga je daar dan mee om?" Hoe radicaler de gebeurtenissen en hoe dichterbij zij komen, hoe radicaler misschien wel onze opvattingen worden (en hoe schematischer ons denken daarover). 
Hoe gaan we om met gezag, straf, onrecht en kwaad? Wat zeggen de lezingen hierover vanuit een gelovig standpunt? Hoe richtinggevend kan geloof hierin zijn, aangezien geloof zowel vrede als geweld kan legitimeren. Hoe gaan wijzelf om met het kwaad in de wereld en met het kwade in onszelf? Het stellen van de vragen maakt al duidelijk dat antwoorden nooit simpel zijn. Hoe goed en kwaad vermengd aanwezig zijn werd me duidelijk aan de hand van een bericht dat ongeveer gelijktijdig verscheen. Een jongen uit Tunesië die in Den Haag zijn vervolgopleiding had gedaan en woonde bij zijn vredelievende en gematigde moslimvader. Deze jongen was in een bepaalde moskee geradicaliseerd en Jihadstrijder geworden voor ISIS. En gesneuveld in Syrië of Irak. Als martelaar. "Verheug u, want uw zoon is als martelaar gestorven", was het bericht aan de vader die nu uit alle macht probeert zijn andere zoon van "het pad van god" te houden. De gesneuvelde, een jonge idealist, toegewijd aan de moslimzaak, edelmoedig genoeg om zich helemaal te geven. Geweldige eigenschappen, op een verkeerd doel gericht.

De wereld zucht en steunt onder verkeerd begrepen idealisme. Onder ideologisch gemaskeerd eigenbelang. Onder gelegitimeerde machtswellust en goedgepraat onrecht. En zeker is het zo dat de wereld verlangt naar verlossing van geweld en onrecht en naar vrede en veiligheid. En zeker is ook dat de wereld gevangen zit tussen het goede willen en het kwade doen. Iets wat Paulus elders in de romeinenbrief ook bij zichzelf constateert. Kennelijk zijn we niet in staat om consequent onze oriëntatie op het goede vast te houden. Ondanks de werking van God’s liefde in ons.

Moeten we dan het kwaad maar samen met het goede laten groeien tot de oogst, zoals de Matteuslezing lijkt te zeggen? De vergelijking waarvan in de tekst sprake is, staat in het kader van een aantal vergelijkingen over het koninkrijk: het overvloedige zaaien, het mosterdzaadje, het zuurdesem en hier het onkruid en de tarwe. De tekst spreekt over de voleinding van de wereld die men aanstaande dacht. De tijd dringt en is vol. Onder die tijdsdruk gaat het erom om nu keuzes te maken. Daartoe willen de verhalen mensen oproepen. "Richt je op het goede, wees vruchtbaar voor het koninkrijk en leef rechtvaardig". In die zin zijn de verhalen ook retorisch. Wij leven in een ander tijdsbesef. De verhalen over het koninkrijk en de voleinding van de wereld kunnen we weliswaar plaatsen aan het einde van de geschiedenis, maar niemand weet wanneer dat zal zijn. Daarom zien we in het koninkrijk en de voleinding van wereld veel meer de bedoeling en de zin van de wereld en van ons in de wereld zijn. Die voleinding moeten we nu al proberen zichtbaar te maken. De nabijheid van het Godsrijk zien we ook als nabij aan ons handelen en aan onze keuzes. We mogen de uiteindelijke bedoeling van ons leven en van de wereld die we vormen, zichtbaar maken. De wereld is de akker waarin het woord is uitgezaaid, maar ook wijzelf zijn Gods akker. Het goede en het kwade spelen zich niet buiten ons om af. De wereld als geschiedenis is geen zelfstandige kracht met eigen wetmatigheden. Ik heb het niet over de wereld als vulkanen en sterrenstelsels, want daarin is geen kwaad en geen goed. Ik spreek over de wereld van mensen, van keuzes en gevolgen, van verantwoordelijkheid en idealen. De wereld die het domein is van het verhaal van God en mensen.

Wat in het hart opkomt bepaalt uiteindelijk wat er gebeurt. Aan gebeurtenissen liggen keuzes ten grondslag. Dat betekent niet dat we allen persoonlijk verantwoordelijk zijn voor alles wat er gebeurt. Wel dat er een gezamenlijke verantwoordelijkheid is waaraan wij allen persoonlijk deelnemen. De menselijke samenhang is zo dat we onvermijdelijk elkaars lot dragen. Ten fundamente bestrijd je het kwaad niet door het te vernietigen, maar door bekering en het bevorderen van het goede. Kwaad dat wordt onderdrukt is niet weg, het wacht alleen maar. Dat kunnen we zien in de geschiedenis en in ons eigen hart.

Wat de lezing van het evangelie ook duidelijk maakt is dat we niet te snel moeten oordelen. In ieder geval betekent het voor mij dat we uitgenodigd worden om wat zich aan ons voordoet niet te beoordelen op grond van persoonlijke criteria en voorkeuren. Wat tarwe of onkruid is, wat goed en fout is wordt niet door mij persoonlijk beoordeeld, maar onder het aspect van de voleinding van de wereld. Met andere woorden de criteria van het Godsrijk bepalen of iets goed of fout is. Daarbij is sprake van gerechtigheid, saamhorigheid, verbondenheid, vrede, bevorderen en beschermen van leven. Dit alles lost onze problemen niet op. We moeten ook niet bidden om oplossingen, maar om de wijsheid en het geduld om oplossingen te zoeken en te vinden. In de eerste lezing staat veel wijsheid waarnaar we ons kunnen richten. Het maakt duidelijk dat kracht gericht moet zijn op bevordering van gerechtigheid en niet op vergroten van macht. Heerschappij gericht op het bewaren van ieders leven, niet om het leven te onderdrukken of erover te beschikken. Dat rechtvaardigheid stoelt op naastenliefde. Dat God’s liefde de zondaar altijd de gelegenheid geeft tot inkeer te komen. Zodat het kwaad niet steeds aan zichzelf herinnerd blijft.

Bij dit alles voegen we de hoop die ons gaande houdt en vertrouwen geeft dat Gods belofte niet ijdel is, dat zijn woord niet leeg is. Daaraan houden we ons vast. Bijvoorbeeld met woorden van Oosterhuis: "Onze Vader verborgen, uw naam worde zichtbaar in ons. Leg uw woord op ons hart, breek het ijzer met handen, breek de macht van het kwaad. Van u is de toekomst, kome wat komt." Als uitdrukking van ons geloof dat, hoe ons heden er ook uitziet, ons leven staat in het teken van Gods toekomst. Amen

top 

Overweging 13 juli 2014 
vrucht dragen

Lezingen: Jesaja 55, 6-13; Romeinen 7, 21-8, 6; Matteus 13, 1-9.18-23. 
Zoals we hoorden maakt Matteus in de tekst onderscheid tussen het onderricht aan de menigte en aan de leerlingen. Hij verklaart dat door te zeggen dat de leerlingen de boodschap van Jezus op een andere wijze kunnen verstaan dan de menigte. Zij luisteren kennelijk op een andere manier naar Jezus. Matteus snijdt daarmee een van de moeilijkere problemen aan van de geloofsoverdracht. En eigenlijk meer nog dan dat. Het is het probleem van de manier waarop we naar de werkelijkheid kijken. De wijze waarop we de wereld interpreteren. Onze manier van kijken en luisteren bepaalt wat we zien en horen. Voor wat de Schrift betreft: er is een verschil tussen het verhaal, de boodschap en de betekenis. 

Al heel vroeg in de geschiedenis van Bijbellezen kwam het idee naar voren dat niet alle verhalen van de Schrift letterlijk begrepen kunnen en moeten worden. Er ontstaat inzicht in de verschillende genres van teksten. Het maakt uit of je te maken hebt met een historisch verhaal of een psalmtekst. De soort tekst bepaalt mede de interpretatie ervan. Ook groeide het inzicht in de allegorische betekenis van een tekst. Waar een letterlijke lezing iets oplevert dat strijdig is met de geloofsleer, ging men zoeken naar een zinnebeeldige benadering. Ook al in de tijd van Jezus bestond deze benadering die men niet alleen kende uit de Griekse literatuur, maar ook toepaste op de Schrift. In Joodse kring had Hillel de zeven hoofdregels van interpretatie geschreven en Philo van Alexandrië beschreef een aantal betekenislagen in de bijbelse teksten. In de derde en vierde eeuw vonden deze ook hun weg in de christelijke bijbelinterpretatie en in de canonisering van de bijbelboeken. Tertullianus, Hieronymus en Augustinus bouwen voort op deze traditie. Men komt tot een onderscheid in vier betekenislagen van een tekst. Dit allemaal nog afgezien van de betrouwbaarheid van de tekst als zodanig. Er is de letterlijke betekenis, de allegorische, de ethische en spirituele (transformatieve, mystagogische) betekenis. (de radicaal historische interpretatie van al deze betekenissen laat ik hier buiten beschouwing) 

In de tekst van het evangelie van vandaag horen we het letterlijke verhaal en de allegorische interpretatie ervan. Daarbij komen ook de ethische en spirituele betekenis aan bod. Daarmee maakt Matteus duidelijk hoe in de vroege gemeenschap rond Christus op grond van hetgeen in Jezus geopenbaard wordt, met verhalen wordt omgegaan.

Jezus vertelt het verhaal van de zaaier aan de menigte. Hoe de menigte dit verhaal oppakt wordt niet duidelijk. Het vervolg maakt duidelijk dat het voor de leerlingen bedoeld is. Aan het eind van het verhaal zegt Jezus: "wie oren heeft, die hore". Dit geeft aan dat er meer te beluisteren valt dan bij oppervlakkig luisteren te horen valt. De leerlingen, die gevoelig zijn voor die betekenislaag, vragen Jezus waarom hij in gelijkenissen spreekt. Zij begrijpen dus dat er hier geen verhaal verteld wordt dat letterlijk begrepen moet worden. De letterlijke betekenis wordt gebruikt om iets anders duidelijk te maken. In zijn toelichting gaat Jezus niet in op de zaaier, die misschien toch wat inefficiënt gedrag vertoont. Maar hij richt zich op de leerlingen en de betekenis van het verhaal voor het leerling zijn. De leerlingen vormen de bodem waarin het zaad, het woord van het koninkrijk, valt. Tegelijk zijn zij zelf krachtens hun zending ook het zaad. Soms valt het op dorre harde grond, het hart is niet ontvankelijk voor het woord. Soms wordt het al snel vergeten. Maar in een aantal gevallen vindt het woord goede grond en kan groeien en vrucht dragen. Dan valt het woord, zoals gezegd in goede aarde. De leerling kan het woord horen, begrijpen en ook werkelijk ontvangen, zodat het woord in de leerling zijn werk kan doen en het leven van de leerling naar het woord gevormd wordt. Dat laatste slaat dan op het veranderingsproces, het bekeringsproces om het wat klassieker te zeggen, dat de leerling aangaat en ondergaat om de mens te worden die hij in evangelisch opzicht mag zijn. Een inwoner van het koninkrijk. Het woord van het koninkrijk bewerkt als het ware wat het zegt. Vergelijkbaar met het eucharistisch brood dat we ontvangen waardoor we worden wat we ontvangen: het lichaam van Christus.

We zitten nu op de mystieke laag van de betekenis van de parabel. Voor wie het woord hoort en verstaat, heeft het woord scheppingskracht. Daardoor kan het in de hoorder van het woord een veranderingsproces in gang zetten, een transformatie bewerken. Dat maakt de leerling niet alleen een volgeling van Jezus, maar ook een navolger van Jezus. Van passief gelovige wordt de leerling getuige en uitvoerder van het woord van het koninkrijk. In de leerling wordt het rijk zichtbaar. Dat is de vruchtbaarheid van het woord. Het woord bewerkt gerechtigheid en vrede. En dat is dan ook meteen het ethische aspect van het woord. Het is erop gericht om in de betrekkingen tussen mensen gerechtigheid te doen en vrede te stichten door een innerlijke verandering van de mens zelf.

We moeten niet denken dat het aspect van het verhaal dat spreekt over de bodem mensen indeelt in dorre onvruchtbare bodem en vruchtbare aarde. Het gaat er niet om mensen in te delen een goede en slechte grond waar niets goeds uit kan komen. Het wil een aantal gesteldheden aanduiden die in iedere mens in wisselende mate aanwezig zijn. Ook in degenen die Jezus willen volgen. We hoeven maar naar onszelf te kijken. Soms zijn we helemaal niet toegankelijk voor het woord van het koninkrijk. We zijn teleurgesteld en hebben ons hart gesloten, omdat het hele verhaal in onze ogen niet klopt en niet waar kan zijn. Onze ervaringen in en met de wereld zijn zo anders. Soms willen we wel geloven en ernaar leven, als we eerst maar klaar zijn met de dingen die moeten doen. Soms staan we echt open en lijkt het allemaal vanzelfsprekend en zonder moeite te gaan. Soms, en ik zeg dit heel voorzichtig, lijkt ons willen ons niet langer in de weg te staan en kan Gods wil in ons geschieden. Dat zijn ook de momenten waarop we eigenlijk echt vrij en gelukkig zijn. Het liefhebben en het aandacht schenken gaan vanzelf. Het rijk ligt onder handbereik.

Dat dat ook voor grote leerlingen niet altijd vanzelfsprekend is, getuigt voor ons Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Het kan ons tot troost zijn. Overigens zonder er genoegen mee te nemen. Hij legt de vinger ook bij zichzelf op de zere plek. Hij zegt: "ik wil wel het goede doen, en ik ben er ook helemaal van overtuigd dat het moet, maar ik zie mezelf het kwade doen. Ongelukkige die ik ben". Voor hem is dit gegeven de basis om niet op zichzelf te vertrouwen, maar op de genade die in hem werkt. Niet op eigen kracht is hij in staat goede dingen te doen, maar alleen op grond van de kracht van Christus Jezus die in hem werkzaam is. Die kracht bewerkt niet alleen het standvastig willen, maar ook het doen.

Met dat al hebben we nog niet gesproken over de zaaier. Wie wordt daarmee aangeduid? In eerste instantie zou je zeggen Jezus is de zaaier die het woord van de goede boodschap met betrekking tot de nabijheid van het rijk der hemelen uitzaait voor ieder die het maar horen wil en voor ieder die oren heeft. Hij is daarbij niet karig. Iedereen mag het horen en niet alleen maar een paar uitverkorenen die zuiver van hart zijn. Het woord is gericht tot rechtvaardigen, opdat zij rechtvaardig blijven, en tot zondaars, opdat zij zich bekeren. Dat is de ruimhartigheid van het zaaien. Het is geen teken van inefficiëntie, zoals ik eerder suggereerde, maar teken van de overmaat van zijn liefde die uitgaat naar alle mensen. Hij laat zijn licht schijnen over ieder. Maar achter deze betekenis gaat nog een andere schuil naar mijn smaak. Ook Jezus zelf is het zaad in de akker, door Gods liefde in de wereld uitgezaaid om allen te redden die het woord horen en ernaar leven. Hij is het woord waarvan in Jesaja sprake is, dat niet terugkeert voor het heeft volbracht waartoe het gezonden is. Hijzelf is het koninkrijk der hemelen. Dat woord wordt bij de profeet vergeleken met regen die vruchtbaarheid brengt aan de bodem. Regen is een beeld van Gods genade en liefde. Het is het levend woord van God, Jezus, die het leven van mensen vruchtbaar maakt voor het rijk der hemelen. God heeft zijn eigen naam over de wereld gelegd en daarmee onze werkelijkheid in het teken van zijn liefde gesteld, mens geworden in Christus Jezus als het woord dat leven geeft.

Uiteindelijk is het, zou je kunnen zeggen, Gods liefde die ons gegeven wordt en die, wanneer we die in ons hart kunnen ontvangen, ons hart omvormt, opdat het zelf niet anders dan liefde wordt. Die liefde is overvloedig en wordt ieder aangeboden. Wij zijn immers zelf ook het zaad dat uitgestrooid is in de wereld om vrucht te dragen. En wanneer we ons aan Gods liefde kunnen toevertrouwen, kan het vrucht dragen in overvloed. De overvloed die zo kenmerkend is voor het beloofde land. De werkelijkheid die ons in het vooruitzicht is gesteld, wanneer het woord niet vruchteloos aan ons voorbijgaat, maar door onze manier van leven vervuld wordt. Amen.
 
top

Overweging 6 juli 2014 
een lichte last 

Lezingen: Zacharia 9, 9-12; Romeinen 6, 16-23; Matteus 11, 25-30. 
In het boek Spreuken, hoofdstuk 21 vers 1, staat de volgende uitspraak met betrekking tot een koning. "Als waterstromen is het hart van de koning in de hand van de Heer" . Het is naar mijn smaak een prachtig beeld dat goed aansluit bij de lezingen van deze zondag, met name die van Zacharia en Matteus. De tekst van de Romeinenbrief zou meer op te vatten zijn als een beschrijving van de situatie van een onderdaan die ofwel door een tiran geregeerd wordt of door een barmhartige en rechtvaardige koning die het leven van zijn onderdanen bevordert en beschermt. Maar laten we nog even terugkeren naar het citaat uit Spreuken "als waterstromen is het hart van de koning in de hand van de Heer". Het hart van de koning is als waterstromen, met andere woorden het hart doet wat waterstromen doen. Zij brengen verkwikking en leven. Niet voor niets wordt het woord van God met stromen van levend water aangeduid. Eenzelfde stroom van levend water komt uit het binnenste, het hart, van Jezus wanneer Hij sterft aan het kruis. Bovendien is Hijzelf het Levend Woord dat uit God’s hart in de wereld gekomen is. Het hart van een goede koning is niet gericht op zichzelf, maar op het welzijn van zijn onderdanen. Dit hart is alleen een waterstroom wanneer het rust in de hand van de Heer. De hand van de Heer immers rust zegenrijk op zijn volk, zijn hand schept leven, boetseert de mens, doet gerechtigheid. Uit zijn milde hand ontvangen we de gaven die we nodig hebben voor ons leven. Zijn hand behoedt en beschut ons en onze namen staan in zijn hand geschreven. Niemand valt, dan in zijn hand. Het hart van de koning vertegenwoordigt deze kwaliteiten wanneer het rust in de hand van de Eeuwige. Zo is hij voor zijn onderdanen de borg van hun leven en van gerechtigheid. Alleen onder een dergelijk bestuur, dat op zijn beurt bestuurd wordt door waarden die de persoon en het eigenbelang van de bestuurder overstijgen, kunnen mensen in vrijheid, vrede en gerustheid leven. Zo is het koningschap van God, en het koningschap, het regeringsbeleid, bij mensen zou daarvan een afspiegeling moeten zijn.

Van dit beeldmateriaal maken de schrijvers van de lezingen gebruik, de een wat explicieter dan de ander. Zo beschrijft de profeet Zacharia de komst van de messiaanse koning. Hij rijdt niet op een strijdros en is niet trots, maar eenvoudig en deemoedig. De deemoed van een mens die begrijpt tot welk een grote taak hij geroepen is. De machtigen ontwapent hij, de boog der sterken wordt gebroken, en hij brengt vrede en gerechtigheid. De beschrijving vormt een tegenstelling met de koningen die slechts macht over hun volk uitoefenen. De heersers die zich verrijken over de rug van het volk. Die het in hongersnood en oorlogen dompelen. In onze wereld zijn veel voorbeelden van zulke heersers te vinden. En hun onderdanen zuchten onder hun bewind en kunnen geen kant op. In plaats van in vrede te leven en voor hun gezin te kunnen zorgen worden zij vermoord, verkracht, op de vlucht gedreven bij honderdduizenden. Geen wonder dat velen van hen wanhoopsdaden begaan om maar een kleine kans op een toekomst aan te grijpen. Deze mensen begrijpen beter dan wie ook wat het betekent om te dromen van vrijheid, veiligheid en vrede. De profetische dromen zijn vooral geschreven voor mensen die leven in ballingschap en onderdrukking. Maar in hen ook voor allen die verlangen naar een nieuwe wereld, een vernieuwd bestaan, waarin het mogelijk is om ongestoord te leven.

Dit hele betekenisveld neemt Matteus over om Jezus te beschrijven. Hij is de zoon van de hemelse Vader, aanduiding van de Messias, bij wie allen die belast zijn in veilige handen zijn. Hij is niet gekomen om te heersen, maar om dienstbaar te zijn aan het leven van mensen. Hij is zachtmoedig en nederig van hart. In Hem wordt het Rijk van God geopenbaard en wordt duidelijk waar het in het leven en in de verhoudingen tussen mensen uiteindelijk om gaat. Ook Hij spreekt tot mensen die leven in bezet gebied. Maar toch vooral spreekt Hij zijn geloofsgenoten aan die blind zijn voor hetgeen in Hem en in de tekenen die Hij verricht, geopenbaard wordt.

De messiaanse profetieën hadden vanouds een tweevoudig karakter. Enerzijds werden zij staatkundig begrepen. De terugkeer naar huis, naar Israël, uit ballingschap en verstrooiing, het weer verkrijgen van zeggenschap in het eigen land, waar God met zijn volk leeft. De Aaliyah, de opgang naar Jeruzalem, en het politiek zionisme zijn daar uitvloeisels van. Maar de komst van de Messias heeft ook een geestelijke, religieuze basis, namelijk die van de bekering. Niet de fysieke terugkeer naar eretz Israël staat hierbij voorop, maar de persoonlijke bekering tot God en diens Thora. Juist dit aspect wordt door Jezus benadrukt. Hij is niet gekomen met een politieke zending. Ook niet als een concurrent van de keizer of de viervorst. Zijn koninkrijk is niet een werelds rijk. Hij is gekomen om God’s wil te doen, om de Thora te vervullen en roept zijn leerlingen bij herhaling op hetzelfde te doen. Het messiaanse Rijk is de vrucht van de vervulling van de Thora, het wordt niet zomaar in de schoot geworpen. Vandaar dat het messiaanse bevrijdingsmotief bij de volgelingen van Jezus een voornamelijk geestelijke betekenis krijgt. Natuurlijk is in de profetische geschriften de bevrijding en terugkeer uit ballingschap altijd wel in verband gebracht met het leven naar het verbond en het woord van God, maar door Jezus heeft dit toch een andere betekenis gekregen. Dit kunnen we goed zien bij Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Hij spreekt over slaven van de zonde en dienaren van gerechtigheid. Er is keuze, maar na de keuze voor het een verliest de slaaf zijn eigen wil. De dienaar dient in vrijheid. Er is altijd de keuze. Van het begin van de verhalen over God en mens is er altijd de keuze. En het is een keuze op dood en leven. In het paradijs, bij de uittocht, bij de ballingschap en bij hetgeen Jezus voorhoudt. Hij maakt de keuze zichtbaar en is de weg ten leven. Wie Hem volgt gaat die weg.

Wat Paulus signaleert is dat er een verkeerd begrip van vrijheid is. En ik zeg maar meteen dat ik dat herken. Ik meen het ook te herkennen in onze samenleving. Je eigen zin doen in alles wat lekker en fijn is, is een, misschien onschuldige, vorm van slavernij wanneer het kritiekloos gebeurt. Wanneer de motivatie om iets te doen gegeven wordt doordat het iemand een prettig gevoel geeft, wordt de directe beleving een doel op zich. Het sluit ons op in de eigen beleving. Het individualiseert ons. En het is de vraag of de bedoeling van ons mens-zijn gelegen is in de individualiteit. Het dienen van de gerechtigheid richt ons op een belang dat onze individualiteit overstijgt en in verbinding brengt met anderen. Deze gerichtheid brengt ons persoonlijk belang en het belang van de ander onder in een gezamenlijk belang. Het maakt ons tot medemens, tot mens voor en met mensen.

