Home NL
Blog
Diensten/produkten
Contact N
Columns N
Artikelen
overweging/bezinning
preken 2014
preken 2015
preken 2016
preken 2017
preken 2018
preken 2019
Home EN

 

Overweging 20 september 2020
Kruisteken als levensteken

Lezingen: Numeri 21, 4-9; Filippenzen 2, 5-11; Johannes 3, 13-17.
Het feest van de verheffing van het heilig Kruis gaat terug op een legendarische gebeurtenis uit de vierde eeuw, rond het jaar 325. Een gebeurtenis die nauw verweven is met de christianisering van het Romeinse Rijk die in de loop van de vierde eeuw plaatsvond. Tot die tijd namelijk werd in het Romeinse Rijk de christelijke godsdienst onderdrukt en hoogstens gedoogd. In de vierde eeuw komt daar verandering in door toedoen van Constantijn de Grote.
Door zijn moeder Helena die een relatie had met een romeinse officier, is hij zeker in contact gekomen met het christendom. De vader van Constantijn klom zeer hoog op in de hiërarchie en bracht het tot caesar en augustus. Constantijn volgde hem na diens dood op als keizer van het West-Romeinse rijk en veroverde ook het Oost-Romeinse rijk. Hij maakte Byzantium tot hoofdstad van het rijk, dat naar hem Constantinopel werd genoemd. Al eerder, in 313 had hij middels het edict van Milaan godsdienstvrijheid afgekondigd. Later bevoorrechtte hij het christendom als eenheid scheppende ideologie voor het hele Romeinse rijk. Op zijn sterfbed bekeerde hij zich daadwerkelijk tot het christendom door zich te laten dopen.
Na de dood van zijn vader rond 306 had Constantijn zijn moeder Helena, die eigenlijk van tamelijk eenvoudige komaf was, de verheven titel van Augusta verleend. Deze christelijke Helena nu kreeg in 325, of daaromtrent, een visioen waarin zij gemaand werd een pelgrimage naar Jeruzalem te ondernemen. Zij vindt daar onder meer het graf van Jezus en gebiedt er een kerk te bouwen, de Heilig-Grafkerk. Ook vindt zij de resten van het heilig Kruis waaraan Jezus, de Verlosser, is gestorven.

De vinding van het graf en het kruis is niet zonder betekenis in de tijd waarin het van belang is aan te tonen dat Jezus werkelijk geleden heeft, gestorven en begraven is… EN verrezen. Belangrijke elementen in de theologische discussie en de formulering van de geloofsbelijdenis.
Helena laat een deel van het kruis achter in Jeruzalem, een deel in Constantinopel en een deel neemt zij mee naar Rome. De drie oude patriarchaten. Zij bewaart ze samen met de door haar gevonden nagels in de kapel van haar romeinse paleis, waar korte tijd later een kerk overheen wordt gebouwd, de eerste Santa Croce in Gerusalemme. Men kan deze relieken nog steeds aanschouwen in de Heilig-Kruiskapel van de gelijknamige over deze kerk gebouwde huidige Santa Croce. De kerk staat op de resten van het paleis van Helena en vlakbij de Sint Jan van Lateranen, de kathedrale kerk van de bisschop van Rome.


Al vanaf heel vroeg heeft de verering van het heilig Kruis een eigen en belangrijke plaats ingenomen in de spiritualiteit van het christelijk geloof in Oost en West. Ook al zijn we ons dat misschien niet zo bewust, wanneer we, de een veelvuldiger dan de ander, bij het bidden een kruisteken maken. Bij de kruisprocessie op het feest van Kruisverheffing worden kruisen, hoog opgeheven, voor iedereen zichtbaar getoond. Op Goede Vrijdag, de sterfdag van Jezus, wordt het kruis vereerd met bijpassende gezangen en gebeden.
Met al die rituelen en rituele gebaren willen we niet het kruis verheerlijken als plek van lijden en dood. Maar wel als plek waar de dood wordt gekeerd, als herinnering aan het verlossend sterven van Jezus. Het gaat uiteindelijk niet om het kruis, maar om de gekruisigde. Het gaat om hetgeen door Hem in dit lijden en deze dood wordt betekend, geopenbaard. Weliswaar heeft Hij geleden en is Hij gestorven, maar Hij is ook opgestaan uit de dood, ten leven gekeerd. Niet als een particuliere overwinning of  zegetocht, maar als een teken van leven voor de wereld.

We verheerlijken het kruis als een teken van hoop en leven door de dood heen. Juist als een getuigenis tegen het lijden en de dood. Als de onuitwisbare overwinning van een zelveloze liefde die de dood keert. De liefde die alleen zichzelf zoekt, is immers juist de dood in de pot. Is het niet de eigenliefde die aanleiding is tot onrecht en misdaden tegen het leven? 
Het kruis van Jezus wijst op een hele radicale manier juist weg van die doodlopende weg. Daarom is het ook zo’n enorm teken van tegenspraak. Dat dood weg kan wijzen van dood. En dan niet in dat wat er gebeurt, maar in wat het betekent.

Dit vraagt natuurlijk wel enige toelichting. Een toelichting waaraan ook de leerlingen van Jezus na diens dood sterk de behoefte hadden, om te kunnen begrijpen wat er nu eigenlijk gebeurd was en hoe zij dat moesten verstaan. En naar goed gebruik hanteren zij daarbij de grondregel dat Schrift Schrift verklaart. Zij zoeken dus naar gebeurtenissen en passages waarmee de latere gebeurtenissen verklaard kunnen worden. (Waarbij de gevonden verklaring overigens ook weer nieuw licht werpt op eerdere teksten.)

De slang is net als het kruis een dubbelzinnig symbool. Meestal associëren we de slang met begrippen als eng en gevaarlijk, dodelijk. In genesis leren we de slang kennen als de sluwe verleider die met kennis van zaken spreekt over de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad. De boom die in het centrum van het paradijs staat naast de boom van het leven. De vermenging van goed en kwaad tast het leven aan. Door goed te praten wat kwaad is en het goede in een kwaad daglicht te stellen wordt de integriteit van het bestaan aangetast. En ook dat is de dood in de pot. Dit is precies de vrucht van de zonde. Hierbij speelt zonde zich niet af in de bedompte sfeer van de zedigheid en de benepen moraal, maar is de kern van het kwade. Namelijk het verlies van integriteit. Door in te gaan op het verhaal van de slang die belooft dat de mens als God zal zijn, verliest de mens zijn integriteit en wordt wat hij niet is. Namelijk zondig en sterfelijk, doordat hij zich afkeert van God en van zichzelf.

Maar de slang heeft in de traditie van de geschriften ook een andere kant. Hij is ook symbool van leven en van het leven dat zich vernieuwt, zich herschept. Telkens legt de slang zijn omhulsel af en komt daaruit als nieuw tevoorschijn. Mozes gebruikt dit symbool en heft het omhoog op een staak opdat allen die er naar opzien in leven blijven.
Wanneer Jezus aan het kruishout verheven wordt is Hij, naar analogie, degene die het leven vernieuwt. Hij bewaart allen die in hoop en geloof naar Hem opzien voor het leven.

God is Heer over dood en leven. De slang die in de woestijn de dood van het volk betekende, betekent ook de redding wanneer deze door Mozes op  bevel van God op een paal in de hoogte wordt gestoken voor ieder die er naar op wil kijken om gered te worden.
De slang die in het centrum van het paradijs de dood bracht door de onfortuinlijke keuze van de mens, is hier Jezus die aan de boom van het leven hangend een teken van leven is voor ieder die in geloof naar Hem opziet. Zo neemt Hij onze menselijkheid in al zijn aspecten op om ons weer op het leven af te stemmen.

Door ons mens-zijn op zich te nemen heeft Hij het menselijk bestaan weer geheiligd. Door zijn lijden en dood heeft Hij ook de dood overwonnen. Met name daardoor is in de openbaring van de menswording het accent sterk op het levenseinde van Jezus komen te liggen als het verlossingsmoment bij uitstek. Dit ten koste van de betekenis van de menswording als zodanig. Daarin wordt het kruis dan te eenzijdig het teken van lijden en dood als de noodzakelijke, dan wel aanbevelenswaardige weg naar verlossing.

Naar mijn smaak heeft dit levenseinde van Jezus in de spiritualiteit van het geloof een te grote nadruk gekregen. De navolging van Jezus lijkt dan toegespitst te worden op het lijden. Alsof dat ook voor ons een noodzakelijke weg naar verlossing zou zijn. Ik vermoed dat de nadruk op de verkondiging van het lijden en sterven van Jezus omwille van ons ook een sterk ideologisch karakter heeft. Hiermee kan ook veel menselijk leed worden goedgepraat.

Het lijden en sterven van Jezus mogen nooit gebruikt worden om het menselijk leed te rechtvaardigen. Juist omdat het door het kruis van Jezus wordt ontmaskerd als iets dat niet strookt met de bedoeling van het mens-zijn. Het zijn niet de eindtermen van ons leven. En het vindt er zeker niet zijn vervulling in. Het kruis vormt ook een aanklacht tegen alle onrecht, tegen dat wat op lijden en dood gericht staat.

 

Het verheerlijken van het kruis is niet het verheerlijken van het lijden, maar het vieren van de overwinning op het lijden en de dood. Zeker hebben leed en dood een niet weg te denken plaats in ons leven, maar zij vormen er niet de allesoverheersende werkelijkheid van.
God heeft zijn zoon in de wereld gezonden, niet om deze te veroordelen en te verdoemen, maar om die te redden. En opdat alwie in Hem gelooft leven zal hebben en wel in overvloed. Hij is in de wereld gekomen om die opnieuw in Gods licht te stellen. Hij heeft ons mens-zijn op zich genomen om het te helen in Gods liefde, niet om het te breken in lijden en dood. De weg van Jezus gaan is ten volle leven en liefde doen. Amen.  

 TOP

 

Overweging 13 september 2020
vergeven

Lezingen: Jezus Sirach 27,30- 28,7; Romeinen 14, 5b-12; Matteüs 18, 21-35.
In het gedicht “Stem van de dichter” schrijft Ida Gerhardt:
“Wat ik mijn lief heb misdreven
heeft zij vergeven
zeven maal zeventig maal.
Toen ik in vrees en beven,
God, uw balans zag zweven,
lei zij haar hart in mijn schaal.”

Hier lijkt sprake van een volkomen belangeloos vergeven die de dichter deelachtig wordt van de zijde van haar lief. Die is kennelijk in staat om zonder wrok en van harte te vergeven. Een verlossend vergeven dat de dichter bevrijdt van hetgeen haar bezwaart in het besef van hetgeen zij haar lief heeft aangedaan.
Misschien kunnen we ons binnen een relatie van samenwonen een dergelijke vorm van belangeloosheid en vergevingsgezindheid op basis van een wederzijdse liefde nog voorstellen. Maar hoe staat het met andere relaties die wat verder van ons af staan? Vergeven is een moeilijke aangelegenheid. Ik vermoed zomaar dat we de lezingen uit Jezus Sirach en Matteus met een zekere ongemakkelijkheid aanhoord hebben. Ik in ieder geval wel.
De lezingen nodigen uit om bij onszelf te onderzoeken hoe wij omgaan met de kwetsuren die we aan elkaar oplopen en die we anderen bewust of minder bewust toebrengen.

Daarbij moeten we vanzelfsprekend ook kijken naar de gradaties. Letterlijk of figuurlijk op je tenen getrapt zijn is iets onvergelijkbaar anders dan het leed dat het leven zelf aantast en onomkeerbaar verandert.
Soms wordt te gemakkelijk gezegd dat je maar moet vergeven, met de mantel der liefde bedekken, het achter je moet laten, verder gaan. Veelal door mensen wie het niet is overkomen. En meestal goed bedoeld, maar toch weinig inlevend.


Onbedoeld wordt ‘vergeven’ door ons geloof geproblematiseerd. En dat heeft ermee te maken dat, met name in de evangelietekst, de relatie tussen mensen getrokken wordt binnen de relatie van de mens tot God. Als mens schieten we altijd tekort tegenover God aan wie we bovendien geen genoegdoening kunnen geven, tenzij in de vorm van oprecht berouw. Maar dat is iets tussen God en de betreffende mens. De liefde die God voor ons als zijn schepselen heeft is een maat te groot voor ons hart. Wij kunnen de naaste niet op dezelfde wijze beminnen als God ons liefheeft. En toch wordt dat van ons gevraagd. Daarbij ben ik ervan overtuigd dat beminnen nog iets gemakkelijker is dan vergeven. Zeker wanneer de naaste die ik bemin, of minstens probeer te beminnen, herhaaldelijk tegen mij zondigt. In het licht van de bijbel mag ik dat zondigen verstaan als: mij benadeelt, mij aantast in mijn goede naam, mijn lijf of mijn goed, in mijn levensmogelijkheid, in mijn relaties met anderen.
Door dit binnen de relatie van God te zetten wordt de menselijke maat opgerekt tot die van God. En wordt bovendien het vergeven van mijn medemens, zelfs bij herhaalde overtredingen, min of meer afgedwongen door de niet echt te vergelden schuld die ik heb bij God.
Jezus Sirach vertrekt van de andere zijde, die van de mens. Op grond van zijn religieus filosofisch mensbeeld stelt hij dat je als mens verantwoordelijk bent voor goede onderlinge relaties om een goede samenleving mogelijk te maken. Je moet daarvoor zelfkennis paren aan een duidelijk inzicht in de menselijke conditie en daar wijs mee om gaan in het licht van de relatie met God. De redelijkheid doet ons inzien dat we niet iets van God kunnen vragen wat we zelf niet bereid zijn te doen. Dit doet een appel op de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid.

In de talmoed is een mooi verhaal over twee zeer grote en vooraanstaande rabbijnen die in onmin zijn geraakt doordat de een zich door ander ernstig beledigd acht. Ieder jaar na nieuwjaar en voor verzoendag gaat de ander naar de een en vraagt vergeving, maar deze doet het niet en laat zijn collega onverzoend heen gaan. En zo gaat het jaren achtereen. Wat leert ons dit verhaal?
Wat in de relatie tussen mensen misgaat, moet door mensen verzoend worden. God mag zich daar niet mee bemoeien. Dat klinkt misschien Godslasterlijk, maar dat is het niet. Het geeft de onherroepelijke verantwoordelijkheid van de mens aan om zijn relaties op orde te houden. Het geeft ook aan dat vergeving niet afgedwongen kan worden, zelfs niet door een gebod. Dat zou de menselijke integriteit aantasten. In dit verband zijn de geboden vooral richtlijnen die ons helpen niet in de problemen te komen. Het verhaal leert ons dat vergeven alleen kan geschieden door de benadeelde partij en dat deze daarin soeverein is. Het behoort tot de vrijheid van het slachtoffer.  

Deze week (8 september) stond in De Verdieping een artikel naar aanleiding van een biografie over Hannah Arendt van de hand van de Zweedse theoloog/ethicus Ann Heberlein. De titel: ‘over liefde en kwaad’. Er is daarin een autobiografisch element dat haar noopte om hierover na te denken, namelijk het feit dat zij verkracht is en dus een weg zocht om met dit kwaad en de invloed ervan op haar leven om te gaan. En natuurlijk ook om een weg te vinden in haar houding ten opzichte van de dader. Kun je je verkrachter vergeven? En moet je dat, en ook: mag je dat?

Wat betekent het wanneer je een dader vergeeft? Is het een uit handen geven van de gebeurtenis? Alsof die niet gebeurd is? Kan het niet zo zijn dat vergeving van de dader een vorm is van onderwerping aan het kwaad door de onmogelijkheid om je te vergelden en er actief autonoom mee om te gaan? Geloof mag hier niet op de achtergrond dwang tot vergeven uitoefenen.
Ook Hannah Arendt, de zeer intelligente Joodse politiek filosofe, die over zeer moeilijke onderwerpen heeft geschreven, spreekt erover dat het immoreel kan zijn om te vergeven. Zeker daar waar de daad en de persoon vereenzelvigd kunnen worden. Of ook waar het slachtoffer niet de mogelijkheid heeft om te vergelden. En eventueel vanuit de mogelijkheid tot vergelding kan kwijtschelden, zonder de daad te ontkennen of te verkleinen.


In dit verband spreekt zij ook over een onderscheid tussen vergeven en genade. Genade is niet op de daad, maar op de persoon gericht. Niet de daad wordt vergeven, maar de persoon ontvangt gratie, op grond van het gegeven dat de persoon meer is dan de, ook afschuwelijkste daad. Daarin is de menselijkheid in geding, wanneer het onmenselijk zou zijn om geen genade te betonen.
Dat is wat de “lief” doet in het gedicht. Zij kijkt niet naar de daad, maar schenkt genade aan de mens die zij liefheeft.  Zo schenkt God genade voor vergelding, omdat hij de mens liefheeft die zijn beelddrager is.

Zo zouden ook wij genade voor recht kunnen doen gelden, omdat de dader ons evenbeeld is. Niet in het kwaad, maar als broeder of zuster. Genade maakt de daad niet ongedaan. De daad kan nooit op gratie een beroep doen. Het speelt zich buiten het rechtsbereik af, en buiten de wet die immers gratie niet kan definiëren. Het behoort tot het domein van de menselijkheid van de wereld en het herstel daarvan. De dader kan alleen bidden om vergeving in de erkenning van zijn kwaad.

Ann Heberlein lijkt te kiezen voor een houding van distantie, van onverschilligheid jegens de dader. Zij lijkt de emotie te isoleren en daarin een zekere rust te vinden.
Hannah Arendt kiest juist voor een engagement aan de wereld, een amor mundi, een liefde voor de wereld met al haar onrecht en kwaad. Vanuit de overtuiging dat een wereldafzijdigheid deze niet verder helpt. Zij overstijgt haar individueel geleden kwaad op grond van haar verantwoordelijkheid als mens die in de wereld is. En omwille van een menswaardige wereld.


Misschien kunnen we het moeilijke elkaar van harte vergeven zo verstaan dat we voor “van harte” “uit liefde” lezen. De liefde voor de medemens en voor de wereld omwille van God. Een liefde die niet groter is dan wij zijn, maar die ons juist maakt tot wat we in de en voor de wereld kunnen zijn.  Waarbij we God niet zien als degene die met geboden ons leven in een keurslijf wil dwingen, maar als de uiteindelijke en fundamentele oriëntering in ons leven.
Vergelijkbaar met hetgeen Paulus zegt in zijn brief aan de Romeinen. Wat we doen, we doen het uit liefde voor en omwille van God. In de dagdagelijkse dingen die ons te doen te staan. In het voedsel dat we ontvangen van de schepping. In de mensen die ons gegeven zijn en aan wie we leren wie wijzelf als mens zijn.
In het schenken van vergeving en genade herstellen we onze vrijheid en maken ons los van de bepaaldheid door gebeurtenissen in het verleden. Hierdoor kunnen we opnieuw in relatie komen met onze wereld. Wrok verhindert dat en verhindert daarmee ook dat wat we bij te dragen hebben aan het geheel. Omwille van God en ons eigen mens-zijn. Amen.

 top

 

Overweging 30 augustus 2020   
andere mensen met een nieuwe visie

Lezingen: Jeremia 7, 23-28; Romeinen 12, 1-8; Matteus 17, 14-20.
Als er één uitdrukking in de Nederlandse taal in verband gebracht kan worden met de evangelielezing van vandaag, dan is dat natuurlijk el “geloof kan bergen verzetten”. We denken daarbij niet meteen aan de Mont Blanc of de K2. We gebruiken het als een bemoediging, en ook wel als een aansporing om vol te houden. En we bedoelen daar dan mee dat, wanneer je ergens in gelooft, je vele malen meer kunt dan je denkt. Of ook veel meer dan waar je jezelf toe in staat acht.
Je hoort het mensen zeggen: “Ik wist niet dat ik het in me had”, of “Ik had nooit gedacht dat ik het zou kunnen, maar het is me toch gelukt”. Wanneer mensen maar een beetje in zichzelf geloven, kunnen zij meer dan ze voor mogelijk hadden gehouden.
Soms hoor je zeggen: “Als ik geen hulp van boven had gekregen, had ik het nooit volgehouden”. Dit gaat allemaal over het ‘meer’ van onszelf waarvan we ons geen eigenaar weten. Over kracht naar kruis, dat geen rechtvaardiging of goedpraten is van hetgeen je overkomt, maar de ervaring dat, wanneer je iets overkomt wat je krachten te boven gaat, je toch op een of andere manier de kracht ontvangt om ermee te dealen.


Er tegenover staat natuurlijk vermetel vertrouwen en grootspraak. Variërend van “dat kan ik zelf wel”, en dit al heel vroeg in het menselijk proces van leren wie je bent en van vallen en opstaan. Tot aan: “dat doe ik wel even”, “makkie”(en vervolgens zakken!), “wir schaffen das”, en “we make America great again”.
Iets hiervan moeten de leerlingen van Jezus die in het evangelie figureren wel gehad hebben. Al hoofdstukken geleden hebben zij de opdracht ontvangen om de nabijheid van het rijk der hemelen te verkondigen in woord en daad, om zieken te genezen, doden op te wekken, demonen uit te drijven. Misschien verkeerden zij in de veronderstelling dat hun persoonlijke macht was gegeven, terwijl hun alleen een vermogen was toevertrouwd dat niet van hen is, maar van God.


En dat geldt eigenlijk ook voor ons allen. We falen wanneer we denken het wel even te zullen fiksen. We slagen wanneer we vertrouwen op het beperkte dat we kunnen in het geloof dat God voorziet in wat we nodig hebben. Dat moeten de leerlingen van Jezus leren. Niet zij doen het, maar God in hen.
Dat schakelt hen niet uit, integendeel. Het geeft hun, en ook ons wanneer we in dat spoor treden, de mogelijkheid om in alle vrijheid te doen wat we kunnen, in het vertrouwen dat het goed komt. Het bevrijdt ons van fantasieën over onszelf: of het wel voldoende is wat we kunnen, of we wel goed genoeg zijn, of dat we eigenlijk wel heel erg goed zijn en beter dan anderen. Geloof knecht niet, geloof bevrijdt.


Tegen deze achtergrond lezen we de behartenswaardige woorden van Paulus in zijn brief aan de gemeente van Rome. “Acht jezelf niet hoger dan je kunt verantwoorde, denk over jezelf met bedachtzaamheid, neem als norm het geloof”. En dat geloof zegt ons bij Paulus dat wij in Christus gerechtvaardigd zijn door het geloof. En dat wij daardoor het vermogen hebben ontvangen om kinderen van de Allerhoogste te worden. Niet door eigen verdienste, maar krachtens de genade van God die is in Christus Jezus. Een geloof dat stoelt op de liefde van God jegens al zijn schepselen en die is zonder aanzien des persoons. Een soeverein aanbod van Godswege.

En het is die liefde die ons in staat stelt om de naaste te beminnen met een zuivere, onbaatzuchtige liefde, omdat het Gods liefde is die in ons werkt krachtens de Geest.
Dit geloof maakt ons zowel bescheiden als fier. Bescheiden wanneer we weten dat wie we zijn niet onze verdienste is, maar gave. Fier wanneer we leven in het geloof dat God in de Geest in ons werkzaam is, dat we een tempel zijn in de Geest; plaats waar de aanwezigheid van de Eeuwige verblijft; levend Lichaam van Christus waarvan we de ledematen zijn.


Ieder van ons, en niemand niet, heeft gaven ontvangen. Niet dezelfde, maar een grote variëteit aan gaven. De een kan iets bouwen, de ander koken. De een kan iets ontwerpen, de ander het maken. Er zijn uitvinders, afvalverwerkers, actievoerders, politici, doktoren en rechters, postmedewerkers en oma’s en opa’s. Er zijn mensen die goed kunnen nadenekn en problemen oplossen, anderen hebben het talent om te troosten en een glimlach op het gelaat van de naaste te toveren.
Bedachtzaam leven, met aandacht leven, brengt Paulus in zijn brief in verband met het onderscheiden van en respect hebben voor ieders gave. Geen is te gering en alle zijn ze van God gegeven.

Er zijn geen alleskunners, en dat is maar goed ook. In een gemeenschap zijn alle gaven nodig en ieder heeft eigen gaven en daarom is ieder nodig. De gemeenschap van Christus, het volk Gods, kent geen individualisme. We zijn maar wie we zijn door wat we samen zijn.


De ware eredienst bestaat erin dat we de gaven die we hebben ontvangen om niet en met vreugde en dankbaarheid inzetten. Ik breng nog even in herinnering de opdracht die de leerlingen ontvingen om te getuigen van de nabijheid van het rijk der hemelen. Die opdracht gaat vergezeld van de woorden: “Om niet hebben juliie ontvangen, om niet moeten jullie geven”.

Deze geloofs- en levenshouding staat veelal haaks op de wijze van de wereld. De wereld is niet het vaste gegeven waartoe wij ons verhouden. Het ontwikkelt zich, verandert en wordt geconstrueerd door onze blik, door onze visie en de wijze waarop de wereld wordt voorgesteld door politici, de media en onze angsten en verlangens. Het is een heikele aangelegenheid om ons leven daarop af te stemmen. Daarnaast proberen de wereld die we kennen af te stemmen op onze eigen behoeften. Dit is natuurlijk een moderne opvatting van de wereld. Paulus bedoelt met de wereld de veranderlijkheid en de onbetrouwbaarheid van de wereld tegenover de betrouwbaarheid van God. En ook de gang van zaken in een niet op God afgestemde samenleving.
Hoe het ook zij, als gelovige mensen vallen we niet samen met de wereld zoals die is draait. We stemmen ons af op de wereld die we verwachten, de nieuwe wereld, het rijk der hemelen. Dat is immers onze bestemming en beloofd land.

De geestelijke eredienst waar Paulus op doelt bestaat erin dat wij op basis van ons geloof onze gaven belangeloos inzetten voor de verhaasting van de komst, de wederkomst, van de Messias en het aanbreken van het Godsrijk.
Dat betekent dat we onze wereld bekijken met een blik die speurt naar de heilsmogelijkheden die erin aanwezig zijn en ons daarop richten. Dat we inzetten op de kwaliteiten van dat rijk dat we verwachten en waar we allen naar verlangen. En die zijn: vrede, gerechtigheid, respect voor alle leven, heelheid, geluk en levensmogelijkheden voor alle kinderen Gods.


Gezien onze concrete wereld die zucht onder allerlei bedreigingen en vormen van onrecht en geweld, is dat een hele opgave. Maar ja, we kennen de Schrift: geen geve zonder opgave ;-)
Om deze berg te verzetten is veel geloof nodig. Beter gezegd: een volgehouden geloof, of het nu groot of klein is. Het vraagt dat we onze wegen veranderen, onze gewoonten en onze manier van doen, de wijze waarop we met onszelf, anderen en de wereld omgaan. We moeten andere  mensen worden met een nieuwe visie op onze werkelijkheid en ons leven. Een visie die gebaseerd is op ons geloof in die toekomst, in toekomst überhaupt. We moeten onze werkelijkheid niet in zijn onmiddellijkheid voor lief nemen.

 
We kunnen daar natuurlijk als een berg tegenop zien. En weer ons verliezen in beelden over onszelf: dat we het niet kunnen enzo. Maar we hoeven het niet alleen te doen. Het is er al, het is ons beloofd, het is ons voorland en beloofd land, ons thuis- en vaderland.
We mogen het geloof hebben van Gideon, die met een kleine groep optrekt tegen de midjanieten in het vertrouwen dat God met hem strijdt.
Het grootste obstakel, de hoogste berg die moeten overwinnen zijn wijzelf. We moeten de ideeën die we hebben over onszelf prijsgeven om naar de norm van ons geloof te worden wie we mogen zijn. Mensen van de belofte, en als zodanig leven met wat we te geven hebben. Amen.  

 

 top

Overweging 23 augustus 2020    
jezelf verloochenen 

Lezingen: Jesaja 51, 1-6; Romeinen 11, 25-36; Matteus 16, 21-27.
Het volgen van Jezus is, wanneer we van het evangelie uitgaan, zo te horen een aangelegenheid die heel je leven in beslag neemt. Het is geen half werk of deeltijdbezigheid. Wie Hem wil volgen moet, net als Hij, in alles de zaak van God voor ogen houden en zijn leven daartoe bepalen.

We lezen in het evangelie over een tamelijk heftige confrontatie tussen Jezus en Petrus. Jezus beweegt zich met zijn leerlingen in de richting van Jeruzalem waar hem de voltooiing van zijn leven te wachten staat. Over die voleinding spreekt Hij met zijn leerlingen. Petrus probeert hem daarvoor te behoeden.
Het antwoord van Jezus gaat in de tekst van Matteus helemaal niet op deze bezorgdheid in. Hij wijst Petrus op strenge toon zijn plaats achter Hem. Hij noemt Petrus zelfs satan. “Achter mij, Satan”. Ook dat vraagt verduidelijking. De plaats van Petrus is niet tegenover Jezus, om met Hem in discussie te gaan over de weg die Hij gaan moet en om  Hem de les te lezen, maar achter Hem om Hem te volgen.