Dit laatste lijkt me meer in overstemming met de mens zoals we bedoeld zijn en zeker met de mens die Jezus heeft voorgeleefd. Door meer te worden wie we zijn kunnen we de vrede naderbij brengen. Die komt niet tot stand doordat we ieder het eigen heil nastreven, want dat is per se concurrerend. Het komt ook niet tot stand door fysieke strijd en wapengeweld. Zij kunnen wel conflicten maskeren en beheersen, maar niet de echte vrede brengen. Geweld en vrede verdragen elkaar niet en de laatste kan niet voortkomen uit het eerste. Vrede is de vrucht van gerechtigheid. De gerechtigheid dienen is de vrede bevorderen; en vrede in al zijn aspecten is het kenmerk van het messiaanse Rijk. Werkelijk vrij zijn we maar wanneer we niet beducht hoeven zijn voor de ander. Wanneer we dus in vrede leven. De gerechtigheid dienen is de weg naar de echte vrijheid. Dat betekent geenszins dat we moeten gehoorzamen aan een vreemde wil en onze eigen wil daaraan ondergeschikt maken. We doen immers datgene waardoor we dichterbij onszelf komen, meer onszelf worden. Dat is geen last, maar een bevrijding. Jezus, als koning van de gerechtigheid, gaat ons voor naar Jeruzalem, stad van vrede, beeld van zijn rijk. Wij hoeven Hem maar te volgen om uit komen waar we graag willen zijn. Thuis bij God en mensen. Amen.

top

Overweging 29 juni 2014 
Geen vrede?

Lezingen: Jeremia 29, 1-14; Matteus 10, 34-42. 
De Schriftteksten die ons vertellen over het leven en optreden van Jezus noemen we de Blijde Boodschap, het evangelie. Omdat deze verhalen ons goed nieuws brengen. Het zijn teksten die ons tot zegen zijn en die tot ons heil bedoeld zijn. Zij beogen ons te redden. In meerdere opzichten. Ons geloof in Christus ordent ons leven hier en nu en geeft ons hoop op een leven dat we als het rijk van God betitelen. De blijde boodschap, de openbaring in Christus Jezus, heeft een ethische betekenis en een heilsbetekenis. Het is erop gericht ons leven in de wereld te richten op God en biedt het perspectief van een in God geborgen bestaan, voorgoed en als ooit bedoeld.

Vaak gaan we ervan uit dat de ethische betekenis van de Schrift aansluit op de heilsbetekenis. Met andere woorden dat het leven dat ons in het vooruitzicht wordt gesteld, aansluit bij de wijze waarop we hier behoren te leven. Wij veronderstellen dat die met elkaar in overeenstemming zijn. Over de preciese relatie tussen dit leven en het eeuwige leven bestaan verschillende inzichten. Ook over de rol van de genade daarin. Sommigen leggen een bijna absolute nadruk op God’s genade met betrekking tot het eeuwig leven. Daarbij lijkt onze manier van leven hier van minder belang. Anderen leggen grotere nadruk op de manier van leven in de wereld met het oog op het eeuwige leven. Hoe dat ook zij. Allen zien in de manier van leven van Jezus in de wereld een afspiegeling van het bedoelde leven, het Gode welgevallige leven. We mogen dat beschrijven als een leven in liefde, verbonden met God en mensen, door de kracht van de Geest die God’s genade bemiddelt. Waarbij de genade niet anders is dan de uitwerking van God’s liefde, zijn chesed.

Het lijkt me belangrijk dat we ons dit bewust zijn wanneer we de zojuist gelezen tekst van het Matteus evangelie horen. Zelf krijg ik telkens weer een schok wanneer ik de tekst hoor. De woorden die Jezus hier in de mond gelegd krijgt, staan immers haaks op ons beeld van Jezus. We zien hem wel eens boos of verontwaardigd. Maar dat is dan altijd gericht op misstanden, ongeloof of onrecht. Maar wat hier wordt voorgehouden klinkt ongehoord en onbegrijpelijk. Niettemin staat het er en moeten we ons ertoe verhouden. Ik doel natuurlijk op de woorden “Denk niet dat ik ben gekomen om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” En de tekst vervolgt met een wig drijven in gezinsrelaties.

Zulke woorden herinneren ons aan hoe het juist niet moet zijn. We kennen de situaties van verscheurde families in voormalig Joegoslavië. We zagen het in de Tweede Wereldoorlog waar familieleden kozen voor de verkeerde partij. Wie zien het in Israël waar hardliners en gematigden, ultra-orthodoxen en liberalen elkaar bestrijden. We zien het in families waar kinderen de djihad ondersteunen en opstaan tegen de ouders die integratie nastreven. We zien het waar kinderen ideologisch worden beïnvloed en tegen hun familie worden ingezet. We hebben de meest afschuwelijke associaties bij deze woorden en een overvloed aan even afschuwelijke voorbeelden. En geen van alle hebben zij te maken met de nabijheid van het koninkrijk van de hemel (waarover in vers 7 van dit hoofdstuk gesproken wordt. Mt. 10,7) dat juist het beeld is van een thuiskomen en thuis zijn.

Als zodanig staat het beeld van het Koninkrijk van God tegenover dat van de ballingschap. In de Jeremia-lezing is sprake van ballingschap. Ver van huis zijn, ver van Jeruzalem, ver van sjalom, ver van huisvrede. Maar daar klinken juist woorden die oproepen tot vrede, tot een goede verstandhouding met wie eigenlijk vijanden zijn. De ballingen worden vanuit Jeruzalem door de profeet opgeroepen om te investeren in leven. Niet in opstand, verzet en terreur. Zij moeten huwen, huizen bouwen, kinderen krijgen en ondernemen, een bijdrage leveren aan de welvaart van de samenleving waarin zij als balling leven. Voor een kleine groep in een vreemd land betekent het profetisch advies een mogelijkheid om te overleven. Verzet zou zeker tot de dood leiden. Kiezen om in een goede verstandhouding samen te leven met de inheemse bevolking en bij te dragen aan de plaatselijke economie en welvaart is een keuze voor het leven. Door te huwen en te bouwen en kinderen te verwekken, investeren zij, ondanks verdriet en verlangen naar huis, in de toekomst. Zij ordenen zich in binnen de mogelijkheden van de omstandigheden zonder zichzelf te verliezen en in vertrouwen op de Eeuwige. Daardoor is het ook een geloofsdaad, een blijk van vertrouwen in God’s belofte. Het is een daad van vrede.

In de klassieke zin heeft vrede te maken met uitwendige orde en harmonie, niet met gemoedsrust. In deze betekenis zal Jezus dan ook gesproken hebben. De situatie waarin de woorden van Jezus klinken is een heel andere dan bij Jeremia. Een betrekkelijk kleine groep in ballingschap is een ander publiek dan de leden van het Joodse volk dat door een Romeinse bezettingsmacht wordt overheerst. In deze situatie betekent vrede verlies van de eigen identiteit. Misschien ligt hier de Griekse assimilatie en de Makkabese opstand voor het behoud van de Joodse identiteit in de tweede eeuw voor onze jaartelling nog in het collectieve geheugen. Het gaat er dus niet om om in goede verstandhouding met de bezetter te leven, maar om een keuze te maken. En die keuze kan voor een Jood niet anders zijn dan een keuze voor de Thora, voor God en diens belofte. Dat is immers een keuze voor het leven. Vandaar wellicht de scherpe tegenstelling tussen vrede (aanpassen) en het zwaard (een heldere keuze maken).

In die zin begrepen, en ik denk ook alleen in die zin begrepen, kan gezegd worden dat Jezus niet is gekomen om vrede te brengen. Elders, bij Johannes 9,39 , staat geschreven dat Hij gekomen is tot een oordeel. Dat is geen moreel oordeel in de zin van een veroordeling. Het is veeleer een openbaring. In het Licht dat Jezus is, wordt duidelijk wat waar is en niet, wordt duidelijk wat de weg ten leven is en wat niet. Dat is het oordeel en dat is de keuze. Zo staat bijvoorbeeld in Hosea 6,6 een godsspraak: “mijn oordelen waren een doorbrekend licht”. En in dat licht wordt duidelijk wat goed is en wat fout. Zonder inzicht in de keuzemogelijkheden kan er geen keuze gemaakt worden. Maar wanneer het licht van het inzicht doorbreekt, een situatie helder wordt, dan kan er een keuze gemaakt worden. Sterker nog: door het inzicht ontstaat ook de plicht om een keuze te maken. Door de openbaring van de keuzemogelijkheid kan men zich niet aan de verantwoordelijkheid voor een keuze onttrekken. Tegelijk moet je dan ook de consequenties van de keuze dragen, hoe moeilijk die ook kunnen zijn.

Hoe groter het belang is dat op het spel staat, hoe belangrijker het is om een keuze te maken en hoe groter de prijs die we ervoor willen betalen. Soms de strijd met mensen die ons dierbaar zijn. Dat is niet omdat we het willen of de strijd zoeken. Het is doordat we geen andere keuze kunnen maken om te leven, of om aan ons leven toe te komen.

Al bij het begin van de gave van de Thora wordt een keuze gegeven. “Hoor opdat je leeft” klinkt het. En: “ik houd je voor de weg ten leven en de weg die naar de dood voert”. Aan ons de keuze. Dat klinkt hard. Aan de andere kant kun je niet over zaken van absoluut belang marchanderen. Niet alles verdraagt een compromis. Zaken van dood en leven vragen een duidelijke keuze en de bereidheid de consequenties ervan te dragen.

In het tiende hoofdstuk van Mattheus zendt Jezus zijn leerlingen naar zijn volksgenoten. Niet naar vreemden. Niet naar mensen die niet op de hoogte zijn van de thora. Niet naar mensen die niet door geboorte erfgenamen zijn van de belofte. De strijd waartoe Hij oproept is een gevecht om behoud van de waarheid van de roeping. En dat is niet een ideologische waarheid, maar de waarachtigheid van de eigen religieuze identiteit zonder welke het volk niet is. Dat is de keuze: tussen niet zijn en volk van God zijn. Tussen dood en leven. Deze keuze staat onder de dringende nabijheid van het Koninkrijk der hemelen. De boodschap die Jezus aan zijn leerlingen meegeeft aan het begin van hun zending is de verkondiging van de nabijheid van het Rijk. Al het andere is daaraan gerelateerd.

De verkondiging van de nabijheid van het Godsrijk klinkt sindsdien over de hele bewoonde wereld. Overal roept zij mensen op een keuze te maken voor het leven. De verkondiging van de nabijheid betekent immers dat het Rijk nabij is aan onze keuzes, aan de wijze waarop wij mens zijn. Niet in het verhevene en onbereikbare, maar in het dagdagelijkse. In gastvrijheid, zorgzaamheid, naastenliefde.

Wanneer die strijd gestreden is om een keuze te maken voor de liefde en het ideaal van het rijk der hemelen, is de vrede niet ver. Amen.

top

Overweging 22 juni 2014 
de moeite waard

Lezingen: Jeremia 20, 7-13; Romeinen 5, 15-19; Matteus 10, 24-33. 
De profeet uit de eerste lezing heeft het niet gemakkelijk. Hij moet een moeilijke boodschap verkondigen waar mensen geen boodschap aan lijken te willen hebben. De mensen vinden hem maar een vervelende onheilsprofeet die niets dan slecht nieuws te brengen heeft. En in feite is dat ook zo. Hij kan het niet mooier maken dan het is. Hij heeft de moeilijke plicht om zijn volksgenoten te waarschuwen dat zij op de verkeerde weg zitten en dat wanneer zij zo doorgaan er niets dan onheil uit voort kan komen. Hij brengt deze boodschap niet uit eigenbelang, maar in opdracht van God zelf. En niet om er zelf beter van te worden, maar om het volk te redden van de ondergang.

Wie durft het aan om in de Ukraine, in Syrië, in Irak, in Israël en elders een profetisch woord te laten klinken dat de tegenstellingen overstijgt en mensen waarschuwt voor het feit dat zij hun ondergang tegemoet gaan, wanneer zij zo doorgaan? Dat zij op deze wijze nooit in vrede zullen leven. Dat zij in hun conflicten voorbijgaan aan de essentie van hun eigen religie. Dat de mens niet geschapen is voor oorlog. Dat zij op zoek moeten gaan naar het gemeenschappelijk belang.

Daar is moed voor nodig. Immers profeten worden niet zelden ter dood gebracht. Vredestichters worden vermoord of gevangengezet. We horen dat ook in de Jeremialezing. De mensen willen hem ten val brengen. Desondanks gaat de profeet door omdat hij het de moeite waard vindt. De belangen zijn te groot om te zwijgen. En daarom gaat hij door. Net zoals God doorgaat met zijn volk. Omdat Hij zijn volk de moeite waard vindt. Hij laat zijn volk niet los. Hij laat het niet ten onder gaan. Hij neemt de moeite zijn volk bij monde van zijn profeet te zeggen waar het op staat en welke keuze het te maken heeft. Liefde heeft het welzijn van de ander op het oog. Dat kan betekenen dat je de ander soms met een moeilijke waarheid moet confronteren. Of dat je zelf uit liefde met een lastige waarheid geconfronteerd wordt.

Wie en wat vinden wij de moeite waard om ons voor in te zetten op het gevaar af impopulair te worden? Waar maken we ons druk over zonder daarbij in de eerste plaats het eigenbelang voor ogen te hebben? Waarde is in onze samenleving sterk gekoppeld aan nut. De waarde die iemand heeft voor de samenleving is gerelateerd aan de som van de economische bruikbaarheid, de invloed die iemand heeft en de kosten die ervoor gemaakt moeten worden. Iets is van waarde wanneer je er veel aan of mee kunt verdienen. Daarnaast speelt het belang van de relatie een grote rol. Het hemd is nader dan de rok.

We vinden het moeilijk om te erkennen dat er zaken zijn die omwille van zichzelf waarde hebben. Die waarde hebben omdat zij ons in staat stellen meer te zijn dan een wezen dat er op uit is zichzelf te voeden en te reproduceren. Te erkennen dat iedere mens een absolute waarde heeft die onafhankelijk is van wat hij of zij in de maatschappij betekent of doet. Dat wil overigens op geen enkele manier zeggen dat wat iemand doet zonder belang zou zijn. Alleen zijn waarde als mens hangt er niet van af. Daarom kan liefde handelingen afkeuren, juist uit respect voor de waarde van het mens-zijn. Voor hen die geloven heeft de absolute waarde van iedere mens te maken met diens geschapenheid. God drukt zich in de mens uit als evenbeeld, de mens is een ikoon van God. In gelovige zin ontleent de mens zijn waarde niet aan zichzelf, maar aan God. Hij is de tempel van Gods aanwezigheid onder de mensen. Het is die waardigheid die verplichtingen schept. Noblesse oblige.

Het profetisch verwijt aan het volk is niet zozeer dat het doet wat het doet, maar veeleer dat het niet handelt in overeenstemming met wat het volk is, namelijk Gods volk. Het verhaal van de relatie tussen God en zijn volk vertelt ons bij herhaling hoe het volk onder de maat van het verbond blijft. Het vertelt ons ook hoe God telkens weer opnieuw met zijn volk in zee gaat op weg naar het beloofde land. God blijft trouw, omdat Hij niet anders wil dan voor zijn volk te zijn wat Hij beloofd heeft. Zijn liefde compenseert veel van onze onmacht en onwil. De Romeinenbrief laat zien hoe groot de disbalans is in de relatie. Zoals God ons liefheeft kunnen wij Hem nooit liefhebben.

Waar wij een keuze maken tussen mensen die voor ons belangrijk en de moeite waard zijn, doet God dat niet. In een gezelschap zoeken we de mensen die ons verder kunnen helpen. Mensen die kunnen bijdragen aan onze carrière. Mensen met wie het fijn is om te praten. Mensen die op een bepaalde trede op de maatschappelijke ladder staan. Mensen die gevierd zijn om daarmee zelf ook aan populariteit te winnen. Maar zo is het bij God niet. Hij kent geen aanzien des persoons. We geloven dat wij ieder bij name bij God gekend en geliefd zijn als de mens die we zijn. Dat betekent dat we niet eerst iets moeten worden voor God ons liefheeft. In zijn of haar ogen zijn we al de moeite waard als zijn geliefde kinderen en als de gestalte waarin zij zich uitdrukt.

Die liefde strekt zich uit over de geschapen wereld en al het geschapen leven. Maar vooral tot de mens, die een eigen wil heeft ontvangen. Hij heeft de keuze om Gods liefde te beantwoorden. De mens heeft de vrijheid ook tegen zijn natuur, zijn bedoeling, te handelen. Ik bedoel daarmee alleen dat de mens de vrijheid heeft zich anders te gedragen dan op grond van zijn door en tot liefde geschapen zijn verwacht mag worden. Een dier kan zich niet anders gedragen dan als het dier dat het is. Voor de niet bezielde wereld is dat nog veel onontkoombaarder. 
Maar een mens kan haten, georganiseerd oorlog voeren, etnische zuiveringen toepassen, groepsverkrachtingen plegen en medemensen ophangen. Een mens kan onmenselijke dingen doen. Maar wij geloven dat de mens bedoeld is om Gods liefde zichtbaar te maken. Daarin ligt het eigene van de mens. De menswording, in daadwerkelijke en concrete zin, is gelegen in de mate waarin wij in staat zijn Gods gelaat in onze wereld te laten stralen. Door in ons handelen en in onze relaties het leven van de ander te bevorderen en te behoeden. Door de vrede na te jagen en gerechtigheid te doen.

Aan het eind van de evangelielezing staat dat Jezus belooft om ieder die Hem voor de mensen belijdt, bij de Vader te belijden. Het gaat er daarbij niet om, of toch zeker niet alleen, om te zeggen dat je in Christus gelooft. Dat is maar een zeer gedeeltelijke belijdenis. Het gaat erom de mensen te laten zien wat het betekent om te zeggen dat je in Christus gelooft. Het echte belijdenis van Christus is de navolging. Het gaan in zijn spoor. Te doen zoals Hij heeft gedaan. Ons leven delen met velen tot opbouw van allen. Om met elkaar dat ene lichaam van Christus te vormen dat groter is dan alleen diegenen die in Hem geloven. Om ons in te zetten voor een samenleving waarin het leven van een ieder omwille van zichzelf gerespecteerd wordt.

Een leven dat op die manier van Christus getuigt, wordt door Christus beleden bij de Vader. Het wordt door Christus als het ware als een authentiek christelijk leven herkent en tegenover de vader erkent als een leven dat getuigt van de werking van zijn Geest. Als een leven dat gericht staat op het ware leven dat in God geborgen is en door God bedoeld is. Zo’n leven is ten volle gezegend en staat in dit leven al in het teken van het eeuwig leven en het Rijk van God dat duren zal. Het land van louter licht en vrede. Amen.

top

Overweging 8 juni 2014, Pinksteren 
ieder in zijn eigen taal

Lezingen: Ezechiël 11, 17-20; Handelingen 2, 1-11; Johannes 14, 23-29. 
Er wordt wel gezegd dat Pinksteren het feest is van de geboorte van de kerk. Dat mag zo zijn, maar dan toch in een bepaalde betekenis. Een betekenis die niet zomaar te vereenzelvigen is met de kerk zoals die concreet gestalte krijgt. En tegelijkertijd ook weer wel. 

Voor een aanvullend begrip van de inhoud van het Pinksterfeest zouden we terug moeten kijken naar de Joodse oorsprong ervan. Het gaat terug op het wekenfeest, sjavoeot, dat op de vijftigste dag na Pesach, de gedachtenis van de uittocht uit slavernij, wordt gevierd. Van oorsprong een oogstdankfeest waar de eerstelingen van de oogst in dankbaarheid in de tempel werden gebracht volgens het gebod in de Thora. Maar allengs het feest van de herdenking van de gave van de Thora op de berg Sinaï. Gave en ontvangst van de thora lopen niet gelijk. Na de gave begint de ontvangst van de Thora pas. Mozes ontvangt de tien geboden. Daarna ontvangt het volk deze uit handen van Mozes. Maar dan komt het moeilijkste, namelijk om die tien geboden ook in het hart te ontvangen. Om ze te ontvangen in de manier van leven, ze geestelijk toe te eigenen, zodat zij werkelijk een deel van het leven van het Godsvolk worden en van elk lid van dat volk. De Thora mag geen geschreven tekst blijven. Zij moet worden tot vlees en bloed. Zij vraagt erom geleefde en levende werkelijkheid te worden. Niet alleen in Israël, maar voor alle volken. 
Rabbi Jochanan ben Zakkaï, een tijdgenoot van Jezus, zegt: op de berg Sinaï verdeelde de stem van de eeuwige zich in zeventig talen opdat de Thora bij alle volken gehoord wordt. Door de gave van de Thora wordt het volk Israël tot volk van het Verbond. Maar alleen door de wet te aanvaarden en ernaar te leven wordt het ook daadwerkelijk het Godsvolk, tot getuigenis voor de volken. Aangezien de Thora het hart van het verbond en van het Godsvolk is, moet het niet een stenen hart zijn, maar een levend hart.

Tegen deze achtergrond begrijpen we wellicht ook iets meer van ons Pinksterfeest en van de symboliek in de lezingen die we in deze viering gebruiken. De lezingen hebben immers hun betekenis binnen de verhalencultuur van het Joodse volk. De tekst van Ezechiël spreekt heel uitdrukkelijk over de wederkerigheid van het verbond. Daarbij wordt de eenheid van het volk en de terugkeer uit ballingschap en verstrooiing gekoppeld aan de naleving van de wet. 
De wet is niet in de eerste plaats iets voor Schriftgeleerden die over de tekst debatteren. Discussies die niet zelden leiden tot onenigheid, scheuringen en schisma’s. Het gaat daarbij zelden om geestelijke waarheid, maar eerder om gelijk hebben, een ander soort waarheid. De waarheid van de Schrift ligt in het doen van de Schrift. Het vervullen ervan. Leven naar dezelfde geest als waaruit de Schrift gegeven is. Namelijk om goed, in vrede en verbondenheid met God en mensen te leven. Het begrijpen van de geest van de wet is niet zozeer een zaak van het verstand, maar van het hart. Zonder liefde en het verlangen naar eenheid is de wet van God niet te begrijpen. 
De wet is de uitdrukking van het verbond van God en mens en is ook op dat verbond gericht. Het wil de bedoeling bewerken waarmee het gegeven is. Dat betekent dat het niet mensen aan banden wil leggen, maar verbondenheid wil voortbrengen tussen mensen en tussen mensen en God. Zo zullen mensen zich ontwikkelen tot een volk, en ik zeg tot één volk, en zal dat volk zich ontwikkelen tot Gods volk.

Binnen de christelijke boodschap wordt de thora vertegenwoordigd door Jezus Christus die we aanduiden als het mensgeworden Woord van God. Hij is de vervulling van de wet. Het volk dat zich rond Hem verzamelt, is geroepen Hem na te volgen. Dat wil niets anders zeggen dan dat de leden van dit volk leven naar zijn geest en net als Hij het Woord van God met hun leven trachten te vervullen.

Het verbondsteken van de doop maakt ons weliswaar tot ledematen van het verrezen lichaam van Christus, maar in de praktijk zijn we dat door Hem na te volgen. Om Christus te ontvangen in ons leven ontvangen we de gave van de Geest. Dit ontvangen is niet een louter aannemen, maar, zoals bij de gave van de Thora gezegd is, een zich eigen maken van de betekenis van Jezus Christus in de praktijk van ons leven. Dat is getuigend leven temidden van de volken op een voor ieder verstaanbare wijze.

Wat Jochanan ben Zakkaï beweerde ten aanzien van de thora wordt in de tekst van de Handelingen uitgewerkt. Hetgeen in Jezus wordt geopenbaard moet niet beperkt blijven tot de groep leerlingen uit het volk Israël, maar is van belang voor de hele bewoonde wereld. Daarom moet het ook in alle talen klinken, zodat ieder die boodschap in de eigen taal kan verstaan.

Dit heeft twee betekenissen. De Blijde Boodschap is bestemd voor alle volken. In het verhaal gesymboliseerd door de opsomming van de vertegenwoordigers uit de diaspora. Maar het wil ook zeggen dat de Blijde Boodschap betekenis heeft voor ieders context. Of je nu slaaf bent in Rome, handelaar op Kreta, timmerman in Jeruzalem of landbouwer in Mesopotamië, voor ieder is de Boodschap van belang en heeft iets te zeggen. Het evangelie heeft gelding in alle omstandigheden en culturen. Ook daarvoor is van belang dat ieder de boodschap verstaat in de eigen taal. Dat wil zeggen dat ieder deze kan vertalen naar het eigen leven in zijn concrete omstandigheden. De kracht van hetgeen in Christus wordt geopenbaard is dan ook dat de Blijde Boodschap velen kan aanspreken. Het is geen exclusief verhaal. Niet alleen maar bestemd voor de enkeling. Het appelleert aan universele verlangens. Ieder die wil luisteren, kan het verstaan. Dat is de katholiciteit van het evangelie.

Om de Boodschap in de kern te verstaan hoeven we niet over bijzondere kennis of kwaliteiten te beschikken. Dit lijkt wat strijdig met de kilometers lange theologische bibliotheek, of, anders gezegd, de terabytes aan theologische publicaties. Maar dat brengt ons niet per se tot de geleefde kern van het evangelie. De betekenis ervan wordt bemiddeld door de Geest van God die in ons werkzaam is. Dat is geen vreemde geest die ons bezet houdt, maar een geest die ons bevrijdt van wat ons verhindert waarlijk mens te zijn. Het is de geest van liefde.
Zoals het evangelie van Johannes het zegt: “wie Mij liefheeft zal mijn woord onderhouden en mijn Vader zal haar/hem liefhebben en wij zullen bij haar/hem woning nemen”. De liefde voor het Woord van God, die waarheid is en bron van leven, zal ook de weg wijzen die we in het leven te gaan hebben met het oog op het leven dat we verlangen.

We gaan die weg niet in ons eentje, maar als gemeenschap, als volk onderweg. Het is de gemeenschap van de leerlingen waar Jezus als de verrezene in verschijnt en aanwezig komt. Het is ook in die gemeenschap dat de betekenis van het leven en de dood van Jezus wordt bevraagd en begrepen. De gemeenschap van gelovigen is de authentieke omgeving waarin het evangelie wordt gelezen en verstaan met het oog op het getuigenis van die gemeenschap. De vrijheid van het evangelie betekent niet dat iedere ketter zijn letter heeft, maar dat het evangelie in elke generatie en in de verschillende sociale en culturele omstandigheden gelezen en geïnterpreteerd kan en ook moet worden. Zodat het hart van de gemeenschap, het Woord van de Eeuwige, levend blijft en blijft kloppen.

We moeten telkens weer kritisch, dat wil zeggen met onderscheidingsvermogen, kijken naar de betekenis van de Blijde Boodschap voor onze tijd en omstandigheden en kijken naar onszelf in het licht van die betekenis. Zo blijven we op weg en raken niet vastgeroest in verstarde, niet meer toepasselijke beelden. Zo verhinderen we dat we opportunistisch met het evangelie omgaan, of het Woord van God, Christus, naar onze hand zetten. Zo voorkomen we dat de Boodschap zelf geïnstitutionaliseerd wordt.

Als we kerk verstaan als het in Christus verzamelde Godsvolk dat Hem als levend hart van de gemeenschap erkent en creatief leeft naar zijn Geest, dan mogen we Pinksteren vieren als de geboorte van de kerk. Amen.

top

Overweging 25 mei 2014 
Veerkrachtige getuigen van hoop 

Lezingen: Jesaja 41, 17-20; 1Petrus 3, 8-18; Johannes 16, 16-24. 
In de evangelielezing van vandaag kijken we weer even terug op de gebeurtenissen voor Pasen, die van belang zijn voor de interpretatie van hetgeen na Pasen met de leerlingen gebeurt. In het Johannesevangelie neemt Jezus afscheid van zijn leerlingen met de bemoedigende woorden dat zij Hem na een korte tijd weer zouden zien. Hij zegt daarmee dat zijn heengaan tijdelijk is. De eerste generatie van de leerlingen heeft dit opgevat als een spoedige wederkomst van Jezus. De verwachting dat de messiaanse tijd in Jezus was gekomen en ook door zou breken heeft plaatsgemaakt voor de hoop dat wat in Jezus is voorgeleefd en onderwezen, spoedig werkelijkheid zou worden in zijn wederkomen. En dan niet als leraar en martelaar, maar als richter en zegevierder. Een wederkomen dat de ogenschijnlijke mislukking van zijn leven door de dood die Hij gestorven is, een echec dat in de opstanding al een omkeer heeft gevonden, eens en voor altijd goed zou maken.

De meeste leerlingen van Jezus leefden in de veronderstelling dat Jezus spoedig zou wederkeren om alles te herstellen. Maar al snel neemt dit geloof een andere vorm aan. De spoedige wederkomst op de manier waarop die leerlingen zich dat dachten, zat er niet in. Zij leerden al snel leven met een uitgestelde betaling, een uitgestelde aflossing van de belofte. Heel simpel gezegd zaten zij met het probleem van een afwezige die aanwezig moest zijn.

Het hele complex van de geboorte, het leven, de dood en opstanding van Jezus, en de wedergeboorte, het getuigenis en het leven van de leerlingen komt in een bijzondere betekenissamenhang te staan. De betekenis van het leven van de leerlingen kan niet los worden gezien van de betekenis van het leven, de dood en de opstanding van Jezus. De leerlingen moesten het geheel opnieuw doordenken in het kader van de verlossende boodschap van Jezus. Waar de aanvankelijke verwachtingen waren teleurgesteld diende nieuwe hoop gevonden te worden. Daarbij wordt het leven van de leerling geplaatst in het perspectief van de wederkomst van Jezus de Messias. Het wordt een leven in zijn Geest, een wachtend gedenken en een voorbereiden. Zo zeggen we het ook in de eucharistie: we stellen het teken van zijn aanwezigheid in ons midden en gedenken zijn dood totdat Hij komt in heerlijkheid. In dit vierend gedenken vindt telkens weer zijn wederkomst in ons midden plaats. De vierende gemeenschap, voor zijn Geest ontvankelijk, vormt als het ware de schoot waarin Hij opnieuw tot leven komt. Dit besef brengt Hem op nieuwe wijze in ons midden. Tegelijk maakt Hij daarmee zijn aanwezigheid afhankelijk van ons, zoals ooit van de ontvankelijkheid van Maria voor de Geest van God.

Daarmee is de vierende, in zijn Naam door de doop verzamelde, gemeenschap de akker waarop de regen valt van het Woord. Het dorre land van ons hart waarin het zaad is geplant dat door het Woord kiemen gaat en vruchtbaar wordt voor de Komende en diens Rijk. In dat beeld zijn wij deel van dat komende rijk, niet als object, maar als subject. Het Rijk komt ons niet alleen tegemoet als objectieve werkelijkheid, maar groeit door ons heen naar zijn voltooiing. Beeldend wordt die werkelijkheid beschreven in de tekst van Jesaja. Er wordt recht gedaan aan armen en misdeelden. Die nu verkommeren zullen gelaafd worden. Het land zal vrucht dragen en waar de woestenij van onrecht heerst zullen geurige bomen bloeien. De hand van de Heer zal het bewerken en die hand is de Messias.

In navolging van Hem, is ook het Godsvolk drager van de messiaanse zending. Wanneer de Blijde Boodschap geen weerklank vindt in de harten van mensen staat de Messias machteloos. Netzomin als een voorganger in zijn eentje geloofsgemeenschap kan zijn, kan Christus zonder zijn lichaam. Het Woord, het messiaans ideaal moet incarneren wil het werkelijkheid kunnen worden in onze wereld en zo de structuren van onze wereld vernieuwen. En laten we niet denken, doordat we het goed hebben, dat onze wereld geen verlossing nodig heeft. Het leven is voor een beperkt deel van de mensheid erg gunstig, maar voor het overgrote deel helemaal niet. Niemand weet precies hoe de problemen van onze wereld opgelost moeten worden en hoe de mensheid kan leren in vrede te leven, maar in ieder geval niet op de wijze waarop we nu met elkaar omgaan. De groei van het koninkrijk van God vraagt een andere wijze van omgaan met elkaar, met onze leefwereld, met eigendom en bezit. Een wijze die haaks lijkt te staan op wat in onze wereld op grote schaal gebruikelijk is.

De Petrusbrief geeft een aantal voorbeelden en aanwijzingen dat duidt op een radicale doorbreking van de kringloop van het kwaad. Eensgezindheid en compassie. Geen lik op stuk, maar liefde stellen tegenover haat en geweld. Zegenen in plaats van kwaadspreken. Eerlijk en oprecht handelen. Eigenlijk allemaal niet zo verschrikkelijk moeilijk. Het gaat erom of je bereid bent de ander te respecteren en zonder geheime agenda met anderen om te gaan. Of we serieus werk willen maken van onze eigen geestelijke groei en de transformatie van de wereld.

Niet omdat we denken daar makkelijk in te slagen. Misschien lukt het ons wel nooit, maar dat is geen reden om het niet te proberen. We doen het niet omwille van het succes, maar omdat we erin geloven. En omdat we ervan overtuigd zijn dat het anders moet kunnen en anders moet. Deze wereld omgekeerd. Gods woord dat niet ijdel klinkt in deze wereld, maar alleen als voltooide werkelijkheid tot Hem terugkeert. Daar geloven we in en daar hopen we op. Daarom moeten we ook tegenover sceptici en cynici bereid zijn, juist tegenover hen, om rekenschap te geven van onze hoop en van ons geloof. En daarin van ons vertrouwen in het heilspotentieel van onze wereld en van onszelf.

Geloven betekent blijven vasthouden aan het "en toch" als irrationele daad van verzet tegen de overweldigende rationele argumentatie van het gelijk van deze wereld. Het "en toch" als ontmaskering van mooie praatjes die innerlijk niet deugen. Van redeneringen die rekenkundig feitelijk kloppen, maar geen perspectief bieden. Van verklaringen waarom de dingen zijn zoals ze zijn, omdat ze wel makkelijk uitkomen voor wie ze hanteren. Het diep van binnen gevoelde "en toch" tegenover elke rechtvaardiging van wat in wezen onberedeneerbaar als onrechtvaardig aangevoeld wordt. We hebben naïeve mensen nodig voor Gods toekomst. We hebben mensen nodig die slim genoeg zijn om het "ja maar" van de ratio als eenzijdig en beperkt te kwalificeren.

Wat Jezus in heel zijn leven duidelijk maakt is dat de wijze waarop we naar onze werkelijkheid kijken niet onafwendbaar en onveranderlijk is. Dat de werkelijkheid niet is, in alle onveranderlijke massiviteit, maar dat het een kwestie van perspectief is. De werkelijkheid hangt af van de manier waarop je er naar kijkt en deze beleeft. Hij, Jezus, beleeft de werkelijkheid als het domein waarin Gods wil tot uitdrukking wil komen. Dit geldt nog sterker en duidelijker voor zijn dood. Om dood als leven te kunnen zien en leven als eeuwig en onveranderbaar in Gods liefde geborgen, vraagt om een zeer bijzonder perspectief. Een perspectief dat we op het spoor kunnen komen door te geloven in dat wat in Jezus wordt geopenbaard en geleefd. Dat is iets wat we niet ten volle begrijpen, maar wat aansluit bij ons verlangen naar waarachtig leven. Bij onze behoefte aan hoop en perspectief.

Daarom hebben we dichters, kunstenaars en profeten nodig die het gelijk van de wereld ontmaskeren en de werkelijkheid openen naar de belofte. We hebben dromers nodig die ook de handen uit de mouwen steken en durven handelen. Risico durven nemen, gebaande paden durven verlaten. 
Eigenlijk hebben we gewoon gelovigen nodig. Amen.

top

 

Overweging 18 mei 2014 
Bouwstenen

Lezingen: Deuteronomium 6, 20-25; 1Petrus 2, 1-10; Johannes 14, 1-14. 
Wanneer een kind van Joodse afkomst aan zijn ouders vraagt wat de betekenis is van de geboden en waarom zij naar de synagoge gaan op sjabbat, krijgt het verhaal van de uittocht te horen. En dan niet als een verhaal over anderen in een ver verleden, maar als een persoonlijk verhaal in de wij-vorm. Elke nieuwe generatie moet dit verhaal opnieuw horen om het leren zien als ook hun verhaal. Om zich te kunnen identificeren met het door God bevrijde volk. De schrijver van het deel van Deuteronomium dat we lazen, lijkt zoiets ook te bedoelen. Hij herhaalt het verhaal over de gave van de geboden, legt de bedoeling van de geboden uit en roept zijn geloofsgenoten op dit ook aan hun kinderen te vertellen wanneer zij vragen hebben over het waarom van de geboden. Hij zegt hun: "als je kinderen dat vragen, dan moet je hun antwoorden: ‘WIJ waren slaven in Egypte, maar de Heer heeft ons bevrijd en naar het door Hem beloofde land gevoerd. Daarom leven we naar de geboden die Hij ons heeft gegeven, opdat we gelukkig zijn en leven’ ". Zij zeggen niet ZIJ, maar WIJ zijn bevrijd. En daarmee zeggen zij: "het is ons verhaal en daarom leven we naar de geboden en vieren sjabbat". 

Heilsgeschiedenis, God die zijn volk uit gevangenschap leidt, en mensengeschiedenis, Israëlitische slaven die aan slavernij ontsnappen en zich tot een volk ontwikkelen, vallen samen. En wanneer je je deel weet van dit volk is die bevrijdende geschiedenis ook jouw geschiedenis. Een beetje vergelijkbaar met het "wij hebben gewonnen", wanneer elf in het oranje geklede mensen vaker gescoord hebben dan de "blauwen".

Wanneer onze kinderen of, stel dat dat gebeurt, onze kleinkinderen ons vragen wat ons geloof betekent en waarom we geloven en zondag vieren, hebben we het een stuk moeilijker om antwoord te geven. De gebeurtenis die aan ons geloof ten grondslag ligt, is ten dienste van ons geschied waardoor het lastiger is het als onze geschiedenis te beleven. Het eens en eenmalige van Jezus maakt het voor ons moeilijker. Jezus is weliswaar een van ons, maar in onze geloofsopvoeding en traditie is Hij toch voornamelijk Zoon van God en alleen maar omwille van ons mens geworden. Het bevrijdende van God in Christus voor ons moeten we ons eerst eigen maken alvorens het te kunnen doorvertellen. 
Je kunt het bevrijdende verhaal van geloof alleen maar geloofwaardig doorvertellen wanneer het een werkelijkheid voor je is. Wanneer het concrete geloofservaring is. We kunnen de tien geboden aan onze kinderen leren en doorvertellen, maar wanneer we niet kunnen vertellen wat zij voor ons betekenen en op welke wijze ze een deel zijn van ons eigen leven, is de kans groot dat het woorden blijven en geen begrippen worden. 
Rowan Williams, de voormalige aartsbisschop van Canterbury, die afgelopen donderdag een eredoctoraat van de Radbouduniversiteit ontving, zei een keer bij een toespraak: "Ik kan God niet uitleggen en het geloof niet overdragen. Ik heb geen algemeen geldende antwoorden op de vraag van mensen naar God. Ik kan alleen vertellen en laten zien wat het voor mij betekent om mijn leven met God te leven". En dat is wat ook wij kunnen doen, ons verhaal over ons leven (en dat is ook soms worstelen) met God vertellen. Het liefst in woord en daad.

Dat lijkt me ook de betekenis van de woorden in de eerste Petrusbrief, waar staat: "laat je opbouwen als levende stenen tot een geestelijk gebouw". Dit geeft precies aan waar het om gaat. Iets aan je laten gebeuren, maar niet op een passieve manier, maar op een actieve, ontvangende en levende manier. Vanuit de geloofstraditie krijgen we van alles aangereikt. We kunnen daar op verschillende wijze mee om gaan. Passief en actief. 
Je kunt het als niet meer van deze tijd naast je neerleggen, je kunt je conformeren als een serieproduct, ofwel je laat je erdoor inspireren in wat het je te zeggen heeft in de concrete omstandigheden van je leven. We staan immers op het snijpunt van gelovige inspiratie en de gebeurtenissen van ons leven. Daarin hebben we de keuze de dingen te ondergaan en er iets mee te doen. Het leven over ons heen te laten komen, of onze opdracht in het leven waar te maken. Tussen dode, voor eens en altijd gevormde, steen, willoos ingevoegd in het maaksel van anderen of van de omstandigheden, en levende bouwsteen die deel uitmaakt van een levend organisch bouwwerk. Ik denk dat we zouden moeten proberen, niet om een product van de omstandigheden, maar een levend antwoord te zijn. Daardoor bouwen we ook elkaar op tot een levend antwoord op ieders behoefte aan een teken van Gods aanwezigheid.

Het is daardoor dat we, eens geen volk, nu Gods volk mogen zijn. In de betekenis van de Bijbel wordt het begrip volk in religieuze zin bedoeld. Volk onderscheidt zich van staatkundige groepering. Een volk is een door God betekende samenleving van mensen. Wanneer de Petrusbrief schrijft dat we eens geen volk waren, maar nu wel, dan bedoelt de brief te zeggen dat we door het geloof in Christus Gods volk zijn geworden. Hij is de hoeksteen van het gebouw dat wij zijn. Aan Christus ontlenen we onze identiteit als volk. Zonder Hem zijn we een verzameling individuen, geen volk.

Om te weten wat onze identiteit als Gods volk is en om te leren te leven overeenkomstig die identiteit moeten we naar Christus kijken. Niet om Hem te kopiëren, maar om te leren in zijn navolging te leven als de mensen die we zijn in de historische en culturele omstandigheden waarin we leven en met datgene waar we in ons leven tegenaan lopen en met de mensen die we ontmoeten en met wie we samenleven.

Wie we in christelijke zin zijn, wat onze identiteit is, ontlenen we niet aan onszelf. We ontlenen het aan de A(a)nder. Het is een gegeven en beaamde identiteit. Om te weten wie we als gedoopten zijn moeten we niet in de spiegel kijken, maar naar Jezus kijken. Wie we zijn wordt mede bepaald door Hem. Dat betekent niet dat we onszelf verliezen of opgeven in Hem, maar dat we in christelijke zin onszelf worden door naar Hem te kijken. Hij is onze waarheid, met andere woorden wat wij in waarheid zijn. Wat wijzelf denken te zijn, hoe we onszelf zien vanuit onszelf, is niet onze waarheid. Wij worden wie we zijn door Hem die zegt ik ben de weg, de waarheid en het leven.

Waarachtig leven is leven naar de aard van je ware zelf, naar wie je werkelijk bent. De weg van het leven gaan is daarop gericht. We gaan die weg als de mens die we zijn. We moeten niet allemaal dezelfde worden en we moeten ook geen kloon van Jezus worden. In het huis van de vader zijn vele woningen. Niet allemaal in één hokje, maar wel allemaal in het huis van de Vader. Dat huis van de Vader is het geestelijk gebouw waarvan in de brief van Petrus sprake is. Het is de tempel in de geest, of het in de Geest gebouwde huis als de respectvolle samenleving waarin we met God en met elkaar een leven kunnen leven dat die naam waard is.

Het bevrijdende verhaal van God met mensen doorvertellen is getuigend leven. De liefde navolgen en zo te komen waar Jezus is. Waar is Hij dan en hoe komen we daar? Dat is de vraag die ook Tomas stelt. Maar eigenlijk hoeven we die vraag niet te stellen. We hoeven niet achter Jezus aan te lopen. 
Hem navolgen is de weg gaan die Hij is. Het is een manier van leven, een lifestyle concept waarin hij aanwezig is en door Hem ook God in deze wereld aanwezig komt en blijft. Door in zijn Geest te leven hoeven we niet ergens te komen, we zijn er al. We zijn dan al waar Hij is, aan de rechterhand van de Vader. We wandelen als het ware met God, zoals ook Hij deed, we zijn in waarheid en gaan de weg van het leven. 
Wijzelf en ieder die we ontmoeten is zo een levende bouwsteen en iedere ontmoeting is de plek om een huis te bouwen in de geest. Zo bouwen we aan een samenleving die gekenmerkt wordt door liefde en respect en die daarin beeld is van het huis van God waar plaats is voor ieder. Amen.

top

 

Overweging 11 mei 2014 
Wegwijs in deze wereld

Lezingen: Wijsheid 10, 10-14; 1Petrus 4, 12-19; Johannes 15, 18-21. 
(preek gehouden in Joris op ’t Zand te Amersfoort. We moeten ons toeleggen om wijs de goede weg te gaan in deze wereld) 
Beste medegelovigen, er valt veel te vieren vandaag. In de eerste plaats is het natuurlijk gewoon zondag, reden tot vieren genoeg zou je zeggen. Maar er is meer. Het is ook moederdag, weliswaar erg commercieel, maar ook een dag om stil te staan in dankbaarheid bij onvoorwaardelijk zorgende liefde en in sommige gevallen ook gemis daaraan. Ik denk in dit verband ook aan het beeld van de moeder dat als metafoor voor de kerk gebruikt wordt. Het is de vierde zondag van Pasen en gebruikelijk vieren we dan de zondag van de Goede Herder, Jezus als beeld van de herder die onbaatzuchtig zorg draagt voor zijn schapen, beeld van schenkende liefde. Maar voor ons ligt vandaag het accent op de viering van het sint Joris feest, patroon van Amersfoort en van onze geloofsgemeenschap. Daarbij denken we in dankbaarheid aan de zorgende liefde van allen die als vrijwilliger zich bijzonder voor onze gemeenschap inspannen. Bovendien zijn we dankbaar voor de vruchtbaarheid die onze gemeenschap geschonken wordt in de mensen die vandaag bij de viering van de patroonheilige officieel zijn toegetreden tot de parochie van sint Joris op ’t Zand. Een vreugde die, zoals gezegd, wordt overschaduwd door het overlijden van Pieter waardoor Hans hier vandaag niet bij is. Een paar weken geleden, na de ziekenzalving van Pieter, zei Hans me dat hij misschien eerder de beslissing had moeten nemen om toe te treden. Maar je neemt die beslissing niet voor een ander, hoe dierbaar ook. Het is een persoonlijke beslissing die je met overgave en in vrijheid moet nemen. Op jouw tijd, want dat is de tijd waarop Gods tijd en jouw tijd samenvallen. Dan wordt Gods werken mensengeschiedenis en menselijk handelen getuigenis van Gods werken in deze wereld. Daarom zei ik: "natuurlijk denk je dat nu, Hans, maar jij zet de stap op jouw tijd".

De viering van sint Joris wordt vandaag mede ondersteund door De Banier uit Oudewater, toegewijd aan sint Michael. Zowel Joris als Michael hebben de reputatie zich teweer te stellen tegen het kwaad. Zij worden dan ook meestal als strijders voor de goede zaak afgebeeld en in die afbeeldingen lijken zij erg op elkaar. Zij het dat de een, net als wij, geen vleugels heeft en de ander wel. Zij vormen een mooi bruggetje naar de lezingen van deze dag. Daarin gaat het om onze houding ten opzichte van de wereld. Om keuzes maken en positie kiezen. Vandaag hebben Martine, Robert en Dick ook een keuze gemaakt. Vandaag kiezen zij opnieuw uitdrukkelijk voor een bepaalde manier van leven en spreken zij het verlangen uit dat wij dat met hen doen. In de vragen die aan het begin van de viering aan hen gesteld zijn, komen die keuzes aan bod. Kiezen om te groeien in geloof, hoop en liefde. Om dienstbaar te zijn aan de opbouw van het Godsrijk. Om bij te dragen aan de opbouw van de geloofsgemeenschap. Om mensen te dienen en God eer te geven. Kortom om de weg van een leerling van Jezus te gaan. Om de wijsheid te leren die in de ogen van de wereld wellicht dwaasheid is, maar die wel de wijsheid is die ons de weg wijst naar het rijk der hemelen. Het rijk Gods als een wereld waar voor iedereen plaats en niet alleen voor een bepaalde categorie mensen.