De betekenis van satan als duivel en de verzelfstandigde verpersoonlijking van het kwade bestond in de tijd van de Schrift niet. Waarmee niet gezegd is dat de satan een neutrale figuur is. Het is in ieder geval niet degene die per se het goede met een mens voorheeft. Dat zien we bijvoorbeeld aan de beproevingen van Job die alles verliest door toedoen van de satan, in het verhaal overigens met toestemming van God, om de standvastigheid van Jobs geloof op de proef te stellen. De satan is de figuur van de tegenstrever die tegen de bedoeling van God ingaat; het is de aanklager die het slechtste in de mens veronderstelt en hem daarin beproeft; onder druk van de satan blijkt wat voor gehalte iemand heeft.
We moeten bij satan afstappen van het Middeleeuwse beeld van de duivel. Satan verbeeldt alles wat ons probeert af te houden van hetgeen ons met God verbindt; alles wat ons verhindert om zijn weg te gaan.
In het Evangelie is Jezus degene die de wil van God vervult en Hij is de weg die zijn leerlingen moeten gaan om de weg van het leven te bewandelen. In tijden van beproeving en onderdrukking kan daar een prijskaartje aanhangen, om het maar met een understatement te zeggen. Petrus nu werpt zich in dit verhaal op als een blokkade op die weg. Daarom wijst Jezus hem terecht; en over de schouders van Petrus spreekt Hij de leerling aan in het algemeen. Doorheen de tijden wordt het ook tot ons gezegd.

“Wie achter mij aan wil gaan”, zegt Jezus letterlijk in de tekst, “moet zichzelf verloochenen en zijn kruis op zich nemen en mij volgen”.
De plaats van de leerling is achter Jezus. Zo zegt Hij het ook tegen Petrus. Zijn woorden zijn scherp en hard. Zeker in het licht van hetgeen hier aan vooraf gaat. We kunnen de tekst denk ik alleen maar begrijpen wanneer we iets meer op de plaats ervan in het evangelie van Matteus ingaan.

In het voorgaande gaat het over de vraag hoe de leerlingen van Jezus Hem zien. Petrus belijdt hem daar als “de Christus, Zoon van de levende God”. Daarop prijst Jezus hem, zeggende: “Gezegend ben jij Simon, zoon van Jona, want mijn vader in de hemel heeft je dit geopenbaard. Ik noem je Rots, want op deze rots zal ik mijn kerk bouwen”. De rots, namelijk de belijdenis van Jezus als Messias en Zoon van de Allerhoogste. De gemeenschap van de Heer is gebouwd op die belijdenis.

Deze quasi uitverkiezing van Petrus geeft hem niet het recht Jezus op zijn plaats te wijzen. De plaats van Petrus blijft achter Jezus. Wie welke positie ook inneemt in de gemeenschap van Christus, zijn of haar plaats is duidelijk: achter Christus, om hem te volgen en nooit om diens plaats in te nemen.

“Wie mij wil volgen, moet zijn kruis op zich nemen”. Jezus zegt niet ‘mijn kruis’, maar ‘zijn kruis’. Ieder van ons heeft haar/zijn eigen kruis te dragen. Je kunt niet het kruis van een ander dragen en het heeft ook geen zin het kruis van de ander te vergelijken met je eigen kruis. Achter Jezus aangaan is het kruis te dragen dat je te dragen hebt. Misschien is dat wel een moeilijke boodschap. Maar je leeft ongelukkiger wanneer je je kruis niet wilt dragen dat hoe dan ook deel van deel van je leven uitmaakt. Je leven niet willen leven zoals het zich aandient, dàt is misschien wel je leven ontkennen, afwijzen, verloochenen. Wanneer je je leven niet wilt leven, verlies je het. Door het op te nemen met alles wat het aan mogelijkheden en pijn in zich heeft win je het. Er is geen ander leven dat je de mogelijkheid biedt om mens te worden dan je eigen leven.

Als gelovige mensen die in de geest van Jezus leven, zouden we willen zó te leven dat we ons bestaan in zijn geheel, inclusief ons kruis, in verbondenheid met God leven. En natuurlijk worden we beproefd, maar niet zozeer door God, maar door onze eigen gedachten en gevoelens die ons leven anders willen dan het is. Die verhinderen dat we ons leven aanvaarden. Niet passief als slachtoffer, maar als mens die bereid is zijn leven te leven om echt mensch te worden. “Een gezicht vol deuken, maar een ziel zonder rimpel” om de dichter te citeren.

Het loochenen dat hier in de tekst gebruikt wordt, heeft te maken met integriteit van leven. Wat Jezus vraagt is een leven te verloochenen dat alleen gericht is op zelfbehoud, op het behoud van ik.
De Joodse en ook christelijke identiteit is een identiteit in gemeenschap, niet atomair individueel. Je bent wie je bent in relatie tot de ander en zo word je ook wie je bent. In relatie tot de gemeenschap, je plek daarin, in relatie tot de naaste, tot God. Zichzelf verloochenen om te leven is in die zin de aansporing om je leven in relatie te brengen met het fundament: de relatie met God; en daarbinnen de weg te gaan van het eigen kruis. En laten we niet vergeten dat ook succes en welslagen een groot kruis kan zijn waardoor we het netwerk van onze relaties anders gaan zien, inclusief onze betrekking tot God.  

Het loochenen in de tekst en de felle reactie van Jezus staat in relatie tot andere plaatsten waar sprake is van verloochenen en loochenen met betrekking tot Petrus. In hoofdstuk 26, 34 zegt Jezus tegen Petrus: “Amen, zeg ik je: voor de haan kraait zul je me driemaal verloochenen”. Waarop Petrus zegt: “ook al moet ik sterven (dat is: mijn leven verliezen), nooit zal ik je verloochenen”. De daaropvolgende scene kennen we natuurlijk allemaal. Bij de derde loochening erkent Petrus, in negatieve zin: Ik ken deze mens niet. En eigenlijk is dat in de scene van vandaag ook zo. Hij kent Jezus niet en verloochent Hem en de weg die Jezus te gaan heeft om zijn integriteit te behouden en te worden wie Hij is.

En toch, en toch. Op de belijdenis van deze mens bouwt Jezus zijn kerk. Matteus vertelt het op basis van de ervaring van de eerste christenen, die zwaar onder druk stonden en soms hun christen zijn liever ontkenden. Zij waren liever avondchristenen dan dagchristenen. Jezus bouwt de kerkgemeenschap niet op de vurige zonen van Zebedeus,  niet op zijn geliefde leerling, niet op Jacobus, zijn broer, maar op deze juist zeer feilbare Petrus (en natuurlijk steunt de kerk ook op het getuigenis van de apostelen). Een man van geloof, maar zwak in vertrouwen. Zichzelf overschattend, maar hondstrouw. Iemand die zichzelf tegen komt onder druk van de omstandigheden. Die gelouterd is door eigen falen en leert zijn eigen kruis op zich te nemen als leerling van Jezus en die in de kerk een groot aanzien geniet.

 

De man die, zo de traditie wil, zich ondersteboven liet kruisigen, omdat hij niet als zijn Heer rechtop gekruisigd wilde worden. Wiens resten het hoogaltaar schragen van de sint Pieter, 17 meter beneden het Bernini-altaar. De kerk is en wordt niet gebouwd op perfecten, maar op mensen die met vallen en opstaan de weg van het geloof gaan. Authentiek en integer. Amen. 
top


Overweging 16 augustus 2020
Maria’s ontslapen

Lezingen: Jezus Sirach 24, 7-8.10-15; Lucas 1, 46-55.

 

Op een ivoren reliëf uit de tiende eeuw is Maria op haar doodsbed afgebeeld omringd door de apostelen. Achter de baar staat Jezus die een ingebakerd kind in de armen houdt, de ziel van Maria. Het is Christus zelf die zich over haar ontfermt  en Maria’s ziel wordt door een engel ten hemel gedragen. Vanaf de late middeleeuwen ontstaan andere afbeeldingen waarin Maria door haar goddelijke zoon en/of door engelen ten hemel wordt gedragen. Na 1500 ontstaan afbeeldingen waarin Maria als het ware zelf ten hemel opstijgt, een echte hemelvaart vergelijkbaar met die van haar zoon. Al die afbeeldingen dateren van ver voor het Rooms- katholiek dogma van Maria’s Tenhemelopneming naar lichaam en ziel uit 1950. Maar wel ruim na het dogma van het concilie van Efese uit 431 waarin Maria de titel van Moeder Gods ontving. En dat laatste oecumenische geloofsinzicht is eigenlijk heel problematisch, maar diende om de god-menselijke identiteit van Jezus bij elkaar te houden.
Van het begin van de kerk heeft men zich gebogen over de verhouding tussen God en Jezus en in het kielzog daarvan over de vraag naar de positie van Maria.

De antwoorden met betrekking tot Maria varieerden, in tal van gradaties daar tussenin, van moeder van de mens Jezus, maar niet van zijn goddelijke natuur, hetgeen strijdig is met de eenheid van de goddelijke en menselijke natuur in Jezus Christus;  Tot: Maria als delend in het verlossingswerk van haar Zoon, als een soort mede-verlosseres. En dat is strijdig met de uniciteit van de Verlossing in Jezus Christus en de heilswerking van de goddelijke drie-eenheid.

 

We zien hieraan hoe lastig het is om Maria binnen de christelijke theologie een plek te geven in het heilswerk van God, maar ook zien we het verlangen van de kerk om Maria de eer te geven die haar toekomt, en om de zuiverheid van de geboorte van Jezus te bewaren in zijn goddelijke en menselijke hoedanigheid.
Het ontslapen van Maria heeft uiteraard op zich geen bijzondere betekenis. Iedere mens gaat immers dood. Haar geloof en haar leven, en wat naar het geloof van de kerk in haar geopenbaard wordt hebben wel theologische betekenis. En wat we geloven ten aanzien van haar dood bevestigt wat we geloven ten aanzien van haar leven.
Als Christus de openbaring van Gods liefde is, dan is Maria de gestalte van het ja-woord op die liefde. Door haar ja-woord krijgt zij deel als mens aan het mysterie van Christus, maar zij is dat mysterie niet. Het woord is in haar vruchtbaar geworden, maar zij is dat woord niet, zij heeft het van Godswege ontvangen door de Geest. Zij heeft het ontvangen en het is vleesgeworden in haar schoot, maar alleen Jezus is existentieel het Levende Woord. Op die wijze is ook de kerk een afbeelding van Maria, of gebruikelijker geformuleerd, is Maria beeld van de kerk die het levend Woord ontvangt en vrucht laat dragen.

Als begin van een nieuwe schepping worden voor Maria veel typeringen gebruikt. Zij is de nieuwe Eva en haar zoon de nieuwe Adam. Zij is moeder, bruid en dochter; ark van het nieuwe verbond dat zij gedragen heeft; en ark van het nieuwe leven;  beeld van de kerk. Zij is Thora als ontvangen woord en bruid van het nieuwe godsvolk, zij is ook messiaanse profetes.
Het nieuwe vormt hier echter geen breuk met het oude. Het past in de traditie van de aloude messiaanse hoop en de profetische geschiedenis van het godsvolk. Niet “al het oude is voorbij” , maar al het oude wordt vervuld en is alleen in die zin voorbij. Maar het nieuwe is zonder het oude niet te verstaan.

Dit wordt duidelijk gemaakt door de ontmoeting van Maria en Elisabeth die respectievelijk het nieuwe en het oude vertegenwoordigen, verenigd in een nieuwe vruchtbaarheid.
Nieuw is dat de oude verwachtingen werkelijkheid worden, dat de oorspronkelijke en geschonden bedoeling van het menselijk bestaan opnieuw incarneert en menselijke realiteit wordt. Ontvankelijk als wij zijn voor het nieuwe dat God steeds weer in ons wil beginnen.

 

Verschillende schriftteksten komen overeen met die beelden.
Jesaja  bijvoorbeeld trekt een vergelijking met de aarde die het zaad ontvangt waar het ontkiemt en vrucht draagt. Zo ontvangt Maria het Woord in haar schoot waar het vrucht draagt tot heil van de mensheid. Op diezelfde wijze ontvangen ook wij het Woord van de Eeuwige, opdat het vruchtbaar wordt in ons leven, vlees en bloed wordt, handen en voeten krijgt tot zegen van ons en van onze naasten. Door dit woord dat in ons bestaan tot leven komt krijgt God gestalte in onze wereld. En we zijn alleen maar daadwerkelijk kerk, godsvolk, beeld van Maria voor zover we dat doen.

In de tekst van Openbaring wordt gesproken over het opengaan van de tempel in de hemel en het zichtbaar worden van de ark van het verbond. Beelden die ook wel voor Maria worden gebruikt. Zij is tempel en gouden huis waarin de aanwezigheid van de eeuwige verblijf heeft. Ark van het verbond waarin het Woord van God rust en tot leven komt. Maar verderop wordt in visionaire beelden over een majesteitelijke vrouw gesproken die een zoon baart. Het is de strijd tegen de oude erfvijand, de slang die nu wordt vertrapt. Het nieuwe leven dat overwint en bij God geborgen is. Maria staat aan het begin van een nieuwe levenslijn, een nieuwe schepping. Zij is de nieuwe Eva, moeder van het leven, die een nieuwe Adam baart waardoor het geschonden mensengeslacht wordt hersteld in de oorspronkelijke gelijkenis met God.

Als profetes sluit Maria in haar woorden bij Lukas aan bij de traditie van messiaanse profetieën. Zij spreekt in beelden die we herkennen van Hanna, de moeder van Samuel en uit de tekst die we als antwoordpsalm baden. Het is een lofzang op God die grote dingen tot stand brengt in de kleine mensen die wij zijn, wanneer we onbevangen en zonder restricties “ja” durven zeggen tegen God. In de lofzang van Maria komt ons verlangen tot uitdrukking naar een herstelde wereld. Die niet geregeerd wordt door machtsverhoudingen, maar door gerechtigheid. Waarin alle mensen meetellen en waar aan ieder wordt recht gedaan. Het spreekt het absolute vertrouwen uit in Gods toekomst temidden van een bedreigde wereld. Het messiaanse visioen is richtlijn en lichtbaken voor een verdeelde wereld. In het visioen houden we het bewustzijn levend dat zoals het is, het niet zou moeten zijn. Dat wij voor een betere wereld geboren zijn.

 

Als beeld van de kerk onthult Maria iets over de opdracht van de kerk. Een kerk moet eigenlijk geen instituut willen zijn, geen machtsorgaan. De kerk is de eenvoudige dienstmaagd. Maagdelijk in die zin dat zij zich vrij houdt van de lust om te regeren en te bedisselen. Dienstbaar in de zin dat zij zich vrij houdt voor het Woord van God dat in Christus klinkt. Haar gestalte is de vrije ruimte, de baarmoeder zo je wilt, waarin dat Woord wordt ontvangen en kan groeien en tot leven komen. Dat is haar enige functie: Gods wil laten geschieden. Levende tempel van Gods levend Woord te zijn. Teken van hoop en perspectief voor een dwalende wereld. Zij moet geen onderdeel van de oude wereld, het bestaande machtssysteem worden, maar voorloper zijn van de nieuwe wereldorde. In het  beamen van Gods Woord dient zij te verwijzen naar de hemel, opdat onze menselijke werkelijkheid wordt en blijft opgenomen in de beweging van het Rijk Gods.


Wij hebben niet alleen een hemelse toekomst te verwachten, maar ook een aardse en  Gods bedoelingen verwerkelijken zich niet alleen in de hemel, maar zijn wil geschiedt ook op aarde binnen het menselijk domein. Daarover spreekt Maria. Over een God die grote dingen doet aan de kleine en onmachtige mensen die wij zijn. Die zijn barmhartigheid laat zien aan allen die zich aan Hem toevertrouwen. In haar profetische woorden stelt zij present wat door Christus waarheid wordt. Een werkelijkheid waarin het schrijnende en onrechtvaardige verschil tussen machtigen en weerlozen, tussen rijken en kanslozen wordt geslecht. Een wereld waarin niemand honger hoeft te lijden en waarin onaanzienlijken het respect ontvangen dat zij verdienen.

Maria is natuurlijk niet alleen beeld, niet louter metafoor.  Wat de theologische betekenis van Maria ook moge zijn, zij is ook mens van vlees en bloed even reëel als wij zelf zijn. Juist als die mens heeft zij ons iets te zeggen. Als mens is zij de openheid naar Gods wil. Een wil die onze wil niet willoos maakt, maar onze instemming mobiliseert met datgene wat wij zelf ten diepste verlangen. Maria laat zien dat ja zeggen tegen God begenadigd wordt. Daardoor geschiedt zijn wil op aarde zoals in de hemel en komt zijn Rijk onder ons aanwezig, waardoor wij nu al deel uitmaken van zijn toekomst. Amen.

 top

Overweging 9 augustus 2020   
wanneer de grond onder je voeten wegvalt

Lezingen: Jona 2,1-11; Romeinen 9, 1-5; Matteus 14, 22-33.
De afgelopen tijd stelt naar mijn idee hoge eisen aan ons vertrouwen. Ook al passen we ons ogenschijnlijk zonder veel moeite aan aan de omstandigheden, onderhuids is er een blijvende spanning en voortdurende waakzaamheid is mijn ervaring.  Door de recente berichten en wordt dat niet minder.
De vanzelfsprekendheid van ons leven wordt in een aantal essentiële aspecten doorbroken. In de praktijk zal de een door de beperkingen zwaarder getroffen worden dan de ander, maar op hoofdpunten is het voor ieder van ons gelijk.
Die aspecten betreffen onze contacten, onze vrijheid van bewegen, culturele activiteiten, de economie, onze gezondheid, ons werk. En in het gewone leven van alledag valt het misschien niet zo op, je past je aan tenslotte, maar het is nogal wat.
Niet zo verwonderlijk dat sommige mensen in redeloze opstand komen en anderen in een depressie geraken.
Want stel dat er heel veel bedrijven failliet gaan, dat banken in problemen komen, dat onze economie krimpt beneden een aanvaardbaar niveau. Dat nog meer mensen hun werk verliezen. Dat we elkaar,- onze vrienden, kinderen en kleinkinderen-,  nog maanden niet mogen aanraken. Geen verjaardagen, geen ongedwongen muziekuitvoeringen, niet zomaar even ergens heen, en zo valt er nog wel het een en ander te noemen.  Het is een wat somber scenario voor de dag van de opstanding. Door het moment dreigen we het perspectief te verliezen. En dat hoeft niet. Het laatste wat ik zou willen is de bijnaam van Jeremia overnemen: “ontzetting overal”. We verkondigen een blijde boodschap, van heil en perspectief. Hoe diepen we die op uit de teksten van vandaag?

De Schriftverhalen van deze dag noteren een moment waarop de bodem onder iemand is weggeslagen. Jona bevindt zich in de muil van de dood en Petrus dreigt in de doodskolk ten onder te gaan. Beiden bidden om uitredding. En zij worden gered. Eind goed al goed. De Heer redt, de Heer zij geloofd en geprezen. God is getrouw en redt wie erom bidt.
Maar het zou vermetel vertrouwen zijn om daar blind op te varen.  De verhalen hebben twee kanten: de openbaring van wie God is voor mensen en de menselijke verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken. Omwille van ons heil zouden we het daarover moeten hebben.  

Van het moment af dat Jona als profeet een opdracht krijgt om de inwoners van Nineve te waarschuwen beweegt hij zich van God af. Nineve ligt op het grondgebied van het huidige Mosul, aan de oostkant van de Tigris. Een belangrijke, zeer oude stad met een roemrijke geschiedenis en geweldige culturele achtergrond. Ten tijde van de redactie van het boekje Jona al in verval, maar niet in de tijd dat het verhaal gesitueerd wordt.  Jona gaat niet naar Nieve, maar naar het westen, om via Jaffa naar Tyrus te gaan, weg voor het aangezicht van de HEER. Na een storm wordt hij overboord gezet en komt in het binnenste van een grote vis, symbool van de onderwereld. Zijn leven is afgegrendeld. Op het dieptepunt van zijn bestaan bidt hij tot de Eeuwige om het leven te hervinden  en uit de grafdiepte omhoog gehaald te worden. Jona bekeert zich en God is hem barmhartig en redt hem, zoals Hij ook de Ninevieten op hun bekering zal bewaren en niet vernietigen.

Petrus stapt vol vertrouwen uit de boot om naar Jezus toe te gaan. Maar op een bepaald moment wordt zijn aandacht getrokken door de kolkende afgrond onder zijn voeten. Hij verliest Jezus uit het oog en verzinkt in angst. Wanneer hij dreigt ten onder te gaan richt hij zijn bede tot Jezus die zijn reddende hand naar hem uitsteekt.

Beide heren delen iets met elkaar. Jona beweegt zich van God af. Petrus verliest het vertrouwen in Jezus. Jona gaat weg van het aangezicht van God. Hij wil onder God uitkomen en vertrekt naar het heidense Tyrus. De zeelieden hebben een heilig ontzag voor de god van Jona en na veel moeite zetten zij Jona overboord. De Heer beschikt een vis die Jona verzwelgt. Voor Jona lijkt het alsof hij sterft, maar in deze beschikking is God al bezig met diens redding terwijl Jona zich nog moet omkeren. En net zoals bij ons soms ook  het geval is komt de omkeer op het absolute dieptepunt.
Het lijkt wel dat wanneer je niet verder kunt vallen, je alles kunt loslaten en dat dat het moment is waarop de omkeer plaatsvindt.
Op het moment dat Petrus zijn blik naar beneden keert, verliest hij zijn geloof en glijdt weg. Heel herkenbaar voor iemand die meegezogen wordt in de omstandigheden van het bestaan.


We kunnen veel leren van de verhalen.
Wat Jona en Petrus overkomt is niet een straf voor hun keuze. Het is het gevolg van het zich van God verwijderen in plaats van de weg te gaan die Hij wijst. En het gevolg van geloofstwijfel. Petrus denkt altijd dat hij het wel even kan doen, maar beseft niet dat hij het niet doet maar God in hem. Wie zou in staat zijn de doodswateren over te steken wanneer het niet God is die redt?
Ze maken duidelijk dat in verbondenheid met God we een weg ten leven gaan en dat de weg zonder God eindigt in de dood, tenzij God zich van zijn barmhartige kant laat zien. En ook dat geloof de grond is waarop we staande blijven temidden van hetgeen ons overkomt. Geloof immers verbindt ons met de toekomst waar we deel van uitmaken. Het baant een weg waar geen wegen zijn.

Het verhaal van Jona belijdt dat God niet exclusief van Israel is. Hij is met de zeelieden in meerdere goden geloven, maar zich ook wenden tot de god van Jona. Hij trekt zich ook het lot aan van Ninive, misschien toch het symbool van de Assyrische overheerser en daarin van de overheerser in het algemeen; Israel kent er vele in de loop van de eeuwen. God is een god van alle volken en van ieder die zich bekeert.
Jona moet dat kennelijk nog leren, boos als hij is wanneer God de Ninevieten op hun bekering redt van de ondergang, terwijl Jona zelf de reddende hand van God heeft ervaren toen hij zich van Hem had afgewend. Geloof in God moet ons ruimhartig maken naar mensen.
In dit verband past dit verhaal van Jona ook mooi bij de de scene die hierna komt waar Jezus in discussie gaat met een kananese vrouw die zich tot hem keert voor genezing van haar dochter. In eerste instantie wijst Jezus haar af, maar bekeert zich op grond van haar geloof en redt de dochter van haar kwaal. Israel, en in haar ieder godsvolk, mag niet eenkennig zijn en denken dat het heil van God alleen voor hen bedoeld is. God is groter dan ons hart en in hem is liefde genoeg voor ons allen.

In de liturgie van Jom Kipoer, grote verzoendag, wordt het boekje Jona gelezen. Na de dagen van bezinning op het eigen leven en het aanbieden van herstel waar het mis is gegaan. Om weer heel uitdrukkelijk om te keren naar de God die zich keert, telkens weer, naar zijn volk. En het zet op de weg ten leven.

Bekering is zowel in het joodse geloof als in het christelijke geloof een groot goed. Zalig de mens die kan bekeren, meer dan wie geen bekering nodig heeft. De laatste loopt altijd het risico zich zonder zonde te denken. Wie zich bekeert is zich bewust van zijn tekortkomingen en hoopt op genade van God en van mensen. Hij zal zich niet makkelijk boven de ander verheffen.

Natuurlijk wordt in de verhalen God ook aangewezen als de Heer van de schepping en van het leven. Als degene die macht heeft over de natuurlijke orde. Die voor de dood kan weghalen en in de dood nieuw leven kan schenken. Het zijn ook Verrijzenisafbeeldingen. God openbaart zich in de schepping, maar ook in de onmacht van mensen en in het geloof van mensen. In onze onmacht laat hij zich kennen als genade en barmhartigheid. En hij verheerlijkt zich en openbaart zijn glorie in ons geloof.

Paulus verheerlijkt God als boven alles verheven en toch de schenker van de verbonden, van het kindschap, de wet ten leven en van de Messias. In psalm 29 bezongen we hem in zijn macht, maar ook als degene die kracht schenkt aan zijn volk en zijn volk zegent met vrede.

In het geloof dat God met ons is, zoals Paulus zegt: in leven en in sterven, en dus ook in de moeilijkheden van ons bestaan, eren we God in gebed, leven en lofzang en daarin openbaart hij zijn heerlijkheid. Laten we daarop vertrouwen. Amen. 

TOP


Overweging 2 augustus 2020 

Geven jullie hun te eten
Lezingen: Nehemia 9, 15-20; Romeinen 8, 31-39; Matteus 14, 13-21.

Voor een begrip van de evangelietekst van vandaag keer ik graag even terug naar het eind van hoofdstuk 9 en het begin van hoofdstuk 10 van het Matteusevangelie. We zullen dat niet zomaar paraat hebben. Daarom even een opfrisser.

Aan het eind van hoofdstuk negen wordt gezegd dat Jezus de dorpen en streken van zijn land doortrekt en daar bewogen wordt door de menigte van mensen die als schapen zonder herder zijn, richtingloos. Een menigte die geplaagd wordt door allerhande kwalen en die gebroken is door het leven. Er is zoveel nood en er is zoveel te doen. Hiertoe roept Hij zijn leerlingen. Om te delen in zijn taak. Zijn zendingsboodschap is kort en bondig: “verkondigt op uw tocht: het koninkrijk der hemelen is nabij”.
Onder het aspect van deze opdracht kijken we naar de tekst van vandaag.


De afgelopen zondagen hebben we Jezus de menigte en zijn directe leerlingen in tal van vergelijkingen horen vertellen over het koninkrijk der hemelen. Hij heeft kort voor de scene van vandaag in het verhaal van Matteus geprobeerd in de stad waar Hij is opgegroeid van dit koninkrijk te getuigen, maar er weinig weerklank gevonden. Intussen is zijn neef Johannes, die de Doper wordt genoemd, door gekonkel van Herodias op last van Herodes onthoofd. Jezus heeft behoefte om even alleen te zijn. Hij gaat scheep om zich ergens aan de kust van het meer van Gennezaret terug te trekken. Maar wanneer hij aankomt ziet hij weer een grote menigte die hem opwacht. Opnieuw wordt Hij door barmhartigheid bewogen en geneest hun zieken. In de avond voegen zijn leerlingen zich bij hem. Wanneer zij de mensen zonder eten willen wegsturen, brengt Jezus hen in verlegenheid door te zeggen: “Geven jullie hun te eten”.


Doorheen het evangelie probeert Jezus zijn discipelen te leren wat het betekent om zijn leerling en volgeling te zijn. Het betekent in ieder geval niet klakkeloos achter hem aan lopen, maar zelf verantwoordelijkheid nemen en in zijn voetspoor treden. De zending van Jezus gaat door ook na zijn dood. Het verhaal is immers geschreven voor hen die na Hem gekomen zijn en nog zullen komen.
De messiaanse boodschap stopt niet bij Jezus, evenmin als de messiaanse opdracht. Zij worden verder gedragen door zijn leerlingen en zijn een integraal deel van de opdracht van het verbondsvolk, van het godsvolk. Zij beginnen ook niet bij Jezus. De messiaanse opdracht hoort bij het Verbond van God en diens volk, waaraan het met vallen en opstaan  probeert te beantwoorden.
Het is ook die messiaanse opdracht die de betekenisomgeving biedt en de begrippen aanreikt waarin wij Jezus verstaan. En ook al noemen we Hem de Messias, dat betekent toch niet dat in Hem de messiaanse opdracht een aanvang heeft en eindigt. De wijze waarop Jezus in het evangelie zijn leerlingen instrueert onderschrijft dit.


Er is geen wezenlijk onderscheid tussen de verkondiging van de nabijheid van het koninkrijk der hemelen en voedsel geven aan de menigte die hongert en dorst naar heelheid. En geen leerling van Jezus zou zich aan die verantwoordelijkheid moeten willen onttrekken. Maar er zich integendeel vol vuur aan wijden. Zelf evenzeer hongerig en dorstig naar de komst van het rijk waarvan zij getuigen.
Verkondiging kan niet losgemaakt worden van pastorale zorg en diaconie. De waarachtigheid van de verkondiging vraagt om overeenkomstige actie. Orthodoxie en orthopraxie horen bij elkaar. Geloof zonder daad is vruchteloos en daad zonder geloof is richtingloos. Het concept van het rijk der hemelen reikt de normeringen aan die ten grondslag liggen aan ons handelen. En wel zo dat wij ons de vraag stellen of in ons handelen het rijk der hemelen nabij komt, dat wil zeggen: zichtbaar wordt en verhaast wordt.


De eerste lezing maakt duidelijk dat het op de weg naar het beloofde land, metafoor van het rijk der hemelen, om meer gaat dan alleen water en brood voor onderweg. Het zijn noodzakelijke levensmiddelen, maar de mens leeft niet alleen van brood. Hij leeft maar echt wanneer hij leeft naar lichaam en ziel. Daarom wordt gezegd: “niet alleen van brood leeft de mens, maar van ieder woord dat komt uit uw mond”. En Jezus zegt: “mijn voedsel is het doen van de wil van mijn Vader”.