Wij gaan die weg in deze wereld, laat daarover geen misverstand bestaan. Deze, onze wereld is het werkveld van de christen. Ik zeg dit met enige nadruk, aangezien deze wereld en de komende wereld, DE WERELD met hoofdletters, vaak tegen elkaar worden uitgespeeld. Alsof onze wereld alleen maar een schijnbetekenis heeft. Alsof deze wereld slechts een wachten is, tot de echte wereld komt: "stil maar wacht maar, alles wordt nieuw". Eeuwenlang is deze wereld betiteld als een tranendal, een door de zondeval aangetaste werkelijkheid die geen relatie heeft met de wereld zoals die bedoeld is van voor de zondeval, en waar niets goeds uit voort kan komen. Deze wereld is dan de plaats van zonde, van vergankelijkheid, dood en onrecht, van alles wat niet deugt. In de tijd van de oude kerk was dat nog niet zo en de laatste vijftig jaar is de wereld in het theologisch denken gelukkig ook geëmancipeerd naar een plaats van openbaring en verwerkelijking van Gods heil. Dat is een ongelofelijke verandering. De wereld die verwerpelijk was, werd ineens een plek waar het koninkrijk der hemelen zichtbaar zou kunnen worden, mogelijk zelfs gerealiseerd zou kunnen worden. Nu zijn we van dit bevrijdingsoptimisme ook wel weer teruggekomen, omdat we weten dat onze werkelijkheid niet geheel maakbaar is. Maar intussen heeft onze wereld gewonnen aan theologische werkelijkheid. En dat is een grote winst. Een winst die aansluit bij de woorden van het Evangelie.

Van zichzelf zegt Jezus dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is en tegen zijn leerlingen zegt Hij dat zij niet van deze wereld zijn. Weliswaar in deze wereld, maar niet van deze wereld. Zelfs zegt Hij bij monde van de evangelist dat Hij hen uit deze wereld genomen heeft. Weliswaar in de wereld zijnde, zijn de leerlingen niet van de wereld, staat elders.

Wat mag er dan bedoeld zijn met deze wereld, zodat we niet de grond onder onze voeten verliezen? In de wereld zijnde, zijn we niet van deze wereld. We vallen er niet mee samen. We zijn geen willoos object van gebeurtenissen. Ons handelen is hier, ons hart is gericht op wat dit kan zijn. We handelen in deze wereld met het oog op de wereld waarin we geloven en waarvan we de contouren zien in het leven van Jezus en van mensen die ons tot voorbeeld zijn.

Niet van de wereld zijn betekent juist niet dat we onze wereld ontkennen, het betekent dat we niet samenvallen met de wereld zoals die is en dat we deze wereld stellen in het licht van het evangelie. De wereld ontdekken als mogelijkheid tot heilsopenbaring. En dat op fundamentele wijze. 
In de Paastijd zeggen we dat ons leven niet samenvalt met de biologische werkelijkheid tussen conceptie en dood. Dat er een vooraf en een daarna is dat in de zorgzame en trouwe liefde van God op duurzame wijze is begrepen. In de Handelingen van de Apostelen en de brieven van de leerlingen wordt duidelijk gemaakt dat er een handelen is ten opzichte van de wereld en in de wereld dat gericht staat op de verwachting van het komend rijk. Een rijk dat niet een totaal andere werkelijkheid is, maar de vervulling van de menselijke werkelijkheid. Een wereld die in lijn staat met ons verlangen en onze hoop. Het rijk der hemelen is geen virtuele werkelijkheid waarin we als avatar van onszelf figureren. Het is het reële domein van ons reëel verlangen.

Wanneer Jezus in het evangelie zegt dat Hij ons uit de wereld heeft weggeroepen, betekent dat dat Hij ons naar zijn wereld toeroept. Zijn koninkrijk dat niet van deze wereld is. Onze wereld staat in gelovige zin wel in het teken van die wereld, maar valt er niet mee samen. De brug tussen deze wereld en zijn wereld is verlangen naar gerechtigheid, heelheid en vrede. Of, zoals Augustinus het zegt: "als oprecht levende christenen zijn we nu reeds bewoners van de stad van God".

Als leerlingen van Jezus gedragen we ons dus als in de wereld levend met het oog op de wereld van Jezus. De wereld van Jezus is niet iets dat na deze wereld komt, maar het richt deze wereld op de werkelijkheid die in Christus wordt geopenbaard en voorgeleefd. In een wereld die gedomineerd wordt door strijd en competitie, getuigen we van een ander belang. Omdat we geloven dat er een andere bedoeling aan de wereld is gegeven, dat de wereld bedoeld is om God te openbaren. Een wereld gedomineerd door de wet van de liefde.

Daarom strijden we de goede strijd, stellen ons teweer tegen onderdrukking en onrecht en zetten ons in voor een vredevolle en rechtvaardige samenleving met alle wijsheid van de leerling. In het vertrouwen dat die inspanning toekomst heeft en dat er zegen op rust, aangezien het beantwoordt aan wat we ten diepste verlangen: leven in verbondenheid met God en mensen. Amen.

top

Overweging 4 mei 2014 
verrijzenis en dodenherdenking 

Lezingen: Jesaja 43, 1.9-12; 1Petrus 1, 17-23; Johannes 21, 1-14. 
Wanneer we uit de Bijbel lezen, klinken de woorden altijd onvermijdelijk in de actuele omstandigheden waarin we verkeren. Die omstandigheden bepalen de manier waarop we luisteren. En dat bepaalt weer de betekenis die de woorden voor ons (kunnen) hebben. Vandaag klinken zij in deze gemeenschap van mensen met ieder hun eigen verhaal, in Nederland woonachtig, in een wereld getekend door ernstige conflicten, op de dag waarop wij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog gedenken. De geallieerde militairen die sneuvelden, en de burgers die slachtoffer werden van een doelbewuste poging tot uitroeiing. Met alle kennis die we daarover hebben. Woorden van opstanding en leven klinken midden in de gedachtenis aan de dood van zovelen. Niet altijd is de spanning tussen verkondiging en de realiteit zo groot. Maar altijd stelt het Woord van de Schrift vragen bij onze realiteit.

Wanneer ik op een dag als deze, in navolging van Paulus, de gekruisigde Heer verkondig, en Die verrezen, voel ik me ongemakkelijk jegens die miljoenen die omgebracht zijn omwille van wie zij zijn. En dat niet alleen gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar ook in de eeuwen daarvoor. Tijdens pogroms in Rusland en Polen en vervolgingen in het Westen van Europa. En bijna altijd zijn zij gestigmatiseerd en gediscrimineerd. Het is pijnlijk om te beseffen dat het christendom niet weinig heeft bijgedragen aan de negatieve beeldvorming. We beseffen maar zelden ten volle hoe waar het is dat het heil uit Israël is gekomen en dat we zonder de Joodse context niets van Jezus zouden begrijpen. Het benoemen van Jezus als Christus, of de Christus, is een duiding die alleen maar binnen de Joodse traditie te begrijpen is. De figuur van de verlossende Messias staat immers in het generatieslang doorvertelde verhaal van een geschiedenis van bevrijding uit slavernij, van belofte en verbond, van verlangen naar vrede en heelheid, maar ook van verwijdering, strijd en verdeeldheid. Het is precies temidden daarvan dat het visioen van de messiaanse tijd en de Messias hun rol vervullen. In het lied van verlangen en belofte, van slavernij en verlossing.

De, Joodse, leerlingen van Jezus hadden in Hem de Messias ervaren en Hij had hun hoop gegeven op een toekomst vrij van onderdrukking. Voor velen van de volgelingen was deze hoop met de dood van Jezus definitief de bodem ingeslagen. Anderen waren al eerder afgehaakt, aangezien Jezus zich niet als een politieke vrijheidsstrijder gedroeg. Zijn rijk was, naar zijn zeggen, niet van deze wereld, terwijl zij juist het heil en de bevrijding in deze wereld verwachtten. Ook de leerlingen uit de kring die Jezus zijn vrienden noemde, nemen de draad van hun vroegere leven weer op. In het Johannesevangelie wordt dat terloops verteld wanneer er staat dat Simon Petrus en een aantal andere leerlingen weer bij het meer van Galilea zijn en gaan vissen. Maar dit leven is voor hen niet meer weggelegd. De tijd die zij in het gezelschap van Jezus hebben doorgebracht heeft hen veranderd. Simon heeft zelfs een andere naam ontvangen, Petrus. Hun leven heeft door Jezus een andere bedoeling en inhoud gekregen. Daardoor is hun oude leven zinloos en vruchteloos geworden. Hun inspanningen hebben pas weer succes, wanneer zij handelen op het woord van de Heer (gooi je netten uit aan de rechterzijde van de boot). Iemand die op bestaansniveau met Jezus in aanraking is gekomen, kan niet zomaar met zijn leven doorgaan alsof er niets gebeurd is. Zij of hij moet op een andere manier vrucht dragen. Door met de gaven van de Geest het woord van de Schrift te vervullen, want dat is wat het getal 153 volgens Augustinus betekent.

Hoe dat ook zij, wanneer de leerlingen in staat zijn om, over hun teleurstelling heen, Jezus op andere wijze te herkennen, is Hij even concreet en tastbaar in hun midden als voedsel. Hij is niet als een schim in hun midden, maar als een levende werkelijkheid. Voor de leerlingen is dit een openbaring die hun nieuwe energie en vertrouwen geeft. Het wordt in het Johannesevangelie dan ook verteld in de aanloop tot de zendingsopdracht die Petrus ontvangt, en die in hem ook de leerlingen krijgen, namelijk om uit liefde voor Christus zorg te dragen voor de Zijnen, die God Hem in de wereld heeft gegeven. Dit is ook precies waar Jezus om heeft gebeden op de laatste avond van zijn leven, toen Hij met de leerlingen bijeen was. Dat allen die op de verkondiging van zijn leerlingen in Hem en in God geloven één mogen zijn. Dat moge dan in eerste instantie gelden voor de gelovigen uit Israël, maar in belofte voor allen die geloven. Mede op grond van profetische teksten, zoals in Jesaja, heeft de Messias betekenis voor alle volken. Het heil dat God aanbiedt, is niet particulier voor enkele personen en ook niet exclusief voor een bepaald volk, maar voor allen die ten diepste verlangen naar volledig mens-zijn. Hen wil Jezus, als de gestalte van God en de gestalte van de nieuwe mens die Hij is, bevrijden van wat mensen afhoudt te worden waartoe zij bestemd zijn.

De grootste barrière daarvoor is onze neiging om ons vast te klampen aan onszelf, aan het leven dat we gewend zijn. Liever het vertrouwde omarmen dan nieuwe mensen worden. Verlangen wij dus wel genoeg naar verlossing en bevrijding om in Jezus Christus onze redder te herkennen? Om ons aan Hem toe te vertrouwen en ons leven door Hem te laten omvormen tot een gelijkvormigheid aan Hem? Begrijpen we waar het bij verlossing om gaat? Of verhindert de angst om onszelf kwijt te raken, dat we ons in geloof toevertrouwen aan Hem die gekomen is om ons te bevrijden? In het loslaten van wat we menen te zijn, worden we wie we verlangen te zijn. Sterven om te leven. De wereld verzaken om de wereld te winnen. Het graan dat sterft om veelvoudig vrucht te dragen. Het Woord dat uitgezaaid wordt in de akker van de wereld om op te bloeien tot de oogst.

Door dat Woord van God worden wij opnieuw geboren, nu niet als kinderen van mensen, maar als kinderen van God. Niet tot deze wereld behorend, en ermee samenvallend, met zijn strijd en verdeeldheid, maar behorend tot de nieuwe, de komende wereld, die om andere wereldburgers vraagt. De Petrusbrief geeft daar wat aanwijzingen voor. Deze zegt dat we hier, zoals het is in de wereld, als het ware in ballingschap leven. Ons vaderland is een andere wereld. Het zijn niet de schatten van deze wereld, goud en zilver, en alles wat daarvoor staat, die ons verlossen van een zinloos bestaan. Maar Christus die met zijn leven instaat voor ons leven en zo de weg naar een blijvend leven opent. Door ons geloof in de God die Hem heeft doen verrijzen, en dat leven voor eeuwig heeft gezegend, worden we innerlijk gereinigd van alles wat alleen op onszelf gericht is. Deze waarheid omtrent onszelf maakt ons vrij om gehoor te geven aan wat we ten diepste zijn en om de ander lief te hebben, en opent ons voor ware zuster- en broederschap. Dat is de nieuwe geboorte naar de Geest en zo worden we inwoners van dat Rijk van God.

Aangezien dat Rijk gekenmerkt wordt door de verbindende kracht van de liefde en de eenheid van Gods Geest, kan het geen exclusieve werkelijkheid zijn, maar alleen een inclusieve. Dit heil is voor heel de wereld bestemd (staat ook bij Jesaja). En dat niet alleen op grond van de universele vrijgevigheid van God zelf, maar ook op grond van het universele karakter van het verlangen van mensen naar heelheid, vrede en geluk. Hoe onherkenbaar dit verlangen zich ook mag voordoen. Gods liefde overstijgt die polariteit en brengt die tot hogere eenheid.

Voor ons is het zaak om te leven in overeenstemming met de belofte die in de verrijzenis schuil gaat en ervan te getuigen dat de Geest van Christus in ons leeft als onderpand van die nieuwe wereld waarvan we de inwoners zijn. Dan kan het niet anders dan dat we vruchten dragen van vrede, respect en gerechtigheid. Dat we behoedzaam omzien naar de wereld en naar elkaar. Dat we werken aan een wereld waar mensen als broeders en zusters samenleven van welke kleur, volk of gezindte zij ook zijn. Dat wij in elkaar het verlangen naar heelheid herkennen en vervullen.

Dodenherdenking en verrijzenis zijn alleen met elkaar te rijmen, wanneer uit de as van de gestorvenen het dwingende besef oprijst van onze onvervreemdbare verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor deze wereld en voor elkaar. Om te behoeden en te bewaren. Zodat het "nooit meer" de vorm krijgt van een radicaal respect voor de heiligheid van ieders leven. En het belijdenis van de verrijzenis de uitdrukking is van het geloof dat er een ander leven en een andere wereld mogelijk zijn die niet gedreven worden door de dominante waarden van deze wereld. Een wereld aangestuurd door de normen van ons verlangen naar zin, vruchtbaarheid, verbondenheid en waarachtig leven. Amen.

top

Overweging 27 april 2014 
Nieuwe schepping 

Lezingen: Genesis 8, 6-16; 1Petrus 1, 3-9; Johannes 20, 19-23. 
De dood en opstanding van Jezus hebben voor de leerlingen verregaande consequenties. In eerste instantie voelen zij zich bedreigd en angstig. Bang dat het lot dat Jezus heeft getroffen, ook hun zal overkomen. Er zijn ook teleurstelling en onbegrip. Teleurstelling dat Jezus niet de politieke bevrijder was die sommigen in Hem zagen. Onbegrip met betrekking tot de betekenis van zijn leven van zijn dood. Pas gaandeweg komen de leerlingen tot inzicht in wie Jezus is en wat het getuigenis van hen vraagt. De angst voorbij leren zij dat zij in Christus een nieuwe schepping zijn. En dat zij door zijn geest geïnspireerd zijn zending in de wereld mogen voortzetten. Om het aanzien van de aarde te vernieuwen. Voor velen klinkt het misschien wat vreemd om te zeggen dat in Christus er een nieuwe schepping is. Dat het aanzien van de aarde vernieuwd zou moeten worden. Tot en met het beeld van de apokalyptische nieuwe hemel en de nieuwe aarde waar al het oude voorbij is.

Maar nieuwheid is in de Schrift een regelmatig terugkerend gegeven. En het heeft vrijwel altijd te maken met een aanzet tot herstel van het verbond. Het nieuwe dat God met zijn volk begint, is het herstel van het verbond waar het volk zich door haar levenswijze heeft buitengeplaatst. Het nieuwe is niet nieuw voor God, want Hij blijft trouw aan zijn verbond, maar het is nieuw voor het godsvolk dat van God verwijderd is geraakt en opnieuw in diens verbond hersteld wordt. Het verhaal van Noach en de ark is daarvan een heel dramatisch voorbeeld. In de eerste hoofdstukken van genesis lezen we hoe gaandeweg de zondigheid in de wereld groeit. We hoeven dit niet als een chronologisch verslag te lezen, maar als de verwoording van het groeiend gevoel van God verwijderd te raken. De verwoording van de ervaring dat de mens steeds verder van zijn oorsprong en dus van zijn oorspronkelijke bedoeling verdreven raakt. Een verwijdering die is ingezet met de oorsprongszonde van de hoogmoed en de onterechte toe-eigening, welke aanleiding was voor de verdrijving uit het paradijs. Het paradijs als beeld van een samenleving van God en mens. Genesis vertelt dat dit gedrag algemeen goed is geworden is en dat het hart van de mens niet langer naar God en het goede uitgaat, maar naar wat kwaad is. Dan wordt de aanzet gegeven om iets nieuws te beginnen. Er vindt een grote vloed plaats om rigoureus schoon schip te maken. Er staat dat God er spijt van heeft dat hij de mens gemaakt heeft. Toch is de zondvloed niet alleen gericht op vernietiging, misschien zelfs niet op de eerste plaats gericht op destructie. Het doel is vernieuwing van de schepping en van het verbond. Het leven wordt in al zijn variëteit bewaard om opnieuw uit te botten en tot bloei te komen. Precies daarom kan het verhaal van de zondvloed ook gebruikt worden als een metafoor voor de verrijzenis. Weliswaar gaat het sterfelijke leven ten onder, maar Gods trouw houdt stand en schept nieuwe levensmogelijkheden.

In het verhaal van de zondvloed is de regenboog het teken van Gods blijvende trouw en van zijn belofte het leven te bewaren. Het is het teken van het herstel van de relatie tussen God en de mens. Teken van verzoening. Christus is ook een teken dat hemel en aarde met elkaar verbindt en verzoent. In Hem wordt duidelijk wat het betekent om een menselijk leven te leiden dat in nauw contact staat met God. Een leven dat oorspronkelijk is en overeenstemt met de bedoeling. De leerlingen ontvangen zijn geest om hun leven te vernieuwen. Dat wil zeggen om niet langer hun eigen particuliere leven te leven, maar hun leven te verbinden met de zending van Jezus. Het betekent dat zij deel krijgen aan zijn verzoenende arbeid om mensen terug te brengen bij God en bij zichzelf. Zij ontvangen die opdracht op de avond van de eerste dag van de week, de dag waarop Jezus is verrezen als teken van een nieuwe schepping. Het is het moment waarop de tweede dag aanbreekt, het begin van het werken in de wereld. De taak van de leerlingen ligt in de wereld. Om die te verzoenen met de normeringen van het Godsrijk. Zij doen dat door zonden te vergeven, als een belangrijke stap op weg naar ware verzoening. Verzoening mag hier begrepen worden als de vrede die Jezus aan zijn leerlingen aanzegt, wanneer Hij hen begroet. Vrede, en het nog wat bredere begrip sjalom, is een kwaliteit in relaties. Het is niet de loutere afwezigheid van oorlog, maar meer dan dat. Vrede in de bijbelse zin van het woord is de aanduiding van een volmaakte harmonie: harmonie tussen God en mens, tussen mensen onderling, tussen volkeren, en met de schepping. Het is altijd gekoppeld aan gerechtigheid. Waar recht wordt gedaan aan de betekenis van die verschillende relaties heerst vrede.

We weten allemaal hoeveel er mis kan gaan in onze relaties. Hoe relaties kunnen scheefgroeien en onevenwichtig worden. De relatie met God kan eenzijdig en onzuiver worden, in de relaties met mensen kunnen breuken ontstaan, we kunnen elkaar teleurstellen. Volkeren en groepen staan elkaar naar het leven en betwisten elkaar het land, de grondstoffen en bestaansmiddelen. De schepping wordt uitgebuit en gedomineerd. Al dit onrecht is aan te duiden met zonde. En dat wordt dan niet in de eerste plaats in morele zin bedoeld. Zonde is de situatie waarin geen recht wordt gedaan aan de bedoeling van de betreffende relatie. En waar wordt afgeweken van de bedoeling van een relatie, ontstaat verwijdering. Verzoening is het dichten van die kloof die door de verwijdering is ontstaan. Het is herstel van relatie op alle genoemde niveaus.

Vergeving van zonde is nooit vergoelijken van wat verkeerd is. Vergeving begint met de erkenning dat er van zonde, scheefgroei, sprake is. De volgende stap is dan het scheppen van een situatie waarin gewerkt kan worden aan herstel. In de praktijk betekent dat dat de zondaar niet met zijn daad vereenzelvigd blijft. Zolang iemand die een diefstal heeft gepleegd alleen maar als dief benoemd blijft, kan deze zich daarvan maar moeilijk los maken, is er weinig ruimte voor iets nieuws. Door degene met wie je gehuwd bent geweest alleen maar als ex aan te duiden, is er weinig ruimte voor nieuwe betrekkingen. Daarom is het belangrijk om op weg naar verzoening te zoeken naar een manier om tot herstel te komen.

Als vergeving niet verder komt dan "zand erover" gebeurt er niets. De zonde blijft in stand en er vindt geen proces van verzoening plaats. Er verandert weinig of niets in de relatie waardoor er meer recht aan zou worden gedaan. Sterker nog, de kans is groot dat er toch een onzichtbaar haarscheurtje ontstaat dat onder druk tot een breuk leidt.

Pasen is het feest van levensvernieuwing, waartoe de mogelijkheid gegeven wordt doordat God trouw houdt en telkens weer opnieuw met ons wil beginnen. Zijn liefde voor ons is uit op totale verzoening, hetgeen betekent dat ons leven geborgen is in Hem. Wat voor de relatie met God geldt is maatgevend voor al onze andere relaties. In vrede leven met God betekent in vrede leven met mensen. Dit vraagt om een voortdurende openheid voor vergeving en verzoening.

Pasen representeert de in God verzoende wereld. Dat is de werkelijkheid waarop wij in geloof gericht staan. In de manier van leven en in de wijze waarop we onze medemensen tegemoet treden mogen we daarvan getuigen. Amen. 

top

 

Overweging Pasen 2014 
Met Christus verrezen 

Lezingen: Exodus 14, 9-14; Kolossenzen 3, 1-4; Johannes 20, 1-18. 
In onze ervaring is de dood een allesverslindende factor. Alle leven gaat er in op en er keert niemand uit terug. Er schijnt voor onze ogen geen licht uit het graf. Zo absoluut kan de dood voor ons zijn. We verzoenen ons ermee als iets wat nu eenmaal bij het leven hoort, wanneer iemand op leeftijd overlijdt. Maar niet wanneer een jong mens sterft. Het staat lijnrecht tegenover hetgeen we van het leven verwachten. Toch komen we hier bijeen om Pasen te vieren. Te vieren dat het leven sterker is dan de dood, tegen al onze ervaring in. Is dat niet een gotspe? Misschien wel. In ieder geval is het goed om te kijken wat we precies vieren aan de hand van de verhalen die ons hiervoor worden gegeven.