Het volk in de woestijn ontvangt brood uit de hemel en water uit de rots. Niet alleen om het te voeden en te laven, maar ook als openbaring van Gods aanwezigheid. Als onderrichting in het verbond. Eten zonder dankbaarheid is bestiaal. De woestijntocht leert het godsvolk te leven in het voortdurende bewustzijn van het verbond en van Gods aanwezigheid. Leven voor het aanschijn van de Eeuwige.
Het verhaal leert ons ook om geduld te hebben met elkaar. In het besef van het eigen vallen en opstaan moeten we elkaar niet te hard vallen en veroordelen. Het is makkelijker om te veroordelen dan om te helpen. God kiest met zijn volk niet de gemakkelijke weg. Nehemia schrijft: “Maar Gij, God van vergeving, genadig en lankmoedig en groot in barmhartigheid, hebt hen niet aan hun lot overgelaten”. God oordeelt wel, maar veroordeelt niet. Dat stelt een norm aan onze houding ten opzichte van elkaar. Wanneer ik mijn naaste veroordeel, plaats ik hem buiten mij. We hoeven niet de ogen gesloten te houden voor wat er niet goed is, en we moeten proberen te onderscheiden wat er is, echter zonder de relatie helemaal door te snijden.


Dat Woord van God, dat Verbond, is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Mens geworden als wij. Het is ons in de mond gelegd en in het hart. Om ervan te getuigen en eruit te leven. Om teken te zijn van de nabijheid van het Godsrijk. Het is een woord van leven.
Vijf broden en twee vissen. Veel is het niet. De leerlingen denken dat het te weinig is om hun naasten te voeden. Zij denken dat het van hen afhangt. En dat is niet zo. We zullen dat herkennen. Soms denken we dat de komst van het koninkrijk van ons afhankelijk is en dan worden we gestresst en onzeker in het besef dat we dat (natuurlijk) niet kunnen waarmaken. We zadelen onszelf op met een te grote opdracht en vinden ons vervolgens  te gering om eraan te beantwoorden. Deze houding is op de keper beschouwd zowel een overschatting als een onderschatting.
We moeten leren dat we er niet zijn om van onszelf te getuigen, maar om,- in wie en wat we zijn-, met de mogelijkheden die we hebben, te getuigen dat we God bij ons weten.  En dan is het weinige dat we kunnen, voldoende om de nabijheid van het koninkrijk te openbaren. Niet op grond van onze vermogens alleen, maar op grond van Gods goede geest, zoals Nehemia die noemt, die onze vermogens te hulp komt om God zichtbaar te maken in wat we wèl kunnen.


Telkens wanneer we samen komen om te vieren worden we gevoed met het levende Woord. Het wordt ons in de mond gelegd om in ons hart te werken, zodat het als vruchten van geloof uit ons komt in woord en daad. Het woord uit den hoge wordt mens in en door ons. Het verandert zich in ons, wordt mens, opdat wij in Hem veranderd worden. In zijn Belijdenissen (VII, 10, 16) schrijft  Augustinus: “…En het was alsof ik daar uw stem hoorde uit de hoogte: ‘Ik ben het voedsel van de sterken, groei en gij zult Mij eten; maar niet zoals menselijk voedsel zult gij Mij veranderen in u, maar gij zult veranderd worden in Mij’.”


Geen volk is te klein, geen mens te gering om woonplaats te zijn van God. Zegt niet Jezus tegen de kleine Zacheus, die zichzelf haat en te min vindt: “Heden wil ik bij u te gast zijn”.
Op dezelfde wijze is Hij heden bij ons te gast om als een voorbeeldige gastheer ons te voeden met brood uit de hemel, zijn eigen leven, opdat wij tot waarlijk en voluit leven komen. Op, de stevige, grond daarvan kunnen we met Paulus zeggen: “Ik ben ervan overtuigd dat noch de dood noch het leven, noch engelen, noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus onze Heer”.
Dat geloof is onze dierbaarste getuige. Amen.

 top

Overweging 26 juli 2020
(Voor)bestemming?

Lezingen: 1Koningen 3, 5-12; Romeinen 8, 26-30; Matteus 13, 31-35.44-49
De liturgie houdt kennelijk veel van het dertiende hoofdstuk van Matteus. Dit is de derde zondag dat we uit dit hoofdstuk lezen. Het gaat dan ook over het rijk der hemelen en dat is toch het beeld van onze voleinding. Het biedt een oriëntatie voor ons leven en vertelt ons waartoe we bestemd zijn. Maar ja, wat is dat rijk dan en hoe ziet het er uit? Hoe oriënteer je je op een werkelijkheid die niet bestaat, maar waarvan we ons een voorstelling maken. We kunnen er alleen in gelijkenissen over spreken. En daarover handelt hoofdstuk 13.
De vergelijkingen die gebruikt worden zijn in te delen in twee soorten. De ene gaat over het oordeel, de andere over de kwaliteit van het koninkrijk. Betreffende  het oordeel hoorden we vorige week de vergelijking over het goede en kwade zaad en de tarwe en het onkruid. Bij de oogst worden zij gescheiden en het onkruid wordt verbrand. In de tekst van vandaag is dat de vergelijking over het sleepnet waarin goede en onbruikbare vis wordt binnengehaald. De onbruikbare vis wordt weggeworpen. Dit zijn verhalen die ons vertellen dat bij het einde van de tijden het oordeel komt en dat de goeden zullen binnentreden in het koninkrijk en de slechten in het vuur terechtkomen.
Maar wie zijn onverdeeld goed of onverdeeld slecht? Zo simpel is het niet. We lezen deze verhalen dan ook in de eerste plaats als vermaningen. Als aansporingen om te leven in overeenstemming met ons geloof in onze uiteindelijke bestemming en met de liefdevolle genade die ons in Christus van Godswege geschonken is.
Toch valt het niet te ontkennen dat wanneer we leven op een wijze die niet bij de bedoeling van het mens-zijn past, we onherroepelijk in problemen komen. Je zou kunnen zeggen dat dat een oordeel is dat in de aard van de menselijke samenleving is besloten. Wanneer we elkaar naar het leven staan, elkaar veroordelen of het leven onmogelijk maken; wanneer de een macht over de ander gaat uitoefenen of willekeurig over de ander gaat beschikken, dan beantwoordt het leven niet langer aan zijn bedoeling. Waar machtsmisbruik, willekeur, onrecht  heersen kan geen vrede zijn en kunnen mensenkinderen zich niet ontplooien. Die situatie beantwoordt in genen dele aan de kwaliteit van het koninkrijk der hemelen. Daar heb je geen hel voor nodig, want die is er dan al.


Schering en inslag van het weefsel van een goede samenleving zijn gerechtigheid en vrede. De samenleving zou op die kwaliteiten gestuurd moeten worden. Salomo wordt niet voor niets als de wijze koning aangeduid. Hij wiens naam vrede betekent vraagt God om inzicht in wat goed en slecht is, om wijsheid ten einde recht te kunnen verschaffen aan het volk van God dat aan zijn zorg is toevertrouwd om zijn naam waar te maken. In de waarden gerechtigheid en vrede gaan namelijk heel veel normen schuil die te maken hebben met de mogelijkheden van ontplooiing en goed samenleven, zoals: de mogelijkheid dat mensen tot hun recht kunnen komen, mogen zijn wie ze zijn, in gerustheid en onbedreigd kunnen leven, respect voor de eigenheid en het anders-zijn van de ander, dat ieder voldoende heeft om te leven en zijn kinderen te voeden en te kleden, onderwijs krijgen en gezondheidszorg, en ga zo maar door.

Gerechtigheid en vrede maken het weefsel van de samenleving tot een veelkleurig tapijt en tot een omgeving waarin het leven bevorderd wordt.


Dit beeld sluit aan bij de andere vergelijkingen in hoofdstuk 13 die gaan over de kwaliteit van het koninkrijk der hemelen. Het gelijkt een mosterdzaad. Klein en onooglijk. Maar wanneer het wortel schiet, groeit het uit tot een enorme struik waar allerhande vogels in kunnen nestelen. Dit zegt ons twee dingen. Het kleine begin van het koninkrijk dat voldoende is om uit te groeien tot een plek waar niet alleen maar paradijsvogels in nestelen, maar waar allerhande vogels van verschillende pluimage, zoals wij zijn, een beschutte plek vinden.
Weinig is voldoende zegt ook de vergelijking over het zuurdesem. Het doordesemt de hele hoeveelheid meel om het te doen rijzen. Een klein beetje goedheid, een vriendelijk woord, een gebaar, doordesemt en verandert de relaties tussen mensen. Een glimlach kan je hele dag goed maken. Zo werkt goedheid. In dat kleine is het koninkrijk al in zijn volheid aanwezig.


De andere twee vergelijkingen gaan over de kostbaarheid van het koninkrijk. Kostbaarder dan alles wat we hebben. Het is die kostbare parel die een koopman verwerft. Alles wat hij bezit en in jaren verdiend heeft investeert hij in die ene parel.
Zo is het ook met de schat in de akker, die wij zelf zijn. Wanneer we die ontdekken moeten we er alles voor over hebben om die op te delven.
Deze beelden lijken eigenlijk op het eerste en voornaamste gebod: God liefhebben met heel je hart, met heel je verstand en heel je vermogen. En je naaste als jezelf. Beminnen met alles wat je hebt en bent.
In de Bergrede zegt Jezus het wat anders: Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en al het andere zal je gegeven worden.
Prioriteiten stellen. Wat moet je met heel je bezit wanneer je het kostbaarste mist. Wat moet je met kennis en bezit wanneer je de liefde mist, zegt Paulus. “Waarom geld betalen voor iets dat geen brood is en je loon besteden aan wat niet verzadigt”, zegt de profeet. Met andere woorden: zet je vermogen niet in voor het verwerven van meer bezit, maar voor dat ene kostbare. En dat is kwaliteit van leven. Leven zoals het bedoeld is, in verbondenheid met God en mensen. Het koninkrijk is er al om ons leven te doordesemen. Het is de liefde Gods in ons die het bewerkt.

 

Misschien klinkt dit allemaal veel te optimistisch en schatten we onszelf te hoog in. Alsof we al zijn wat we uiteindelijk in God zullen zijn.
In de Romeinenbrief lezen we immers een paar verontrustende zinnen die velen intensief hebben beziggehouden en met angst en beven de dood tegemoet doen zien. Wie zal het rijk betreden en wie niet. Wie is goed genoeg; wie is voorbestemd, geroepen en gerechtvaardigd en wie niet? Zijn er slechts enkelen die gered worden?
De hele kwestie van de predestinatie is een heikele aangelegenheid waarvan Calvijn zelf zei: “de predestinatie is waarlijk een labyrint waar het menselijke verstand op geen enkele manier uitkomt”. Op dezelfde wijze zegt Augustinus dat Gods genade en liefde ons kennen te boven gaan en we er dus ook maar zeer ten dele uitspraken over kunnen doen. Zijn uitspraken over predestinatie vormen geen systematisch onderdeel van zijn theologie. Augustinus heeft trouwens ook geen systematisch samenhangende theologie. Hij probeert al theologiserend antwoorden te vinden op vragen uit zijn tijd. In dit geval zijn ze voornamelijk gekeerd tegen de Pelagianen en dus geschreven met betrekking tot de genade en vrije wil. De predestinatie figureert daarin als het model waarbinnen het initiatief maximaal bij God blijft en het menselijk initiatief weinig vermag ten aanzien van zijn verlossing. Zo zegt Augustinus dat niets in de tijd en niets in het tijdelijke, niets dat des mensen is, zijn (Gods) raadsbesluit dat van voor de tijden bij hem is, kan veranderen. Toch betrekt Augustinus het niet op de verlossingsleer. Het gaat meer om de onveranderbaarheid van God. De verlossingsleer van Augustinus berust in Gods liefde, genade en barmhartigheid. Uit onszelf kunnen we niets en leven we niet in de eigenlijke zin van het woord, maar het is Gods liefde die het bewerkt en ons tot leven brengt. Want ook al zijn we in dit bestaan, we zijn er niet in als levenden, maar als doden. De predestinatieleer bij Augustinus is een uitbreiding van zijn denken over de goddelijke genade in verband met de bewerking van persoonlijk heil.
De tekst 1 Petrus 1,20: Het lam dat voor de grondlegging van de wereld was uitverkoren, laat Augustinus in De trinitate XIII,15,19 slaan op hen die voor de grondlegging van de wereld voorbestemd zijn om als deelgenoten aan zijn genade als Christus te sterven, dwz naar het lichaam en niet naar de geest (de tweede dood). Zoals het heil in Christus is voorbestemd, zo is het ook voorbestemd dat de mens in Christus zou komen tot het leven. Zij die dood waren door de zonde, zullen door de dood van Hem die zonder zonde is (en die niet eens kan zondigen) tot leven komen.
Volgens Augustinus leven we strikt genomen niet in dit leven. Deze uitverkiezing (en voorbestemming) is zonder aanzien des persoons, dat wil voor hem zeggen: zonder enige persoonlijke bijdrage of inbreng. Het is, zoals het heil in Christus van de grondlegging van de wereld is voorzien en voorbeschikt, voor hen die in hem tot leven komen, en dientengevolge ook voorbeschikt (dus eerder a posteriori dan a priori, hoe moeilijk dit ook te bevatten is.W.). Dit is dus geen kwantitatieve beperking, maar een kwalitatieve beschrijving van Gods handelen.  
Uit onszelf vermogen we derhalve wellicht niet zoveel, maar het is de Geest van God,- die in ons hart is gelegd en die in ons leven werkt en die in ons bidt en verlangt-, die ons tot voltooiing brengt.


Dwars door onze defecte natuur heen en door onze verzwakte wil om het goede te doen richt ons verlangen naar heelheid, naar geluk, naar waarlijk leven ons op Hem die het verlangen in ons hart heeft gelegd, en die het vuur van zijn liefde in ons doet ontbranden, opdat wij brandend van verlangen lichterlaaie leven naar Hem toe.
Onder alle theologie en de wens het onbegrijpelijke te begrijpen en het onzichtbare te zien, ligt de basis van Gods relatie met ons, die in de schepping een aanvang neemt en in de tijd nieuwe gestalten heeft gekregen (tora, Christus, kerk). Die basis is levensverbondenheid, liefde, immers uit liefde zijn wij verwekt. Daarom kunnen we, ook al maken we ons zorgen over het oordeel, met Paulus (zie Rom. 8, 38vv) zeggen: “ik ben ervan overtuigd dat niemand of niets ons ooit kan scheiden van de liefde Gods die in Christus Jezus is”
God is in de eerste plaats een relationele werkelijkheid, geen ontologische metafysische categorie. Hij die ons in het leven heeft gewild, die bevrijdend en thuisbrengend met zijn volk onderweg is, dat met vallen en opstaan Hem wil dienen, laat barmhartigheid over oordeel, genade over recht, liefde over verwijdering, leven over dood zegevieren.

Verlangen en gebed brengen ons uiteindelijk dichter bij God dan plicht en gebod. Amen.

 

Gebed van Augustinus:
Geef u aan mij, mijn God, geef u aan mij terug.
Zie, u heb ik lief. En als het te weinig is, geef mij sterker liefde.
Niet meten immers kan ik de liefde en dus niet weten
hoeveel mij ontbreekt totdat er verzadiging is.
Zo snelt mijn leven naar uw omarming en van geen afwenden weet het
totdat het verborgen zal zijn in de verborgenheid van uw gelaat.
Dit ene weet ik: dat het mij slecht gaat zonder u,
niet alleen buiten mij, maar ook in mijzelf,
en dat alle rijkdom die gij, mijn God, niet zijt, slechts armoede is. (belijdenissen XIII,8,9)

 top

 

Overweging 19 juli 2020
goed en kwaad

Lezingen: Wijsheid 12, 13-19; Romeinen 8, 18-25; Matteus 13, 24-30.36-43.

De evangelietekst van vandaag staat in een reeks van kortere vergelijkingen, die we nu niet hebben gelezen, met betrekking tot het koninkrijk der hemelen. Alle hebben ze een wat andere invalshoek. Daar waar andere schrijvers ook van het koninkrijk van God spreken, hanteert Matteus consequent het koninkrijk der hemelen. Hier, in deze vergelijking, gaat het over de houding ten opzichte van het kwaad in relatie tot de voleinding van de wereld. En dit bezien vanuit de ervaring dat goed en kwaad samen voorkomen in onze wereld. Deze vergelijkingen staan voor de schrijvers bovendien in relatie tot de verwachting dat de voleinding van de wereld aanstaande zou zijn. Met name dat aspect geeft het verhaal wel een wat ander perspectief dan het voor ons kan hebben. Het maakt ze meer urgent en dus ook scherper.
Laten we daarom eerst wat ingaan op dit perspectief.
De jonge groep Christusgelovigen leefde naar men aanneemt in de stellige overtuiging dat de wederkomst van de Messias Jezus spoedig zou plaatsvinden. De nabijheid van het koninkrijk der hemelen werd dus vooral als nabij in de tijd gezien. Ook al spreken sommige evangelieteksten over het koninkrijk dat in ons is. Dit aanstaande zijn in de tijd leidt tot een wat andere houding ten opzichte van het kwaad dan de nabijheid van het koninkrijk in ons. In het eerste geval ligt de nadruk op het initiatief van God. In het tweede is er ook sprake van een handelingsverantwoordelijkheid voor de gelovige.


Bij Matteus overheerst het initiatief van God. De wereld als plek van goed en kwaad wordt genomen zoals die is, en bij de oogst, de aanstaande voleinding van de wereld wordt het goede van het kwade gescheiden. Het einde komt immers spoedig en in een landbouwcultuur met meerdere oogsten per jaar is de gehanteerde vergelijking ook wat makkelijker te aanvaarden. Het voor het koninkrijk nutteloze of vijandige wordt verworpen en het deugdelijke opgenomen. Bij zo’n verwachting is het van het grootste belang om niet ‘de boot te missen’ en zich te onthouden van alles waardoor dat zou kunnen gebeuren. Want dat kan elk moment zijn.
Wij staan na tweeduizend jaar christendom wat verder af van die chronologische benadering van het koninkrijk der hemelen. Niet dat we die hebben losgelaten. We hanteren meerdere benaderingen naast elkaar. Ik onderscheid in ieder geval een viertal opvattingen.

We zien de voleinding van de wereld als het einde van de geschiedenis en het koninkrijk der hemelen als het buitenhistorische rijk van God. Het koninkrijk zal na het eind der tijden komen als de definitieve heerschappij van God. Eraan vooraf gaat de opstanding der doden, die ten oordeel verschijnen voor de rechterstoel. Sommigen zullen opstaan ten leven en deel krijgen aan het koninkrijk; anderen zullen opstaan ten dode, de tweede dood. Deze opvatting gaat vaak hand in hand met de verwachting van een apocalyptisch wereldeinde. De openbaring van Johannes wordt door hen zo gelezen. 

Daarnaast vereenzelvigen mensen het koninkrijk der hemelen met de hemel, als beeld van de vervulling van de verwachtingen die men heeft voor na de dood. Het rijk der hemelen is dan de omgeving van God waarin men na de dood terecht komt, of kan komen. Deze verwachting stelt ethische vragen met betrekking tot het leven hier. Hoe goed moet je zijn om daar terecht te komen. En wie komt er wel en wie niet. Wat is daarin de rol van het rechtvaardigheidsbeginsel? En van de genade? Het hiernamaals als beloning en straf, of… als pure genadegave onafhankelijk van ons.


Een ander concept gaat ervan uit dat het rijk der hemelen een concrete werkelijkheid is die altijd de mogelijkheid heeft zichtbaar aanwezig te komen. Het rijk der hemelen is er al en kan zich aan ons openbaren. Dat kan zijn door Gods initiatief en genade, of, zoals anderen zeggen, door onze toeleg op de eigenschappen van het rijk der hemelen, zoals vrede, gerechtigheid, solidariteit. Degenen die zo denken zien hoe dan ook dat het rijk der hemelen niet iets is van ooit en eens, maar dat het de mogelijkheid heeft zich in onze historische werkelijkheid te openbaren of aanwezig te komen. Soms als de voltooiing van een zich progressief ontwikkelende geschiedenis.

Nog een andere opvatting ziet het rijk der hemelen als een belofte die aan ons leven en aan onze wereld gegeven is. Een belofte die als werkelijkheidsmogelijkheid de bedoeling en bestemming van ons menselijk bestaan in al zijn facetten onthult. Het is de van Godswege geschonken betekenis waarin ons leven vanaf het begin tot zijn voltooiing staat. Het is van altijd tot altijd. Van voor wij er waren in dit bestaan tot na ons heengaan. Het is aan ons in deze voorgegeven bedoeling te gaan staan, waarvan de vervulling niet aan ons is, maar ook niet zonder ons. Het koninkrijk is waar wij samenvallen met onze bedoeling. Dit heeft een persoonlijk individuele betekenis als mens en een gemeenschappelijke als mensheid.

Hoe het ook zij: het rijk is daar waar de bedoeling van God en de bestemming van mens en wereld samenkomen. In onze opvattingen over het rijk der hemelen lopen de verschillende zienswijzen naast en door elkaar. Tijdens ons dagelijks leven zal een ander beeld voorop staan dan in het zicht van de dood. Belangrijk is dat het een troostvolle en bemoedigende verwachting is. Een die ons hoop en perspectief geeft. Het rijk der hemelen is ons immers al geschonken. We hoeven het niet te maken of te verdienen. We moeten het alleen niet verliezen. Maar zolang we geloven en verlangen kunnen we vertrouwen op de woorden van Paulus. Alles immers, de hele schepping, verlangt naar verlossing en hoopt er vurig op. Verderop zegt hij, in vers 38vv, dat hij ervan overtuigd is dat niets hem kan scheiden ooit van de liefde Gods die is in Christus Jezus.
Wat dat aangaat is de Wijsheidstekst zeer toepasselijk. Deze gaat uit van een God die zijn macht geheel investeert in gerechtigheid en barmhartigheid. Zijn oordeel is zachtheid en zijn kracht is mildheid. Waar zonde is geeft hij gelegenheid tot inkeer. 

Voor mij komt de tekst neer op de vraag hoe we omgaan met het kwaad in relatie tot onze verwachting van het koninkrijk der hemelen.
Al vroeg in de scheppingsparabel horen we hoe in de mens het goed en het kwaad vermengd aanwezig komen. Dat betekent dus in ieder van ons.
We kunnen de wereld niet opdelen in goed en kwaad. Dat is veel te schematisch. Ook mensen kunnen we niet gemakkelijk scheiden in goeden en slechten.
Afgezien van die moeilijkheid laat zo’n indeling onszelf vaak buiten beschouwing. We zijn geneigd onszelf aan de goede kant te plaatsen. De ontkenning van ons eigen kwaad maakt het vrijwel onmogelijk om een helder zicht te krijgen op onszelf en om met liefde en compassie naar de ander te kijken die is zoals wij.
Natuurlijk zijn er gradaties in goed en kwaad, maar zonder een eerlijke grondhouding ten opzichte van onszelf kunnen we de wereld en de ander niet goed beoordelen. Tegelijk moeten we ons door dat kwaad niet uit het veld laten slaan. We weten en geloven immers dat we bestemd zijn voor het rijk der hemelen en ook dat heel de schepping verlangt naar verlossing, misschien ook wel al dat onkruid dat te velde staat.

 


Het rijk der hemelen heeft nu voor ons verschillende aspecten Het is een bestemmingsperspectief; het geeft aan waartoe ons leven bestemd is en waarin het zijn bestemming vindt, hoe we dat ook verder invullen. Het is een oriëntatie voor ons leven en onze keuzes, het geeft richting en inhoud aan ons handelen. Het is ook een zijnsgrond; we zijn immers erfgenamen en inwoners van het rijk der hemelen. Dat is het geschenk en de identiteit die we meekrijgen. Dus eigenlijk hoeven we alleen te doen wat we zijn en te worden wie al van het begin af aan waren.
Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. We zijn wel degelijk besmet. We zijn niet alleen goed. Maar in plaats van te proberen het kwaad in ons met wortel en tak uit roeien, kunnen we er ook mild mee omgaan. Kijken of we dat wat ons kwaad maakt ook ten goede kunnen wenden. Drift is ook passie; koppigheid is ook trouw; Of door meer aandacht te besteden aan de goede kanten dan aan de kwade.  Je kunt kinderen voor elke fout op de kop geven, maar je kunt ook kijken waar het vandaan komt en het goede bevorderen.
Eigenlijk moeten we ieder die we ontmoeten zien als een spiegel waarin gereflecteerd wordt wie we zijn. Wanneer we diep bidden kijken we God in het gelaat en zien daar wie we zijn in relatie tot wie ons bestemd heeft tot zijn rijk. Amen.

 top

 

Overweging 12 juli 2017
overvloedig
Lezingen: Jesaja 55, 6-13; Romeinen 7, 21-8, 6; Matteus 13, 1-9.(10-17.)18-23.

Niet zelden denken we dat we iets voor God moeten doen, dat we God op een of andere manier genoegdoening moeten verschaffen, of gunstig jegens ons moeten stemmen. Dat we voor Hem goede daden moeten verrichten. Maar eigenlijk is het hele idee dat we iets voor God zouden kunnen doen, absurd. Het is een zelfoverschatting die ons religieus op het verkeerde been zet. Dat klinkt misschien hard, maar eigenlijk is het heel bevrijdend. Het besef, namelijk, dat we in relatie tot God altijd de ontvangende partij zijn. Dat maakt ons verrassenderwijze niet kleiner, maar juist ruimer en vrijer. Het is de openheid en vrijheid van de kinderen Gods.

Om het verschil te zien moet je maar eens kijken naar het opvoedingsklimaat waarin kinderen opgroeien. Kinderen die grootgebracht worden in een klimaat waarin zij de ouder moeten pleasen en dingen moeten doen voor de liefde van de ouder, de liefde van de ouder als ware moeten verdienen, zijn in het algemeen onzekerder, angstiger en geremder dan kinderen die opgroeien in een sfeer waarin de liefde vanzelfsprekend is. Zij zijn vrijer, zekerder van zichzelf en minder bang om fouten te maken. 
Zo is het ook in de relatie tot God. Het hangt er maar van af of we die beleven in de context van een strenge ouderrelatie, van  geboden en verboden, of in de sfeer van onvoorwaardelijke liefde en verbondenheid, van echte vriendschap.
Daarbij komt nog dat hoe verder we God van ons af plaatsen, hoe vreemder Hij/Zij voor ons wordt. Met een vreemde kun je maar moeilijk een intieme relatie hebben, terwijl een liefdevolle levensverbondenheid God juist in het hart van ons leven plaatst.
 

Gods verbondenheid is onvoorwaardelijk; zij hoeft niet door goede daden gekocht te worden. Kunnen we dan naar believen leven? Ja, wanneer we leven naar de geest. Nee, wanneer we leven naar het vlees. Ja, wanneer we leven in het bewustzijn dat de toekomst van onze wereld afhangt van onze keuzes. Nee, wanneer we leven in het bewustzijn dat de wereld om ons draait. Het ene is leven uit de liefde van God die in ons werkzaam is. Het andere is leven vanuit ik-gerichtheid. Het een is vruchtbaar, het andere niet. Daarbij is vruchtbaarheid gerelateerd aan het openbaar worden van het rijk van God.

 

Met deze inleidende gedachten willen we naar de lezingen kijken en ook de nuancering aanbrengen, want het leven is niet of…of, maar ook altijd en…en. We kunnen allen met Paulus verzuchten dat we graag het goede willen, maar niet altijd het goede doen. En ook hebben we allen te maken met de realiteit die in de parabel van het evangelie wordt aangegeven. Maar onze worsteling van het dagelijks leven, een die we niet kunnen ontkennen, staat wel in het teken van de profetische belofte dat we uit ballingschap thuis zullen komen in het beloofde land, het Israël van God, het hemels Jeruzalem, ons bedoeld bestaan.

De Jesajalezing spreekt erover. Het woord van God, zijn belofte, zal niet ijdel blijken. Het keert niet onvervuld terug.  Zijn woord zal vrucht dragen naar zijn betekenis en bedoeling. Zijn eerste woord is Licht, zijn beloftewoord: Ik ben er. Dat betekent dat we niet en nooit in definitieve duisternis zijn, en niet en nooit Godverlaten. Dit eens gegeven woord wordt niet teruggenomen, het blijft van kracht tot het vervuld is in ons. Dan pas keert het terug als het in ons waar geworden woord; Gods liefdeswoord, door ons ontvangen, voert ons tot onze vervulling en brengt ons thuis. Dat is de geestelijke opgang naar Jeruzalem. De woestijntocht uit de ballingschap van afgescheidenheid naar de vereniging in beloofd land. Het is een weg van vallen en opstaan, zoals we allemaal heel goed weten; een weg van vergeten en weer herinneren waar het om gaat; van verloren lopen en de weg terug vinden. De constante factor is het woord ons gegeven en ons verlangen om op onze bestemming te komen.
Wanneer Jesaja zegt dat Gods gedachten en Gods wegen niet de onze zijn en dat zij onze gedachten en wegen te boven gaan, passen we dat vaak toe op dingen die ons verstand en rechtvaardigheidsgevoel te boven gaan. Heel concreet bijvoorbeeld wanneer een kind sterft, of ons ander onheil overkomt. Maar deze uitspraak gaat niet over dingen die ons begrip te boven gaan. Het wordt gezegd met betrekking tot Gods barmhartigheid en vergevingsgezindheid die de onze verre te boven gaan. Waar wij afhaken door boosheid of teleurstelling gaat God door tot zijn bedoeling met ons is voltooid.  Dat wil zeggen dat we daar altijd op terug kunnen vallen. Ook al denken we van onszelf dat we het niet waard zijn of dat we niet goed genoeg zijn.
Onze waarde bestaat echter niet in de waardering die we hebben voor onszelf, maar in de liefde die God heeft voor ons.


Het verbondswoord is ons gegeven als hulpwoord voor onderweg, als staf en stut, als basis voor ons bestaan, als richtingwijzer, als openbaring van wie wij zijn. Al naargelang onze behoefte vervult het de functie die we nodig hebben op onze levensweg. Dit woord is de weg waarlangs we thuiskomen bij onszelf en bij God. Het helpt ons vorm te geven aan het beloofde land dat we in eerste instantie zelf zijn. Wij zelf zijn de akker waarop het zaad van het woord, van Gods genade, valt en vrucht voortbrengt. Het beloofde land is niet Verweggistan. Het is zeer nabij. Het is waar dode akker wordt tot vruchtdragend land. Zomaar een dak tot veilig onderkomen. Vijandig gebied tot gastvrij land. Vreemde tot zuster en broeder. De aarde tot mensenland.


Te hoog gegrepen? Misschien. Maar wat staat ons eigenlijk in de weg?

Omwille van onze eigen bestemming, van de vervulling van ons verlangen naar het land van vrede en overvloed moet dat woord vrucht dragen. Dat is geen kwestie van plicht jegens God, maar van geloofsvertrouwen. De moed namelijk om te vertrouwen dat wanneer we Gods genade toelaten in ons leven, het bewerkt waarnaar we verlangen.

En natuurlijk zijn er tientallen dingen die ons afleiden en zelfs afhouden van waar we naar verlangen. De zorg om te overleven, om het dagelijks brood, om de toekomst, je gezondheid, of de uitkering wel op tijd binnenkomt, dat de kinderen toch maar geen nieuwe schoenen nodig hebben voordat het salaris binnen is, de spanning voor de uitslag van dat onderzoek, de ziekte van moeder, vader, zoon of dochter, de vrees dat wat we ook doen het niets uithaalt, de eindeloze bureaucratie om een voorziening geregeld te krijgen die je nodig hebt. Al die dingen, en nog vele meer, halen ons weg uit onszelf en ons diepste verlangen. Maar het is wel de realiteit van ons leven en in dit leven proberen we ons verlangen gaande te houden, de hoop en het vertrouwen. Want het liefdeswoord keert niet terug voordat het is volbracht.

 

Paulus klaagt erover dat hij niet in staat is om te leven naar zijn bekering. Hij was gewend te leven naar de geboden. Hij zoekt een weg om te leven naar geloof, in vertrouwen op de liefde van God die is in Christus Jezus, zoals hij bij herhaling zegt. De geboden staan uit naar verdienste (ook al is dat een verkeerd gegroeide interpretatie). Geloof is gebaseerd op vertrouwen, niet op doen en presteren. Ook al kan geloof niet zonder het getuigenis van de praktijk als waarmerk voor haar waarachtigheid. Paulus wil leven naar de geest, maar worstelt met zijn wil. Zijn verlangen, ook een aspect van willen, strijdt met zijn vermogen om verlangen in daad om te zetten, ook een aspect van willen, namelijk wilskracht. De genade heeft hem nog niet gegrepen. Hij denkt nog te moeten doen, hoewel hij anders weet. Hij is namelijk al bekeerd.

Augustinus heeft een aantal preken gehouden over de Romeinenbrief. Een deel daarvan is vertaald en uitgegeven door Damon onder  de titel  Leven in hoop. Augustinus gaat in op dit dilemma van Paulus die hij als de gigant van de geloofsoverlevering beschouwt. Hoe kan zo iemand dan last hebben van dit soort twijfel en tegenstrijdigheid?
Hij zegt dat we, zolang we leven, geconfronteerd blijven met tegenstrijdige verlangens en behoeften. Het enige dat we kunnen doen is telkens weer kiezen voor dat waarvan we weten dat het tot ons goed is. Paulus, hoe heilig hij ook mag zijn, is ook mens. En als mens heeft hij dezelfde dingen te verwerken als wij. Maar vertrouwend op de genade die in ons werkt zullen we vrucht dragen. En wel in veelvoud, naar de mate van onze mogelijkheden. Want het is Gods verlangen naar onze voltooiing die het in ons bewerkt.  Hij keert ons tot hem (OKG 752), niet wij ons tot Hem. God heeft ons het eerste liefgehad. En ons verlangen sluit aan bij Gods verlangen. Onze wil mag dan wisselvallig zijn, maar niet ons diepste verlangen. Gods genade en dat verlangen zijn één. Daarom komt het goed met ons en onze wereld. Niet doordat wij het zo verschrikkelijk goed doen, maar doordat het zo bedoeld is. Amen.
(Zie ook lied Gij zijt mijn goed, OK gezangboek 752, Liedboek 366, Zingt jubilate 570)
 top

  

Overweging 5 juli 2020
het juk


Lezingen: Zacharia 9, 9-12; Romeinen 6, 16-23; Matteus 11, 25-30.

We horen wel vaker dat Jezus zich stelt tegenover de wijzen en Schriftgeleerden die menen de wijsheid in pacht te hebben en die hun inzichten tot norm voor anderen verheffen. Wat wijs en geleerd is in de ogen van mensen hoeft dat nog niet te zijn in de relatie met God. Daarmee wil ik geen afbreuk doen aan de waarde van intellectuele kennis en inzicht.
In de Schrift wordt wijsheid  toch in de eerste plaats gezien als ontzag voor God en toeleg op gerechtigheid. Wijsheid staat in dienst van het verbond tussen God en mensen. Wijsheid is inzicht in wat goed en juist is voor het geheel. In die zin legt het een breidel aan ik-gerichtheid en zelfverheffing die bij een beperkte wijsheid ook altijd op de loer liggen. Wie wil niet graag erkend en geëerd worden om haar/zijn inzichten? De wijze ontstijgt dit verlangen. Hij neemt daarom het juk van de wijsheid op zich. Dat maakt hem niet onvrij. Het maakt hem juist tot wat hij/zij is.
In het Matteusevangelie zien we Jezus afwisselend als wonderdadige bevrijder van ziekte en kwalen, en als leraar van de wijsheid en van de Thora. De wondertekenen zijn geen doel op zich, maar in dienst van het eren van de naam van God en van de openbaring van zijn heerlijkheid in Jezus als Messias. In Hem komt zijn Koninkrijk nabij.

 

Keer op keer blijkt dat de ogen van hen die vervuld zijn van eigen inzicht, gesloten zijn voor de openbaring, maar dat deze gezien wordt door onontwikkelde, misschien naïeve mensen. Het Griekse woord duidt op een kinderlijke geest en ontvankelijkheid. Hoe dit ook zij, de bevrijdende boodschap van het koninkrijk wordt ontvangen door hen die gebukt gaan onder het juk van het bestaan, en naar de wereld durven kijken met ogen van verwachting. Zij zijn het die uitzien naar verlossing.
In het verhaal van Matteus spreekt Jezus deze woorden tot de armen en de kleinen die in de Bergrede ook al bemoediging hebben ontvangen. Zij staan in contrast tot wat Hij zegt over de steden in Galilea die wel zijn wondertekenen hebben gezien, maar niet geloven in wat door hem wordt geopenbaard. Zij klinken ook als protest tegen de gevangenneming van Johannes de Doper die door Jezus wordt aangeduid als Elia die komen zou. De wederkomst van Elia is de voorbode van de Messias, zoals Johannes ook de Voorloper genoemd wordt.

Tot allen die belast zijn en  uitzien naar redding en verlossing zegt Jezus: “neem mijn juk op en leer van Mij”. Niet het juk van de Schriftgeleerden met de vele geboden waarin je altijd tekort schiet, maar het juk van de liefde Gods en de leer van de barmhartigheid en gerechtigheid. In religieus spirituele zin wordt in de literatuur veelvuldig gesproken over juk. Het juk van de Thora, van het koninkrijk of koningschap van God, het juk van de geboden, het juk van de Heilige geprezen zij Hij, het juk der hemelen of, bij uitbreiding, van het koninkrijk der hemelen.
Met name het juk van de geboden kan zwaar drukken, zeker wanneer de kern van het geloof wordt overwoekerd door een veelheid van geboden en regels zoals door sommige geloofsleraren wordt gepredikt. Jezus probeert de leer juist terug te brengen tot de essentie. Hij doet dat met name aan het eind van hoofdstuk 22, waarna Hij vervolgens deze leraren de mantel uitveegt, die ook Hem op de proef willen stellen met betrekking tot zijn rechtgelovigheid. Jezus legt, in overeenstemming met de leer van de grote Hillel, de nadruk op het twee-ene gebod als de kern van wet en profeten: ‘God beminnen en de naaste’.
Jezus veroordeelt nergens de wet, maar wel het misbruik van de wet om mensen klein te houden en te onderdrukken.

 

Wanneer Jezus mensen aanspoort om zijn juk op zich te nemen, nodigt hij hen niet uit om de ene onderdrukking in te ruilen voor de ander. Zijn juk is een bevrijdend juk, hoe tegenstrijdig deze woorden ook klinken.

 

Wanneer het Godsvolk uit het slavenhuis van Egypte is weggetrokken en voordat het beloofde land in bezit wordt genomen, sluit God een verbond met zijn volk. Israël ontvangt Gods levenswet. En daarmee tegelijk een keuze voor een levensweg. De wet is niet bedoeld als een nieuwe knechting, maar een teugel om op de goede weg te blijven. Aardiger gezegd: als een richtingwijzer naar het uiteindelijke Beloofde Land dat overvloeit van leven. Gaandeweg de geloofsgeschiedenis betekent het beloofde land niet alleen het land Israël, maar ook het koninkrijk der hemelen. De gave van dit richtinggevend woord biedt tegelijkertijd de kennis om onderscheid te maken tussen wat ten leven strekt en wat tot de dood leidt. Aan het volk de keuze.
Keuze is essentieel voor mens-zijn. Keuze hebben bestempelt ons als vrije mens, een keuze maken als een verantwoordelijk mens. Beide zijn nodig voor de ontwikkeling van een ethisch bewustzijn. Zonder kennis van goed en kwaad is er geen keuze en geen ethiek. En zonder ethiek geen mogelijkheid tot een verantwoordend mens-zijn. Of een menselijke samenleving.
Ethisch bewustzijn spreekt juist de keuzevrijheid. Ethiek is niet het toepassen van regels. Daarin ligt niet de keuze. Moraliteit is iets anders dan ethiek, die juist ontstaat waar de regels niet in voorzien.
Wettische mensen proberen altijd alles dicht te regelen. Alsof je het leven en de dilemma’s van het leven in regels kunt vangen. Alsof de relatie met God, en met de medemens, in wetten en regels begrepen kan worden.
Misschien is dat het wel waar Jezus zich tegen verzet. De relatie met God is niet iets wat gereguleerd moet of kan worden. Het is de bestaansgrond waar je uit leeft. Het gaat om de manier waarop je  je leven gestalte geeft vanuit het diepe besef in relatie tot God te staan. Die verbondenheid, dat juk derhalve, is de weg van het leven gaan die uitkomt in het beloofde land, elke andere weg loopt verloren.
 
Paulus werkt de paradoxale betekenissen van slavernij en dienstbaarheid uit in zijn brief aan de Romeinen. De slavernij van zonde die leidt tot de dood en de dienstbaarheid aan God die de weg naar leven is. We kunnen maar vrij zijn en tot het leven geraken onder het juk van God en door de genadegave van Christus. Paulus gaat zo ver daarin dat hij zijn leven afzweert als vuilnis en zegt niet langer zelf te leven, maar Christus in hem. In spirituele zin kunnen we dit goed verstaan, al zal dat in ons dagelijks bewustzijn wat verder van ons af staan. Paulus is rigoureus en radicaal, zoals de meeste bekeerlingen.

 

Waar Jezus hier het woord juk gebruikt, betekent het: verbonden zijn, verbinding. Het is de uitdrukking van het besef dat je niet als individu bestaat, dat je niet in je eentje leeft. We leven maar, wanneer we in verbinding staan met anderen, op welke wijze dan ook. Dat geldt in sociale zin, maar in het bijzonder in religieuze zin. Zonder verbondenheid met God is er in religieuze zin geen leven.
De Joodse spiritualiteit heeft daar het woord Devekut voor. Dat is afgeleid van een werkwoord dat zoveel betekent als: vast aanhangen, vast verbinden, aankleven.

Jezus zelf leeft in voortdurende verbinding met God,  d.i een leven in het voortdurende bewustzijn voor het aanschijn van de Eeuwige te leven. Dat is zijn juk, zijn vaste verbondenheid met de Vader.

Hiertoe nodigt Hij ook zijn leerlingen uit, met name degenen die onder de lasten van de wereld gebogen gaan. Daarbij gaat het niet om geboden en regels. Die regelen het uiterlijke en publieke domein. Het bind- kleefmiddel van de relatie tussen God en mens bestaat niet in wet en regelgeving, maar in wederzijdse aanhankelijkheid en liefde.
Dit bewust te zijn maakt dat we leven zoals we in Gods ogen verschijnen; om in de liefde Gods te gedijen tot wie we voor God al zijn.
Daarom wijst Jezus en met Hem een hele school van Farizeeërs het eerste en tweede gebod als de belangrijkste aan, geboden die bovendien een innerlijke eenheid vormen: God liefhebben met heel je hart en de naaste als jezelf. Al het andere komt daaruit voort. Augustinus zegt het na in een meditatie over wat liefde met betrekking tot God betekent.  Ama et fac quod vis. Heb lief en doe wat je wilt. Hiermee doelt hij op een volstrekt samengaan van Gods liefde in ons en van onze wil en Gods wil. Onze wil is maar vrij wanneer die wil wat God wil, want daarin worden we wie we zijn. En we hebben maar oprecht lief wanneer we de mensen en de dingen niet liefhebben om ze te gebruiken, maar wanneer we alles en allen in God en omwille van God beminnen. 
We zingen het in lied 683:
Beziel mij, adem Gods, tot mijn hart (lees: liefde) zuiver is, en ik met U één wil slechts wil in licht en duisternis (lees: in alle omstandigheden ven mijn leven).
Die liefde heeft geen behoefte aan regels. Zij is haar eigen wet. Het is de wet en de weg van het koninkrijk, de koninklijke weg. En wie van ons zou zo’n liefde, die ons vrij laat en doet groeien tot wie we mogen zijn,  een vervelend hard juk en een ondragelijke last kunnen noemen? Niemand toch? Amen.

 top

 

Overweging 28 juni 2020
geen vrede?


Lezingen: 2Koningen 4, 8-16a; Romeinen 6, 3-11; Matteus 10, 34-42.

In het algemeen en zeker ook binnen het leesrooster van de zondagen, lezen we de heilige Schrift selectief. Met andere woorden, in de liturgie lezen we maar een fractie van het totale tekstbestand van de Bijbel. Er zijn boeken die niet of nauwelijks aan de orde komen, bijvoorbeeld Leviticus, 1 Kronieken, Ezra over de herbouw van de tempel na de ballingschap, het voor het voortbestaan van het Joodse volk zo belangrijke boekje Esther dat bij het Poerimfeest gelezen wordt, en het Hooglied dat staat voor het huwelijk van de Eeuwige met zijn volk, ook wel de relatie tussen het volk en de Thora en, daarvan afgeleid, de relatie tussen de kerk en Christus. In het lectionarium voor het getijdegebed van de OKK en RKK komen veel meer teksten aan de orde. Maar dan nog. Het is een selectieve keuze die aan wil sluiten bij hetgeen we geloven. Dat geldt natuurlijk ook voor de teksten die deel uit zijn gaan maken van de canon van bijbelteksten. Belangrijke geschriften uit de nieuwtestamentische tijd zijn daarin niet opgenomen.
Soms ook lezen we teksten niet, omdat ze voor ons te gruwelijk zijn en aanstoot geven. Af en toe lezen we echter toch iets dat ons tegen de borst stuit. Niet alleen in de oude teksten kan dat gebeuren, maar ook in de latere boeken, zoals de evangelieteksten. Zo ook hier, lijkt me. We kunnen er niet genoeg van doodrongen zijn dat alles wat we De Schrift, De Waarheid, De Werkelijkheid noemen, een interpretatie is die betekenis heeft voor ons leven.
Het is dus geen willekeurige onzin, maar zingeving met bestaansbetekenis.


Vaak gaan we ervan uit dat de ethische betekenis van de Schrift, die gaat over de wijze waarop mensen zich dienen te gedragen ten opzichte van elkaar, aansluit op de heilsbetekenis, die gaat over de wijze waarop Gods liefde zich verwerkelijkt.
Met andere woorden: dat het leven dat ons in het vooruitzicht wordt gesteld, aansluit bij de wijze waarop we hier behoren te leven. Wij veronderstellen dat die met elkaar in overeenstemming zijn.
Over de precieze relatie tussen dit leven en het eeuwige leven bestaan verschillende inzichten. Met name over de rol van de genade daarin. Sommigen leggen een bijna absolute nadruk op Gods genade met betrekking tot het eeuwig leven. Daarbij lijkt onze manier van leven hier van minder belang. Anderen leggen grotere nadruk op de manier van leven in de wereld met het oog op het eeuwige leven.
Hoe dat ook zij. Allen zien in de manier van leven van Jezus, als gestalte van God en als mensgeworden liefde van God, --en ook dat is natuurlijk een interpretatie--, een afspiegeling van het bedoelde leven, God welgevallig en door hem bevestigd.
We mogen dat beschrijven als een leven in liefde, verbonden met God en mensen, door de kracht van de Geest die Gods genade bemiddelt. Waarbij de genade niet anders is dan de uitwerking van Gods liefde, zijn chesed.

 

Zelf krijg ik derhalve telkens weer een schok wanneer ik deze evangelietekst hoor. De woorden staan immers haaks op ons beeld van Jezus.
We zien hem wel eens boos of verontwaardigd. Maar dat is dan altijd gericht op misstanden, ongeloof of onrecht. Maar wat hier wordt voorgehouden klinkt ongehoord en onbegrijpelijk. Niettemin staat het er en moeten we ons ertoe verhouden. Ik doel natuurlijk op de woorden “Denk niet dat ik ben gekomen om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.”  En wat erop volgt lijkt een wig te drijven in de gezinsrelaties.

Zulke woorden herinneren ons er teveel aan hoe het juist niet moet zijn. We kennen de situaties van verscheurde families op de Balkan, in de Tweede Wereldoorlog waar familieleden kozen voor de verkeerde partij. In Israël waar ultra-orthodoxen en liberalen elkaar bestrijden. In families waar jongeren de Jihad ondersteunen en opstaan tegen de ouders die integratie nastreven. We zien het waar kinderen ideologisch worden geïndoctrineerd en als kindsoldaten tegen hun families worden ingezet. We zien het bij kerkscheuringen die dwars door familieverbanden heenlopen.
We hebben de meest afschuwelijke associaties bij deze woorden en een overvloed aan even afschuwelijke voorbeelden. Geen van alle hebben te maken met de nabijheid van het koninkrijk van de hemel, dat juist de inhoud is van de verkondiging van de leerlingen aan het begin van de zendingsrede.


Augustinus leert ons om de Schrift te lezen uit geloof en tot geloof. En wanneer een bepaalde lezing, bijvoorbeeld de letterlijke lezing, in strijd is met ons geloof en met de wet van de liefde, moeten we zoeken naar een andere betekenis. De groei in geloof is voor Augustinus niets anders dan de groei in de liefde Gods, dat is: van en voor God. En daarmee ook voor de medemens.
We moeten dus proberen om de tekst te verstaan op een wijze die ons doet groeien in liefde en geloof. Onder het aspect van de nabijheid van het rijk der hemelen.

 

De woorden draaien om de betekenis van vrede en zwaard. In de directe en oppervlakkige betekenis staan deze haaks op elkaar. En is het alsof Jezus verdeeldheid en oorlog beveelt. Op grond van de geloofsregel kan dat niet en moeten we volgens Augustinus dieper zoeken.


Kijken we naar de situatie waarin die geschreven is. De exacte datum van de verschillende tekstgedeelten is misschien niet precies vast te stellen. Maar, het is na de Joodse opstand van 66-73 en de verwoesting van de tempel. Er is grote onenigheid tussen christengelovige Joden en orthodoxe Joden. Niet alleen in Jeruzalem en Palestina, en in Antiochië, maar ook in Rome waar Paulus verblijft.
De tekst is dus geschreven in een tijd dat er al diepe verdeeldheid onder de Joodse gemeenschap is. Bovendien worden de leerlingen in de tekst juist naar hun geloofsgenoten gezonden om er de controversiële boodschap van Jezus te verkondigen. Op een moment waarop de Joodse identiteit onder druk staat en het erop aankomt om heldere keuzes te maken. Om tegen verdrukking, vervolging en marteling in te getuigen dat in het messiaanse volk van God het Koninkrijk nabij is.  Van het belang daarvan, om te getuigen van Gods naam, getuigen ook Joodse martelaren als, wat later in de tijd, rabbi Akiva.


In de romeinse zin heeft vrede te maken met uitwendige orde en harmonie, niet met gemoedsrust of innerlijke vrede. Orde was een belangrijke bekommernis van de pax romana, de vrede die de Romeinen in de door hen bezette gebieden wilde handhaven. In deze betekenis zal de toespraak van Jezus tot de leden van de Joodse gemeenschap dan ook begrepen kunnen worden. In deze situatie betekent vrede verlies van de eigen identiteit. Misschien ligt hier de herinnering aan de Griekse assimilatie en de Makkabese opstand voor het behoud van de Joodse identiteit in de tweede eeuw voor de christelijke jaartelling nog in het collectieve geheugen. Het gaat in deze situatie van oorlog en romeinse vergelding dus niet om in goede verstandhouding met de bezetter te leven, maar om een keuze te maken. De Talmud is hierin duidelijk: God loochenen in tijd van vrede, zelfs als openbare daad, is vergeeflijk, maar niet in tijden van verdrukking waar het erop aan komt. De keuze kan voor een Jood derhalve niet anders zijn dan een keuze voor de Thora, voor God en diens belofte. Dat is immers een keuze voor het leven. Vandaar wellicht de scherpe tegenstelling tussen vrede (aanpassen) en het zwaard (een heldere keuze maken).

In die zin begrepen, en ik denk ook alleen in die zin begrepen, kan gezegd worden dat Jezus niet is gekomen om, een makkelijke, vrede te brengen. Elders -bij Johannes 9,39-  staat geschreven dat Hij gekomen is tot een oordeel. Dat is geen moreel oordeel in de zin van een veroordeling. Het is veeleer een openbaring. In het Licht dat Jezus is, wordt duidelijk wat waar is en niet, wordt duidelijk wat de weg ten leven is en wat niet. Dat is het oordeel en dat is de keuze. Zo staat bijvoorbeeld in Hosea 6,6 een godsspraak: “mijn oordelen waren een doorbrekend licht”. En in dat licht wordt duidelijk wat goed is en wat fout. Zonder inzicht in de keuzemogelijkheden kan er geen keuze gemaakt worden. Maar wanneer het licht van het inzicht doorbreekt, wanneer een situatie helder wordt, wanneer je eenmaal weet wat recht en onrecht is, dan kan er een keuze gemaakt worden. Sterker nog: door het inzicht ontstaat ook de plicht om een keuze te maken. Tegelijk moet je dan ook de consequenties van de keuze dragen, hoe moeilijk die ook kunnen zijn.

Hoe groter het belang is dat op het spel staat, hoe belangrijker het is om een keuze te maken, en hoe groter de prijs die we ervoor willen betalen. Soms zelfs de strijd met mensen die ons dierbaar zijn. Dat is niet omdat we ruzie willen of de strijd zoeken. Het is doordat we geen andere keuze kunnen maken om werkelijk te leven, of om aan ons leven toe te komen en onze identiteit te bewaren, om onszelf te kunnen zijn. Leven is nu eenmaal keuzes maken.


Al bij het begin van de gave van de Thora wordt een keuze gegeven. “Hoor opdat je leeft” klinkt het. En: “ik houd je voor de weg ten leven en de weg die naar de dood voert”.
Aan ons de keuze. Dat klinkt hard. Aan de andere kant kun je niet over zaken van absoluut belang marchanderen. Niet alles verdraagt het compromis. Zaken van dood en leven vragen een duidelijke keuze en de bereidheid de consequenties ervan te dragen.

In het tiende hoofdstuk van Mattheus zendt Jezus zijn leerlingen naar zijn volksgenoten. Niet naar vreemden. Niet naar mensen die niet op de hoogte zijn van de Thora. Hij stuurt hen naar mensen die door geboorte erfgenamen zijn van de belofte. De strijd waartoe Hij oproept is een gevecht om behoud van de waarheid van de roeping. Dat is niet een ideologische waarheid, maar de waarachtigheid van de eigen religieuze identiteit zonder welke het volk niet is. Dat is de keuze: tussen niet zijn en volk van God zijn. Tussen dood en leven. Deze keuze staat onder de dringende nabijheid van het Koninkrijk der hemelen. De boodschap die Jezus aan zijn leerlingen meegeeft  aan het begin van de zendingstoespraak is, zo hoorden we, de verkondiging van de nabijheid van het Rijk. Al het andere is daaraan gerelateerd.

De verkondiging van de nabijheid van het Godsrijk klinkt sindsdien over de hele bewoonde wereld. Overal roept zij mensen op een keuze te maken voor het leven.  De verkondiging van de nabijheid betekent immers juist dat het Rijk nabij is aan onze menselijke werkelijkheid, nabij aan de keuzes die we maken, aan de wijze waarop wij mens zijn. Niet in het verhevene en onbereikbare, maar in het dagdagelijkse. In profetische gastvrijheid, in de zorg voor gerechtigheid, in daadwerkelijk liefdebetoon en zorg voor de kwetsbaren.

Wanneer eenmaal de innerlijke strijd gestreden is om een keuze te maken voor de liefde en voor het ideaal van het rijk der hemelen, zijn ook de feitelijke vrede en gerechtigheid niet langer ver te zoeken. Amen. 

  top


Overweging 21 juni 2020
de profetische tragiek

 

Lezingen: Jeremia 20, 7-13; Romeinen 5, 15-19; Matteus 10, 24-33.
Vorige week lazen we het eerste deel van de zogenaamde zendingsrede van het tiende hoofdstuk van het Matteusevangelie. De keuze van de twaalf zendelingen en hun opdracht om in woord en daad de nabijheid van het rijk der hemelen te verkondigen. Vandaag lezen we vermaningen, waarschuwingen en bemoedigingen. Harde teksten die we eigenlijk alleen kunnen plaatsen als we wat meer weten van de omstandigheden. Teksten die geschreven en verzameld zijn na de dood van Jezus. De toespraak gaat uit van de realiteit van het jonge christendom na de kruisdood van Jezus en met name ook na de verwoesting van de tweede tempel in het jaar zeventig. De verwoesting was het resultaat van de eerste Joodse Opstand tegen de Romeinen die duurde van het jaar 66 tot de slag bij de beroemde door Herodes de Grote gebouwde burcht van Masada (mètzada) in 73. Na een beleg van Jeruzalem van meer dan een half jaar werd de stad ingenomen en de tempel verwoest. De tempelschatten, waaronder de grote menora, werden door generaal en latere keizer Titus triomfantelijk naar Rome gebracht. Je kunt dat nog zien in de reliëfs op de ereboog van Titus aan de rand van het forum  in Rome. Zijn, inmiddels verdwenen, triomfboog stond, heel symbolisch, tegenover de Joodse stadswijk in Rome bij de Porta Capena. 
De verhouding tussen de christengelovige Joden en de orthodoxe Joden staat op scherp. Er is een groeiende verdeeldheid die zich na de val van de tempel tot een kloof verdiept. Dat is niet alleen het geval in Jeruzalem, maar ook in de Palestijnse gebieden, in Antiochië en zelfs in Rome, waar al vanaf het jaar vijftig conflicten zijn tussen christenjoden en orthodoxe Joden die zeer tegen de zin van de romeinse bestuurders voor onrust zorgen in de Joodse wijk bij de Porta Capena. Paulus komt in deze conflicten terecht wanneer hij zich voor zijn proces in Rome bevindt.

 

We moeten dit weten om te begrijpen waarom de schrijver van het Matteusevangelie in de zendingsrede spreekt over onderlinge verdeeldheid die dwars door families gaat, helaas. De leerlingen die door Jezus op weg worden gestuurd om de bevrijdende boodschap van Jezus te brengen krijgen het niet gemakkelijk. Zij zullen door hun geloofsgenoten worden verguisd, aangevallen en soms ook gedood. Van het mislukken van de eerste Joodse Opstand en de verwoesting van de Tempel kregen de christengelovigen min of meer als een soort vijfde kolonne de schuld. Je begrijpt hoe navrant en voor orthodoxen kwetsend de opmerking van Jezus is dat hij de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt en dat hij de nieuwe tempel in de Geest genoemd wordt.
Maar het is wel de essentie van zijn boodschap. Het nieuwe Godsvolk is de tempel in de Geest, zoals het oude Godsvolk dat overigens ook is. Uiteindelijk gaat het niet om de rituele tempeldienst, maar om de dienst van de liefde, van het verbond, van een leven in gehechtheid aan God. Zoals profeten vóór Jezus ook al hebben gezegd.
Dat is een moeilijke boodschap. Eredienst is zoveel makkelijker dan bekering. Op zondag naar de kerk gaan zoveel makkelijker dan dagdagelijks de weg naar God en de naaste gaan. Daadwerkelijke communie is ook altijd en in de eerste plaats geestelijke communie. Dat wil zeggen: de bereidheid om Christus in je leven te ontvangen en door zijn Geest te leren leven naar zijn liefde.