Op de eerste dag van de week komt Maria Magdalena bij het graf van Jezus om hem te verzorgen. Zijn lichaam was immers ongebalsemd in het graf gelegd. Toen Jezus echter in Bethanië te gast was op weg naar Jeruzalem, werd hij door een niet met name genoemde vrouw gezalfd met nardusolie. Judas had er kritiek op, aangezien de olie kostbaar is en beter verkocht had kunnen worden voor de armen. Maar Jezus zegt dan dat zij het doet met het oog op zijn begrafenis. Dit loopt vooruit op het verhaal van de opstanding. Jezus zou niet door het graf worden vastgehouden, maar opstaan uit de dood. De eerste dag van de week verwijst naar het begin van de schepping. In de opstanding van Christus begint de nieuwe schepping. Herhaaldelijk worden de leerlingen er op gewezen dat zij in Christus een nieuwe schepping zijn. De eerste dag is ook de achtste dag, de dag na de sabbat, de zevende. De achtste dag verwijst naar de voltooiing van de schepping, de voleinding die buiten de normale tijd ligt. Jezus is dus niet alleen een nieuwe schepping, maar als nieuwe schepping ook de voleinding en de voltooiing van de bestaande schepping. In zijn opstanding wordt de uiteindelijke betekenis van zijn leven zichtbaar. En aangezien Hij voor ons mensen is mens geworden, heeft geleden en gestorven is, wordt in zijn opstanding ook de betekenis van ons leven geopenbaard. Dat Jezus is verrezen, lezen we door het belijdenis van de andere leerling die met Petrus bij het graf komt. Hij ziet en gelooft. De inhoud van zijn geloof is dat Jezus van de doden verrezen is. De leerling ziet Jezus niet meer, maar wel de doodswindsels, en dit interpreteert hij op gelovige wijze als een verrijzenis. Maria Magdalena ziet Jezus wel, maar herkent Hem in eerste instantie niet. Pas wanneer zij aangesproken wordt met haar naam, herkent zij Hem als haar Heer. Daarmee leert zij ons dat wij de gestorven en verrezen Heer in andere gestalte moeten herkennen, maar dat Hij ons op dezelfde wijze blijft kennen en aanspreken zoals Hij deed toen Hij in ons midden was.

De verrijzenis is het beeld waarmee wordt uitgedrukt dat in onze sterfelijkheid niet de uiteindelijke betekenis van ons leven ligt. Dat ons leven met dat van Christus uiteindelijk en ten diepste geborgen is in de trouw van God, die in zijn bewarende liefde aan het begin van ons leven staat, ons leven draagt en in zich bergt. Dit leven dat zo met God verbonden is, wordt blijvend door Hem betekend. Ons leven heeft die betekenis gedurende ons bestaan en het behoudt die betekenis ook in de dood. Wat God toebehoort, wordt niet van Hem gescheiden. Ook al zien wij alleen de afwezigheid en herkennen we de nieuwe gestalte niet. Pas wanneer de afwezige, aan de loutere afwezigheid voorbij, voor ons opnieuw gaat spreken, kunnen we de nieuwe gestalte herkennen waarin deze in ons leven aanwezig komt, en gaan onze ogen open voor hetgeen deze geliefde afwezige ook nu nog voor ons leven betekent en kan betekenen.

Voor de leerlingen van Jezus was dit een heel proces, niet minder dan voor ons. Eerst dienden zij de dood als een doorgang te verstaan, vervolgens de afwezigheid als een opgestaan zijn, en dan dit verrezen zijn te ervaren als een nieuwe vorm van nabijheid, en die nabijheid als een zendingsopdracht. Dit zijn ook de elementen die terugkomen in de teksten van de lezingen. Het verhaal van de uittocht en de doorgang door de zee dat wordt toegepast op het verlossingswerk van Jezus Christus. Hij bevrijdt als de nieuwe Mozes zijn volk van zonde en gaat het voor door de dood waardoorheen Hij ook voor zijn tochtgenoten een weg baant op weg naar het beloofde land van het Godsrijk. Hij gaat voor naar de Vader, die ook onze Vader is en naar God die ook onze God is. Het gesprek met Maria Magdalena laat zien dat Hij niet meer op de plaats van dood gevonden wordt maar is opgestaan in een nieuwe gestalte. De aanwezigheid van Christus bij zijn leerlingen na zijn dood heeft in de verhalen daarover het aspect van een bemoediging en van een zending. De gave van de Geest, de adem die Hij over zijn leerlingen uitblaast herschept hen tot een nieuwe mens die in zijn nieuwe leven met Hem opstaan.

Dit klinkt allemaal nogal ingewikkeld en dat is het ook. Tegelijk geeft het aan hoezeer het leven van Jezus in de traditie wordt verbonden en verwikkeld met het leven van zijn leerlingen, het nieuwe Godsvolk. In Jezus Christus wordt het leven van zijn volk gerepresenteerd. In Hem gaat het volk van de belofte over in het volk van de vervulling. Ten diepste is Pasen het feest van Gods trouw. In Pasen komt Gods trouw aan zijn schepsel aan het licht. Het is de vervulling van zijn belofte om recht te doen aan het door Hem geschapen leven zoals het is bedoeld. De vervulling betreft niet een louter "eens" , maar ook een "hier en nu". Zeker geeft het iets te hopen met betrekking tot wat ons in het vooruitzicht wordt gesteld en waarvan we de eerstelingen nu al ontvangen en mogen smaken. Maar het geeft ook iets te zijn en te doen in het hier en nu. Ons leven hier is niet zonder belang, ook niet in heilshistorisch opzicht. Ons bestaan is niet een voorlopigheid bij gebrek aan beter of een wachten tot het beter wordt. Ons bestaan draagt een bedoeling en een eeuwigheidswaarde in zich. In Christus zijn we nu al wat we eens ten volle zullen zijn. We hoeven het niet te worden, we zijn het al. Het is geen te bemeesteren opdracht, het is gave. We zijn ook daadwerkelijk nieuwe mensen wanneer we leven overeenkomstig die gave.

Dit wordt aangeduid in de Kolossenzenbrief. In het deel dat we lazen wordt ons gevraagd te streven naar de dingen die boven zijn en niet naar de dingen die op de aarde zijn. Dit is sterk dualistisch. Boven is goed en de aarde is minder goed, het een is dan waar het uiteindelijk om gaat en het andere iets dat voorbijgaat. Wij zouden dat nu wat anders zeggen, ook de aarde is plaats van heilsopenbaring en wij ervaren dat er een relatie is tussen het domein van God en het domein van de mens. Juist de aanwezigheid van God en de vervulling van diens belofte geeft een bepaalde betekenis aan ons mens-zijn die het zonder Hem niet heeft. Wanneer de Kolossenzenbrief ons streven opricht naar boven, wil dat oproepen onze aandacht te richten op de belangen die door God worden vertegenwoordigd. Recht, gerechtigheid, bevordering van leven en vrede, solidariteit, naastenliefde. Nieuwe schepping zijn, nieuwe mensen zijn betekent heel zijn, integer en geïntegreerd. Met zorg voor hier en nu en zorg voor eens, voor deze wereld en de komende wereld, voor de relaties met onze naasten en met God. Deze staan niet los van elkaar, maar zijn op elkaar betrokken, zijn verwikkeld.

Het vervolg van de brief maakt dat duidelijk. Ik citeer: "Bekleed u met de nieuwe mens. Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar, Skyth, slaaf, vrije mens. Maar alles in allen is Christus. Bekleed u als Gods heilige en geliefde uitverkorenen met tedere ontferming, goedheid, nederigheid, zachtheid en geduld. Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar….Voeg bij dit alles de liefde die de band der volmaaktheid is en laat de vrede van Christus heersen in uw hart". (lees Kolossenzen 3, 5-17) Geen onderscheid naar volk, taal of status. Proberen met ieder in vrede te leven. De samenleving richten naar de normen van het Godsrijk. De blijde boodschap, Christus zelf in zijn volle rijkdom onder ons laten wonen. Dat is een zalig Pasen. Zo leven we als ware getuigen van de verrijzenis. Amen.

 top

Overweging 30 maart 2014 
met het oog op heil 


Lezingen: 1Samuel 16, 1-13; Efeziërs 5, 8-14; Johannes 9, 1-13.26-29. 
“Waarom moeten we zo gestraft worden?” “Ik begrijp niets van Onze Lieve Heer.” Twee uitspraken die ik opteken uit de mond van twee goede vrienden in de laatste weken. De ene klacht werd geuit door een moeder naar aanleiding van de dood van een dochter, die twee jonge kinderen verweesd achterlaat, aangezien de vader al vijf jaar geleden een zelfgekozen dood gestorven was. De tweede naar aanleiding van de ontijdige en plotselinge dood van een goede vriend, die beschreven werd als hartelijk, sociaal, actief en volop in het leven staand. 

Wij allen kennen mensen die verlangen te sterven en die blijven leven en mensen die volop van het leven genieten, verantwoordelijkheid dragen voor anderen en die ernstig ziek worden en dood gaan. Er is daarin in onze ogen geen logica, geen rechtvaardigheid. En we vragen naar de reden en het waarom. We doen dat vanuit het geloof dat God met ons leven van doen heeft en dat het bestaan door een soort innerlijke rechtvaardigheid geleid wordt. 
Wat in onze ogen volstrekt onrechtvaardig is kunnen we niet rijmen met ons beeld van God. Het is een van de moeilijkste dingen in ons geloof, dat wil zeggen in onze relatie met God. We willen in God geloven en ons vertrouwen stellen. We willen geloven in Gods liefde en trouw. Maar in de confrontatie met de hardheid van het leven wordt ons geloof voortdurend op de proef gesteld. 
Ook voor de pastor is de vraag naar het waarom, gesteld door een medemens die intens verdrietig is, een hele moeilijke. Ook de pastor wordt erdoor in verlegenheid gebracht, zoals, naar ik soms denk, God zelf ook. Immers, met de twijfel aan de betrouwbaarheid van Gods liefde is ook de betrouwbaarheid van de verkondiging in het geding. 
Daarom wil ik hier naar aanleiding van de tekst van het Evangelie graag over spreken, niet omdat ik denk dat ik de antwoorden heb, maar omdat ik vind die vraag niet uit de weg te mogen gaan, juist omwille van de betrouwbaarheid van ons geloof.

Het Johannesevangelie is erop gericht om Jezus te openbaren als het Licht van de wereld, het eerste scheppingswoord en als drager van de nieuwe schepping. De tekenen die Hij verricht zijn ook op die openbaring gericht. Hij is het Licht van het Leven. En in Hem is geen spoor van duisternis. Heel onze menselijke werkelijkheid komt in Hem aan het Licht. Komt door Hem tot waarlijk Leven. In het voorgaande heeft Jezus van zichzelf gezegd: “Ik ben het Licht der wereld en wie Mij volgt zal niet gaan in duisternis, maar het ware levenslicht bezitten”. Dit Licht is ook het licht der waarheid. We moeten dan waarheid niet zien als de juistheid van een feitelijk gegeven (het regent of het regent niet), maar als een zijnswaarheid. 
Waarheid bij Jezus is waar zijn. Dat is: zijn wie we in Gods ogen zijn. Zijn we dat niet, dan wandelen we in duisternis en zijn we in zonde, want afgewend van God. (Duisternis en zonde zijn in de eerste plaats existentiële categorieën en pas in de tweede plaats morele begrippen.) 
Bedenk daarbij dat zolang we God blijven bevragen, aan Hem twijfelen, Hem ter verantwoording roepen, wij juist niet van God zijn afgewend. Wij kunnen dan wel in persoonlijke en emotionele zin in duisternis verkeren, maar doen dat niet in gelovige zin. 
Dit in en van God zijn en leven in het bewustzijn God toe te behoren is dus niet afhankelijk van uiterlijke omstandigheden als succes of tegenslag, of zelfs maar van gezondheid. Juist in de liturgie van het afscheid zeggen we met Paulus: “in leven of in sterven, aan U behoren wij toe”. Met andere woorden: God overstijgt heel ons menselijke bestaan en heel ons leven is in Hem begrepen. Dat wil zeggen: heel ons bestaan is in Gods Licht begrepen. Wat de ware betekenis is van ons leven kunnen we alleen in Gods licht verstaan. De duisternis heeft het niet begrepen en ons verstand kan het niet bevatten. We kunnen het alleen maar leven. Door heel onze gebrokenheid te stellen in het licht van de Ene. Daarin wordt iets geopenbaard dat we denkend niet kunnen grijpen, dat ons verstandelijk begrip te boven gaat, omdat het een zijnswaarheid betreft en niet een rationele waarheid.

Na een discussie over die gedurfde waarheid in relatie tot geloof en zonde, waarbij Jezus bijna gestenigd wordt, verlaat Hij de tempel om op straat een blinde tegen te komen. De leerlingen, die nog niet zoveel van Jezus hebben begrepen en daarom ook model staan voor ons, vragen Hem of met betrekking tot die blindheid de ouders van de jonge man of deze zelf gezondigd heeft. 

We zullen deze vraag herkennen, ook al zouden we hem anders stellen. “Waarom overkomt mij dit? Wat heb ik gedaan om dit te verdienen? Ik heb toch zeker niets gedaan om zo gestraft te worden. Wat heb ik verkeerd gedaan, dat me dit overkomt? Ik heb toch goed geleefd, er zijn wel anderen die minder goed leven en die het goed gaat.” 
Wat ons overkomt moet voor ons een aantoonbare oorzaak hebben. We willen immers ons leven begrijpen. En oorzaak en gevolg moeten voor ons in een juist verband staan. “Juist” in de zin van logisch en rechtvaardig. 
Wanneer we stevig roken en longproblemen krijgen is dat voor ons verklaarbaar. Wanneer iemand die nooit gerookt heeft toch longproblemen krijgt, vinden we dat onrechtvaardig. Wanneer een jong iemand sterft staat dat haaks op wat we van het leven verwachten, en ervaren het als volstrekt strijdig met de rechtvaardige ordening der dingen. Daarom denken we dat het aan ons ligt en dat God ons wil straffen, verdeemoedigen of een lesje leren. En dat is dan weer strijdig met ons geloof in God als Liefde. 

Jezus trekt de vraag van zijn leerlingen (bij zijn niet zo makkelijke antwoord) uit de sfeer van de zonde en de straf. En daarmee ook uit de sfeer van de gerechtigheid of de rechtvaardigheid. Hij geeft aan dat de blindheid van de jongeman niets te maken heeft met zonde van diens ouders of van hemzelf, maar, zoals Hij zegt, “opdat de werken van God in hem openbaar zouden worden”. Dit klinkt alsof die jongen blind zou zijn om de werken van God te openbaren. Dat is natuurlijk niet zo, want een mens is geen instrument voor God, maar als zelfstandig en vrij geschapen. Maar….het is ook wel zo. Het openbaar worden van de werken Gods is niet de reden en oorzaak van de blindheid, maar de blindheid van de jonge man vormt wel de aanleiding en de gelegenheid om de werken van God te openbaren. 

Het lijden van de mens is de plaats bij uitstek waarin de werken van God openbaar moeten worden. Waar zijn helende liefde ook het meest nodig is. Niet zijn almacht, maar zijn, soms machteloze, betrokkenheid. Niet Gods almacht, maar zijn liefde heelt ons. 
De kwaal of het lijden van de jonge man vormt de context, de setting, waarin de aard van Gods werken zichtbaar wordt. De kwaal wordt niet geplaatst in de sfeer van de rechtvaardigheid, maar van de gebrokenheid van het menselijk bestaan. Daarin wordt de bedoeling van het leven duidelijk gemaakt. Het handelen van Jezus is een doorbreking van die gebrokenheid. 
In de beoordeling van het hetgeen ons overkomt en van hetgeen er in de wereld plaatsvindt zouden wij allen gebaat zijn bij een interpretatie die uitgaat van de gebrokenheid van ons bestaan. Een die rekening houdt met de onafheid van onze wereld die nochtans de kiem en mogelijkheid van het goede in zich heeft. Dat geeft ons geen aanspraak op perfectie, maar op verlangen. Het laat de goedheid van God en de opdracht (en vrijheid) van de mens intact. Het stelt ons in staat om in de omstandigheden van ons bestaan te leven als kinderen van de belofte, kinderen die aan het Licht toebehoren. 
Niet doordat de omstandigheden van ons leven altijd zo perfect zijn, maar doordat onze bestemming ligt besloten in het mysterie van de verrijzenis dat in het leven, lijden en sterven van Jezus wordt geopenbaard. Dat is het licht waarin wij leven. 

Wij belijden niet het kruis. We verheerlijken niet het lijden en rechtvaardigen het ook niet, op geen enkele wijze. Kwaad moet kwaad blijven en niet worden goedgepraat. Maar we blijven er ook niet voor stilstaan. 
In geloof schouwen we verder, ons verstand te boven. We belijden de Gekruisigde en die verrezen. God openbaart zich juist in deze gekruisigde en vernederde mens en is solidair met de Lijdende, die in deze gestalte een belofte van leven ontvangt. Een hoop die verder reikt dan dood en lijden. 
Ook al is ons leven duister door verdriet, kunnen we door deze belofte toch wandelen in dat licht, dat dan misschien niet het aspect van vreugde en vitaliteit heeft, van het naar buiten stralende licht, maar het aspect van overgave, van vertrouwen, van hoop, van een zich uit handen geven, -- daar waar we het leven niet in de hand hebben--, het aspect van een naar binnen schijnend licht. Zodat de duisternis nooit totaal is, de steen een stukje weggerold, een streepje licht. En, wellicht, een nieuwe dag. Amen.


top

Overweging 23 maart 2014 
Dorst

Exodus 17, 1-7; 1Korintiërs 10, 1-13; Johannes 4, 5-26. 
Binnen de vier evangeliën neemt het Johannesevangelie een eigen plaats in. Het is als laatste ontstaan en neemt elementen van de andere drie evangeliën in zich op, maar heeft een eigen benadering en verteltrant, een eigen beeldtaal en wijze van uitdrukken. 
Het evangelie wil Jezus aanduiden als het eeuwig woord van God dat een nieuwe schepping is, bron van nieuw leven. Het speelt met woorden en betekenissen om aan te duiden wie Jezus eigenlijk is en om te laten zien dat er in Hem meer is dan wat op het eerste gezicht duidelijk is. Het verhaal werkt met tegenstellingen van licht en duister, dood en leven, hoog en laag, of met aanvullende begrippenparen als dorst en bron, honger en brood. Maar Johannes geeft aan deze begrippen in de loop van het verhaal een nieuwe betekenis. Dat gebeurt bijvoorbeeld in gesprekken met mensen van verschillende afkomst die ieder eigen geloofsvragen en twijfels hebben. Maar ook in verhalen waarin tekenen plaatsvinden. Je zou kunnen zeggen dat het evangelie ons, met de lezers van toen, probeert in te voeren in de geheimen van het geloof en de diepere betekenis van Jezus als zoon van God en zoon van mensen, als Messias en bron van leven die in de dood zijn leven, zijn bloed, zijn geest, geeft aan allen die dorsten naar waarlijk leven. 
Het evangelie werkt toe naar dit hoogtepunt waarop de mensenzoon wordt verheven aan het kruis --zijn vernedering is tegelijkertijd zijn verheffing--, zodat we de betekenis van het kruis kunnen verstaan. Wat in eerdere scenes wordt duidelijk gemaakt, werpt licht op de volle betekenis van het leven en sterven van Jezus als de Mensenzoon. 

Vandaag bevinden we ons in Samaria waar Jezus met zijn leerlingen doorheen trekt op weg van Judea naar Galilea. Samaritanen leven in de verwachting van de Messias en putten uit de bron van Jakob, Israel, letterlijk en figuurlijk, maar worden door de Joden niet als zuiver Israëlitisch erkend. Het is precies aan die put van Jakob dat Jezus in gesprek gaat met een Samaritaanse vrouw die er water komt putten. Dat is uitzonderlijk om twee redenen. Een orthodoxe Jood gaat niet met Samaritanen om en een Jood gaat niet in gesprek met een vrouw, zeker niet een op een. Tot verbazing van de vrouw vraagt Hij haar zelfs Hem iets te drinken te geven. Dat het Jezus niet om water gaat blijkt uit het vervolg van het gesprek waarin het water van betekenis verandert. “Als u zou weten van de gave Gods en wie het is die u om water vraagt, u zou er Hem om vragen en Hij zou u levend water geven”, is het antwoord van Jezus. De vrouw verstaat dit nog steeds letterlijk. Levend water als stromend vers water. Jezus gaat verder: “wie van het water drinkt dat ik geef zal nooit meer dorst krijgen. Het zal in hem een bron worden van eeuwig leven”.

Uit deze scene blijkt dat er een verband wordt gelegd tussen water en leven. Op zich natuurlijk niet zo verwonderlijk. Water is een oersymbool voor leven, maar ook voor dood. Het doopwater draagt beide betekenissen in zich. We worden ondergedompeld om te verrijzen. Van dood door de zonde naar levend door God. Maar in deze tekst wordt water gebruikt als symbool van leven. In de traditie van het Joodse volk is het niet ongebruikelijk om het woord van God, de wet, de Thora, te vergelijken met een bron van water, met levend water. Het Woord van God is derhalve bron van leven. 

Wanneer Jezus in de tekst wordt vergeleken met levend water, wordt Hij tegelijkertijd aangeduid als het Levend Woord van God. Hij is dus bron van leven, en wel van blijvend levend. Niet het door de zonde en de dood getekende sterfelijke leven, maar het waarachtige en eeuwige leven. Het leven waarvan Jezus voor de opwekking van Lazarus uit de dood tegen Marta zal zeggen: “ik ben de opstanding ten leven. Wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven”. Zelfs iemand die zo in Jezus gelooft, ziet het niet. Zij zegt tegen Hem dat Lazarus niet gestorven zou zijn als Jezus er geweest was, maar dat Hij ook nu nog iets zou kunnen doen. Maar Jezus is het Leven niet door de tekenen die Hij verricht, maar door God die erin geopenbaard wordt. Daarom gaat Hij zelf de weg ten dode toe, omdat God zich als de God van het leven in zijn dood openbaart. 

Het evangelie van Johannes benadrukt al van het begin dat de wereld wel verlangt naar leven, maar niet goed in staat is te zien waar dat leven te vinden is. Het licht van het ware leven wordt verduisterd, men zoekt het op de verkeerde plekken. De wereld denkt dat leven geschonken wordt door de onmiddellijke bevrediging van behoeften. Dit horen we ook in het voorbeeldverhaal uit het boek van de uittocht. Het volk is bevrijd uit slavernij. In de verkregen vrijheid dorst het niet naar God, maar naar de bevrediging van de zinnen. De vrijheid wordt als het ware voor een lichamelijke slavernij opgeofferd. Ze zeuren en klagen en maken zich daarmee van partners in een verbond tot afhankelijke mensen die het heil van een ander verwachten. Terwijl zij de bevrediging van hun dorst naar vrijheid, zelfbeschikking en voluit leven zouden kunnen vinden in het volgen van de Eeuwige die hen, juist daartoe, bevrijd heeft. In plaats van de vrijheid kiezen we de zelfgeschapen onvrijheid van de fictie dat vrijheid gelijk staat aan behoeftebevrediging. 

Honger en dorst naar de materialiteit van ons leven: naar geld, aanzien en macht, materiele zekerheid in plaats van het leven zelf: verbondenheid, betekenis, relatie, liefde, gerechtigheid, vrede. De eerste Korintebrief zegt het heel samengebald: “het volk ging zitten om te eten en te drinken, en stond op om te spelen”. Met ander woorden: zij gebruiken wat ze aan voedsel en drinken ontvangen om hun eigen zin te doen. Om te spelen, niet om de wet te vervullen, niet om de wil van de Eeuwige te doen, niet om te bouwen aan het Godsrijk. 

In het Johannesevangelie is nog een paar keer sprake van dorst. Bij het broodteken waarbij de velen worden verzadigd, openbaart Hij zich als het brood dat uit de hemel is neergedaald, als het brood van leven. Hij zegt: “Wie bij Mij komt zal geen honger meer hebben en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben”. Heel dramatisch verwoord, zegt Hij iets verderop: “wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt zal eeuwig leven hebben”. Zijn leven is de ware spijs en drank en zijn leven is niets anders dan de wil van God te doen. Bij de viering van de gedachtenis van de doortocht door de woestijn zegt Hij: “laat wie dorst heeft bij Mij komen en drinken. Rivieren van water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft”. Alles benadrukt dat wie in Jezus gelooft als de Christus en gelooft in wat God in Hem openbaart, zal drinken uit de bron van het ware leven en zelf zo’n bron worden tot heil van de wereld. 