 

Om te midden van oorlog en verwoesting, of van crisis, hierover te spreken is niet welgevallig. Dat geldt voor de profetische leerlingen van Jezus net zo als voor de profeet Jeremia. Hij moet een moeilijke boodschap verkondigen waar mensen geen boodschap aan willen hebben. Zij vinden hem maar een vervelende onheilsprofeet die niets dan slecht nieuws te brengen heeft. En in feite is dat ook zo. Hij kan het niet mooier maken dan het is. Hij heeft de moeilijke plicht om zijn volksgenoten te waarschuwen dat zij op de verkeerde weg zitten en dat wanneer zij zo doorgaan er niets dan onheil uit voort kan komen. Hij brengt deze boodschap niet uit eigenbelang, maar in opdracht van God zelf. En niet om er zelf beter van te worden, maar om het volk te redden van de ondergang.
Vergelijk het maar eens met de discussies betreffende overconsumptie, stikstofbelasting, vliegkilometers, discriminatie, anders leven.

Wie durft het aan om in Israël en elders een profetisch woord te laten klinken dat de tegenstellingen overstijgt en mensen waarschuwt voor het feit dat zij hun ondergang tegemoet gaan, wanneer zij zo doorgaan? Dat zij op deze wijze nooit in vrede zullen leven. Dat zij in hun conflicten voorbijgaan aan de essentie van hun eigen religies. Dat de mens niet geschapen is voor oorlog. Dat zij op zoek moeten gaan naar het gemeenschappelijk belang, naar verbondenheid. Wie durft te vertellen van de nabijheid van het rijk der hemelen?


Daar is veel moed voor nodig. De profeet geeft immers geen garanties met betrekking tot de uitkomst. Hij komt met lege handen en een hart vol woorden. Hij spreekt niet uit zichzelf, maar vertegenwoordigt een hoger belang dat ieder aanbelangt. De toekomst van het volk, leven voor allen. Hij is geen cynicus, geen kritische journalist. Hij vertegenwoordigt het standpunt van God dat soms haaks staat op het standpunt van mensen. In profetische zin moeten we als serieuze gelovigen bereid zijn onszelf te overstijgen. Niet krampachtig vasthouden aan wie we denken te zijn, maar leven naar de Geest die ons maakt tot wie we kunnen zijn. Dit is ook wat de bevestiging in het geloof inhoudt.

 

We belijden Christus als het beeld van de nieuwe adam, de nieuwe mens, en als het mensgeworden koninkrijk van God. Deze belijdenis houdt meteen een erkenning in van de bestemming van ons eigen leven en de bedoeling van onze samenleving. We kunnen niet tegelijk Christus belijden en ons niet toeleggen op die bestemming. Dat maakt ons leven, ons geloof tot een leugen. Dat is ook wat de uitspraak van Jezus inhoudt: “wie mij erkent/belijdt bij de mensen, zal ik erkennen/belijden bij de Vader”. Een leven dat overeenstemt met zijn bedoeling wordt door Jezus bezegeld bij de Vader. Dat is geen dreigement, maar een bemoediging. Ook voor de leerlingen die bij hun zending mogen vertrouwen op de bijstand van de Geest die hun de woorden en handelingen ingeeft en ook op de Vader die hun leven in bescherming neemt. Ook al wordt het bedreigd. Het is misschien wel erger om je menselijkheid en je persoonlijke integriteit, je ziel, te verliezen dan om je leven in de wereld te verliezen. We hebben nu eenmaal de vrijheid om keuzes te maken die niet bij ons passen, die tegen onze aard ingaan en waardoor wij onszelf verliezen.

 

Maar onze bedoeling ligt in de daadwerkelijke menswording. Ons leven is geslaagd in de mate waarin we in staat zijn Gods gelaat in de wereld te tonen. En daarmee zijn liefde voor al het geschapene. Die liefde uit zich in de inzet voor vrede en gerechtigheid; door in ons handelen te laten zien dat we deel uitmaken van het Godsrijk; door mee te werken in het proces van heelheid van de schepping; door geen mens van het leven en van de liefde Gods uit te sluiten.
We doen dat in een door ideologieën verdeelde wereld. Dat is nu niet anders dan in de tijd van de apostelen. De verdeeldheid roept ons juist op om een boodschap van eenheid te verkondigen, het is een aansporing om meer inclusief te denken. Wanneer een godsdienst structureel uitgaat van onderscheid en uitsluiting beantwoordt ze niet aan haar bedoeling. Gods liefde betreft alle mensen en ons geloof dus ook. Geen enkel godsvolk, of kerkvolk, kan claimen de enig ware te zijn. In die zin staat de tekst van psalm 69,22-29, die in deze dienst gelezen wordt, op zeer gespannen voet met  de bedoeling van het evangelie zoals wij die verstaan.

Godsvolk zijn houdt een opdracht in. Het is geen verworven status, maar een voortdurende oproep om in een daadwerkelijke belijdenis volk van God te zijn en te worden. Als mens en als godsvolk ben je work in progress. Niet voltooid, maar in belofte. Je bent maar Godsvolk en mens van God zolang je je als zodanig gedraagt. Dat is de juiste verkondiging, gedragen door de belofte die Gods liefde inhoudt. En die ons niet laat vallen, ook al vallen wij herhaaldelijk voor de verkeerde dingen.

Als mensen die zeggen in Christus te geloven, moeten we ons telkens weer door de Geest tot Gods liefde laten bepalen. Als zijn leerlingen hebben we de nabijheid van het rijk der hemelen te verkondigen. We staan daarbij met lege handen en weerloos als schapen te midden van wolven. Liefde is immers altijd weerloos, maar niet machteloos. Het kan zich niet verdedigen, maar wel het aanschijn van de wereld totaal veranderen. Aan ons, Jezus’ zendelingen in de wereld, de roeping en de uitdaging om te laten zien hoe aantrekkelijk dit gedragsalternatief is. Amen.
 top


Overweging 14 juni 2020, zondag na Pinksteren 6
om niet


Lezingen: Jesaja 12, 1-6; Romeinen 5, 6-11; Matteus 9,35- 10,15.
Met name bij het lezen van het evangeliegedeelte blijft mijn aandacht hangen bij drie onderdelen. De apostellijst hoort daar in dit geval overigens niet bij. Interessanter en uitdagender vind ik de opdracht aan de leerlingen die uitgezonden worden. Zij worden gezonden tot de verloren schapen van Israël. Zij moeten de nabijheid van het koninkrijk verkondigen. Hun wordt op het hart gedrukt om te geven om niet van wat zij om niet ontvangen hebben. De opdrachten die hier gegeven zijn, gaan om exclusiviteit, gratuïteit en actualiteit. De actualiteit van het koninkrijk der hemelen, de volstrekte gratuïteit ervan en de spanning tussen exclusiviteit en inclusiviteit, en daarmee ook universaliteit, die er is binnen het Matteusevangelie.
Met andere woorden: het koninkrijk is nu, het is om niet en het is voor iedereen.

Vorige week vierden we, in welke coronavorm dan ook, als kerk de zondag van de drie-eenheid. We lazen daar uit het slot van het Matteusevangelie de opdracht van Jezus na zijn opstanding aan de leerlingen. Daar heette het: Gaat en maakt alle volken tot mijn leerlingen. Hier, in hoofdstuk 10, is het: Ga niet naar een plaats van Samaritanen en niet op de weg van de heidenen, maar naar de verloren schapen van Israël. De boodschap is exclusief voor Israël bestemd. Om Israël te verzamelen en bijeen te brengen. Zonder twijfel ook een messiaanse opdracht.
Er is een hele ontwikkeling tussen deze tekst en de postpaschale zendingstekst in hoofdstuk 28. Enerzijds Israël en anderzijds alle volken. De auteur geeft deze ontwikkeling aan. Wellicht vanuit de praktijk dat de boodschap van heil gehoor heeft gevonden bij Samaritanen en heidenen. De blijde en bevrijdende boodschap is uiteindelijk niet voor maar één uitverkoren volk bestemd, maar voor alle volken. Naar de tekst van Jesaja 25 richt de Heer op zijn berg een maaltijd aan voor alle volken. In het evangelie van Matteus komt het omslagpunt in hoofdstuk vijftien bij de confrontatie van Jezus met de kananese vrouw die genezing vraagt voor haar dochter. In eerste instantie luistert Jezus niet eens naar haar. Maar raakt vervolgens in gesprek. Het begint met de afschuwelijke uitspraak dat het brood voor de kinderen niet bestemd is voor de honden, lees ‘ongelovigen’. De vrouw brengt in dat de honden eten van de kruimels van de tafel. En de vrouw geschiedt naar haar geloof.
Het brood van de kinderen roept onmiddellijk de beelden op, de wordcloud zo je wilt, van het brood uit de hemel, het manna, de Thora, de belofte, het verbond. Bestemd voor de kinderen Israël. Maar bij uitbreiding gegeven voor het leven van de wereld.
In de christengemeente moet de gedachte gegroeid zijn dat het heil dat in Israël is geopenbaard een zaak is van de hele bewoonde wereld, het rijk waar het deel van uitmaakte. Misschien vanuit het besef dat heil en vrede nooit een geïsoleerde en particuliere waarheid zou kunnen zijn. Het lot van een volk is verweven met dat van de volken. Niet de besnijdenis, maar het geloof in de belofte geeft de doorslag. En meer in het bijzonder de universaliteit van de belofte. Exclusiviteit schept geen mensengemeenschap, dat doet inclusiviteit. Daarom: maakt alle volken tot mijn leerlingen. Zodat niet alleen Israël, maar alle volken mogen drinken uit de bronnen van heil. Zo delen de volken in de belofte, en daarmee  ook in de opdracht. De belofte en het aanbod zijn weliswaar gratuiet, maar dat betekent niet dat de ontvangers van de belofte er niets voor of mee moeten doen. Als je een boek krijgt en je leest het niet, is het dan een gave?

Er is geen verdienste in het ontvangen van Gods belofte. De religieuze verhouding met God is er een van wederzijdse vrijheid. Er is geen sprake van ruilhandel of recht hebben, van betalen en ontvangen. Er is geen rekening courant verhouding. Het is een relatie van vriendschap, van liefde die niet telt en rekent.  De gratuïteit die onze relatie met God kenmerkt, zou ook onze relatie met onze medemens moeten kenmerken.
Het besef dat we uiteindelijk leven van genade en het leven om niet hebben ontvangen, dat we niet aan de oorsprong staan van ons bestaan, stemt tot dankbaarheid. Evenals het besef te mogen meewerken aan het nabij brengen van het koninkrijk der hemelen. Met name voor hen die ronddolen door het leven.
Het zien van de menigte die als het ware de linkerhand niet van de rechter- kan onderscheiden, wekt bij Jezus geen minachting, maar mededogen. Zo zouden ook wij in onze naasten het verlangen naar zin en doel en vervulling kunnen herkennen, ook al uit die zich in zinloos en destructief gedrag. Ieder mens verlangt naar geluk en bevestiging, naar levensvervulling. Het besef dat we onze gaven om niet hebben ontvangen, kunnen we niet interpreteren als zouden we deze tot niet hebben ontvangen. We hebben ze gekregen om de gever zichtbaar te houden. Om ermee de nabijheid van het rijk der hemelen te verkondigen in woord en daad.

De verkondiging van de nabijheid van het rijk gaat gepaard met het getuigenis van geloof en vertrouwen en met daadwerkelijke naastenliefde. Met niets onderweg gaan in het vertrouwen dat wat we ontvangen hebben voldoende is.  Maar ook met een heilzame aanwezigheid onder de mensen. Helend en troostend.
De verkondiging van de nabijheid van het rijk, roept een verantwoordelijkheid op voor de waarachtigheid van de inhoud van de verkondiging. Wanneer je zegt dat het nabij is, moet je het ook nabij brengen.  Alleen zo is de verkondiging van de nabijheid geen leeg woord.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          

Als leerlingen en volgelingen van Jezus zou de kern van ons levende getuigenis moeten zijn: het koninkrijk der hemelen is nabij (Mt. 10,7). Daaraan kunnen mensen zien dat wij van Christus zijn en hem levend in ons midden houden. Als leerlingen zijn we verantwoordelijk voor de voortgang van het evangelie in de wereld. Tot inhoudelijke vervulling van de woorden in Jesaja: Israëls Heilige is groot in uw midden.  

Misschien toch ook nog een vierde aspect, namelijk het uitgezonden worden. Zodra de leerlingen gekozen zijn, worden ze erop uit gestuurd om te getuigen. Zij blijven niet bij Jezus, maar gaan op weg. Misschien moet je als leerling van Jezus ook niet in je comfortzone blijven zitten, maar erop uitgaan naar mensen toe. Geloven is niet per se je veilige plek houden. Geloven nodigt uit om je veiligheid bij de ander te zoeken. Te leven als getuige van de vrede.
Dat betekent in de praktijk ook dat je dingen durft los te laten in het vertrouwen dat wat je ontvangen hebt voldoende is om op weg te gaan. Niet alles is van te voren duidelijk. Duidelijk is alleen de belofte. Daarmee doen we het.
Onze toekomst is hoe dan ook niet ongewis. Want we zijn geborgen in Gods trouw. Amen.

 top

  

Handreiking voor Pinksteren, 31 mei 2020. 
Wie door de Geest is aangeraakt…

Jezus sprak: ‘de heilige Geest die de Vader in mijn naam zal zenden, die zal u alles leren en u alles te binnen brengen wat ik u gezegd heb. Vrede laat ik na, mijn vrede geef ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef ik hem u. Laat uw hart niet ontsteld of bevreesd worden. Gij hebt gehoord dat ik tot u gezegd heb: ik ga heen en kom weer tot u’.
(Johannes 14, 26-28a)

Deze belofte van Jezus gaat nu in vervulling. Wanneer wij geloven in zijn woord is hij in ons midden. Hij is de telkens weer komende in woord en sacrament. Hij treedt binnen in het geloof van zijn broeders en zusters. Hij is zichtbaar in de handelingen van zijn leerlingen die zijn woord onderhouden. En dat alles is de werking van de Geest.
 
Gezegend zijt gij, God, die ons geschapen hebt door uw woord en door uw geest nieuw leven hebt geschonken. Gezegend zijn wij die leven door uw woord.

Lied
 
De Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt,
in al wat groeit en leeft zijn adem uitgezaaid.
De Geest van God bezielt wie koud zijn en versteend, 
herbouwt wat is vernield, maakt één wat is verdeeld.

Wij zijn in Hem gedoopt. Hij zalft ons met zijn vuur.
Hij is een bron van hoop in alle dorst en duur.
Wie weet vanwaar hij komt, wie wordt zijn licht gewaar?
Hij opent ons de mond en schenkt ons aan elkaar.

De Geest die ons bewoont, verzucht en smeekt naar God,
dat Hij ons in de Zoon doet opstaan uit de dood.
Opdat ons leven nooit in weer en wind bezwijkt,
kom Schepper Geest, voltooi wat Gij begonnen zijt.
(OkGb 677; Lb 686; m. B. Huijbers, t. H. Oosterhuis)  

Gebed 
Wanneer Gij uw gelaat verbergt, God,
verdwijnt de zon uit ons bestaan.
Zendt Gij uw adem en alles komt tot leven.
Uw woord daalt als regen neer en maakt ons leven vruchtbaar.
Zend dan uw heilige Geest en maak ons nieuw.
Vernieuw door ons het aanschijn van de aarde
en maak haar tot een plaats van vrede en gerechtigheid.
Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon,
die met u leeft in de kracht van de heilige Geest
in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

Schrift 
Jezus sprak: als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden en mijn vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en bij hem woning nemen. (Johannes 14, 23)

Gedachten  
De teksten van Johannes spreken in deze tijd over de grote intimiteit die bestaat tussen de Zoon en de Vader en tussen Jezus en zijn leerlingen. Een in elkaar verwikkeld zijn in een zekere onafscheidelijkheid. De liefdesband die de geest is. Waardoor wij in God verblijven en Christus en de Vader woning nemen in ons. Dat mag ons leven tekenen, en ons leven mag van dit verblijven in elkaars wezen getuigen. Dit getuigenis is onvermijdelijk een wijze van zijn. Met een principiële gerichtheid op de hele schepping, alomvattend en inclusief, al wat leeft. Of deze aspiratie in de praktijk van de dag nu lukt of niet, het is wel het ijkpunt. Leven als iemand die God bij zich draagt. Precies ook in die dubbele betekenis. Dat is het innerlijk kompas. De basis voor onze ethiek. Weten wat je moet doen, juist handelen. Ezechiël duidt de overgang van het uiterlijke leven naar de Thora naar de innerlijke aansturing door de Thora aan met “één hart, een nieuwe geest, een hart van vlees, zodat zij leven naar mijn inzettingen” (zie Ezechiel 11,17-20, eerste lezing).  Natuurlijk moet de blijde boodschap verstaanbaar voor allen verkondigd worden. Het gaat uiteindelijk om vrede en  gerechtigheid voor allen, de komst van het rijk, de komst van de Messias. Ons aller perspectief. Natuurlijk is het belangrijk om essentiële geboden te volgen. Maar er is een geest van verbondenheid met God nodig om tot waarlijk ethisch handelen en denken te komen. Natuurlijk moet je Thora studeren, maar om die in zijn diepte te begrijpen, te interpreteren en te nuanceren heb je een geest van verbondenheid met God nodig. Niet de kennis van het evangelie brengt verlossing, maar de toepassing ervan in de wereld. De verinnerlijking van het woord van de Eeuwige en de verbondenheid met de Ene vormen de basis voor de heiliging van onze wereld, de transformatie, het herstel van onze oorspronkelijke bedoeling.

Bede 
Beziel mij, adem Gods, tot ik de uwe ben,
en in dit aardse lichaam zelf, uw vuur, uw liefde ken.
(uit lied OkGb 683, Breathe on me, breath of God)  

Oorsprong 
Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. (genesis 2,7) 

God ademt ons wezen in, wij ademen God uit. Wie we zijn ontvangen we van God; wat we zijn getuigt van hem.

Zegen 
Gezegend zijt gij, God, die ons uw adem, uw levensgeest inblaast,
die ons maakt tot wie wij zijn, dragers van uw geest.
Laat ons die geest uitademen in de wereld
om deze te bezielen van u en te heiligen.
Zegen ons die u zegenen met de adem van onze mond,
een loflied zolang wij bestaan.
Gij, Vader, + Zoon en heilige Geest.  Amen.
top

 

Handreiking zevende zondag van Pasen, 24 mei 2020
Verweesd misschien, maar niet zonder lied

De zondag na Hemelvaart wordt in de benoeming van de zondagen in het Oudkatholiek kerkboek de Zondag van de weeskinderen genoemd. Bij Hemelvaart schreef ik dat de hemelvaart geen weggaan is. Geen achterlaten, maar een nieuwe aanwezigheid. In de evangelieteksten hoorden we al de belofte: “Ik zal u niet verweesd achterlaten”.
Naar de introitus van deze zondag heet de zevende zondag van Pasen ‘exaudi’ dat is ‘verhoor’. Uit psalm 27 vers 7: Verhoor, Heer, mijn stem, wanneer ik u aanroep. Maar de psalm begint met “De Heer is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen. De Heer is mijn burcht, mijn behoud, voor wie zou ik bang zijn”.
Het geloof en vaste vertrouwen in Gods aanwezigheid verdrijft de angst en schenkt de kracht om te doen waartoe we geroepen zijn. Maar ook het geloof dat ons bidden niet vergeefs is. Het wordt immers gedragen door de ervaring dat de God van het verbond ons licht en ons heil is.


Moge de God die trouw is aan zijn verbond
en die het werk van zijn handen nooit loslaat,
met ons zijn in dit uur en alle dagen van ons leven.
In hem geloven wij, hem eren wij: Vader, + Zoon en heilige Geest.


Lied

Naam van Jezus, nu verheven boven alle namen uit,
om een leidsman ons te geven die in alle waarheid leidt,
wees verborgen in ons midden, leer ons bidden,
geef uw zegen wijd en zijd.


Wanneer zult gij weer verschijnen? Komt het vragen nog te vroeg?
Kent de herder nog de zijnen sinds hij eens de wolven sloeg?
Leid ons in de ware vrijheid, uw nabijheid -
wolk en vuur zijn niet genoeg.


Overal wordt u gebeden om het rijk dat komen gaat.
Laat het zichtbaar zijn beneden, geef een nieuwe dageraad.
Woord van God, maak deze aarde tot een gaarde
waar de boom des levens staat.
(mel. T. Cockx, Naam van Jezus die ten dode. T. W. Barnard; Lb 664)


Gebed

God en Vader van onze Heer Jezus Christus,
in de opstanding en tenhemelopneming van uw Zoon
hebt u ons een teken gegeven van uw trouw.
Wij bidden dat wij hem mogen volgen in zijn trouw aan u,
dat wij uw woord bewaren en vervullen
zolang wij in de wereld zijn.
Schenk ons daartoe de kracht van uw heilige Geest,
Gij die leeft in eeuwigheid.  Amen.


Schrift

Johannes 17, 6b. 9-11
Voor hen, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt, bid ik; niet voor de wereld bid ik, maar voor hen die Gij mij gegeven hebt, want zij behoren u toe, en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, en ik ben in hen verheerlijkt. En ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en ik kom tot u. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, welke Gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk wij.


Gedachten

In het mooie gebed dat de evangelist Johannes ons overlevert uit de mond van Jezus op de laatste avond van zijn leven horen we over de eenheid van de Vader en de Zoon. Het is een lang gebed dat heel hoofdstuk 17 beslaat en het sluit de afscheidsrede van Jezus uit de vorige hoofdstukken af.
Johannes gaat heel ver in de eenheid van Jezus en de Vader en in de eenheid van Hem en degenen die hem gegeven zijn. Wanneer Jezus zegt: “de Vader en Ik zijn één”, dan zegt Hij niet dat zij als twee handen op één buik zijn, of als gezworen kameraden of een eeneiige tweeling. Want die hebben alle hun eigen identiteit. Bij Jezus is het “wie Mij ziet, ziet de Vader”. Er is een zijns-eenheid tussen de Vader en de Zoon. En degenen die Jezus in de wereld, of beter ‘uit de wereld’, gegeven zijn, delen, volgens Johannes, in die zijns-eenheid. De leerlingen delen in de intimiteit van de relatie tussen de Vader en de Zoon. Dit is bijna niet te bevatten. Dit te beseffen geeft van ons een totaal ander mensbeeld dan we gewoonlijk hanteren. Een mensbeeld dat geheel is opgenomen in de genade en ten volle deelt in de liefdesband van God. En dat terwijl wij in de wereld zijn, niet van de wereld, we zijn immers uit de wereld genomen en aan Christus toevertrouwd.
In de gebrokenheid en gebrekkigheid van onze wereld ligt onze zending en opdracht om te getuigen van het Woord en van de Naam van God met wie we zo innig verbonden zijn in de Zoon.
De vijfde strofe van een lied van Ad den Besten, Lb 665 Om Christus’ wil zijn verblijd, verwoordt dit aldus: Om Christus’ wil zijn wij verblijd, die inging in Gods heerlijkheid en voor Gods ogen, stralend schoon, is wat wij zullen zijn, de Zoon.
De belofte dat wij zullen zijn wat we nu al zijn en telkens weer vieren wanneer we samenkomen in zijn Naam.


Lied

Heer, voor uw Adem bevreesd knielen en bidden wij,
maak ons tot geest van uw Geest, ja, maak ons waarlijk vrij,
ja, maak ons waarlijk vrij.


Blaas nu op vlees en bloed, wentel de vrees opzij,
waai ons uw woord tegemoet, dat maakt ons waarlijk vrij,
dat maakt ons waarlijk vrij.


Adem uw liefde ons in, Heer, dan herleven wij,
kinderen van uw gezin, zingend en waarlijk vrij,
zingend en waarlijk vrij.
(Van de ware vrijheid m. W. Vogel; t. W. Barnard OkGb 676) 

 

Zegenbede en zegen
Gezegend zijt Gij, God, die ons opneemt in uw liefde.
Zegen ons, bidden wij, met het licht van uw gelaat
en laat ons in de wereld leven in hechte verbondenheid met U,
gericht op de vervulling van uw koninkrijk.
Gezegend zijn wij in de Naam van Vader, +Zoon en Geest.  Amen
 
 top

 

Handreiking voor Hemelvaart 21 mei 2020
Eén Heer, één geloof, één doop.

In de brief aan de Efeziërs (4, 1-7) schrijft Paulus: leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die ge van God ontvangen hebt, in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend. Beijvert u de eenheid van geest te behouden door de band van de vrede: één lichaam en één geest, zoals ge ook geroepen bent tot één en dezelfde hoop waarvoor Gods roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen. Die is boven allen en met allen en in allen. Maar aan ieder van ons afzonderlijk is de genade verleend naar de maat van Christus gave.

Gezegend de Eeuwige, de Ene, die allen tot eenheid voert;
de verstrooiden bijeen brengt en verzamelt wie verloren lopen.
Moge hij ook ons allen één maken in zijn heilige Naam:
Vader, + Zoon en heilige Geest.  Amen.


responsorie

Onze Heer steeg ten hemel met jubelend gezang,
Hij houdt voor ons in zijn huis een plaats gereed. Halleluia.

Levende zoon van God, maak ons bereid om uw rijke gaven te ontvangen.
Laat het geloof groeien in ons hart, Gij, Heer, die onze redder zijt.

Onze Heer steeg ten hemel met jubelend gezang,
hij houdt voor ons in zijn huis een plaats gereed. Halleluia.
(t. en m. bewerking J-P Lécot)


Gebed

Eeuwige God,
schenk ons het geloof om de hemelvaart van uw Zoon
te ervaren als een belofte.
Zoals Hij ons voorgaat in de wereld, zo ook naar U.
In zijn opgang naar U blijft Hij met ons verbonden.
Schenk ons de kracht en het vertrouwen
om in de wereld te getuigen van zijn aanwezigheid.
Hij die met U en de Geest leeft en leven geeft in eeuwigheid.  Amen.

Evangelie
Marcus 16, 19-20
Nadat Jezus dan met zijn discipelen gesproken had, werd hij opgenomen ten hemel en hij heeft zich gezet aan de rechterhand van God. En zij gingen heen en predikten overal, en de Heer werkte mee en bekrachtigde het woord door de tekenen, die ze vergezelden.


Gezang

(Ok Gb 667; Lb 663 str. 2; m. J. Crüger, t. J.W. Schulte Nordholt)
Al is hij opgenomen, houd in herinnering,
dat hij terug zal komen zoals hij van ons ging.
Wij leven van vertrouwen, dat wij zijn majesteit
van oog tot oog aanschouwen in alle eeuwigheid.

 

Gedachten
Het afscheid van Jezus van zijn leerlingen vormt niet het eind van zijn zending op aarde. Deze wordt voortgezet door de leerlingen, zoals beschreven in de korte tekst van het Marcusevangelie. Woordverkondiging en tekenen die de verkondiging vergezellen en die het waarmerk ervan zijn. Wij kunnen maar waarachtig geloven wanneer ons geloof zich uit in daden van gerechtigheid en vrede.
De tekst uit de Efezebrief geeft dit duidelijk weer met betrekking tot onze individuele verantwoordelijkheid en taak. Het perspectief is duidelijk: eenheid. Het waarom ook: De Vader is één en daarom zijn we allen één. Dat is het scheppingsfundament en de genade ervan. Die eenheid is tegelijk ook opdracht en uiteindelijk perspectief. Het geldt voor allen. Daarom hebben we ieder afzonderlijk gaven ontvangen voor de opbouw van die eenheid die vooruitloopt op de uiteindelijke eenheid. Gaven die elkaar aanvullen en nodig hebben, opdat geen van ons denke het in zijn eentje te kunnen klaren. Voor de feitelijke en uiteindelijke eenheid zijn allen nodig.


Gezang

(OkGb 673; m. C.G. van Riel, t. A. Rinkel)
Geest der waarheid moge uw licht, waarvoor zonde en dwaling zwicht,
onze geest bestralen. Leer ons Jezus als de Heer
kennen, dienen, immermeer, dat wij niet meer dwalen.

Geest der liefde, doe uw gloed branden in ons dor gemoed,
wil uw licht ons geven. Maak ons hart aan liefde rijk,
geef dat uit ons werken blijk’ hoe wij door u leven.

Geest der sterkte, dat uw kracht overwinne alle macht
die ons blijft behagen. Maak ons willen heilig, sterk
en voltooi in ons uw werk naar uw welbehagen.

Geest des vredes, daal terneer, opdat heel de aard’ u eer’

en de boosheid fale. Zend uw vrede in ons hart,
die ons leidt door strijd en smart tot we eens zegepralen.

Zegenbede en zegen
De Algoede schenke ons zijn kracht, zijn vrede.
Moge hij ons helpen de eenheid te bewaren in de kerk en de wereld.
Zegene ons de Vader, + de Zoon en de heilige Geest.  Amen.
 top

 

Handreiking zesde zondag van Pasen 17 mei 2020 
Eén van hart en één van ziel. 

De leefregel van Augustinus begint met de aansporing om één van hart en één van ziel samen te leven en daarbij gericht te blijven op God. Om zo te leven dat wij in alles en allen God eren. Deze woorden sluiten aan bij die van Petrus in zijn eerste brief waaruit we deze zondagen lezen in de tweede Schriftlezing. Het beschrijft de leefwijze van hen die in Christus nieuwgeboren zijn. De nieuwe mens, de nieuwe Adam.
We spreken in deze tijd nogal eens over de nieuwe leefwijze, het nieuwe normaal en vergelijkbare uitdrukkingen. We worden gedwongen zorgvuldiger en bewuster te leven en met elkaar om te gaan. Maar stoelt dit op liefde? Feit is dat er veel initiatieven en voorbeelden zijn van een andere manier van omgaan met elkaar. Dat bewijst misschien maar weer eens dat het kan. Een nieuwe levenswijze.

Gezegend wij allen die leven in het licht van de belofte,
in het zalig licht van Pasen, de opstanding van onze Heer Jezus Christus,
door wie wij verlost zijn tot een leven in het aanschijn van God
die ons door de Geest tot nieuwe mensen maakt.
In de Naam van Vader, + Zoon en heilige Geest.


Lied

Het lied ‘gerechtigheid’
Bekleedt u met de nieuwe mens en houdt u naar de Heer gewend,
maakt u gereed en blaakt van vuur: verwacht zijn uur.

Legt daarom alle leugen af, al wat bederft is voor het graf,
maar doet van die is opgestaan de waarheid aan.

Wij zijn elkanders hart en hand op weg naar het beloofde land,
verdraagt en steunt de zwakken maar, vergeeft elkaar.

O, broeders, zusters van de Heer: geeft aan de boze plaats noch eer,
maar arbeidt liever voor het brood en deelt in nood.

Hebt gij niet van die dag gehoord dat God zal richten met zijn Woord,
zo doet dan heden aan de tijd gerechtigheid!

Ok Gb 549 str. 1,2,3,5,6; m. J.B. Dykes, t. Th.J.M. Naastepad


Gebed

Gij die ons in de dood en verrijzenis van uw Zoon
hebt doen opstaan tot een leven in heiligheid,
maak ons tot nieuwe mensen die leven naar uw woord.
Mogen wij in alles en allen uw aanwezigheid eren.
Open ons voor de waarheid van ons bestaan,
dat wij leven in diepe verbondenheid met elkaar,
met U en met de mensen die de aarde bewonen,
allen zijn wij uw schepselen.
Ons leven ligt geborgen in uw hand,
Gij die met de Zoon en de Geest
leeft in de eeuwen de eeuwen. Amen.


Schrift

1Petrus 3,8-12a
Tenslotte (zeg ik) u allen, weest eensgezind, vol mededogen en broederliefde, barmhartigheid en ootmoed. Vergeldt geen kwaad met kwaad, noch schelden met schelden, maar zegent elkaar, opdat u de zegen verwerft waartoe u bent geroepen.
Want wie het leven liefheeft en goede dagen wil zien, die weerhoudt zijn tong van het kwade en zijn lippen van bedrog. Laat hij zich afkeren van het kwade en het goede doen, de vrede zoeken en die nastreven.
Want de ogen van de Heer zijn op de rechtvaardigen en zijn oor op hun gebeden.

responsorie
Bidt en ge zult ontvangen, opdat uw blijdschap volmaakt zal zijn

Voorwaar, voorwaar, wanneer gij de Vader om iets zult bidden,
Hij zal het u geven in mijn naam.

Opdat uw blijdschap volmaakt zal zijn

(Johannes 16, 23-24)


Lied

Vocem iucunditatis

Kondigt het jubelend aan, laat het de windstreken horen,
doet het de aarde verstaan: God heeft ons wedergeboren.

Wandelend in de woestijn hebben wij water gevonden
springende als een fontein, bronnen geslagen als wonden.

Overvloed, overvloed Gods, sprengen van water en leven,
bloed uit de flank van de rots, water en bloed om het even.

Daaruit ontspringt ons bestaan, zo zijn wij wedergeboren!
Kondigt het jubelend aan, laat het de wereld horen.

(Ok Gb 663, Lb 659, str. 1,4,5,6. M. J. Ouwehand t. W. Barnard; lied bij deze zondag)

Korte overweging
Het water uit de rots die Jezus is, betekent leven voor allen die in de woestijn uitzien naar beloofd land en nieuw leven. En dat zijn wij die in de wereld zijn. Allen dorsten wij naar leven en gerechtigheid. De Jesajalezing van deze zondag begint dramatisch: Jes 41, 17: Armen en misdeelden zoeken water en het is er niet.
In de tekst zegt de Heer: Ik verlaat hen niet. Ik doe beken ontspringen, bronnen in de vlakten; van de woestijn maak ik een waterplas, een waterader wordt het dorre land.

Het gebrek van de gebrekkige blijkt geen absoluut en onontkoombaar gebrek. Er is soelaas. Water staat hier voor leven, woord van God, barmhartigheid, genade, mededogen, naastenliefde. Het zijn de kwaliteiten die van de woestijn een vruchtbare grond maken, van een dorre wereld een bewoonbare aarde. De tussenkomst van God voor de arme en misdeelde die hongert en dorst naar gerechtigheid en leefmogelijkheden, moet ons onrustig maken. Het gebrek in onze wereld is immers niet absoluut. De hongerige hoeft niet te verhongeren en de dorstige niet te sterven. Er is soelaas. Er is gerechtigheid te doen en naastenliefde te betonen. Het hart is in staat tot mededogen. Handen kunnen werken en bouwen aan een nieuwe wereld. Dàt zou het nieuwe normaal kunnen zijn.


Zegenbede en zegen

De Heer die leeft, geleidt en hoedt zijn volk op aarde

moge Hij met ons meegaan door de wereld van gebrokenheid
naar een land dat overvloeit van vrede en gerechtigheid,
waar leven is voor ieder en voedsel voor lichaam en ziel.
Moge Hij ons ook de kracht geven ons in te zetten
voor elkaar en te bouwen aan onze gezamenlijke toekomst.
Zegene ons de Eeuwige, Vader, +Zoon en heilige Geest. Amen.
 top

 

Handreiking vijfde zondag van Pasen, 10 mei 2020.
Zondag ‘cantate’, zingt!

De opening van deze zondag ontleent de naam aan het begin van psalm 98. “Zingt voor de HEER een nieuw gezang, want wonderen heeft Hij verricht.”
In elke tijd is het belangrijk om te beseffen en te herinneren wie God voor ons is en wat ZHij in ons leven betekent. Ook al zal de ervaring wisselen, en pieken en dalen kennen, de wetenschap dat hij er is, zal altijd, hoe dan ook, een bron van vreugde zijn.
Het levend houden in de herinnering van dit er-zijn van God en van zijn betrokkenheid in de overlevering van het Godsvolk is ook de strekking van de lezing uit Deuteronomium (Dt 6, 20-25) die bij deze zondag gekozen is. Om te leren en in herinnering te houden dat wat God wil aansluit bij ons verlangen.

Gezang
uit psalm 98, verzen 1-4; tekstbewerking: I. Gerhardt/ M. van der Zeyde; m. Herman Strategier. OkGb 254; Lb 98d.

Zing voor de Heer een nieuw lied, want wonderen heeft hij gedaan;
triomf heeft zijn hand Hem gebracht, overwinning zijn heilige arm.  Refr.

De Heer openbaarde zijn heil;
Hij heeft voor de ogen der volken onthuld zijn gerechtigheid;
zijn goedheid, zijn trouw, bleef Hij jegens het huis Israël indachtig. Refr.

Juich, aarde alom, voor de Heer, zet de zang in, speelt op de snaren,
juich, aarde, alom, voor de Heer.

refr. Alle einden der aarde aanschouwen het heil van Hem, onze Heer.

                                          --------------------

De liefde van God, de genade van onze Heer Jezus Christus, de gemeenschap van de heilige Geest zij met ons allen, in dit uur en al onze dagen. Amen.

Wat God bewerkt in Israël is voor alle volken en voor alle mensen. Heel de aarde mag juichen en delen in zijn heil. Zo is het ook in psalm 96 en 97.
Het gebed van de dag in het OK kerkboek sluit nauw aan bij hetgeen hierboven staat geschreven over de fundamentele eenheid van Gods genade en ons verlangen.
Laten wij bidden…..

Gebed
God, U  brengt de harten van de gelovigen tot eensgezindheid samen.
Geef aan uw volk de genade om te beminnen wat Gij gebiedt
en om te verlangen wat Gij belooft.
Laat ons hart, bij alle wisselvalligheden van het leven,
gericht blijven op Jezus Christus, uw Zoon,
die bron van onze vreugde is
en onze weg, waarheid en leven.
Hij die met U in de eenheid van de heilige Geest
leeft en leven geeft voor tijd en eeuwigheid. Amen.

Schrift
Deuteronomium 6,20-21.25: Wanneer je zoon ooit vraagt: Wat betekenen toch die verordeningen, bepalingen en wetten die de Heer onze God jullie gegeven heeft? Dan moet je hem antwoorden: Wij waren slaven van Farao in Egypte, maar de Heer heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid….Daarom is het onze plicht tegenover de Heer onze God nauwgezet alle geboden te volbrengen die Hij ons gegeven heeft.

Gedachten
Wat ik zo prachtig vind in de korte lezing uit Deuteronomium is de subtiele overgang in de persoonsvorm. “Wanneer je zoon (je kind) jou vraagt..” Kinderen stellen vragen en verlangen serieuze antwoorden. Willen niet met een kluitje in de rietzee gestuurd te worden. Zij staan aan het begin van de nieuwe generatie, aan het begin van hun leven waarin zij zich moeten oriënteren op wat voor hen  belangrijk is en waarde heeft. Zij zijn de volgende fase in de traditie van het ontwikkelen van hun individuele en gemeenschappelijke identiteit. Maar zij verdienen het te worden ingevoerd en binnengeleid. Het kind spreekt dan ook weliswaar van onze God, maar over de geboden die hij jullie heeft gegeven. Hij staat als het ware nog buiten de toe-eigening van de traditie als zijn traditie. Het verhaal van de vader is nog niet zijn verhaal. In het antwoord spreekt de vader niet anders dan over wij, om zijn kind de gelegenheid te geven zich met het verhaal van zijn vader, van zijn volk te identificeren.
Als (groot)ouders zouden we misschien kunnen leren om vragen te beantwoorden met richtinggevende en betekenis dragende verhalen. Geboden worden immers vaak ervaren als van buitenaf. Verhalen bieden de mogelijkheid om er in en vanuit te leven.
Lezen we daarom ook niet samen de verhalen van de Schrift?

Lied
De dag gaat open voor het woord des Heren,
zon die wij zoeken, kracht die wij ontberen,
bron die wij horen als wij tot hem keren, vroeg in de morgen.

Voor wij bestonden riep Hij ons bij name,
voor wij ontwaakten en ter wereld kwamen,
zag Hij ons aan en bracht Hij ons tezamen, God onze Vader.

Door U geschapen om uit U te leven;
hartslag en adem hebt Gij ons gegeven,
land waar wij wonen, licht waarnaar wij streven, oorsprong en toekomst.

Wilt Gij vandaag en tot het eind der dagen
ons doen en laten zuiveren en dragen,
dan stijgt de vreugde van uw welbehagen in onze wereld.

Aan ons uw loflied: glorie aan de Vader,
dank aan de Zoon die ons bestaan aanvaardde,
uw Geest geleide ons en onze aarde naar de voltooiing.

(Lb 217; t. Oda Swagemakers (zijn Geest gewijzigd in uw Geest W.); m. Willem Mesdag)


Gedachten
Heil in het verleden ervaren, geeft vertrouwen in het heden en doet uitzien naar toekomst. De wetenschap dat God is die er-is bewerkt dit in ons. Die ons geschapen heeft is dezelfde die ons bevrijdt en dezelfde die ons bewaart. Zijn er-zijn voor ons is immers niet aan tijd gebonden en overschrijdt de grenzen van ons bestaan. Hij is de God die met ons meetrekt en thuis brengt. Wij worden door zijn Geest gedragen die ons vernieuwt naar zijn woord. Het woord dat ons richt, is het woord dat ons tot leven riep. Daarmee is het zowel onze diepste oorsprong, als onze bestemming en ons verlangen; onze waarheid, onze weg, ons leven. Goed luisteren naar ons zelf verschilt niet van het goed luisteren naar het woord van God. Het heil dat wordt beloofd en verkondigd verschilt niet van het heil dat we verlangen.

Lied
Beziel mij adem Gods, vervul mij met leven weer,
dat ik bemin wat Gij bemint en doe uw wil, o, Heer.

Beziel mij, adem Gods, tot mijn hart zuiver is,
en ik met U één wil slechts wil in licht en duisternis.

Beziel mij, adem Gods, tot ik de uwe ben,
en in dit aardse lichaam zelf uw vuur, uw hartstocht ken.

Beziel mij, adem Gods, opdat ik nimmer sterf,
maar het volmaakte leven eens voorgoed met U verwerf.

( OkGb 683, Breathe on me, breath of God; E.Hatch; vert. J.W. Schulte Nordholt; m. uit Christmas carols, W. Sandys)

Zegenbede en zegen

Gij die met ons meetrekt en ons bewaart en thuisbrengt,
wil ons zegenen en behoeden.
Vernieuw ons door uw Geest en maak ons tot mensen van uw Woord.
Zegene ons de Algoede en eeuwige God,

Vader, +Zoon en heilige Geest. Amen. Halleluia. 

 top


Handreiking zondag 3 mei 2020
zondag van de barmhartigheid, ook zondag van de goede herder 


Het oog van de Heer rust op degene die hem eerbiedigen
en die op zijn liefde vertrouwen.
Hij zal hen vrijwaren van de dood,
hen bij hongersnood in leven houden.
Vol vertrouwen zien wij uit naar de Heer.
Hij is ons schild, Hij onze helper.
Ja, om Hem is ons hart verheugd,
op zijn heilige naam stellen wij ons vertrouwen.
Uw liefde Heer, zal over ons komen,
wij wachten, wij wachten op U.
(Ps. 33,18-22)


Met deze woorden van de psalmist vertrouwen we ons toe
aan de Eeuwige, die leeft en leven geeft:
Vader, + Zoon en heilige Geest.  Amen. Halleluia.

Lied (OK Gb 795; mel. Christe du biste licht ende dach; t. H. Oosterhuis)
De Heer die leeft, geleidt en hoedt zijn volk op aarde, o herder goed,
o mensenzoon met ons begaan, getrouwe herder is uw naam.

Als schapen doolden allen rond, geen die nog weide en water vond.
Toen zijt Gij zelf ons voorgegaan, getrouwe herder is uw naam.

Geen die zijn leven voor ons gaf, alwie kwam voor u was vreemd en laf.
Geen huurling weidt ons meer voortaan, getrouwe herder is uw naam.

Die als een lam draagt onze dood, die breekt zijn lichaam als levend brood,
die om zijn kudde zich liet slaan – getrouwe herder is zijn naam.

Die maakt dat allen op zijn woord komen tezamen, hij is de poort:
gij moet door hem het rijk ingaan, - hoort- want hij roept u bij uw naam.

In dood en leven, Heer, zult gij zijn die gij zijt: uw klein volk nabij.
Gij zult met ons uw wegen gaan, getrouwe herder is uw naam.

Gebed
Gij die trouw houdt, God,
hebt als een herder uw volk geleidt
door de woestijn op weg naar beloofd land.
Gij hebt het gevoed met brood uit de hemel
en gelaafd met water uit de rots
en binnengebracht in het land van belofte.
Schenk ook ons uit de overvloed van uw genade
telkens weer nieuw leven en nieuwe levenskracht.
Dat wij uw wegen mogen gaan op geleide van uw levend woord.
Sterk ons in het vertrouwen dat gij lichtend voor ons uit gaat
naar het land dat gij ons hebt beloofd,
waar gerechtigheid heerst en vrede, in overvloed.
U loven en prijzen wij in eeuwigheid.
Gij die in eenheid met de Verrezene en de heilige Geest
leeft en leven geeft voor tijd en eeuwigheid.  Amen. Halleluia.
(gebaseerd op een deel van de eerste lezing: Nehemia 9, 6.13-15)

Lezing
Johannes 10, 7-10a
Jezus vervolgde: ‘Voorwaar, ik verzeker u: ik ben de deur voor de schapen. Allen die voor mij  gekomen zijn, zijn dieven en rovers. Maar de schapen hebben naar hen niet geluisterd. Ik ben de deur. Als iemand door mij binnengaat, zal hij behouden zijn; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen om te stelen en te slachten en te verderven. Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben in overvloed. Ik ben de goede herder’.


Gedachten

“Ik ben de deur. Ik ben de goede herder” zegt Jezus hier in het Johannesevangelie. We horen hierin mooie verwijzingen naar oudere delen van de heilige schrift. Het herinnert onmiddellijk aan de Herder van Israel die zijn volk leidt met zijn woord. We horen er ook de profeet Ezechiël in, die in hoofdstuk 34 de herders van Israël die alleen zichzelf weiden waarschuwt. God zegt daar: “Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen”. Herders van mensen (machthebbers, regeringsleiders, maar ook beheerders van goederen) doen er in het algemeen goed aan te beseffen dat zij slechts gedelegeerden zijn. Zij zitten er niet voor zichzelf, maar voor het belang van het hele volk. Maar goed, dit terzijde.
Door de zelfopenbarende uitspraak van Jezus wordt hij geplaatst in de lijn van de heilsverwachting van Israël. Hij is die goede herder door wie God naar zijn schapen (zijn volk) omziet en ervoor zorgt. Naar weide voert en leven geeft.
Zo openbaart Jezus zich in de teksten van dit evangelie ook als het brood dat uit de hemel is nedergedaald. Het brengt het grote bevrijdingsverhaal van Israël naar boven. Het manna in de woestijn als voedsel voor onderweg. In Jezus niet als voedsel voor één dag, maar als voedsel voor eeuwig leven. Zoals hij ook zegt tegen Martha: “Ik ben de verrijzenis en het leven”.
Prachtige in de Schrift gewortelde uitspraken van Jezus bij Johannes, die hem plaatsten in het grote verhaal van het volk Gods, in diens heilsverwachtingen en in het grote kader van Gods genadevol handelen met zijn volk.


De Heer is mijn herder

(bewerking van psalm 23; mel. IWVL; t. I. Gerhardt/M. van der Zeyde)
De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken.
Hij wijst mij te liggen in grazige weiden,
hij voert mij naar wateren der rust.
Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen.

Hij leidt mij in sporen van waarheid, getrouw aan zijn naam.
Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods,
kwaad zou ik niet vrezen. Want naast mij gaat Gij,
uw stok en uw staf zij doen mij getroost zijn.

Een tafel richt Gij mij aan in het aangezicht van mijn belagers
en zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over.

Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden al de dagen mijns levens.
Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.


Zegenbede en zegen

Moge de Goede Herder ons nabij zijn op al onze wegen
en ons geleiden op paden van behoud.
Zegene ons de Algoede:
Vader, + Zoon en heilige Geest.  Amen. Halleluia.


Amnesty digitale acties

In deze tijd komen de briefschrijfacties ook in de knel. Maar we kunnen wel mee doen met een digitale actie. Zoals bijvoorbeeld:

Hongaarse premier trekt alle macht naar zich toe: https://www.amnesty.nl/forms/petitie-kom-in-actie-voor-de-mensenrechten-in-hongarije.

Activiste vervolgd om tekening vrouwelijk lichaam: https://www.amnesty.nl/forms/petitie-kom-in-actie-voor-yulia-tsvetkova-uit-rusland

Tiener ten onrechte in de dodencel: https://www.amnesty.nl/forms/urgentaction-south-sudan-magai

Zo staan er nu twaalf acties op https://www.amnesty.nl/kom-in-actie/acties .

Dus mocht u tijd over hebben en wilt u mensen steunen die dit hard nodig hebben, dan nodigen ik u uit om eens een kijkje te nemen en hen te helpen. De barmhartigheid die de Eeuwige ons bewijst mogen we ook aan elkaar betonen.

 top

Handreiking 3e znd van Pasen 26 april 2020

Psalm 66, 1b-2: Heel de aarde, juich voor God, bezing de eer van zijn naam, breng hem eer en lof. (NBV)

Klik nu niet meteen weg, en gooi de tekst niet van je af. Laat het contrast spreken. Want daar gaat het in geloof misschien juist om. Het “en toch” van ons getuigenis. Niet gemakkelijk, maar juist daarom getuigt het geloof van een niet eenvoudig perspectief. Het dwingt ons de wereld te zien in Gods licht. Geloof is niet de makkelijke weg, maar de weerbarstige.
Daarom zingen we vandaag uit psalm 66 deze verzen en noemen we, binnen de katholieke kerk, deze zondag `zondag jubilate’, jubelzondag. Een groter contrast is in deze tijd moeilijk denkbaar. En toch doen we het. We juichen voor God, ondanks alles, of beter gezegd, doorheen alles. Want niet dit wat ons omringt is het eindpunt, noch het geheel van ons leven, maar Gods trouw, de Naam boven alle namen, Die er is voor jou en voor mij en voor alle mensenkinderen. Als een belofte…en als een opdracht voor ons die geloven in die Naam. Een opdracht om er te zijn…voor jou, voor mij, voor elkaar.

De liefde van God, de genade van onze Heer Jezus Christus
en de gemeenschap van de heilige Geest zij met ons allen.  Amen.


Lied

OKGb 528, Lb 704 str. 2,3; m. Johann Crüger, t. Martin Rinckart, vert. Jan Wit.
Die eeuwig rijke God mog’ons reeds in dit leven
een vrij en vrolijk hart en milde vrede geven.
Die uit genade ons behoudt te allen tijd,
is hier en overal een helper die bevrijdt.

Lof, eer en prijs zij God die troont in’t licht daarboven.
hem, vader, Zoon en Geest moet heel de schepping loven.
van Hem, de ene Heer, gaf het verleden blijk,
het heden zingt zijn eer, de toekomst is zijn rijk.


Gebed
Gij bewaart ons, God, in uw trouw,
ook al zien wij geen uitweg uit een leven dat ons gevangen houdt.
Juist in deze tijd, waarin we zo op onszelf teruggeworpen zijn,
beseffen we hoezeer we mensen, elkaar, nodig hebben.
Schenk ons de kracht om over dit moment heen te kijken
naar het perspectief waarin ons leven staat door uw belofte.
Leer ons in dit moment te leven in vertrouwen op U,
die leeft en leven schenkt voor tijd en eeuwigheid.  Amen.


Bemoediging uit Jesaja 43,1

Zo spreekt de Heer die u geschapen heeft: gij zijt van Mij.

Zo spreekt de Heer die u geschapen heeft, o Jakob, en die u, Israël, heeft gevormd: wees nu niet bevreesd, want Ik heb u verlost, u geroepen bij uw naam: gij zijt van Mij.

Zo spreekt de Heer die u geschapen heeft: gij zijt van Mij.


Gedachten

Bij de kaarten die ik ontving bij gelegenheid van mijn verjaardag was er een van een dierbare oudere dame uit Brabant die daarin vertelde hoe het leven haar intriest maakte. In deze tijd had zij afscheid moeten nemen van achttien familieleden, vrienden en goede kennissen, ten laatste van haar broer.
Mensen die (nog) gevrijwaard zijn van ziekte beseffen meestal niet hoe diep deze kan inslaan in het leven van anderen.
Onlangs las ik Mijn naam is Selma, een autobiografisch verhaal van een, nu, hoogbejaarde Joodse vrouw die in het verzet terecht was gekomen en uiteindelijk via kamp Vught in Ravensbrück. Pas na de oorlog, die zij overleefde, ervoer zij hoe diep en breed de krater was die de waanzin van de ‘Endlösung’ in haar familie en vriendenkring geslagen had.
Hoe kan een mens blijven geloven, laat staan juichen, wanneer je zo getroffen bent. De hier beschreven dames doen het. Dat wil zeggen, zij houden vertrouwen en blijven geloven in de mogelijkheden van het leven.
Het herinnert me aan onze kapel, die er nu zo leeg en verlaten bij staat. In de muur recht tegenover de ingang is een tableau-achtige uitsparing van grof gemetselde stenen.

Het herinnert aan de verwoesting van de tempel. De voorgoed verloren tempel. Het getuigt van een verloren wereld en houdt de schrijnende spanning levend tussen de gebroken werkelijkheid en de vervulde werkelijkheid. En daarmee ook het verlangen daarnaar.
Het vertelt ons dat in deze wereld geen vreugde volmaakt is, aangezien onze wereld lijdt onder haar onvoltooidheid. Tegelijk is geen verdriet zonder hoop en belofte. Zonder vreugde om Gods aanwezigheid en trouw. Daarom kunnen we niet alleen zingen temidden van pijn, rouw en verdriet, maar moeten we ook zingen van Gods trouw, om niet aan ons verdriet ten onder te gaan.

Nee, geen gemakkelijke weg, de weg van geloof, de weg van ‘en toch’. Maar ieder op onze eigen manier gaan we die weg. We kunnen niet anders. Het is de weg van het menselijk bestaan, dat zijn menselijkheid niet wil opgeven.

Ik citeer toch nog een keer een deel uit autem in deo gaudebo, lied OKGb 527, Lb 156 (m. John Wainwright t. Koenraad Ouwens)
‘k blijf daarom, tegen beter weten in, mij richten naar het woord van het begin,
dat Gij ons, God der eeuwen, hebt gezegd: ’t verbond van trouw,
van onverbreekbaar recht. Gij, Heer, Gij zijt mijn kracht, mijn zekerheid;
ik juich om u in tijd en eeuwigheid.


Zegenbede en zegen

Zend ons, God, uw licht en uw trouw tegemoet.
Neem ons bestaan op in uw belofte
ons gegeven in uw opgestane Zoon.
Zegene ons de Algoede en eeuwige God,
Vader, + Zoon en heilige Geest. Amen. Halleluia.
 top


19 april 2020
Handreiking voor Beloken Pasen


Verborgen in zijn God
(Kolossenzen 3,1-3)
“Als jullie dus met Christus bent opgewekt, zoekt dan wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechter hand van God. Richt uw gedachten op wat boven is, niet op het aardse. Want jullie zijn gestorven en jullie leven is verborgen met Christus in God.”

Verborgenheid en openbaring zijn woorden die passen bij deze zondag. Een wat mystieke zondag. Het gaat niet om de ongelovigheid van Tomas. Tomas is een beeld om iets duidelijk te maken. Het gaat veeleer om de spanning tussen dood en geloof,  om het zoekend geloof naar de verborgen God en de verborgen betekenis van ons bestaan. Dood gaat iedereen. Martelaren sterven. Maar het gaat ook uitdrukkelijk over de openbaring van Gods aanwezigheid door de dood heen, om leven doorheen het graf en wat dat mysterie zegt over ons.
En dat is nog wel iets anders dan een leerling die ten bewijze zijn vinger in de doodswond van zijn meester wil leggen. Zij het dat het verhaal ook hiermee wil zeggen dat deze Meester de Levende is die ook waarlijk, en niet in schijn, gestorven is.


Uit uw verborgenheid
, strofe 4,5; OK Gb 547; LB 500)
(Willem Vogel; Sytze de Vries)
Uit uw verborgenheid ons zo te na gekomen,
deelt Gij in onze nacht en zaait er nieuwe dromen.
Zolang het donker duurt, de moed ons wordt ontnomen,
voed ons dan met de hoop dat Gij voorgoed zult komen.

Uit uw verborgenheid ontsteekt Gij uw licht op aarde,
wilt Gij ons warmen met de gloed van uw genade.
Wij delen met elkaar het licht, het lied, de zegen.
Wij zijn uw kandelaar, wij gaan het donker tegen.


Een buitengewoon mystieke tekst eigenlijk. We leven na Pasen in het tijdperk van de Komende, die was en zijn zal. Zijn aanwezigheid is een geestelijke, niet minder reëel, maar anders. Zijn verheerlijkte verborgenheid in God correspondeert met de verborgenheid van ons leven. Dat wil zeggen dat wat van ons bestaan nog niet is geopenbaard en is verborgen in God. Wat zou dat kunnen betekenen? Natuurlijk: Pasen openbaart de belofte. Maar wie we zijn in Christus (de verrezene) is verborgen in God. We denken dat we weten wie we zijn, maar we weten het hooguit in verwachting, in hoop en belofte. Wie we kunnen zijn wordt ons gaande de weg van geloof duidelijk. Niet dat de weg van geloof de enige weg is, maar het is de weg die we met elkaar delen en samen gaan.


Esther
: een lied (W. Barnard) (Mel.: Lied 556) God, Gij zijt niet te rijmen met het lot! Achter al wat geschiedt blijft Gij verscholen. Al wat geschiedt-, Gij hebt het niet bevolen. Leven is wat Gij wilt en niet de dood. Niemand kan mij vertellen hoe Gij heet en toch, Uw Naam gebeurt en is geboren … Ik vind U in de doolhof, niet tevoren, maar achteraf. Daarom: wie weet, wie weet... Want ook de twijfel kan U heilig zijn en schroom verhindert ons U uit te spreken. Wij lezen Uw verhaal; uw taal en teken zal door de nacht heen ons geleide zijn.


In de verborgenheid kennen 

Levende God,
ga met mij uw weg en leer mij U kennen,
niet als ABC of twee maal twee,
maar in de stilte van mijn hart,
waar uw verborgen wezen het mijne ontmoet
en wij ons aan elkander openbaren.
Een kennen dat op liefde stoelt,
en in wederzijdse zelfgave groeit.
Treed zo uit uw verborgenheid
en haal mij uit mijn schulp.
Laat mij leven naar de volle maat
van de mens die gij geschapen hebt.
Lichtend aan elkaar nabij,
als op de eerste dag.
In navolging van Christus die verrezen is
en in de Geest leeft met u en mij
voor tijd en eeuwigheid.


U kennen, uit en tot u leven
, str. 1,3; OkGb 542; Lb 653.
(m. Georg Neumark; t. Ad den Besten)
U kennen, uit en tot U leven, verborgene die bij ons zijt,
zo lang ons ’t aanzijn is gegeven, de aarde en de aardse tijd,-
O Christus, die voor ons begin en einde zijt, der wereld zin.