De laatste scene waarin sprake is van dorst betreft Jezus zelf waar Hij aan het kruis hangt. “Ik heb dorst” zegt Hij. Hij die bron van levend water is. Hij die dorst naar de levende God en verlangt dat allen die in Hem geloven in Hem met God verenigd worden. 
Daartoe is Hij immers gezonden en daarvoor geeft Hij zijn leven. Ook nu wordt Hij verkeerd begrepen. Een soldaat steekt een spons met zure wijn omhoog. Hierna geeft Hij de Geest die leven doet. En wanneer zijn lichaam wordt doorstoken stroomt er bloed en water uit. Zijn bloed en levend water. Leven voor de wereld. Hij krijgt azijn en schenkt het leven. Na een reeks van tekenen die alle spreken over verandering, hier het ultieme teken. Na verandering van water in wijn, gebrek in overvloed, dood in leven, wordt zijn eigen dood afgebeeld als bron van leven voor ons.

Dorst is in het Johannesevangelie het verlangen naar waarachtig en bestendig leven. Een verlangen dat niet vervuld wordt door zaken die slechts tijdelijke bevrediging schenken. Daarin moeten we het niet zoeken als wij oprecht en serieus verlangen naar een leven in Geest en Waarheid. In het gesprek met de Samaritaanse zegt Jezus dat er een tijd zal komen dat God niet meer op een berg of in de tempel aanbeden wordt, maar in Geest en Waarheid. Het beste en meest waarachtige gebed is derhalve: leven volgens de wil van God, vervullend zijn eeuwig Woord van leven, de weg gaan die Jezus is. Amen.

top

Overweging 03 maart 2014 
verleidelijk, maar niet goed voor je 

Lezingen Genesis 2, 4-3,7; Romeinen 5, 12-21; Matteus 4, 1-11. 
Er is veel verleidelijks in onze wereld. Dingen van zeer uiteenlopende aard overigens. We kennen de reclames die ons proberen over te halen producten te kopen. Variërend van huishoudelijke producten en kleding tot lifestyle gadgets. De voedingsproducenten laten ons graag zoveel mogelijk eten. En de voedingssupplementen business probeert daar nog van alles bij te voegen. Sommige artikelen suggereren een wereld van schoonheid, geluk, populariteit en succes. De totale consumentenindustrie is erop gericht ons zoveel mogelijk te laten kopen. De geluksindustrie verleidt ons met beloften van heelheid, innerlijke rust en wellness. De politieke partijen verleiden ons met vooruitzichten van grotere veiligheid, gezondheidszorg, economische stabiliteit en voorzichtige groei. De tabaksindustrie laat ons graag ons een longziekte roken. De erven Bols en Heineken hebben het op ons hart en onze lever voorzien. En dan spreek ik nog niet van de verleidingen van de seksindustrie en de drugsmaffia. En de verleidingen van macht, aanzien en het grote geld met hun desastreuze gevolgen. Onze wereld kent tal van voorbeelden. 
Wanneer we ons realiseren aan hoeveel verleidingen we bloot staan, dan krijgt de bede “leid ons niet in verzoeking, of leid ons niet in bekoring” wel een heel persoonlijke en actuele betekenis.

Veel venijniger zijn de verleidingen die ons van alles in het oor fluisteren. De fantasieën die we hebben over wie we zouden kunnen zijn of hoe we hadden moeten handelen. Hoe verleidelijk het is om iets over iemand te zeggen waardoor deze in een bepaald daglicht wordt gesteld, dat meestal overigens het daglicht niet kan verdragen. De verleiding om elkaar te overheersen, of te kleineren of belachelijk te maken. Alleen maar om er zelf beter van te lijken, want beter worden doe je er echt niet van.

Denk er ook eens aan hoe verleidelijk het is om de ogen te sluiten voor wat er om je heen gebeurt. Om je gemoedsrust niet te laten verstoren. Om je geweten met een kluitje in het riet te sturen. Je oren te sluiten voor de nood van je medemens.

Alle verleidingen hebben één ding met elkaar gemeen. Zij houden ons af van wie als mens zijn. Hoe verleidelijk ook de beloften, zij zijn niet goed voor ons. Zij verstoren de intermenselijke betrekkingen en onze relatie met God. Als er iets is waar we ons in de veertigdagentijd bijzonder op mogen toeleggen, dan is dat ons omgaan met uitwendige en innerlijke verleidingen die ons uit onszelf weghalen. Misschien lezen we daarom wel twee belangrijke voorbeeldverhalen op deze eerste zondag van de veertigdagentijd. De verhalen spelen zich af in twee totaal verschillende omgevingen, de paradijstuin en de woestijn. En misschien is de keuze die in de paradijstuin gemaakt wordt wel de oorzaak van de woestijn waarin we leven. 
In ieder geval is er een relatie tussen de keuze van de eerste mens Adam en van de Eerstgeborene, de nieuwe Adam. 
Uit Genesis lezen we het tweede scheppingsverhaal. Misschien realiseert u zich dat niet altijd, maar het boek van de schepping geeft in het begin het verhaal van de schepping in zeven dagen en daarna het tweede scheppingsverhaal. Het eerste verhaal lijkt een antwoord te geven op de vraag hoe de wereld tot stand komt. Het tweede op de vraag hoe het kwaad in de wereld komt. De tweede vraag is voor de mens, in wie dat kwaad vermengd aanwezig is, natuurlijk veel verontrustender. We kunnen die vraag op grond van het voorbeeldverhaal nergens deponeren dan bij onszelf. Ook al proberen we de ander de schuld te geven of de verantwoordelijkheid bij de omstandigheden te leggen.

Als we eerlijk naar onszelf kijken en ons niet voor onze blik en die van God bedekken, weten we dat we niemand anders verantwoordelijk kunnen stellen dan onszelf. Ik spreek niet over het kwaad waar mensen het slachtoffer van zijn, maar over dat wat tot het eigen handelen te herleiden is. Janoekovitsch kan niet zeggen: “we hadden het vroeger zo verschrikkelijk arm, daarom heb ik nu 50 miljard gestolen”.

In het eerste scheppingsverhaal is sprake van een mannelijk-vrouwelijke eenheid waarin de mens als beeld van God geschapen is en tot aanzijn geroepen. In het tweede wordt de mens uit het stof van de aarde en de adem van God gemaakt. Waarna de mens wordt gedeeld tot man en vrouw. Uit de zijde van de mens wordt een vrouw gebouwd. Man en vrouw vormen samen de vier zijden van de verbondstent waarin God aanwezig is. Wanneer de relationele eenheid van de mens verloren gaat, verdwijnt ook de plek waar God kan huizen. De wezenlijke verbondenheid tussen mensen in het algemeen is de woonplaats van Gods aanwezigheid. Het verloren gaan van die eenheid lijkt een onbeschrijfelijk en verterend verlangen te scheppen naar heelheid en naar aanvulling die we op alle mogelijke manieren proberen te verkrijgen.

Het voorbeeldverhaal leert ons verder dat de wortel van alle kwaad is dat we niet willen zijn wie we zijn. In het verhaal wil de mens niet mens zijn, maar als God zijn. In zijn verlangen om als God te zijn verliest hij zijn mens-zijn, dat wil zeggen dat wat hij als mens kan zijn en oorspronkelijk ook is. Met andere woorden hij verliest zijn eigenlijke identiteit. 
De oorsprongszonde is de hoogmoed te denken dat hij iets anders zou kunnen zijn dan wie hij is en het gevolg is het verlies van zijn oorspronkelijkheid. Doordat we een ander willen zijn ontstaan jaloezie en hebzucht, competitie en heerszucht. Uitgebeeld in het verhaal over Kain en Abel.

Het lijkt me niet goed om deze verhalen historisch te benaderen. Zij willen niet uitdrukken en verklaren hoe het gebeurd is. Als een historisch verslag. Zij willen duiden en verklaren hoe de situatie van de mens in elkaar steekt en waardoor dat komt. Niet historisch, maar existentieel. Hoe komt het dat de mens is zoals hij is? Welke mechanismen en verlangens, angsten en emoties spelen daarin een rol? Dat wordt ook duidelijk in het verhaal over Jezus in de woestijn.

Het voorbeeldverhaal van Jezus in de woestijn vormt de tegenhanger van het verhaal over Adam in de paradijstuin. Ook Jezus, de nieuwe Adam, wordt beproefd en verleid. Hij bevindt zich in de woestijn van het menselijk bestaan met alle verleidingen vandien. Je zou kunnen zeggen dat Hij zich bevindt in een toestand van gebrek. Hij is afhankelijk van de zorg door anderen (engelen) en leeft op een minimum. Ideale omstandigheden voor bijna elke vorm van verleiding. 
Wat opvalt in het verhaal is de sereniteit van Jezus’ antwoorden. Hij blijft dicht bij zichzelf. In zijn antwoorden gaat hij niet in op de verleiding noch er tegenin. Hij stelt een norm voor zijn keuzes en handelt overeenkomstig. Daarmee maakt hij zich ongrijpbaar voor de bedoelingen en uitgangspunten van de verleiding. Zij hebben geen vat op Hem. Hij gaat niet in op wat zij in het vooruitzicht stellen. Hij overweegt ze niet eens. Hij toont zich als een soeverein mens die bij zichzelf blijft en zijn identiteit niet verloochent. Daar heeft de verleider met zijn argumenten geen vat op.

Het optreden van Jezus getuigt van een grote innerlijke vrijheid. Dat van Adam en van ons, het moet gezegd, van een innerlijk bezet zijn. Juist doordat we innerlijk niet vrij zijn, zijn we toegankelijk voor vormen van verleiding. We zoeken op de een of andere wijze compensatie voor een tekort in onszelf en aan onszelf. Voor een gebrek aan heelheid.

Waar het in de veertigdagentijd ten diepste om gaat is de groei in heelheid. Verhalen helpen ons om onze gebrokenheid te verstaan, maar ook om de weg naar een nieuwe authenticiteit te gaan. Om de mens te worden die wij zijn. Dat is niet een weg van plicht en beperking in de eerste plaats, maar een weg van bevrijding en opstanding. Het betekent wel dat we ons leren verstaan in onze gehechtheden, verslavingen en onvrijheid. Dat we begrijpen waar onze zwakheden liggen die ons onvrij maken en afhouden van wie en wat we zijn. Dat al die verleidingen ons geen goed doen. Het ontmaskeren van de verleiders die greep op ons willen krijgen en houden is een niet onbelangrijke stap op weg naar Pasen. Pasen als beeld van de geboorte van de nieuwe mens. Daarmee is vasten een weg en een periode van levensvernieuwing, een kans om meer mens te worden, te groeien in heelheid. Amen.

top
 

Overweging 23 februari 2014 
Integer
 

Lezingen: Exodus 22, 21-27; 1 Korintiërs 3, 16-23; Matteus 5, 27-48 
De liturgie biedt de mogelijkheid om in de lezing van het evangelie de verzen 27 tot 32 over te slaan. Wellicht omdat ze wat ongemakkelijk voor ons zijn. Daarom juist heb ik ze toch gelezen, niet om met deze verzen mensen om de oren te slaan, maar juist om de gelegenheid te hebben er iets over te zeggen. 
Ook deze tekst is een onderdeel van de Bergrede, de grote toespraak van Jezus tot de heilhongerige menigte die naar Hem toegekomen is. In dit tekstgedeelte gaat het om het standpunt van Jezus ten opzichte van de wet. Niet voor niets wordt ook in de eerste lezing gelezen uit wetsteksten die het volk ontvangt, nadat het bevrijd is van slavernij en op weg is naar het beloofde land. Wetten die niet gegeven worden om het volk opnieuw te knechten, maar opdat het gelukkig en in vrede zou wonen in het land dat in het vooruitzicht is gesteld. De wet en de Bergrede staan gericht op dezelfde werkelijkheid: het beloofde land, het rijk der hemelen. 

De oude wet die generaties-lang van commentaren is voorzien en vermeerderd met talrijke bepalingen. Die wet probeert Jezus in zijn oorsprong naar voren te halen De redenering is “er staat geschreven, of er wordt gezegd, maar ik zeg u”. In wat Hij dan zegt interpreteert Hij de wet naar zijn bedoeling, naar de strekking ervan. Hij gaat naar de fundamentele betekenis van de wet met het oog op een gelukkig en vreedzaam samenleven. Met het oog op een rechtvaardige samenleving. De wet heeft niet alleen betekenis voor de komende wereld, maar vooral en in de eerste plaats voor deze wereld. Het rijk der hemelen begint hier. Alleen in deze wereld kunnen we getuigen dat God werkelijk met ons is en dat we zijn Woord serieus nemen in wat we doen en laten, in de woorden die wij spreken en de daden die we verrichten. De wet is gegeven in het kader van de bevrijding van slavernij. Zo moeten we die wet ook begrijpen als een aantal leefregels die gericht staan op bevrijding. Van nood, van schuld, van armoede. Zij regelen de verhoudingen tussen mensen zo dat zij elkaar respecteren, wie ze ook zijn, en dat zij als vrije mensen tegenover elkaar kunnen staan. 

Dit beginsel kunnen we al meteen herkennen in de eerste lezing. De vreemdeling dient goed behandeld te worden en het leven niet onmogelijk gemaakt. Voor Israel geldt dit te meer daar het vreemdeling is geweest in Egypte. Maar dieper dan dat heeft het ermee te maken dat we geen exclusieve aanspraken kunnen doen gelden op de grond waarop wij leven. We hebben die immers ontvangen. Hij is strikt genomen niet van ons.
Wat in materiële zin geldt, geldt ook in geestelijke. Wanneer God onze grond is, kunnen we geen oorlog om Hem beginnen. God is niet van ons, ook al is Hij onze levensgrond, wij zijn van Hem. Weduwen en wezen, die de zwaksten zijn in de samenleving, mag geen onrecht aangedaan. Zij kunnen zich niet verdedigen. Wanneer je je medemens helpt, gedraag je dan niet als een woekeraar om er beter van te worden. Breng iemand niet aan de bedelstaf, maar laat hem wat hij nodig heeft om te leven. 

Al deze bepalingen en nog andere zijn erop gericht dat we elkaars leefruimte en levensmogelijkheden, maar ook elkaars zelfstandigheid en vrijheid zekeren. Niemand mag de slaaf van een ander worden, ook niet wanneer het tegen zit in het leven. 
Een aantal elementen uit de wet wordt door Jezus hernomen in zijn Bergrede. 

Eerst over de verhouding tussen mannen vrouwen. Het was niet zo moeilijk voor een man om zijn vrouw te verstoten, in sommige samenlevingen is dat nog steeds zo. Een man kon vrij gemakkelijk over de vrouw beschikken. Dat maakt een vrouw ondergeschikt en onvrij. Jezus probeert daarin een grotere gerechtigheid aan te brengen. Echtbreuk laat een vrouw onverzorgd achter en berooft haar van haar toekomst. Dat kan volgens Jezus niet en is niet in overeenstemming met de geest van de wet. 
Niet alleen de feitelijke echtbreuk veroordeelt Hij, maar ook al de handelingen die er toe leiden. Onbehoorlijke blikken, begerige toe-eigening. Niemand is veilig voor de blik van de ander en een bepaalde manier van kijken kan maken dat iemand zich zeer ongemakkelijk voelt. Matteus refereert aan Mozes die een scheidingsbrief voorschrijft, zodat een vrouw tenminste naar haar familie terug kan en niet haar eer verliest. Maar dat is voor Jezus niet voldoende. Hij benadrukt de zorg die we hebben ter bescherming van elkaars eer en toekomstmogelijkheden. 
Ook wij worden geconfronteerd met relaties die mislopen. Het is een gegeven waar we ons toe dienen te verhouden. In plaats van een vechtscheiding, zouden we ervoor kunnen kiezen om bij alle verdriet niet nog meer verdriet te voegen. Te zoeken naar een overeenkomst die de toekomst voor de partners en de kinderen niet afsluit. Zodat ieder verder met kan met het leven. 

Vervolgens spreekt de tekst over de betrouwbaarheid van ons woord. Wanneer ons gegeven woord betrouwbaar is, is het niet nodig dit met veel omhaal van dure eden te onderschrijven. Sterker nog hoe meer iemand zweert, hoe onbetrouwbaarder zijn woord lijkt. 
De wet van Mozes stelt een maat aan de vergelding. Niet meer dan een oog voor een oog en een tand voor een tand, een kameel voor een kameel. Dat is al een verbetering ten opzichte van ongebreidelde wraak, maar Jezus nodigt uit om geen vergelding te zoeken, kwaad met goed te vergelden ten einde het kwaad te keren en de wapens uit handen te slaan. Zo ook om liefde tegenover vijandschap te stellen. 
Je naaste liefhebben en je vijand haten houdt de tweedeling tussen wij en zij in stand. Dat brengt geen heelheid in de mensengemeenschap. Je vijand liefhebben slaat een brug naar de ander waarover verzoening en herstel van relatie mogelijk is. We zullen verzuchten dat dit allemaal veel te moeilijk is. Toch zien we voorbeelden van dit gedrag in onze wereld, op het wereldtoneel, en dichtbij in onze straat, in onze families. Voorbeelden waarbij de kringloop van het kwaad en de haat wordt doorbroken. Mensen die in staat zijn om in de confrontatie met wat kwaad is, dit niet in hun hart te laten nestelen. 

Kunnen we dan wel voldoen aan de aanbeveling die in de slotzin van de tekst van Matteus staat: Weest volmaakt gelijk uw hemelse Vader volmaakt is? Niet zoals we dat meestal verstaan, in de zin van zonder fout en zonder vlek of gebrek. Daarom is het goed om wat nader te kijken naar dat begrip volmaaktheid. De betekenis is al een keer genoemd in het voorafgaande toen sprake was van vijandschap en liefde. Liefde brengt heelheid tot stand en doorbreekt scheiding, scheiding tussen partners, tussen gezins- en familieleden, tussen medemensen, tussen volkeren, tussen mens en God. Met volmaaktheid wordt heelheid aangeduid. Integriteit. Integriteit is de eigenschap dat je op een oprechte en rechtvaardige manier met je gebreken omgaat, niet dat je geen gebreken hebt. Het heeft van doen met onze uiteindelijke bedoeling. De geest van de bepalingen van de wet van Mozes, en die van Jezus, is de geest van integriteit, heelheid van intentie en handelen. Daarin is de uiteindelijke bedoeling gelegen. De wet die de Eeuwige, Hij zij geprezen, aan zijn volk geeft, is gebaseerd op een liefdevolle en bevrijdende levensverbondenheid van God en de leden van zijn volk en staat daarop ook gericht. Het heeft ten doel elkaar aan te vullen en heel te maken. Het nodigt uit tot persoonlijke integriteit en een integere omgang met elkaar.

Door deze op heelheid gerichte houding groeien we uit tot een tempel in de geest. Het is immers uiteindelijk niet het gebouw dat verwijst naar Gods aanwezigheid onder de mensen, maar het getuigenis van mensen die leven naar zijn Geest. Die in de wijze waarop zij samenleven laten zien dat zij een hecht bouwwerk zijn, bijeengehouden door een geest van liefde en verbondenheid, elkaar dragend en makend tot wat zij zijn, Gods tempel. 
Daarom staat met nogal wat nadruk in de brief van Paulus: “weten jullie dan niet dat jullie Gods tempel zijn”. De tempel als beeld van Gods verblijfplaats onder de mensen. Wij worden verondersteld die verblijfplaats van God te zijn. Het is precies die verbondenheid met God en met elkaar die onze heelheid uitmaakt. Zonder verbondenheid met God zijn we ontworteld en zonder verbondenheid met elkaar zijn we geïsoleerd. Beide zijn tekenen van een gebroken bestaan. We kunnen een hele wereld tot onze beschikking hebben, maar wanneer we die niet kunnen delen is het er doods. De schepping is ons toevertrouwd om voor ons te getuigen dat we Gods werk willen voortzetten. Niet om er zelf beter van te worden, maar om het maken tot een plek waar vrede en gerechtigheid getuigen van Gods aanwezigheid. Daarom zegt Paulus: “alles is van u, maar jullie zijn van Christus en Christus is van God”. Alleen zo kunnen wij worden wat we zijn: mensen van God en een tempel in de Geest. Amen.


top
 

Overweging 9 februari 2014 
Zout en Licht 

Lezingen: Jezus Sirach 32, 14-24; 1Korintiërs 2, 1-5; Matteus 5, 13-16. 

We lezen tijdens deze zondagen van het A-jaar tot aan de veertigdagentijd uit de Bergrede in het Matteusevangelie. En ook nog op de eerste zondag van de 40dt grijpen we terug op een deel uit die zelfde Bergrede. De vierde tot en met de negende zondag na epifanie besteden aandacht aan die Bergrede. Zes zondagen voor drie hoofdstukken uit de 28 van het evangelie volgens Matteus. Het toont het belang aan van deze toespraak. 

Vorige week werden de zaligsprekingen gelezen. Daarin staat dat Jezus, de hongerende menigte ziende, aan het begin van het vijfde hoofdstuk de berg op gaat en de overbekende woorden begint te spreken. "Zalig de armen van geest, de vredezoekers, de barmhartigen, de treurenden, de zuiveren, de vervolgden, die hongeren naar gerechtigheid". 
Niet zelden wordt gemeend dat de Bergrede met de zaligsprekingen samenvalt. Maar dat is niet zo. Na de zaligsprekingen gaat Jezus door met spreken tot Hij in het eerste vers van hoofdstuk 8 de berg weer afdaalt en de menigte Hem, heel symbolisch, volgt. De menigte die uitzag naar perspectief, die hongert naar gerechtigheid, luistert naar de woorden van Jezus en volgt Hem nadat Hij tot haar gesproken heeft. 

In de Bergrede spreekt Jezus over het rijk der hemelen en ontvouwt Hij de inhoud en betekenis van zijn leer. Een nieuwe leer met gezag. Een gezag, ontleend aan Degene namens wie Hij spreekt; een gezag, ontleend aan de hoop die zijn boodschap biedt aan gewone mensen. 
De woorden die we vandaag horen, zijn het vervolg op de zaligsprekingen. Tot die menigte lijdende mensen behoren er die al dagen achter hem aan lopen of onderweg zijn om Hem te zien, mensen die uit Syrië, Judea en Dekapolis komen. Mensen die ieder op eigen wijze verlangen naar verlossing van hun lijden. 
Tot hen spreekt Jezus de woorden: "jullie zijn het zout der aarde, jullie zijn het licht van de wereld". Niet de machthebbers, niet de gevestigde orde, niet de Schriftgeleerden, maar de mensen die verlangen naar de doorbraak van het rijk der hemelen. Immers het zijn de mensen die verlangen naar vrede en gerechtigheid en naar levensmogelijkheden voor ieder, die de samenleving doordesemen en haar in het licht van dat visioen stellen. Niet degenen die met hun handelwijze het onrecht in stand houden en de wereld in duisternis dompelen. 

Het koninkrijk der hemelen komt aan het licht in mensen die gericht staan op een nieuwe wereldorde. Hun tranen en hun verlangen vormen het zout der aarde. In hun ogenschijnlijke onmacht verkondigen zij een grotere wijsheid dan macht en hebzucht. En hun geweldloos protest heeft meer toekomst dan de wapens van revolutionairen. Daarbij gaat het om de wijsheid en de levenswijze van het koninkrijk, die anders zijn dan de wijsheid en de levenswijze van de ons bekende wereld. 
Het onderricht van de Bergrede heeft als doel dat onderscheid duidelijk te maken, hetgeen bevestigd wordt door de ondersteunende lezingen. Vandaag wordt dat "jullie" uit de Bergrede tot ons gericht. Wij zijn het zout der aarde, wij zijn het licht der wereld. Wanneer we ons tenminste kunnen aansluiten bij hen die het onderricht van Jezus willen volgen. Wanneer we ons kunnen identificeren met hen die verlangen naar vrede en gerechtigheid. Wanneer we ons herkennen in hen die uitzien naar een goede wereld. En wanneer we bereid zijn daarvan te getuigen.