O Christus, ons van God gegeven, Gij tot in alle eeuwigheid
de weg, de waarheid en het leven, Gij zijt de zin van alle tijd.
Vervul van dit geheimenis uw kerk die in de wereld is.

 

Zegen
Moge de verborgen omgang met de Eeuwige ons allen verlichten.
Dat wij Hem openbaren die in ons verborgen werkt,
tot zegen van de wereld waarin wij leven.
Zegene ons de Algoede
Vader, Zoon en heilige Geest.  Amen.
 top
 

12 april 2020
Handreiking voor Pasen 

De Heer is verrezen, halleluja.
De Heer is waarlijk verrezen, halleluja.


Met deze woorden begroeten christenen elkaar op de paasdag. Een kernachtige belijdenis van ons geloof. Jezus die aan het kruis gestorven is en begraven, is opgestaan en leeft. Pasen staat in het centrum van ons geloof en als viering van de zondag is het de oudste viering van de christusgemeenschap.
Het geloof in de levende aanwezigheid van Jezus in de vierende gemeenschap gaat vooraf aan de dogmatische formulering van zijn verrijzenis, terwijl die wel door de evangelisten en apostelen wordt beleden.
Toch is het, misschien ook voor ons, een hele stap om van het teken van het lege graf te komen tot de belijdenis van de opstanding, en daarmee de belofte van leven door de dood heen. Dat geloof komt ons niet aanwaaien. Het wordt gedragen door een lange traditie van verhalen van generaties gelovigen in hun omgang met God.
 

Gebed
Geprezen en gezegend de Eeuwige
die het leven tot aanzijn riep,
die zijn volk bevrijdde uit de wateren des doods,
die het bewaarde in de woestijn
waar Hij het vormde tot gemeenschap van zijn woord.
Zijn trouw voert het binnen in het land van belofte.
Zijn licht trekt voor ons uit.
Zijn Levend Woord roept ons tot nieuw bestaan.
Gezegend en geprezen de Eeuwige
die ons laat delen in zijn leven.   Amen.


Schrift

Exodus 14, 21-22
Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de Heer liet die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren splitsten. Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.


Exodus 31, 18
Toen de Heer op de berg Sinaï zijn woorden tot Mozes beëindigd had, overhandigde Hij hem de twee platen van het verbond, stenen platen, door Gods vinger beschreven.


Ezechiël 36, 25-28
Godsspraak van de Heer: “Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en een hart van vlees geven. Mijn Geest zal ik in u uitstorten en ik zal ervoor zorgen dat ge mijn wetten nakomt en mijn voorschriften nauwkeurig onderhoudt. Ge zult wonen in het land dat ik uw vaderen gegeven heb; gij zult mijn volk en ik zal uw God zijn”.


Johannes 20, 8
…Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag en geloofde.


Kolossenzen 3, 1-3.10
Zusters en broeders, indien u dan met Christus verrezen zijt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittend aan Gods rechter hand. Streeft naar de dingen die boven zijn en niet naar die op aarde zijn. want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.
Bekleed u met de nieuwe mens, die wordt vernieuwd tot het ware inzicht, naar het beeld van zijn schepper.


Paasgeloof

In het evangelieverhaal van Pasen vertrekt het paasgeloof van een leegte, van iets wat er niet is. Pasen is geen materieel teken. Geen geboorte, geen wonder . Het is afwezigheid, stilte. God zwijgt. En in de stilte groeit de vraag. Zoals die groeit wanneer we een geliefde missen. Hoe kan het zijn? Dit kan toch niet. Waar is God? Hoe is God dan? En er groeit uit het gemis een antwoord. God is toch trouw aan het maaksel van zijn handen. Hij laat zijn schepsel niet los. Bij God is geen einde, geen dood. Hij is een God van levenden. Wat zoek je dan de levende bij de doden? Hij is niet hier.
Er is een nieuw ontmoeten, niet vast te houden, maar telkens weer te ontvangen. Een nieuwe aanwezigheid.
God bewaart, zelfs in de dood en door de dood heen. Hoe? Geen idee eigenlijk, maar ik geloof het zo. Wij getuigen ervan, al van het allereerste begin van ons geloof, die ongehoorde waarheid, die niet te dempen hoop, dat niet uit te blussen geloof. Ondanks alles wat er dood is in de wereld, belijden wij: God leeft en ik in hem.


Toch verheug ik mij in God
(autem in domino gaudebo, OK Gb 527; Lb 156)
Woedt overal op aarde het geweld,
wordt nergens meer Gods naam met eer vermeld,
maakt zich de macht van haat en afgunst groot,
brengt zij het leven enkel nog ter dood,
hoopt ook geen mens op ’t komend Godsrijk meer,
toch blijf ik juichen om mijn God en Heer.

En als het licht eenmaal zelfs duister wordt,
geen oogst op ’t land, de vijgenboom verdord,
geen levend water meer, geen brood, geen wijn,
wanneer de schapen Gods verdreven zijn,
is er bij de mensen geen verwachting meer,
nog zal ik juichen om mijn God en Heer.

‘k Blijf daarom, tegen beter weten in,
mij richten naar het woord van het begin,
dat Gij ons, God der eeuwen, hebt gezegd:
’t verbond van trouw, van onverbreekbaar recht.
Gij, Heer, Gij zijt mijn kracht, mijn zekerheid;
ik juich om U in tijd en eeuwigheid.


Paasproclamatie

In het jaar van onze Verlosser, Heer en Heiland, Christus Jezus,
tweeduizendtwintig,
waarin Bernd Wallet gekozen is op de zetel van Willibrord,
als bisschop van de kerk van Utrecht;
terwijl Willem Alexander koning is der Nederlanden,
en Mark Rutte premier in onze regering,
en Andreas Wöhle president van de synode van de Evangelisch Lutherse Kerk in Nederland.
In het jaar waarin de wereld geteisterd wordt door het coronavirus
met dramatische gevolgen op persoonlijk, sociaal en economisch vlak
en waardoor zelfstandigen en bedrijven in grote nood komen.
Waardoor de zorg als zodanig, maar ook de mensen die daarin werken
zwaar onder druk staan en emotioneel overbelast worden.
Een ziekte waaraan mensen in eenzaamheid sterven. En anderen in eenzaamheid leven. Maar waardoor ook vele vormen van solidariteit ontstaan en nieuwe vormen van communicatie. Tekenen van verbondenheid van mensen die elkaar helpen.
In het jaar waarin we uitzien naar verlichting
en naar, wie weet, een nieuwe levensstijl,
een hervorming van onze economie.
In dit spannende en angstige jaar
getuigen wij van ons geloof in de trouw van de Eeuwige,
die toekomst schept waar wij geen uitzicht zien,
die uit dood nieuw leven doet opgroeien,
die ons bewaart in zijn liefde,
wiens naam is de Ene, de Levende, Geen einde,
die ons in de verrijzenis van zijn Zoon
tot nieuw leven wekt.
Geprezen en gezegend zij de Naam die leven geeft. Amen. Amen. Amen.   

 top 

 

09 april 2020

Handreiking voor Witte Donderdag  

DIENST AAN DE WERELD

De vooravond van Jezus’ dood is onlosmakelijk verbonden met het Laatste Avondmaal dat Jezus met zijn leerlingen vierde. De evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas vertellen daarbij over het breken en delen van het brood en het laten rondgaan van de beker met wijn. Gebroken en vergoten voor velen, voor ons. Johannes vertelt ook over deze pesach-, paasmaaltijd van Jezus waarin hij met hen de bevrijding uit Egypte gedenkt. Maar hij bepaalt de aandacht bij de voetwassing door Jezus.
Hoe verschillend ogenschijnlijk ook, zij verwijzen beide naar de essentie van Jezus’ leven.

Het eerste teken van brood en wijn naar de zelfgave van Jezus aan het kruis, het ander naar zijn dienstbereidheid. Door deze teksten staat het vieren van avondmaal voorgoed in het teken van dienst aan de wereld. Eucharistie is het vieren van Christus’ bevrijdende dienst aan de wereld.  

Gezegend zijn wij
die mogen treden in het voetspoor van Hem
die gekomen is om ons te bevrijden
tot de dienst van de naastenliefde
tot verlossing van onze wereld.  Amen.

 

Exodus 3, 7-8a
De eeuwige zegt: ik heb gezien de ellende van mijn volk dat in Egypte (het oord van verdrukking) is, ik heb gehoord hun jammerklachten…ik ken hun lijden. En ik ben neergedaald om het te bevrijden uit de hand van Egypte.


OK gezangboek 364/ Liedboek 565

Het hoogste woord daalt uit het licht en blijft toch voor Gods aangezicht.
Het geeft zich over aan de nacht, zo wordt zijn grote werk volbracht.

In twee gedaanten, brood en wijn, wil Hij ons aller voedsel zijn.
hij geeft zichzelf, zijn vlees en bloed, zodat Hij ons volkomen voedt.

Hij komt tot ons als lotgenoot, Hij deelt zich aan ons uit als brood,
als losgeld geeft Hij zich aan ’t kruis en als ons loon in ’t vaderhuis.

O zalig Lam dat voor ons boet, de deur des hemels opendoet,
de vijand staat hier om ons heen, Gij kunt ons helpen, Gij alleen.

(t. Thomas van Aquino; vert. Schulte Nordholt; m. Floor van der Putt) 

Johannes 13, 1.4-5.12-15
Tijdens de maaltijd stond Jezus van tafel op en legde zijn bovenkleding af en omgordde zich met een lendendoek. Hij goot water in een waskom en begon de voeten van de leerlingen te wassen.
Toen Hij hun de voeten gewassen had, vroeg Hij: “Begrijpen jullie wat ik gedaan heb. Jullie noemen mij meester en Heer, en dat ben ik ook. Welnu, wanneer ik als jullie meester en Heer jullie de voeten heb gewassen, dan moeten jullie ook elkaar de voeten wassen. Ik heb jullie een voorbeeld gegeven, opdat jullie doen wat ik heb gedaan”.

Gedachten
God ziet, hoort en kent de zijnen. Heeft weet van hun nood aan bevrijding naar lichaam en ziel. De uittocht uit het slavenhuis en de gave van de Thora, de richtingwijzer ten leven sluiten op elkaar aan. Fysieke vrijheid en geestelijke vrijheid gaan hand in hand. Zo niet, dan leidt vrijheid al gauw tot mateloosheid en individualistisch gedrag. In het andere geval wordt de geest geknecht door censuur of restricties. Om elkaar tot dienst te zijn moeten we geestelijk en lichamelijk vrij zijn. Een slaaf kan niet dienen, want hij heeft geen keuze. Iemand die vol is van zichzelf kan de naaste niet zien, horen of kennen.

De wereld is erbij gebaat dat we elkaar zien, horen en kennen. Alleen zo kunnen we van elkaar te weten komen wat we nodig hebben om goed te leven. Bevrijd van de beheptheid met onszelf gaat ons hart open voor de naaste. In die vrijheid kan er relatie zijn, met God en met de naaste. Dan pas kunnen we geven en ontvangen. De vrijheid om werkelijk mens te zijn is gebaseerd op de bevrijdende liefde van God die is in Christus Jezus. God liefhebben is die liefde doorgeven aan de naaste omwille van de wereld en de groei van menselijkheid.

 

Ubi caritas et amor, deus ibi est.
Waar liefde is en vrede, daar is God.

 

Gebed
God van bevrijding,
in uw licht zien wij het licht,
in uw liefde zien wij onszelf zoals wij zijn in uw ogen.
Bevrijd ons van alles wat ons afgescheiden houdt
van ons wezen en van onze naaste,
en van het valse idee dat we minder worden
wanneer we U en onze medemens dienen.

Bevrijd en voltooi onze wereld
door uw verlossend handelen in ons.
Door de kracht van uw Geest
die is in Christus en Jezus en in U
die leeft en leven geeft voor tijd en eeuwigheid.  Amen.


OMWILLE VAN BEVRIJDING 

Integriteit

Vijfenzeventig jaar geleden werd op 9 april Dietrich Bonhoeffer in kamp Flossenbürg geëxecuteerd. Zijn gedachtengoed getuigt van diep geloof en maatschappelijke verantwoordelijkheid  en is onverminderd van belang en actueel. Ik citeer een tekst uit het Bonhoeffer Brevier, 1964/2001, Baarn, Ten Have.
“ ‘Ging het dan uw krachten te boven één uur met Mij te waken?’ vraagt Jezus in Getsemane. Dat is de omkering van alles wat de religieuze mens verwacht. De mens wordt opgeroepen Gods lijden aan de goddeloze wereld mee te lijden.
Hij moet dus werkelijk in de goddeloze wereld leven en niet proberen haar goddeloosheid religieus weg te praten of te verklaren. Hij moet ‘werelds’ leven, zó juist deelt hij in Gods lijden….Christen zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn…,het betekent mens zijn. Christus schept in ons de mens, niet een bepaald mensentype. Je wordt geen christen door religieus te handelen, maar door, levend in de wereld, te delen in Gods lijden.”

 

Gerechtigheid

 

                                            De Taiwanees Chiou Ho-shun kreeg in 1989 de doodstraf omdat hij twee moorden gepleegd zou hebben. Hij werd tijdens het politieverhoor zwaar gemarteld. De bekentenissen die hij toen aflegde – en later introk – werden gebruikt om hem te veroordelen. Chiou zit al 31 jaar in de dodencel en het gaat slecht met zijn gezondheid. Hij kan elk moment worden geëxecuteerd.

 

                                           Schrijf vóór 1 mei 2020 naar de president van Taiwan. Roep hem op Chiou Ho-shun gratie te verlenen. Voor meer informatie: https://www.amnesty.nl/acties/schrijfactie-taiwan-31-jaar-in-dodencel-na-oneerlijk-proces

 

 

Solidariteit
In deze tijd hebben de voedselbanken het moeilijk. Het aanbod is afgenomen en de vraag neemt toe. Zij kunnen een extra steuntje gebruiken om mensen die door gebrek aan inkomen en met kinderen in huis in problemen raken, te kunnen blijven helpen.

Er zijn lokaal extra punten waar men voedsel kan geven. Die zijn op de site te vinden. Ook kun je geldelijk doneren via de site van voedselbanken.nl  of de site van de lokale voedselbank.

 

Zending en zegen (Liedboek 416)
Ga met God en Hij zal met je zijn, jou nabij op al je wegen
met zijn raad en troost en zegen. Ga met God en Hij zal met je zijn.

Ga met God en Hij zal met je zijn: bij gevaar, in bange tijden,
over jou zijn vleugels spreiden. Ga met God en Hij zal met je zijn.

Ga met God en Hij zal met je zijn: in zijn liefde je bewaren,
in de dood je leven sparen. Ga met God en Hij zal met je zijn.

Ga met God en Hij zal met je zijn, tot wij weer elkaar ontmoeten,
in zijn naam elkaar begroeten. Ga met God en Hij zal met je zijn.   Amen.
 top

 

29 maart 2020

Summertime

5e zondag van de veertigdagentijd.

In de nacht van zaterdag op zondag gaat de zomertijd in. Ik dacht daarbij even aan het

lied Summertime uit de Gershwin opera Porgy and Bess. Het begint met de zin (in

vertaling): “Zomertijd! Het leven is gemakkelijk en rustig”. Bess zingt het als een

slaapliedje voor haar kindje. Ze wil het troosten en geruststellen: “zolang pappa en

mamma bij je zijn kan niets je kwaad doen” eindigt het.

Bij het aanbreken van onze zomertijd is het leven voor ons helemaal niet gemakkelijk en

rustig. De gedwongen rust gaat gepaard met spanning en ongerustheid. Het is niet

gemakkelijk om alleen of met partner en eventueel kinderen grotendeels de tijd in huis

door te brengen. Mensen die we liefhebben niet aan te raken of ook maar te ontmoeten.

Zoveel mensen die verstoken van dierbaren ziek zijn, verschrikkelijk vind ik dat. Op

straat en in de winkel bewegen we omzichtig om elkaar heen. En hoe mis ik het samen

Gods liefde te vieren en te ervaren dat zolang hij met ons is, ons geen kwaad zal deren.

Het leven zoals we het tot voor kort kenden houdt zijn adem in. We wachten en hopen en

bidden. We leven naar Pasen, teken van nieuw leven, voorafbeelding van het Grote

Zomerfeest van de definitieve vervulling van onze verwachting.


De liefde van God, de genade van onze Heer Jezus Christus

en de gemeenschap van de heilige Geest zij met je.


Lied: Eens komt de grote zomer, OK Gezangboek 716; Liedboek 747, strofe 1,4,8.

Eens komt de grote zomer

waarin zich 't hart verblijdt.

God zal op aarde komen

met groene eeuwigheid.

De hemel en de aarde

wordt stralende en puur.

God zal zich openbaren

in heel zijn kreatuur.


Ook ons zal God verlossen

uit alle pijn en nood,

van 't woeden van de boze,

van 't vrezen voor de dood,

van aarzelen en klagen,

verdriet en bitterheid,

van alles wat wij dragen,

van 't lijden aan de tijd.


Dan zal het loflied schallen

rondom de gouden troon,

dan heffen wij daar allen

met grote vreugde aan:

lof zij en eer en sterkte

de Vader en de Zoon,

de Geest om al zijn werken

zij lof van nu voortaan.

 

Gebed

Gij die in staat zijt om uit stenen

kinderen voor Abraham te maken,

laat ons leven door uw woord.

Gij die uit het nameloze ons hebt voortgebracht,

behoud ons in uw Naam.

Gij die ons uit de dood tevoorschijn haalt,

schenk ons een nieuw bestaan.

Gij die leeft en leven geeft in eeuwigheid. Amen.


Schrift

Ezechiel 37, 1-3.

Ik werd opnieuw door de hand van de Heer gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij

zette mij neer in een dal vol beenderen. Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo

zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren

uitgedroogd. De heer vroeg mij: ‘mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven

komen?’ Ik antwoordde: ‘Heer, mijn God, dat weet u alleen.’


Psalm 23 (bewerking. W.)

Jij die de schaduwkant van mijn bestaan

bergt in jouw licht,

en leidsman bent van ons die,

broos en sterfelijk als wij zijn,

leven in de schaduw van de dood;

leid ons, leid mij

langs paden van behoud

naar waar de bronnen van het leven zijn.

Werp je woord als een stok voor mij uit

om de richting te wijzen die ik mag gaan.

Gesteund door de staf van het geloof

zal ik wankelen noch vallen,

zolang Jij mij niet vergeet.

Want Jij bent mijn herder, mijn weide, mijn vrede.

Jij verkwikt en herschept mijn bestaan,

uit jouw levensbron word ik opnieuw geboren.

Vorstelijk onthaal Je mij aan jouw tafel,

mij dienaar, bediend door de koning van de wereld

en je voedt mij met echte spijs;

brood uit de hemel geef Je mij te eten.

Je vult mijn beker tot spillens toe

met de klare wijn van jouw liefde.

Je gaat staan tussen mij en die mij bedreigen,

opdat al wat duister is verglijdt tot licht

en eindelijk ik wonen mag bij Jou,

in jouw huis, in jouw vrede, in jouw licht.

 
Schrift

Johannes 11, 21.25-26 (hele tekst 11, 1-44)

Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, dan zou mijn broer niet gestorven

zijn’. Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook

wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’

Stilstaan bij het woord

In een tijd waarin ons leven bedreigd wordt en mensen in onze omgeving sterven zijn de

laatste woorden zeer indringend. Geloven wij dat Christus de opstanding en het leven is?

We nemen deze woorden mee naar binnen en kijken in het hart van ons geloof. En ieder

van ons vindt daar haar/zijn antwoord.

En we bidden met de vader van het zieke jongetje in Marcus 9,24: “ik geloof, kom mijn

ongeloof te hulp”. En met Petrus in de golven: “Heer redt mij, ik verga”.

Diep in ons leeft misschien niet de zekerheid van het geloof, maar wel het verlangen te

geloven. Een verlangen dat niet wordt beschaamd, omdat de Degene in wie wij

verlangen te geloven trouw is aan het maaksel van zijn handen. Hij laat ons niet in de

steek. En zal ons armzalig gebeente bekleden met onvergankelijk leven. Ons uit de dood

tevoorschijn roepen.


Uit ‘Lofzang van lazarus’

Wonderlijk,

ik herinner mij niet meer

hoe ik doodomzwachteld heb geluisterd,

gehoor gegeven aan die stem

die mij naar buiten riep.

Hoe ik ben gegaan,

mijn benen nog gebonden,

geblinddoekt nog mijn ogen.

Maar ik ben opgestaan

en naar het licht gegaan

dat ik ontwaarde.

Ik voelde dat daar leven was.

Wonderlijk.

Wonderlijk licht,

Woord van het begin

dat al wat is tot aanzijn roept.

Uit duisternis naar voren haalt

wie doodgebonden

doodgezwegen

on-zijn omzwachteld

naam-vergeten

wachten op een klank die uitkomst biedt;

een steen die, weggerold,

opnieuw het licht laat schijnen

op mijn schamele bestaan;

een stem die roept en zoekt

en tastend door mijn duister breekt;

mijn naam in liefde uitgesproken

die verlangen wekt naar heel bestaan.

Wonderlijk,

dat licht dat steeds opnieuw

die oorsprongsklank naar voren brengt

dwars tegen nagenoeg onhoorbaar

kloppen van mijn hart,

mijn doods- en levensangst,

de leegte van mijn leven,

de druk van het moment.

Wonderlijk,

dat in mijn diepste wezen

weten is van licht

en dat, hoe duister ook omwonden,

dat diepste wezen wakker is,

dat deel van mij

dat luistert, zich verwondert,

en telkens weer zich roepen laat

en lichtomsluierd op- en openstaat,

omdat Hij, de Heer,

mij roept.


Zegenbede en zegen

Moge de Heer van het leven u behoeden en bewaren,

u sterken en vertrouwen geven.

Moge Hij die ons geschapen heeft,

ons bekleden met zijn Naam die leven geeft.

Zegene ons de Algoede

Vader, +Zoon en heilige Geest. Amen.           top

 

Overweging 8 maart 2020 
Verandering 
Lezingen: Exodus 24, 12-18; Matteus 17,1-9.
Waarom zouden we op de tweede zondag van de veertigdagentijd het verhaal lezen van de transfiguratie? We hebben toch een aparte feestdag voor de Gedaanteverandering van de Heer op 6 augustus. Helemaal zelfstandig buiten welke sterke tijd dan ook. Is de tijd van het kerkelijk jaar van belang voor de interpretatie van de lezing? Zegt het moment iets over de tekst, of de tekst iets over het moment? Ik heb de indruk van wel.
Soms zijn we geneigd te denken dat een lezing uit de bijbel een betekenis heeft vanuit zichzelf, onafhankelijk van plaats of tijd. En voor een deel is dat ook zo. Maar we weten net zo goed dat het iets uitmaakt of een tekst gelezen wordt in een situatie van vrede of van oorlog, bij een uitvaart of een huwelijk. Het verhaal van de uittocht uit Ur van de Arameeër Abraham verteld door een uit Syrië gevluchte Aramese christen heeft een levensnabijheid die voor ons niet voorhanden is.
En zo vergaat het ook de lezing over Jezus die met drie van zijn leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, de berg opgaat en aan hen verschijnt temidden van Mozes en Elia.

In de zomer beschouwen we de lezing meer op zichzelf staand als een openbaringstekst met betrekking tot Jezus persoonlijk. Jezus als de vervulling van wet en profeten. Met een meer exclusief karakter. Uniek in tijd en openbaring. 

In de veertigdagentijd lezen we de tekst in de periode van de opgang naar Jeruzalem, naar het beloofde land.
Dat is een exodus uit de oude mens naar de nieuwe mens,
van ooit geen volk, nu Gods volk.
Een tocht door woestijn naar plaats van leven in overvloed,
een levensweg van bekering en levensvernieuwing.
Een groei van slaafgemaakte naar de vrijheid van het kindschap van God.
En dat moment levert aanvullende betekenissen op. Het verhaal van de transfiguratie is een bijzonder moment op die weg, dat betekenis geeft aan heel die weg. Hierin zien we Jezus misschien meer typologisch, dat wil zeggen als een beeld dat van gelding is voor ons allen.


Sommige ervaringen hebben het vermogen om betekenis te openbaren die iets van het leven inzichtelijk maken en losse stukjes bijeenbrengen in een samenhang. “nu weet ik wie gij zijt. De jongen die ik zag te Woudsend en daarna, nog op dezelfde dag, in een kaffee te Heeg. Ik hoor mijn moeders stem. O dood die waarheid zijt, nader tot u.”  Een gedicht van, toen nog, G.K. van het Reve. Een toevallige ontmoeting, een associatie en bijbehorend gevoel brengen een verzoenende samenhang aan in zijn bestaan die een overgave tot stand brengt, in een gevoel dat het goed is zoals het is.
Nu weet ik wie Gij zijt, zal ook het resultaat zijn van de bijzondere openbaring op de berg. Eerder al had Jezus zijn leerlingen gevraagd: “wie zeggen jullie dat ik ben?” Petrus geeft als antwoord: “U bent de Messias, de zoon van de levende God”. Een belijdenis die hij hier op de berg aan den lijve ervaart.
Deze openbaring is ook een groei in het leerlingschap. Wie is die man die zij volgen en aan wie zij hun leven geven? Het besef wie Hij is, verandert ook hun leven en hun perspectief. Zij volgen niet zomaar een leraar, maar een levensweg, misschien wel DE weg ten leven. De transfiguratie van Jezus transformeert ook de leerlingen. Deelhebben aan een openbaring, aan een mystieke, diepgeestelijke ervaring is altijd transformerend, maakt een ander mens van je.
De alomvattende ervaring die ik had toen ik een jaar of tien was heeft me nooit verlaten.

Meestal word je voortbewogen door de beweging van het leven, en meestal stel je daar niet zoveel vragen bij als het goed gaat.  Maar zo nu en dan, en zeker bij bepaalde omstandigheden en gebeurtenissen die je overkomen, heb je behoefte om te weten waarom het is en waartoe. Waarom overkomt mij dit, wat is er de zin of betekenis van?   Soms kan het maken van een keuze, welke dan ook,  je het gevoel geven iets van de regie over je leven terug te winnen en daarmee de oorspronkelijkheid van je bestaan. Niet langer slachtoffer of voorwerp van je geschiedenis te zijn, maar ook vormgever en eigenaar. Het moment waarop je dat besluit neemt is en een keuze maakt is ook een openbarend en transformatief moment. Ineens beleef je jezelf en ook de wereld op een andere manier. Wanneer je besluit om hulp te zoeken, om op weg te gaan, om het huis van onheil te verlaten, om niet langer slaaf te willen zijn en vrij mens te worden, dan beleef je jezelf en de wereld anders. 
Dat betekent niet dat het dan meteen allemaal goed is. Er is nog een weg te gaan. Vaak een moeilijke weg ook nog. Maar het is een weg vol verwachting, hoop en perspectief.


Op het moment dat we ervaren wie Jezus voor ons is, verandert ons leven. Dat is niets magisch. Het is de transformatieve kracht van de innerlijke belijdenis. Je wordt waar je diep van binnen in gelooft. Dan kan positief en negatief uitwerken. Negatief wanneer je gelooft dat je niet deugt en god geen ander perspectief biedt dan oordeel. Positief wanneer we geloven dat God ons liefheeft en ons graag dicht bij zich heeft. Wanneer we geloven en ervaren dat hetgeen over Jezus wordt gezegd niet exclusief voor hem geldt, maar ook voor ons.

Jezus bestijgt met zijn drie leerlingen de berg als de door Petrus beleden Messias. Hij verschijnt aan hen temidden van Elia en Mozes, de profeet en voorloper van de Messias en de vertegenwoordiger van de wet. Hij is in gesprek met wet en profeten.  Er klinkt een stem; “dit is mijn geliefde kind in wie ik mij verheug”. In beeldende zin kun je zeggen dat Hij in het gesprek met wet en profeten Gods geliefde kind wordt.

Dit zegt veel over de weg van de leerling. In een dialoog, dat is een gesprek met levensbetrokkenheid, met de wet en de profeten worden zij ook geliefde kinderen. Je leven in gesprek brengen met het woord van de eeuwige op een wijze waarop dat woord ons leven beïnvloedt en richting geeft en vormt, maakt ons tot geliefde kinderen.
Dat wij dat in belofte zijn kunnen we ervaren in de viering van de gemeenschap des Heren. In de eucharistie bestijgen we als de mensen die we zijn de berg om te worden wie we zijn in Gods ogen: geliefde kinderen. En deze ervaring van Gods liefde transformeert ons leven. Verandert ons perspectief. Bevestigt ons in de vrijheid van de kinderen Gods. Dat is niet onze verdienste, het is gave. Wie we zijn, zijn we in en door de liefde van de Ander. Dat kan ons fier maken. In de mate waarin wij nieuwe mensen worden vernieuwt zich ook het aanschijn van de aarde.