Dat betekent niet per se dat we de barricaden op moeten. Het is meer dat we het verlangen naar Gods toekomst voor ons laten getuigen in de woorden die we spreken en de daden die we verrichten. Dat is zout en licht genoeg. 
We voelen ons immers vaak klein en machteloos tegenover de serieuze problemen van de wereld. Daarom kunnen we ons aansluiten bij Paulus in de woorden van zijn brief aan de christenen van Korinte: "ik ben het getuigenis van God niet komen verkondigen met hoogdravende of geleerde woorden. De enige kennis die ik u ben komen brengen is de gekruisigde Jezus Christus. Uw geloof mocht immers niet steunen op menselijke wijsheid, maar op goddelijke kracht". 
Zo ook mogen wij het koninkrijk laten steunen op meer dan menselijke wijsheid, namelijk op de kracht van God zelf. Dat betekent niet dat we niet met wijsheid te werk moeten gaan in de wereld waarin wij leven om die vorm te geven naar de normering en het model van het rijk van God. Maar dat is een wijsheid die stoelt op ontzag voor God en die gevormd is door zijn levend woord. De tekst van de wijsheid van Jezus Sirach geeft daarvoor een aantal aanwijzingen die uitnodigen tot een weloverwogen, bedachtzame en bezonnen levenswijze. Eigenschappen waarvan je pas bemerkt hoezeer zij in onbruik zijn geraakt op het moment dat je ze uitspreekt: Bedachtzaamheid, met overleg te werk gaan, bezinnen eer je begint, risico’s vermijden, veilige wegen gaan. Onze maatschappij lijkt daar haaks op te staan, wanneer je de amusementsprogramma’s van de omroepen mag geloven. Daar gaat het om competitie, spanning, risicovol leven, yolo, spontaneïteit, niet teveel nadenken, doen. Een totaal andere levensstijl dan de gulden middenweg die in de bijbelse wijsheidsliteratuur aangeboden wordt. 
Ik zou zeggen dat we ons moeten opwinden over zaken waar we iets aan moeten doen en de dingen die we niet in de hand hebben met een gelijkmatig gemoed dienen te aanvaarden. 

Maar wanneer de zaak van God ons ter harte gaat, wanneer we in deze wereld een minimum aan gerechtigheid en goede verhoudingen nastreven, dan kunnen we als gelovige mensen niet altijd zwijgen of ons afzijdig houden. Dan moeten we ook durven die druppel op een gloeiende plaat te zijn in het vertrouwen dat ook het kleine iets uithaalt en dat het beter is iets te doen dan niets te doen. 
Deze week bijvoorbeeld, op woensdag, was ik danig geschokt door een bericht in dagblad Trouw over de toestand in Syrië. Die is natuurlijk voor de bevolking al tijden verschrikkelijk. Maar ik las dat zowel van regeringszijde als van de zijde van groepen rebellen kinderen worden ingezet in de strijd. Niet alleen als kindsoldaten wanneer zij twaalf jaar of ouder zijn, een familielid hebben verloren en door familie onder druk worden gezet om zich te wreken. Maar ook veel jongere kinderen worden gebruikt als menselijk schild of erger nog, gemarteld om informatie over hun familie te verstrekken en verkracht. We kennen dit soort situaties ook uit delen van Afrika. 
Hierin wordt alles wat menselijk is totaal verduisterd. Er zijn geen woorden voor. Tegenover dit soort onrecht mogen we, hoe onmachtig we zijn, niet zwijgen. Ik heb een brief geschreven aan de ambassade van Syrië in Den Haag met een dringend verzoek aan deze wreedheden een eind te maken. Jullie kunnen dit steunen als je wilt. Bovendien zou ik graag zien dat we als statie ons zouden committeren aan een project voor de meest zwakke kinderen in onze wereld. Via KidsRights zouden we daaraan een bijdrage kunnen leveren in het kader van onze diakonale en humanitaire identiteit.

Hoezeer het totstandkomen van het Rijk der Hemelen een zaak van God is waar we als mens wellicht maar weinig aan kunnen bijdragen, toch meen ik dat het zonder onze toeleg ook niet tot stand komt voor de wereld waarin wij leven. Onze wereld is geschapen om een teken te zijn van Gods aanwezigheid onder de mensen. Dat teken zijn wij. Wij zijn het zout en het licht. Dat is in de eerste plaats een zaak van intens verlangen, maar ook van daden die ervan getuigen dat we ons verlangen serieus nemen. Opdat de wereld, onze omgeving, kan zien waar we voor staan. Het evangelie zegt het als volgt: "laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken". Waar wij kunnen, zijn we geroepen om God aan het licht te brengen, om onze wereld, in het klein en het groot, in familieverband en op wereldniveau, te doordesemen en in de richting te zetten van zijn toekomst. Het visioen van het rijk der hemelen reikt ons daartoe de normeringen aan en ons verlangen ernaar geeft ons de inspiratie en de energie. Omwille van Gods naam en omwille van de humaniteit van de wereld. Amen. 

top

Overweging 26 januari 2014 
Mensenredders 
Lezingen: Jesaja 49, 1-7; 1Korinthiërs 1, 1-9; Matteus 4, 12-22. 

Vorige week sprak ik iemand die me vertelde dat een verre voorvader van hem op de rede voor Walcheren, toen zijn schip op een zandbank voor de kust van Westkapelle was gelopen, door Frans Naerebout uit de storm was gered. Aangezien ik van Walcheren geboortig ben en met de zee ben opgegroeid, sprak me dat natuurlijk wel aan. 
Bij de voorbereiding van deze overweging moest ik terugdenken aan dat verhaal en vond erin een grote gelijkenis tussen deze Frans Naerebout en de taak van de apostelen die door Jezus werden geroepen om vissers van mensen te worden. 

Frans Naerebout werd geboren op Walcheren in 1748 en wordt geroemd in het volkslied van Zeeland "dat immer hoog in ere houdt, de onverschrokken Naerebout". Hij was visser, loods en mensenredder. Om een van zijn daden te noemen: Toen de eigen reddingsboten van de VOC wegens het slechte weer weigerden uit te varen, redde hij samen met een aantal Vlissingse vissers in twee tochten van 12 uur in vliegende storm de passagiers en bemanning van een op de rede in moeilijkheden geraakt schip afkomstig uit Batavia. Zijn inspanningen hebben hem geen welvaart gebracht. Hij leefde het grootste deel van zijn leven in armoede en hij stierf in armoede. Zijn begrafenis in de Kerk van Maria Magdalena in Goes, waar hij een baantje als lichtwacht had gekregen, werd bekostigd door de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. 
Hij was, zoals zijn gedenksteen ook zegt, een mensenvriend. Wat hij deed, deed hij zonder aarzelen en uit liefde voor mensen, en niet voor persoonlijk gewin. Hij viste mensen uit het water om hen te behoeden voor de dood. 

In het evangelie van vandaag horen we over het begin van het openbare optreden van Jezus. Dit is na zijn doop in de Jordaan door Johannes en na zijn bezinningsperiode in de woestijn waar zijn eigen roeping op de proef is gesteld. Johannes de Doper is inmiddels gearresteerd en zit in de gevangenis. Jezus wijkt uit naar Galilea naar het meer van Tiberias, van Galilea of Genesaret, en vestigt zich in Kafarnaum in het gebied van de stammen van Zabulon en Naftali. 
Hierin resoneert de profeet Jesaja waarin Jezus wordt afgebeeld als het licht dat schijnt voor wie in duisternis zijn en wie zitten in de schaduw van de dood. De evangelist Lukas zal dit beeld opnemen in de messiaanse lofzang van Zacharias: "zo bekommert zich om ons het licht uit de hoogte, het zal schijnen voor wie zitten in duisternis en de schaduw van de dood, het zal onze voeten geleiden op de weg van vrede". 
De verkondiging van Jezus begint met dezelfde woorden die we ook hoorden van Johannes de Doper: "bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij". Wie werkelijk gelooft in deze boodschap aarzelt niet, maar zal zich onmiddellijk richten op de verhaasting van de komst van dat koninkrijk van vrede en gerechtigheid. Anders dan de mensen die niet kunnen geloven dat het koninkrijk nabij is, of die niet kunnen geloven dat het zelfs maar mogelijk is en die daarom er niet eens aan beginnen, spoeden de gelovigen zich op de weg van vrede die Jezus is. 

Net zoals Johannes begint Jezus leerlingen om zich heen te verzamelen. Dit verzamelen is niet zonder betekenis, want uiteindelijk gaat het erom het hele volk rond God te verzamelen en de verdwaalden terug te brengen. Na de aankondiging van de nabijheid van het koninkrijk zien we Jezus langs het meer lopen. Daar, aan het water, roept hij zijn eerste leerlingen. Het zijn de vissers Simon Petrus en diens broer Andreas en de twee zonen van Zebedeus Jacobus en Johannes. Jezus roept hen op Hem te volgen en zij laten terstond, zonder aarzeling, hun netten, en zelfs hun familie, in de steek en volgen Hem. 
Het lijkt een volstrekt irrationeel en onverantwoord gedrag. Je levensonderhoud, je werk, je familie zomaar in de steek laten en achter een rondreizende rabbi aan te gaan. Maar aangezien het roepingsverhaal geen oproep tot onverantwoord gedrag kan zijn, moet er iets anders aan de hand zijn. 

We kunnen de onmiddellijkheid van de actie van Simon Petrus, Andreas, Jacobus en Johannes alleen maar begrijpen tegen de achtergrond van een grotere noodzaak. Misschien was het handelen van Frans Naerebout ook wel volstrekt onverantwoord naar redelijke maatstaven. Maar daar ging het hem niet om. Hij ervoer een grotere verantwoordelijkheid en andere noodzaak, namelijk om de levens van zijn medemensen te redden. 
In datzelfde perspectief kunnen we ook de beslissing van de eerste leerlingen van Jezus begrijpen. Niet hun eigen boterham, niet hun eigen belangen en relaties kwamen door de roep van Jezus op de eerste plaats, maar de inzet waartoe Hij hen opriep en die zij als hun onafwendbare taak zagen, namelijk om vissers van mensen te worden. Zij moesten mensenredders worden. De betekenis van die roeping reikt veel verder dan wat in het algemeen hierover wordt begrepen. Het gaat niet om het vissen en in de netten halen van gelovigen, van bekeerlingen, niet om zieltjeswinnerij. Dat is veel te plat. Het gaat om een levensreddende activiteit. 

Het verhaal bouwt voort op de doop van Jezus zelf. We hebben, twee weken geleden, gehoord hoe Jezus zich door Johannes liet dopen, hoewel Hij geen doop tot bekering nodig had. Daarmee werd aangeduid dat in deze doop iets anders werd geopenbaard. We hoorden hoe Jezus terstond na de doop uit het water opstond. Hier is het water het symbool van de dood, waaruit Jezus als de Levende opstaat. De dood is daarmee niet langer een einde maar een doorgang, zoals er een pad gebaand is door de Rode Zee, opdat het volk levend en wel de overkant en het beloofde land kon bereiken. 
Keer op keer horen we hoe Jezus het water bedwingt en transformeert van plek van dreiging en dood tot plaats vrede en overvloed. Wanneer Jezus nu deze leerlingen roept als de vissers die zij zijn en zegt dat zij vissers van mensen zullen zijn, mogen we dat tegen die achtergrond begrijpen. Het is een oproep om te delen in de zending van Jezus zelf om mensen uit het water van de dood te halen en naar het rijk van het leven over te brengen. Om mensen de weg van het leven te leren kennen. 
Tegenover zo’n roeping staat geen aarzeling en zij laten dan ook terstond hun netten in de steek om Jezus na te volgen en te delen in zijn reddingswerk. 

Het gaat daarbij nadrukkelijk niet alleen om de verdwaalde stammen van Israël. Zelfs niet om het Galilea van de heidenen. Met de woorden van Jesaja sprekend: "het is te gering dat je mij een knecht zou zijn om de stammen van Jakob (Israël) weer op te richten en de bewaarden van Israël (uit ballingschap en verspreiding) terug te brengen. Ik stel je tot een licht der volken, opdat mijn heil reikt tot het einde der aarde". Alle volken tot het einde der aarde zijn begrepen in het heilsplan van God. Zijn aanbod is universeel en zijn liefde betreft alle mensen. Dat is precies de katholiciteit, de universaliteit, van de Blijde Boodschap. Niet om mensen religieus te koloniseren, maar om de universele verbondenheid van de mensengemeenschap aan te duiden. 
Om aan te geven dat er een eenheid van heil en redding is. Dat het dus niet kan dat één volk gered wordt en het andere niet, omdat het strijdig is met de fundamentele eenheid van de mensheid in relatie tot Gods scheppende en herscheppende liefde. Daarom is het redden van mensen zonder aanzien des persoons. Het gaat om de nood waarin iemand verkeert en niet om de mens die hij is (of die wij denken dat hij is). 

Dat is geen eenvoudige gedachte. In navolging van de eerste leerlingen van Jezus zouden ook wij bereid moeten zijn elkaar zonder aanzien des persoons te redden van de dood en al wat daartoe leidt. We moeten met elkaar de weg van vrede gaan, en anders gaan we helemaal geen weg van vrede. We kunnen mensen niet uitsluiten, hoe afschuwelijk zij ook zijn. Dat geldt voor Syrië, voor Soedan, voor de Centraal Afrikaanse Republiek. Maar ook dichter bij huis voor ons land, voor onze familie. We kunnen ervoor kiezen gevangen te blijven zitten in het troebele water van onmin, jaloezie, ruzie en verwijdering. Maar omwille van het koninkrijk der hemelen zullen we elkaar de reddende hand moeten reiken om elkaar uit het moeras van oorlog en haat te trekken. Omwille van de lieve, lieve vrede die niet verdoezelt, maar oplost. Daar zien de volkeren reikhalzend naar uit en daartoe zijn wij allen geroepen. Amen. 

top

 

Overweging 19 januari 2014 
Levensverbond 
Lezingen: Jesaja 62, 1-5; Johannes 2,1-11. 

Het is niet ongebruikelijk om over de relatie tussen God en zijn volk te spreken in de termen van een liefdesrelatie of van een huwelijk. Israël is de bruid van God, de Thora de bruid van Israël. Ook de sabbat wordt als bruid gezien, evenals de aanwezigheid van de Eeuwige. Bij een huwelijk in zeer orthodoxe omgeving danst de rabbijn met de bruid, met haar verbonden door een lange reep stof. De bruid stelt hier de sjechina voor, de goddelijke aanwezigheid. Voor het nieuwe Godsvolk is dat niet anders. De kerk wordt gezien als bruid van Christus, en Christus als de bruidegom. Het Woord wordt met zaad vergeleken dat in de schoot van de kerk valt om rijkelijk vrucht te dragen. Verschillende schriftteksten onderstrepen en benoemen die relatie. Zo is het Hooglied, het liefdeslied bij uitstek, religieus geïnterpreteerd en staat het voor de relatie van God met zijn volk en voor Christus en de kerk. Verschillende profetische geschriften spreken van bruid en huwen, waar het gaat om de verhouding van de Eeuwige tot Israël of om het herstel van die relatie in een nieuw verbond. "Ik maak u tot mijn bruid voor eeuwig" staat bij Hosea. Diezelfde beeldtaal treffen we aan in psalmen, sommige evangelieteksten en in de Openbaring. Het mystieke bruiloftsmaal van het Lam vinden we terug in Avondmaal en Eucharistie waarin wij genodigd worden tot dat bruiloftsmaal van het Lam om ons te voeden met wat we worden en door de doop reeds zijn: het lichaam van Christus.

In de Schriftteksten van vandaag staat dit beeld centraal. In de eerste lezing hebben we een gedeelte uit Jesaja gelezen. De teksten uit het derde deel van Jesaja zijn voornamelijk van na de ballingschap, uit de tijd dat de tempel wordt herbouwd en weer gereed is. De verhoudingen binnen Israël tussen degenen die waren teruggekeerd en die achtergebleven waren lagen niet altijd eenvoudig. Ook bleef de ervaring van heil achter bij de verwachtingen. De hooggestemde verwachting van vrede en voorspoed waarmee de ballingen naar hun land waren teruggekomen werd niet bewaarheid. De godsdienst had veel aan zuiverheid verloren. Er klinkt een roep om herstel, niet alleen van de tempel, maar ook van de relatie met de God van Abraham, van Izaäk en Jakob. Tegelijk hiermee wordt de hoop dat alles ten goede zal keren opnieuw onder woorden gebracht. De rechtvaardige toorn van God om geloofsafval is immers niet het laatste woord. God is getrouw en barmhartig. Hij zal voor Israël de keer brengen en Israël terugbrengen aan zijn zijde. Het volk blijft immers zijn geliefde en zijn bruid. Temidden van de teleurstellingen is dat waar het volk zich aan kan vasthouden. Het is precies die hoop die hier in Jesaja beloftevol wordt verwoord. God zal zijn trouw bewijzen aan zijn volk, ook met het oog op de volken. De schande van Israël is immers ook een smet op het blazoen van de Eeuwige. Wanneer het Godsvolk zich niet goed gedraagt, brengt het ook God in diskrediet. Het volk moet de kroon op het werk van de Eeuwige zijn. Voor het oog van de volken zal God zich opnieuw met zijn volk verbinden als zijn bruid en haar tot aanzien brengen. Niet langer als ontrouw verstoten, heet zij welbehagen, gehuwde. Hij zal zijn volk opnieuw opbouwen, zoals bij de schepping de vrouw uit de mens is gebouwd waardoor er vrouw en man ontstonden. Zodat relatie wordt mogelijk gemaakt. Zo bouwt God zijn volk op, als een nieuwe schepping, om relatie weer mogelijk te maken. God als bruidegom die zich over zijn bruid kan verheugen.

De beeldtaal wil aangeven dat de relatie tussen God en zijn volk wezenlijk en existentieel is en dat er buiten die relatie eigenlijk geen leven mogelijk is. De taal waarin gesproken wordt, is liefdevol en zorgzaam. Tegelijk kunnen we de ogen niet sluiten voor de man- en vrouwbeelden die erin opgesloten zijn. Het is de vrouw, het volk, die afvallig wordt en de man, God, die herstelt. We moeten niet onderschatten hoe dit soort genderbepalingen doorwerken in ons zicht op mannen en vrouwen en in onze houding ten opzichte van het huwelijk. Onbewust, of juist heel bewust, kunnen we kregelig worden van deze teksten, omdat ze een bepaald beeld in stand houden. En dat terwijl we juist proberen om die relatie tussen man en vrouw (en ook tussen mannen en tussen vrouwen) in gelijkwaardigheid te beleven en ook juridisch vorm te geven. 
Niettemin willen we aan de beeldspraak overhouden dat de relatie tussen God en zijn volk een liefdesrelatie is die gericht staat op voorspoed, vrede, welzijn en leven. 

Wanneer we dan in de Evangelietekst een verhaal horen over een huwelijk, zullen we dat gemakkelijk kunnen zien als een parabel over de relatie tussen God en zijn volk. 
Wat zijn de elementen? Op de derde dag is er een bruiloft, de wijn is op, water wordt wijn, Jezus wordt als bemiddelend hierin afgebeeld, de beste wijn wordt het laatst geschonken. 
Het Johannesevangelie legt nadruk op de eenheid van schepping en verlossing. In Christus is een nieuwe schepping. Hij is de nieuwe Adam, de beste wijn die tot het laatst is bewaard, maar nu bij de volheid van de tijden wordt uitgeschonken voor het leven van de wereld. Het verhaal van Johannes stuwt voort van dit nieuwe begin tot de betekenis van het einde, de dood en de verrijzenis van Christus. De derde dag is een verwijzing naar de verrijzenis. De verwijzing naar een bruiloft betekent dat het om de verbondsrelatie gaat en wat daarin gebeurt. De wijn is op, het leven is er uit verdwenen. Het is voor de hand liggend om hierin het eerste verbond te zien en Jezus als vertegenwoordiger van het nieuwe verbond, die het verwaterde verbond nieuw leven geeft en dus verandert van water in wijn. 
Daarmee spelen we het eerste en tweede verbond tegen elkaar uit. En ik denk dat we dat niet moeten doen. Het verbond in Christus vervangt niet het eerste, het is er de voortzetting van. Dat wil zeggen: wij belijden Jezus als de vervulling van de messiaanse hoop van Israël, die een licht is voor alle volkeren. 

Dat er geen wijn meer is op die derde dag kan verwijzen naar de dood van Jezus, die precies op die symbolische derde dag het water van het sterfelijke leven verandert in de wijn van het eeuwig leven. Hij stelt daarmee een teken van belofte dat Hij die trouw is, ook voor ons de keer zal bewerken. Hij die ons sterfelijke leven heeft opgenomen, heeft dat leven ook in de verrijzenis meegenomen en tot het volle leven gebracht. De bruiloft, dat wil zeggen de relatie tussen God en zijn volk, is de omgeving waarin die transformatie plaatsvindt. In de relatie met God vindt voor de mens de transformatie van dood naar leven plaats. Buiten die levensverbondenheid kan die niet plaatsvinden. Zo is de parabel van de bruiloft van Kana een vooruitlopen op, een anticipatie van de opstanding van Jezus, als een teken van belofte dat ons allen die in hem gedoopt zijn, in het vooruitzicht is gesteld. 

Maar het beeld van de bruiloft heeft ook betekenis voor ons nu, wanneer we er tenminste van uit gaan dat het een afspiegeling is van Gods relatie met ons. Die relatie zet immers de toon voor onze relaties met elkaar. Het huwelijk, maar ook ieder levensverbond tussen mensen, kan worden gezien als een afspiegeling van het Godsverbond. Wat in dat verbond plaatsvindt staat niet buiten onze werkelijkheid, maar is ook maatgevend voor onze relatie. De verbondsrelatie is normatief voor de relaties tussen mensen.

De bewoordingen van Jesaja spreken over een verandering van situatie. Het herstel van het verbond brengt een belangrijke verandering in de status van het volk teweeg. Niet langer verlatene, niet langer verstotene. Het volk wordt in ere en eerbaarheid hersteld, zodat het haar plaats onder de volkeren kan innemen en tot bloei kan komen, weer levensperspectief heeft. Op de bruiloft in Kana wordt water in wijn veranderd. De relatie met God is dus een transformatief proces. Er vindt een verandering plaats. In relatie met God word je een ander mens, of beter gezegd, meer mens, mens naar Gods hart, zijn welbehagen, zijn gehuwde. 
In verbondenheid met Hem wordt het water van onze dood bron van nieuw en onvergankelijk leven. 
Wanneer dat gegeven ook normatief is voor ons handelen, heeft dat iets te zeggen over onze relaties en wat deze teweeg brengen. Dat betekent dat iedere relatie iets zou moeten uitwerken dat lijkt op wat de relatie met God voor ons doet. Die relatie verandert water in wijn. Ons bestaan wordt doorgeest met Gods leven. Daarvan mogen we blijk geven en getuigen in onze eigen betrekkingen. We zouden kunnen proberen ons te realiseren dat ontmoetingen en relaties met onze medemensen, die met een partner in het bijzonder, onder het aspect van transformatie staan. Dat zij dus een verandering teweeg moeten brengen. Een relatie is een existentiële aangelegenheid die mensen niet ongemoeid laat. En iedere ontmoeting is een gelegenheid om water in wijn te veranderen. De bedoeling van verbondenheid tussen mensen is dat zij groeien in mens-zijn. Dat zij aan elkaar meer mens worden. Dat we het leven in elkaar opdelven en bevorderen. Dat we aan elkaar iets van God proeven. Om meer te worden wat we zijn: levenspartner van de Eeuwige, messiaanse bruid, dragers van vrede, licht voor de volkeren, de kroon op Gods werk. Amen. 

top

Overweging 12 januari 2014 
Mijn veelgeliefde 

Jesaja 42, 1-9; Handelingen 10, 34-38; Matteus 3, 13-17. 

Al vanaf het begin van het optreden van Jezus werden vragen gesteld over zijn identiteit. Wie is hij toch en wie heeft hem het gezag gegeven om te spreken en te handelen zoals hij doet. Nogal wat teksten van het evangelie kun je dan ook lezen als openbaringsverhalen, verhalen dus die iets onthullen over wie Jezus is en wat hij betekent. Zo ook vandaag. De doop van de Heer is eigenlijk een openbaringsfeest en past bij kerstmis en Driekoningen. Dat laatste feest wordt ook epifanie genoemd en dat is Grieks voor verschijning, ook een soort openbaring dus. De verhalen rond Kerst openbaren Jezus aan het volk Israel en aan de volken, want wat in Jezus geopenbaard wordt heeft betekenis voor alle volken. 

We lezen ook andere teksten zoals uit de Handelingen van de Apostelen. Deze vertellen ons hoe het de vroegste kerk verging aan de hand van Petrus en Paulus. In de lezing van vandaag horen we Petrus over Jezus getuigenis afleggen, als iemand die van het moment af dat Jezus leerlingen om zich begon te verzamelen, bij hem betrokken is geweest. Ook in deze geloofsbelijdenis en verkondiging wordt Jezus in zijn heilsbetekenis geopenbaard. 

Wij ontmoeten Jezus aan het begin van zijn openbare leven in zijn ontmoeting met Johannes. Volgens Lucas is Jezus een achterneef van Johannes. Maar ook Matteus brengt deze twee mensen met elkaar in contact. Johannes preekt in de woestijn een doop van bekering. Hij zal tot een meer radicale en verinnerlijkte geloofsgroepering binnen het Jodendom behoord hebben. Wars van alle uiterlijke vervulling en letterknechterij ging het hem om innerlijke bekering en ware godsdienst. Niet om macht en aanzien. Door zijn opmerking tot de farizeeën en sadduceeën die naar hem toe komen, lijkt hij zich ook af te zetten tegen een al te gemakkelijke geloofshouding. Hij zegt namelijk: "breng maar liever vruchten voort waaruit jullie bekering blijkt en denk maar niet dat het voldoende is om te zeggen wij zijn toch kinderen van Abraham". Met andere woorden het is niet voldoende om het geloof met de mond te belijden of erop prat te gaan dat je de ware godsdienst vertegenwoordigt en kind bent van de belofte. Dat zal ook moeten blijken uit je daden. Het feit dat je een bijbelgeleerde bent, zoals de farizeeën, of uit een priesterkaste stamt, zoals de sadduceeën, is geen garantie of een legitimering om op je lauweren te rusten. Johannes is daar behoorlijk strak in, maar staat open voor mensen die serieus zoeken naar bekering en gelovig leven. Enerzijds het doorprikken van hypocrisie en anderzijds een weg banen voor mensen die oprecht verlangen naar verlossing. 

Geen wonder dat Jezus zich daarin herkent en dat hij zich in dit milieu openbaart. Ook hem gaat het immers om de geest van de geboden en de authentieke geloofshouding. Om innerlijkheid en waarachtigheid. Maar er komt voor hem nog wat bij. Namelijk het perspectief van die bekering. In Jezus is meer aan de hand. Daarom ook zegt Johannes dat Degene die na hem komt zoveel krachtiger is dan hij en dat hij niet waardig is hem maar met zijn schoeisel te helpen. In de tekst horen we hem zeggen " ik behoor door jou gedoopt te worden en je komt naar mij toe?" Maar Jezus gaat in tot de doop om iets van de essentie van zijn leven te openbaren. Waar Johannes een doop van bekering predikt, openbaart Jezus een doop ten leven. Jezus verandert de betekenis van de doop. Bij Johannes is het een uiterlijk teken van een innerlijk voornemen. Een rituele reiniging na belijdenis van zonden als uitdrukking van het voornemen om een ander leven te leiden en de weg van de geboden te gaan. Een doopsel van bekering dus. Bij Jezus gebeurt iets anders. Johannes geeft al aan dat Jezus niet iemand is die bekering nodig zou hebben. Jezus ondergaat dus een andere doop. 

Water is een symbool van leven, maar vooral van het sterfelijke leven. Daarom is water ook vaak het symbool van de dood. Jezus dompelt zich onder in dat water, het water van het sterfelijke leven, ons leven, om daaruit terstond, zoals de tekst zegt, op te staan. Het heeft geen vat op hem, de dood houdt hem niet vast, maar hij staat eruit op als de Levende. Zijn doop loopt vooruit op zijn verrijzenis. 
Datzelfde wordt gesymboliseerd bij het bruiloftsmaal in Kana in het Johannesevangelie waar het water van het sterfelijke leven wordt veranderd in de wijn van het eeuwig leven. Daar gaat het om een wonderverhaal. Hier ondergaat Jezus in de doop zijn menswording, zijn dood en zijn verrijzenis op symbolische wijze als een samenvatting van zijn leven. Een leven dat onder het teken staat van Gods Geest en bekrachtigd wordt vanuit de hemel wanneer een stem klinkt (de stem die klinkt is het bijbelse teken van Gods aanwezigheid), die zegt "jij bent mijn geliefde kind". 
Deze doop verandert het voorteken van ons leven. Hierdoor staat het niet langer in het teken van de dood, maar van het leven. Het is niet louter de uitdrukking van een mentale verandering, maar brengt een essentiële verandering in de betekenis van ons leven teweeg. In de doop gaan we van de dood naar het leven. God heeft in het teken van de menswording ( dit zal u een teken zijn: gij zult een kind vinden in een kribbe ) het perspectief van ons leven voorgoed veranderd, ons leven gekeerd. Wanneer wij in Christus worden gedoopt, worden wij ook gedoopt in zijn dood en verrijzenis en staat ons leven in het teken van zijn Geest waarmee wij worden gezalfd. In die doop klinkt ook over ons de Stem. Niet de stem van het gebroken paradijs die zegt "mens waar ben je?", niet de stem van het oordeel, maar de stem van het hersteld verbond die tot een getuigenis voor de wereld zegt "dit is mijn geliefde kind". 

Dat is een geweldige uitgangspositie. Nu zegt de Stem nog iets meer in het verhaal. De wetenschap geliefd te zijn is één ding, maar dat God ook behagen schept, genoegen put uit ons leven is een ander ding. We kunnen veel van onze kinderen houden, en meestal doen we dat ook, maar dat betekent niet altijd dat we ook plezier aan hen beleven. In het verhaal van de doop van Jezus worden beide dingen uitgesproken: "je bent geliefd en ik heb behagen in je". Gedoopt worden betekent ook dat je als mens wordt wat over je is uitgesproken en dat je als geliefd kind van God ook een leven leidt waar God plezier aan kan beleven. Daar hoeven we ons niet voor in allerlei moeilijke bochten te wringen. Het betekent wel dat we op een of andere manier, als de mens die we zijn, messiaanse mensen worden. Dat wil zeggen mensen die durven geloven in de belofte van een ongeschonden wereld, een onbedreigd bestaan, in het perspectief van het rijk Gods. Mensen die leven in hoop en vertrouwen en die van daaruit handelen in de wereld, als teken van het kind zijn van God. 

Wat het voor het leven in de wereld kan betekenen lezen we bij Jesaja die spreekt over de messias als de dienaar van God. De profetische tekst spreekt hier niet, elders wel, in termen van koningschap en bijzondere machtsuitoefening. Die teksten horen we wel bij het feest van de geboorte. Hier gaat het over het optreden van de messias als de dienaar van God en mensen. Over wie de tekst bij monde van God zegt: ´mijn uitverkorene in wie ik welbehagen heb, op wie ik mijn geest heb gelegd. Hij zal de volken het recht openbaren`. Deze messias is zachtmoedig, vol mededogen, heeft oog voor de kwetsbaren en wil het recht op aarde vestigen, geen krom recht, maar naar waarheid. Om mensen te bevrijden uit de duisternis en de ogen te openen voor Gods toekomst. Hij is als een licht voor de volken. Het zijn ook precies deze teksten die licht werpen op het leven van Jezus en die duidelijk maken wie hij is. In navolging van hem bieden zij ons handvatten om iets te verstaan van de betekenis van een God welgevallig leven. In dat opstandingsleven zijn wij gedoopt en tot dat messiaanse leven zijn we gezalfd. Opgenomen in de belofte van dat hersteld verbond als geliefde kinderen. Om te worden wat in de doop over ons is uitgesproken. Mensen van wie God en anderen plezier hebben. Die een zegen zijn voor de wereld. Amen. 

top

Overweging 1 januari 2014 
Teken van het verbond 
Numeri 6, 22-27; Handelingen 4, 8-12; Lucas 2, 21. 

Een korte overweging. Dezer dagen wordt veel teruggekeken en vooruitgeblikt. Mensen maken de balans op van het afgelopen jaar en zien uit naar het nieuwe. De verlangens en voornemens van het voorbije jaar worden geëvalueerd en er worden nieuwe doelen geformuleerd voor de komende tijd. Soms worden voornemens gemaakt om relaties te verbeteren, een ruzie bij te leggen waarvan niemand meer precies weet waarom het ging en conflicten te beëindigen. Het zijn de uitdrukkingen van het verlangen om opnieuw te kunnen beginnen. Om niet langer bezwaard te worden door de ballast van een verleden. Van het vertrouwen dat we niet onafwendbaar aan ons verleden gebonden zijn. Dat we kunnen veranderen. Dat dingen kunnen veranderen. De bereidheid om te vergeven en tot verzoening te komen geeft aan dat onze verbondenheid dieper gaat dan dat wat voor verwijdering en onenigheid zorgt. Niet dat het altijd zo gemakkelijk is om te vergeven en tot verzoening te komen. Daar kan een hele innerlijke strijd aan vooraf gaan. En dat geldt zowel wanneer we met anderen als ook wanneer we met onszelf in het reine willen komen. En niet zelden is het gemakkelijker om anderen te vergeven dan om onszelf te vergeven.

Wanneer we in het Onze Vader bidden: "vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren", doen we een beroep op God’s verbond met ons. Erop vertrouwend dat de liefde van het verbond sterker is dan de boosheid om de overtreding (als het al zo zou werken in de relatie met God). Maar tegelijk zeggen we met dat zinnetje ook dat er een verband is tussen de verbondsrelatie van God en onze relaties met onze medemensen. Verzoening met God wordt in één adem genoemd met de verzoening van mensen onderling. Bijna ook in voorwaardelijke zin. Dat wil zeggen dat verzoening met God eigenlijk niet echt mogelijk is zonder verzoening met mensen. De relatie van God met ons is normatief, stelt de norm, voor onze onderlinge relaties. Ons leven wordt betekend door God’s liefde voor ons. "Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gezonden"… om ons te redden. God zelf heeft in Jezus Christus zijn Naam over ons uitgesproken. Als teken van zijn altijddurende verbond. Ons leven, onze toekomst staan in dat teken. 

Geheel naar Joods gebruik wordt Jezus op de achtste dag van zijn geboorte besneden en bij die gelegenheid ontvangt hij ook zijn naam. Daarmee wordt hij een met name gekend lid van het verbondsvolk. In die zin is de besnijdenis vergelijkbaar met de doop waardoor wij een met name gekend lid worden van de gemeenschap van Christus. De doop is echter een onzichtbaar merkteken, terwijl de besnijdenis een zeer zichtbaar merkteken in het vlees is. Voor Christenen is het gemakkelijk te vergeten dat zij gedoopt zijn, maar voor een Jood is het onmogelijk om te vergeten dat hij besneden is. Voortdurend wordt hij eraan herinnerd dat het leven tot in zijn intiemste aspecten staat onder het teken van het verbond en onder de tora. Niets is daarvan uitgesloten. 
We hebben nogal eens de neiging om te denken dat leven en geloof met elkaar concurreren. Dat geloven lastig is en plichten oplegt die haaks staan op wat we van het leven willen. Alsof geloven en leven andere dingen beogen, terwijl op hetzelfde gericht staan. Op die manier wordt geloven een moeten dat ons privéleven in een bepaalde vorm dwingt. Als een structuur die over ons leven wordt heen gelegd. Als dan gezegd wordt dat ons leven tot in zijn intiemste aspecten onder het teken van het verbond staat, denken we al snel aan inmenging en onvrijheid. Aan bemoeizucht met het private en persoonlijke domein. Eventueel met alle frustraties uit het verleden vandien. Maar, geloven wil geen wezensvreemde structuur opleggen aan ons leven. Het staat net als ons eigen streven gericht op de vervulling van een gelukkig en betekenisvol bestaan. Het kan ons leven inspireren, een doel geven en richting geven aan ons handelen. Niet alleen ons publieke handelen in de zin van ethiek, moraal en fatsoen. Maar ook ons privé-handelen in de wijze waarop we elkaar liefhebben en respecteren. En tenslotte legt het een bodem onder ons bestaan dat zonder die bodem aan het niets zou zijn overgeleverd.

Het verbond is niet iets bijkomstigs. Iets wat je erbij neemt als sambal bij de chinees. Het verbond ligt ten grondslag aan ons leven en kleurt het door en door. Het is onlosmakelijk met ons leven verbonden. Je kunt het er niet van loskoppelen. Zoals twee vloeistoffen die je met elkaar mengt een nieuwe vloeistof worden, zo worden wij door het verbond in Christus nieuwe mensen. Dat is een innerlijk proces dat niet zonder meer aan ons te zien is. Wanneer wij willen laten zien dat ons leven onder het teken van Christus staat, moeten we zelf een teken van Christus zijn. Een van de kenmerken van een door Christus betekend leven is dat we bereid zijn telkens een nieuw begin te maken en elkaar te vergeven. Wanneer we elkaar een gezegend, zalig of gelukkig nieuwjaar wensen, spreken we als het ware Gods naam over onze toekomst uit. Als teken van het verbond van God met mensen en daarin van mensen met elkaar. Daarmee geven we tegelijkertijd de diepste grond en uiteindelijke bedoeling aan van alle menselijke betrekkingen. Zij stoelen immers niet alleen op ons zelf, maar op het levensverbond met de Eeuwige. Mogen we die verbondenheid in de wereld gestalte geven naar de maat van onze mogelijkheden in het jaar dat voor ons ligt en zo voor elkaar en voor de wereld een zegen zijn onder de zegen van de Allerhoogste. Amen. 

top

 

Overweging 29 december 2013 
Verlangen naar bevrijding, de bevrijding van Jeruzalem 
Lezingen: Jesaja 61, 10- 62, 3 ; Lukas 2, 33-40. 

Zoals gebruikelijk kijken we aan het eind van het jaar terug op wat geweest is. Eventueel beoordelen we dat in het licht van de verwachtingen die we hadden met betrekking tot ons leven. Of we kijken ernaar met het gevoel van nu. Aangezien de meesten van ons niet zo planmatig en doelbewust leven, zal de laatste benadering vaker voorkomen dan de eerste. Tegelijk kijken we vooruit en brengen nieuwe verwachtingen onder woorden of formuleren opnieuw de verlangens en verwachtingen die niet zijn vervuld. In het publieke domein wordt ook verwachtingsvol naar de toekomst gekeken. Een van de bijlagen van de Trouw van gisteren droeg als titel TKMST, geschreven zonder die lastige en overbodige klinkers. Daarmee eigenlijk onbewust een beeld scheppend dat de toekomst geen behoefte lijkt te hebben aan klank. Dat de toekomst alles wat niet strikt noodzakelijk is weglaat en genoeg heeft aan structuren. Voor mij is dat vorm zonder inhoud. Dat is de werkelijkheid reduceren tot feitelijkheid zonder betekenis. 
Volgens die toekomst gaan we volgend jaar een smartwatch kopen, laten we bij de italiaan onze favoriete pasta uit de 3dprinter komen en lopen rond met een bril (de volgende stap is een contactlens) die ons precies vertelt waar we zijn, wie er van onze kennissen in de buurt is en waar we samen een kopje koffie kunnen gaan drinken of een hapje kunnen eten en die dan ook meteen de afspraak maakt en reserveert. 
Nu klinkt het alsof ik wat cynisch ben met betrekking tot wat de technische vooruitgang wordt genoemd. Maar dat ben ik niet. De ontwikkelingen met betrekking tot wooncomfort en woonveiligheid, communicatie, informatievoorziening, gezondheidszorg, transport en logistiek en nog veel meer zijn geweldig. Maar welke wereld streven zij na? Ten dienste van welke ontwikkeling staan zij? Stellen we ons ook de vraag wat de groei van technische mogelijkheden bijdraagt aan de groei van de menselijke samenleving? 
Ik weet dat deze vragen ook al 150 jaar geleden werden gesteld, maar dat betekent niet dat deze vragen niet actueel zijn. Onze grootste zorg zou niet de technische vooruitgang moeten zijn, maar de groei in menselijkheid. We koesteren een diepliggend verlangen met betrekking tot menselijk geluk, vrede en heelheid. Tot een samenleving die ons dichter bij onszelf brengt en ons niet van onszelf vervreemdt. Die ons in staat stelt te groeien in medemenselijkheid. 

In de tekst van het Lukasevangelie ontmoeten we twee mensen die dit verlangen op profetische tot uitdrukking brengen. Hun leven is doordrongen van dit verlangen en zij hebben er hun leven aan gewijd. De oude Simeon, die leeft in de verwachting van de vertroosting van Israël, en Hanna, die de bevrijding van Jeruzalem verwacht. Beiden herkennen in Jezus de vervulling van hun messiaanse verwachting. Simeon vertolkt zijn emotie bij de ontmoeting met Jezus op onnavolgbare wijze wanneer hij Hem in zijn armen neemt en zegt: "laat nu, Heer, naar uw woord uw dienaar heengaan, want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd, een licht voor de heidenen, de glorie van Israël uw volk". Hij is wensloos gelukkig en zijn leven is voltooid. En Hanna profeteert over dit kind tegen allen die leven in hoop. 
Kan de verwachting van deze twee Joodse mensen die leefden in messiaanse hoop, ook voor ons iets betekenen? Kunnen we onze eigen verwachtingen herkennen in de bevrijding van Jeruzalem? Jeruzalem is niet louter een historisch en geografisch begrip. Het heeft theologische waarde. Als stad van vrede vertegenwoordigt het de droom van het godsvolk. De stad van vrede is geen gegeven, maar een opdracht. De feitelijke situatie van de stad herinnert ons dagelijks aan de opdracht die we hebben om de naam van de stad waar te maken en haar verdeeldheid is dan ook tegelijk een aanklacht. Messiaans begrepen is de stad het symbool voor het einddoel van deze wereld en vertegenwoordigt het de stad van God. 
Vrede in alle aspecten is het einddoel van onze wereld en de stad van God is die werkelijkheid waarin God en zijn volk in verbondenheid met elkaar leven. Het is zowel de voltooiing van Gods plan met de mens als de voltooiing van de mens zelf. Wanneer we spreken over de vertroosting van Israël hebben we het over het komen van God in onze wereld en als we spreken over de bevrijding van Jeruzalem, gaat het over de messiaanse vervulling. En dat zijn beelden die ons allen aangaan en waar wij allen een immens belang bij hebben. 
Ook voor de profeten van Israël is die eindverwachting groter dan het eigen volk, en betreft het alle volken. Een volk kan niet geïsoleerd tot volle vrede komen, net zo min als een individueel mens dat kan. Dat kan alleen wanneer volken en mensen hun lot en toekomst met elkaar verbinden in het heilige besef dat we alleen gezamenlijk tot voltooiing van onze menselijke opdracht kunnen komen. In de wetenschap dat wanneer één volk lijdt andere niet werkelijk vrij kunnen zijn, wanneer mijn medemens ongelukkig is, ik niet in alle vrijheid gelukkig kan zijn. Het verlangen naar de bevrijding van Jeruzalem is daarmee ook het verlangen naar bevrijding van onze wereld. 
Bevrijding impliceert gevangenschap. Zijn we dan gevangen? In zekere zin wel. Zolang we nog niet in staat zijn om te leven vanuit een wij-belang dat zowel de medemens als God inbegrijpt, zijn we niet vrij. Gaan we ook in ethische zin niet vrijuit. Zijn we nog iets schuldig. En zolang je schulden hebt ben je niet vrij. De teksten van Jesaja spreken in jubelende bewoordingen over het bevrijdende en luisterrijke verbond tussen God en zijn volk. De tekst spreekt in huwelijkstermen. Het is een innig verbond dat gericht is op het welzijn van de partners en op leven. Het verbond tussen God en volk is nooit eenzijdig. Het is ook geen plichtenverbond waarin God het volk moet dienen of het volk God moet dienen. In de eerste plaats is het een verbond van wederzijdse liefde. Het gedrag ten opzichte van elkaar dat het gevolg van die liefde is, is geen plichtsvervulling, maar de uitdrukking van precies die liefde. Het gedrag bevestigt die liefde en getuigt ervan. In dat verbond ontvangt de bruid een nieuwe naam (we spreken over een voor-emancipatoir tijdperk). Tegelijk is de bruid de glorie, de kroon en diadeem, van de partner. Met andere woorden zij verlenen elkaar luister. Het Godsvolk is de luister van God, de kroon op zijn werk, evenals God de luister is, de diadeem, van het Godsvolk. Waar het verbond, de tora, vervuld wordt straalt de glorie van de Eeuwige. De wereld die we verwachten en de werkelijkheid waarnaar ons verlangen uit gaat, is de stad van vrede waar recht wordt gedaan, waar ieder wordt gerespecteerd. Waar ieder de naam ontvangt die hem of haar krachtens de relatie met God toekomt. Het is onze in liefde begrepen relatie met God waaraan wij onze naam ontlenen. Niet langer ontheemde, niet langer verstotene, niet langer onteerde. Maar: gehuwde, geliefde, mijn welbehagen.

Zoals God geen instrumentele, op nut gerichte, relatie met ons onderhoudt, zo zouden wij dat ook niet ten opzichte van elkaar moeten hebben. Binnen een nutsrelatie zijn er altijd dingen die van elkaar willen. Zo’n relatie is in principe onvrij. We zien de ander niet met een onbevooroordeelde blik, maar met een zekere vooringenomenheid die bepaald wordt door het nuttige belang dat we bij die relatie hebben. De werkelijke ontmoeting kent dit belang niet. Daar kunnen we elkaar in alle vrijheid zien zoals we zijn. Daarin hoeven we niet beducht te zijn en kunnen we ons openen als de mens die we zijn. In de relatie met God kunnen we dat straffeloos doen. Maar in de relatie met mensen zijn we behoedzamer. De weg naar de bevrijding van Jeruzalem uit tweedracht, de bevrijding van Jeruzalem tot wat haar naam zegt, tot stad van vrede loopt via de bevrijding van elkaar. Die bevrijding houdt in dat we in elkaars gelaat de nood aan liefde, respect en verbondenheid herkennen, dat we elkaar leren zien als wat we in Gods ogen zijn, zijn kinderen en broeders en zusters van elkaar. De echte ontwikkeling zit in de groei in menselijkheid. Zonder dat hebben we überhaupt geen toekomst, met of zonder klinkers. Mogen wij toenemen in wijsheid en moge de genade van de Eeuwige met ons zijn in het komende jaar omwille van de menswaardigheid van onze wereld en onze persoonlijke groei in liefde en verbondenheid.

top

 

Overweging 26 oktober 2014 
Het belangrijkste gebod

 

 


info@wardcortvriendt.eu