We kunnen bescheiden zijn ten aanzien van hetgeen we kunnen, om met aartsbisschop Bernd te spreken. Maar we hoeven nooit bescheiden te zijn ten aanzien van wie we zijn als mens, noch ten aanzien van het perspectief van ons leven: we zijn bestemd tot het Godsrijk, ook al leven we nu in duister en verdeeldheid. We zien reeds het licht en de horizon van die nieuwe wereld vanaf de berg van de openbaring. Amen.

 top 


Overweging 1 maart 2020
1e znd 40dt: integriteit


Lezingen: Genesis 2,4b-9.15-17 en 3,1-7; Romeinen 5,12-21; Matteus 4,1-11.
Afgelopen woensdag was Aswoensdag. Voor sommigen na carnaval; voor anderen een dag in de week met veel of weinig betekenis. De kerk vierde het en gelovigen kwamen om het begin van de veertig dagen naar Pasen te vieren. Daarbij werden ze getekend met as. Wellicht hoorden zij daarbij de woorden “Gedenk, mens, dat ge stof zijt en tot stof zult wederkeren”. Een oproep tot deemoed, minstens tot een zekere bescheidenheid in onze menselijke aanspraken. Het herinnert vooral aan de sterfelijkheid en nietigheid van ons bestaan. Dat betreft echter maar een beperkt deel van onze werkelijkheid. En op de keper beschouwd sluit de zin ons leven op in de materialiteit van ons bestaan. Er valt, zeker in gelovige zin, nog wel iets meer over ons te zeggen. De aansporing bij de asoplegging “Bekeer u en geloof in het Evangelie” is meer gericht op de openheid en de heilsmogelijkheid van ons bestaan.
Het besef van onze sterfelijkheid moet worden aangevuld met het geloof in het Evangelie, de blijde boodschap van nieuw leven.

Beide aansporingen samen vertellen iets over de dynamiek waarin ons leven zich afspeelt; een dynamiek die juist in de veertigdagentijd een prominente plaats in het geloofsleven heeft. Een periode van ernstige bezinning met betrekking tot wie we zijn in relatie tot God en de naaste. Met name de lezing uit Genesis en de evangelielezing uit Matteus gaan nader in op die dynamiek van bedoeling en beproeving.

Het tweede scheppingsverhaal vertelt dat God de mens maakt uit het stof van de aarde en hem/haar zijn levensadem inblaast en tot een bezield en levend wezen maakt. Daarmee is de mens iets van de aarde en iets van God. Het geeft de polariteit aan waartussen zijn leven zich afspeelt: tussen hemel en aarde.

Misschien realiseert u zich dat niet altijd, maar het boek van de schepping geeft in het begin het verhaal van de schepping in zeven dagen en daarna het tweede scheppingsverhaal. Het eerste verhaal lijkt een antwoord te geven op de vraag hoe de wereld tot stand komt. Het tweede op de vraag hoe het kwaad in de wereld komt. De tweede vraag is voor de mens, in wie kwaad en goed vermengd aanwezig zijn, natuurlijk veel verontrustender. We kunnen die vraag op grond van het voorbeeldverhaal nergens deponeren dan bij onszelf. Ook al proberen we de ander de schuld te geven of de verantwoordelijkheid bij de omstandigheden te leggen. Als we eerlijk naar onszelf kijken en ons niet voor onze blik en die van God bedekken, weten we dat we niemand anders verantwoordelijk kunnen stellen dan onszelf. Ik spreek daarbij natuurlijk niet over het kwaad waar mensen het slachtoffer van zijn, maar over dat wat tot het eigen handelen te herleiden is. 


In het eerste scheppingsverhaal is sprake van een mannelijk-vrouwelijke eenheid waarin de mens als beeld van God geschapen is en tot aanzijn geroepen. In het tweede wordt de mens die uit het stof van de aarde en de adem van God is gemaakt gedeeld tot man en vrouw. Uit de zijde van de mens wordt een vrouw gebouwd. Man en vrouw vormen samen de vier zijden van de verbondstent waarin God aanwezig is. Het is hiermee nadrukkelijk niet mijn bedoeling de menselijke relatie te verengen tot een dualistische genderbepaling. Gods geest ademt in de mens, maar wie God is komt tot gelding in de menselijke relatie. Wanneer de relationele samenhang van de mens verloren gaat, verdwijnt ook de plek waar God kan huizen. De wezenlijke verbondenheid tussen mensen is de woonplaats van Gods aanwezigheid.
Ook al is dit deel van het scheppingsverhaal in de viering niet gelezen, het is van belang voor de bedoeling van ons mens- en medemens zijn en daarmee ook voor de bezinning in de veertigdagentijd.


In het deel dat we wel gelezen hebben, leren we iets over de wortel van het kwaad tussen mensen. Het begint ermee dat de mens niet wil zijn wie hij is. In zijn verlangen om als God te zijn verliest hij zijn oorspronkelijk mens-zijn. Hiermee raakt hij zijn integriteit en  identiteit kwijt. De oorsprongszonde is de hoogmoed te denken dat hij iets anders zou kunnen zijn dan wie hij is en het gevolg is het verlies van zijn oorspronkelijkheid. Doordat we een ander willen zijn ontstaan jaloezie en hebzucht, competitie en heerszucht, en drijven we weg van onszelf.


Het lijkt me niet goed om deze verhalen historisch te benaderen. Zij willen niet uitdrukken en verklaren hoe het gebeurd is. Als een historisch verslag. Zij doen een poging om te duiden en verklaren hoe de situatie van de mens in elkaar steekt en waardoor dat komt. Niet historisch, maar existentieel. Hoe komt het dat de mens is zoals hij is? Welke mechanismen en verlangens, angsten en emoties spelen daarin een rol? Welke keuzes maakt de mens in de dynamiek van zijn gebondenheid aan de aarde en zijn verlangen die gebondenheid te overstijgen? De beproeving is eigenlijk het beeld (of de projectie) van dat verlangen en de zonde de vrucht van zijn verlangen naar heelheid.  Dat wordt ook duidelijk in het verhaal over Jezus in de woestijn. Als tegenhanger van het verhaal over de mens adam.


Ook Jezus, de nieuwe Adam, wordt beproefd en verleid. Hij bevindt zich in de woestijn van het menselijk bestaan met alle verleidingen vandien. Je zou kunnen zeggen dat Hij zich bevindt in een toestand van gebrek. Hij is afhankelijk van de zorg door anderen (engelen) en leeft op een minimum. Ideale omstandigheden voor bijna elke vorm van verleiding. Wat opvalt in het verhaal is de sereniteit van Jezus’ antwoorden. Hij blijft dicht bij zichzelf. In zijn antwoorden gaat hij niet in op de verleiding noch er tegenin. Hij stelt een norm voor zijn keuzes en handelt dienovereenkomstig. Daarmee maakt hij zich ongrijpbaar voor de bedoelingen en uitgangspunten van de verleiding. Zij hebben geen vat op Hem. Hij gaat niet in op wat zij in het vooruitzicht stellen. Hij overweegt ze niet eens. Hij toont zich als een soeverein mens die bij zichzelf blijft en zijn identiteit niet verloochent. Daar heeft de verleider met zijn argumenten geen vat op. Jezus behoudt zijn geestelijke en morele integriteit doordat hij in de beproeving, anders dan de mens adam, in zichzelf verankerd blijft en daarmee trouw aan zijn bedoeling.


Ook wij leven voortdurend in het krachtenspel van de bedoeling van ons mens-zijn en de beproevingen die een keuze van ons vragen. Ze komen tot ons in zeer uiteenlopende gedaante. Nog een glaasje, want het is toch gezellig. Een euro meer uitgeven voor dat biologische product of niet. Wel of niet geven aan een goed doel. Je mond houden bij onrecht, omdat je bang bent vrienden te verliezen, of gewoon bang bent punt. Meedoen met de stroom, terwijl het niet bij je past, maar ook niet de moed hebben een eigen weg te gaan.
Bij de eerste voorbeelden zal je ziel nog niet in het geding zijn. Maar bij de laatste twee wel. Daar staat je integriteit onder druk. Hoe vaker je in zulke gevallen tegen jezelf in kiest, hoe meer schade je ziel lijdt.


Het optreden van Jezus getuigt van een grote innerlijke vrijheid. Dat van Adam en van ons, het moet gezegd, van een innerlijk bezet zijn. Juist doordat we innerlijk niet vrij zijn, zijn we toegankelijk voor vormen van verleiding. En dan hebben we het nog niet over de beproevingen die ons bestaan bedreigen. Die ons geloof in het leven en het vertrouwen in onze medemensen op de proef stellen. Hoe moeilijk is het daarbij niet om je staande te houden en bij jezelf te blijven, niet moedeloos en verbitterd te raken, teleurgesteld in God en mensen? Om te durven open en weerloos voor God te staan, zonder je te willen bedekken of verbergen.


Het besef van naakt te zijn vormt eigenlijk het moment van bekering. Het besef namelijk dat wij niet zelf in staat zijn ons leven te vervullen, maar dat we de ander en de Ander daarvoor nodig hebben. Wanneer we ons daarvan bewust worden, gaan we open voor de liefde van de medemens en de genade van Godswege. Die vullen aan wat we in onszelf tekort komen en maken ons heel.


Waar het in de veertigdagentijd ten diepste om gaat is de groei in heelheid. Verhalen helpen ons om onze gebrokenheid te verstaan, maar ook om de weg naar een nieuwe authenticiteit te gaan. Om de mens te worden die wij mogen zijn. Dat is niet een weg van plicht en beperking in de eerste plaats, maar een weg van bevrijding en opstanding. Het betekent wel dat we ons leren verstaan in onze gehechtheden, verslavingen en onvrijheid. Dat we begrijpen waar onze zwakheden liggen die ons onvrij maken en afhouden van wie en wat we kunnen zijn. Dat al die verleidingen ons geen goed doen.
Het ontmaskeren van de verleiders die greep op ons willen krijgen en houden, is een niet onbelangrijke stap op weg naar Pasen. Pasen als beeld van de geboorte van de nieuwe mens. Daarmee is vasten een weg en een periode van levensvernieuwing, een kans om meer mens te worden, te groeien in heelheid. Amen.
 TOP 

 

Overweging 23 februari 2020
de juiste maat

Lezingen: Exodus 22, (20)21-26; 1Korintiërs 3, 16-23; Matteus 5, (27-32).33-48.

In onze rechtspraak kennen we het begrip jurisprudentie. Het is een belangrijk mechanisme in het recht naast en als aanvulling op de geschreven wet. Het heeft alles te maken met de rechtvaardige en billijke toepassing van de wet. Deze weken houden we ons in de lezingen, en met name in de evangelielezingen, bezig met de relatie tussen wet en toepassing.

In de lezingen van deze zondagen worden we onderwezen in de wet, als de weg van en naar het koninkrijk der hemelen. We zitten als het ware aan de voeten van Jezus die in de zogenoemde Bergrede tot zijn leerlingen spreekt. Doordat deze zondag in ons rooster de laatste zondag na Epifanie is voor de veertigdagentijd lezen we in dit jaar niet de hele Bergrede. Maar de bedoeling van Jezus wordt toch wel duidelijk. Hij onderwijst in de toepassing van de wet en probeert zijn leerlingen gevoelig te maken voor rechtsnormen, eerder dan voor rechtsregels. Hij citeert geboden en geeft daarbij aan hoe deze op het niveau van de toepassing in zijn ogen geïnterpreteerd moeten worden.   


Uit de opbouw van de Bergrede (Matteus 5,1 -8,1) blijkt waar het om gaat. In het centrum ervan (6,9-13) vinden we de tekst van het Onze Vader, een van de meest vertrouwde gebeden die christenen kennen en waarin Jezus ons leert om God aan te spreken als zijn en onze vader.  Niet zo vreemd dat dit gebed het centrum staat van het onderwijs in de wet. Bidden houdt ons immers dicht bij God en dicht bij mensen. Het Onze-Vader-gebed wordt in de tekst geflankeerd door de begrippen gerechtigheid en barmhartigheid, vergeving en vasten. Het gaat er om een zuiver gevoel te ontwikkelen voor wat recht is en onrecht. Maar ook om regels en wetten met liefde toe te passen, zeker waar de toepassing van een wet tot onrecht leidt. We moeten elkaar niet in schuld gevangen houden, maar bereid zijn om elkaar te vergeven, zowel om onze naaste als om onszelf te verlossen van schuld en wraak. Of, anders gezegd, van aanspraken die we op elkaar hebben. Deze scheppen een ongelijkwaardigheid in onze verhoudingen. We vasten in fysieke en geestelijke zin om in alles de juiste maat te leren houden. Die juiste maat bepaalt namelijk ook de mogelijkheid van deelname aan het leven.
Deze kernwaarden en menselijke eigenschappen van rechtvaardigheid, barmhartigheid, vergevingsgezindheid en maatvoering (matigheid) komen van pas bij de ontwikkeling van ons vermogen tot ethisch handelen. Er is immers niet voor elke situatie een duidelijke regel voorhanden die alleen maar toegepast hoeft te worden. We moeten dan bij onszelf te rade gaan om de juiste keuze te maken. Hoe we in een bepaalde situatie moeten handelen baseren we op Gods liefde en vooral ook op de bedoeling van de relaties tussen mensen en de bedoeling van de menselijke gemeenschap.

Als pendant van Jezus’ leerrede lezen we uit het 22e hoofdstuk van Exodus. Ook hierin worden rechtsnormen en toepassingen voorgehouden aan het bevrijde Godsvolk. Hoofdstuk 22 is een deel van de afdeling van de Thora die deze week voor de Joodse geloofsgemeenschap gegeven wordt, namelijk Exodus 21,1 tot 24,18. De uitgebreide opsomming van normen en voorschriften in deze tekst volgt op de beschrijving van de ontmoeting van Mozes met de Heer.  


In een commentaar op deze tekst schrijft rabbijn Davis Hoffman van het Jewish Theological Seminary in New York: “Sinaï betekent een moment van intimiteit tussen de Jisraëlieten en hun Bevrijder. Als we vervolgens de stap maken naar Misjpatiem (dat is de naam van deze afdeling, en het betekent wetten. Ward.), zouden we wellicht verwachten dat er een uiteenzetting van rituele voorschriften volgt om de bijzondere relatie van het volk met God te reguleren. Het zou  voor de hand gelegen hebben dat nu de rituele voorschriften omtrent tefillien (gebedsriemen W.) en tsietsiet (de schouwdraden of gedenkkwasten. W.), de Sjabbat, de feestdagen of kosjer eten zouden worden geïntroduceerd - voorschriften die uitdrukking geven aan het exclusieve van de relatie tussen God en het joodse volk.
Echter, de eerste wetten die na dat hevige en intieme moment worden uiteengezet, zijn de wetten die tot in detail het gedrag van mensen onderling regelen. De eerste wetten van het Verbond, die onmiddellijk na Sinaï worden gegeven, gaan over de rechten van slaven, het gebod om de vreemdeling niet te onderdrukken, om de weduwe en de wees goed te behandelen, om geen praatjes over andere mensen in omloop te brengen. We krijgen wetten te horen over letselschade, over eigendomsrecht, en een visie hoe de rechtspraak het best kan worden uitgeoefend. Kortom, dit zijn allemaal wetten die de grondslag vormen van hoe wij omgaan met andere mensen (been adam lechavero, intermenselijke verbondenheid. W.). Geen enkele van deze wetten lijkt exclusief betrekking te hebben op de relatie tussen het joodse volk en hun God. Eigenlijk bieden ze een universele morele richtlijn voor het inrichten van een rechtvaardige samenleving”.

Eenzelfde gerichtheid en bekommernis om de menselijke relaties vinden we in de Bergrede. De weg van het rijk der hemelen wordt gesitueerd in de omgang tussen mensen. De gemeenschap van mensen als beeld van het koninkrijk. De centrale positie van het gebed wijst erop dat deze omgang stoelt op de relatie van God met zijn volk, terwijl deze zichtbaar wordt en verwerkelijkt wordt in de menselijke samenleving. Een eenzijdige gerichtheid op de relatie met God en de godsontmoeting is geen excuus voor nalatigheid ten aanzien van de menselijke omgang.
Dit voorkomt een zodanige vergeestelijking van de godsdienst dat geloof zich loszingt van de wereld. Het verzet zich tegen de schoonheid van het spirituele leven en het zich terugtrekken in fijne en esoterische ervaringen. Ook de liturgie met haar vervoering en ervaring van schoonheid en geborgenheid is geen tent om te blijven, maar wel een ervaringsomgeving om bemoedigd en gesterkt te worden voor onze weg door de wereld, waar de mensheid is en haar weedom (om De Kleine Johannes maar te citeren).
Zowel Exodus als Matteus wijzen ons op onze plaats in de wereld en op onze verantwoordelijkheid voor de verbondenheid tussen mensen.


De schoonheid van de geestelijke ervaring en van het raken aan Gods aanwezigheid is een geschenk dat ons geloof versterkt. Het is verleidelijk om daarbij stil te blijven staan, maar het is niet de bedoeling.
Augustinus waarschuwt in de toepassing van zijn regel voor vergeestelijking van de werkelijkheid. Alsof deze wereld er niet toe doet en je alle kaarten moet zetten op een verzaking van de wereld en een ontkenning van de openbaringskracht van onze wereld. Juist in de omgang met mensen is er de mogelijkheid om God te openbaren en ons geloof vruchtbaar te maken. Heel streng zegt hij dat een broeder niet hoog mag opgeven op zijn spirituele vooruitgang zolang hij niet in staat is om een kledingstuk of pen met zijn broeder te delen. Ons geloof toont zich in de praktijk van alle dag.


Jaren geleden bood een aantal theologen, onder redactie van Edward Schillebeeckx, Jean Baptist Metz een bundel aan onder de titel “Mystiek en Politiek” waarin ook dit spanningsveld tussen geloof en daad aan de orde kwam. Wanneer mystiek in zichzelf blijft is ze vruchteloos. Met name ook in het kader van de verlossing van de wereld. De ervaring van Gods aanwezigheid kan niet zonder gevolg blijven voor de politiek, dat wil zeggen voor het publieke handelen. Het publieke handelen oriënteert zich daarbij op de ervaring van Gods aanwezigheid in de wereld en het verlangen daarnaar. Als dóórbreken van zijn liefde en gerechtigheid, het zichtbaar worden van zijn rijk dat de vervulling is van de bedoeling van ons mens-zijn. Zonder de oriëntatie op God en waar deze voor staat is politiek erratisch en opportunistisch, machtsspel, richtingloos.


Het slot van het Matteusevangelie is erg duidelijk als het gaat om de voltooiing van de wereld. Hoofdstuk vijfentwintig wijst met betrekking tot het beoordelen van onze aanwezigheid in de wereld nergens op een exclusieve gerichtheid op God. Het gaat om de liefde voor en betrokkenheid op mensen. De inzet voor de kwaliteit van de mensengemeenschap (lechavero been adam). 

 

Anders dan alle andere goden uit de antieke wereld, en ook de goden in onze wereld die zichzelf alleen maar willen vermeerderen, wijst de God van het verbond alleen naar zichzelf als bron en behoeder van de rechtsstaat van het rijk der hemelen. Als waarmerk voor ons handelen, niet als doel van ons handelen.
Voor de concretisering ervan, voor zover het de menselijke werkelijkheid betreft, verwijst de wet van het leven naar de onderlinge relaties en de omgang tussen mensen. En daarmee naar onze verantwoordelijkheid voor de wereld en voor elkaar. In de Ster van de Verlossing van Franz Rosenzweig staat in het model van Davidster op de lijn die God en mens verbindt de openbaring van zijn liefde en zijn wil. Tussen God en de wereld is de relatie die van schepping. De relatie tussen de mens en de wereld is die van verlossing.

De tempel en de verbondstent zijn één. De ark waarin Gods wet van leven bewaard wordt is het hart van de mensengemeenschap; en de wet wordt in haar vervuld door de geest van God die in ons woont. De aanwezigheid van de Eeuwige is in die tempel waar de wet wordt geleefd. Die tempel is heilig en ongeschonden. De wereld is van ons, met alles wat deze is en zijn kan en te bieden heeft, maar wij zijn van God. Dit principe geeft precies aan waar onze verantwoordelijkheid ligt en onze mogelijkheid. Een mooie opmaat naar de veertigdagentijd, lijkt me zo. Amen.

 top


Overweging 16 februari 2020 

om de wet te vervullen 
Lezingen: Jezus Sirach 15, 11-20; 1Korintiërs 2, 6-11; Matteus 5, 17-26.
“Ik tracht op poëtische wijze dat is eenvouds verlichte waters de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen”. Het is de openingszin van een gedicht uit 1948 uit de bundel ‘Apocrief/De analfabetische naam’ met werk van Lucebert. Het geeft aan dat hij de werkelijkheid niet op een canonieke, gevestigde en geletterde wijze wil benaderen. Hij wil, juist ook met zijn complexe, en mogelijk verwijtbare, achtergrond, proberen het beschadigde leven van na de oorlog met zijn gekantelde normen en waarden in taal en beeld te vatten.
De zin is rijk aan betekenis. De ruimte van het volledig leven wordt niet tot uitdrukking gebracht door gestolde begrippen waarin het leven wordt opgesloten, maar door poëtische, dat wil zeggen creatieve, taal die het leven bevrijdt uit het keurslijf van de normatieve definitie. Het wordt doorgrond door de onmiddellijkheid van de eenvoud die de waarheid ervan uitdrukt en die het leven in zijn volheid aan het licht brengt.   
Het is een mooie zin die veel van doen heeft met hetgeen we lezen in de liturgie.


Aan het begin van de evangelietekst lezen we dat Jezus zegt: “denk niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen”. Hij wil als het ware de gevestigde wetstekst, die op zich abstract is, met zijn leven vervullen. Niet op letterlijke en slaafse wijze, maar op poëtische wijze als creatief vrij mens met een eigen verantwoordelijkheid. Om zo de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen. De wet staat immers in dienst van het leven en is geen doel op zich. En de volheid van het leven is altijd meer dan hetgeen gedefinieerd is. Het geschiedt wanneer we ons op geleide van Gods wet aan de beweging van het leven toevertrouwen, dat ons op alle aspecten van ons bestaan aanspreekt.

Die vrijheid en verantwoordelijkheid komen sterk naar voren in de tekst uit Jezus Sirach. We worden uitgenodigd om te leven overeenkomstig de geboden in eerbied voor God. Maar hiermee kunnen we niet God verantwoordelijk stellen voor onze handelingen. We worden voor de keuze gesteld om de weg van het leven of de weg ten dode te gaan. Vanaf het begin heeft God ons in de macht van de eigen overlegging gelaten, zoals er staat. We zijn vrij in de keuzes die we maken en dus ook verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid kunnen we op niemand afschuiven. Dit is eigenlijk een heel humanistisch mensbeeld. Het legt de verantwoordelijkheid om waarlijk mens te worden geheel bij onszelf.


Leven naar de wet en de vervulling van de geboden is ook de inhoud van het onderricht door Jezus bij Matteus. De hele Bergrede gaat erover om de weg van het koninkrijk te leren kennen. Die weg wordt aangeduid met de wet. En die is duidelijk zou je zeggen: God eren en hem alleen, de dag des Heren onderhouden, ouders eren, niet doden, niet stelen, geen overspel plegen, geen vals getuigenis afleggen en niets begeren van hetgeen je naaste toekomt.
Maar bij nadere beschouwing is het misschien toch iets minder simpel, zoals blijkt uit deze tekst en het vervolg erop. Daar zegt Jezus immers: “er staat geschreven dit of dat, maar Ik zeg je..”. Er is in de geboden ruimte voor interpretatie. Jezus’ uiteenzettingen met de Farizeeën en schriftgeleerden getuigen daarvan. Wat is dan de betekenis van het onderhouden van de sabbat? Wie is mijn naaste? Waar begint overspel? En hier, in onze tekst, wat betekent niet doden?


De tekst zegt ons: “als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de Farizeeën, zullen jullie het koninkrijk zeker niet binnen gaan”. En dat heeft te maken met de houding ten opzichte van de wet en de geboden. Hierin is een groot verschil tussen de benadering van de Farizeeën en van Jezus. We zeggen hierover altijd dat Jezus de wet niet alleen naar de letter uitlegt, maar ook en vooral naar de geest en de bedoeling, het oogmerk ervan.  Waar de wet voor gegeven is. En dat is om de weg van het leven te leren kennen en ons te helpen die weg te gaan. Ook daarin moeten we onze eigen verantwoordelijkheid nemen; geen slaafse navolgers zijn, maar in elke situatie kijken hoe de toepassing van een gebod het leven kan bevorderen. Het doel is duidelijk, maar de weg is eigenlijk een aaneenschakeling van keuzemomenten. Het oogmerk van de wet is dat wij leven hebben en wel in overvloed en in vrede wonen met elkaar en de ons omringende volkeren. Dit doel is van invloed op de keuzes die we dagdagelijks maken.


Farizeeën zijn zeer wetsgetrouw en willen dan ook precies weten wat de geboden voorschrijven om eraan te kunnen beantwoorden. Wat is precies rein en onrein, wanneer bidden en werken, de sabbatsverplichting definiëren, de hoeveelheid tienden en aalmoezen. Heel zorgvuldig. Wat ontbreekt hun dan? Misschien een zekere innerlijkheid, de spirituele component, de persoonlijke existentiële betrokkenheid op het oogmerk van de wet. En dat is nu juist wat voor Jezus en diens geestverwanten zo belangrijk is. De actieve voortdurende bekering om nieuwe mensen te worden door de transformatieve kracht van de bewuste levensnabije toepassing van de geboden uit liefde voor God en de naaste.


Jezus komt voort uit een andere school van schriftuitleg. Even wetsgetrouw, maar gebaseerd op de liefde die God zelf koestert voor zijn volk. Daar past een ander mensbeeld bij. Dat van vertrouwen en compassie. Het gaat ervan uit dat het verlangen van mensen naar het goede diep aanwezig is. De wet en de geboden dienen niet opgevat te worden als restricties. Het is geen nieuw juk, zoals ook de teksten rond de gave van de wet zeggen. De geboden zijn hulpmiddelen, richtingwijzers, piketpaaltjes, wezenlijke oriëntaties. Zij helpen mensen om een werkelijk ethisch leven te leiden.  Het Farizeïsme tendeert naar moralisme, letterknechterij en ontmoedigt de verantwoordelijkheid om in een concrete situatie te handelen naar de bedoeling van de wet. Iets wat Jezus wel nadrukkelijk doet. Hij geneest op sabbat en plukt voedsel. Hij eet met mensen die in strikte zin wetsovertreders zijn en onrein. Om hen weer in de levensgemeenschap te brengen en vrij te maken van de schuld en het oordeel waarin zij gevangen zijn. Dat is geestelijke sabbat.


Geestelijke wijsheid gaat ook bij Jezus nooit om gelijk of ongelijk. Zijn discussies en ook zijn handelwijze spelen zich af op het niveau van de bevordering van leven. Zo ook in het gesprek over het gebod om niet te doden. Geheel in overeenstemming met de school van Hillel (gestorven in het jaar tien van de chr. jaartelling.) die een liefdevolle en ruime interpretatie van de wet voorstond.  Hij was de grootvader van Gamaliel die een belangrijk leider was in het sanhedrin, leraar van Paulus en mogelijk een verborgen leerling van Jezus. Een van de wetsprincipes die op zijn naam staan is “met het oog op het herstel van de wereld”. Een prachtig principe aangezien het verwijst naar onze fundamentele heilsopdracht om de wereld te herstellen. De weg van het koninkrijk gaan is precies dit herstel.


Het sluit aan bij wat Jezus ons wil leren. Bijvoorbeeld aan de hand van de uitleg van “gij zult niet doden”. Wanneer we dat letterlijk opvatten, dan kunnen we rustig achterover leunen. Wie van ons heeft immers iemand gedood, of is van plan dat te doen? Jezus vat het gebod op als een absolute grens, rechtsreeks afgeleid van het verbod op het vergieten van bloed. Maar wanneer we het gebod om niet te doden verstaan in het kader van het beschermen en bevorderen van leven “opdat jullie leven zouden hebben, en wel in overvloed” wordt het anders. Dan omvat het alle handelingen die het in overvloed en in vrede leven van de naaste aantasten. Het voorbeeld van Jezus betrekt het op de namen die we elkaar geven. Naamgeving is immers een belangrijk iets. Taal is belangrijk. Naam en taal scheppen betekenis en dus werkelijkheid. Schelden doet wel degelijk pijn. Aanduidingen als “die vreemdeling, die dief” bepalen de manier waarop we naar iemand kijken. Gesmiespel van “ja, maar helemaal kosher is zij ook niet” zonder zelfs maar een concrete aantijging, is vergif in het bewustzijn van de ander.
Vandaar “iemand die de naaste kwaad toewenst, is strafbaar voor het gerecht”, en “wie de naaste een godloze noemt, is strafbaar tot het gehinnom”, de plaats waar God afwezig is.


Enerzijds is Jezus ruimhartig in de uitleg van de wet, als het gaat om barmhartigheid te bewijzen aan wie gezondigd heeft en terug moet komen in de gemeenschap. Anderzijds is hij heel streng als het gaat om de norm van de gerechtigheid te stellen. Beide zijn gebaseerd op een absolute voorrang voor de zorg voor het leven van de naaste als uitdrukking van de liefde tot God. Zijn uitleg wil bewust ons maken van de draagwijdte en de impact van onze handelingen op onze naaste. En we kunnen daar niet te licht over denken. We hebben veel meer invloed op elkaar dan we veronderstellen. Dat geeft een grote verantwoordelijkheid voor het welbevinden en daarmee het leven van de ander. De weg naar het koninkrijk en de gerechtigheid waar Jezus op doelt stoelen op die verantwoordelijkheid. Een helder ethisch kompas gebaseerd op Gods liefde voor al zijn schepselen. Leven met het oog op het in heelheid herstellen van onze wereld. In vrede en gerechtigheid.  Amen.

 TOP 

 

Overweging 9 februari 2020
licht en zout

Lezingen: Jezus Sirach 32, 14-24; 1Korintiërs 2, 1-5; Matteus 5, 13-16.

We lazen zojuist een gedeelte uit de Bergrede. Niet zelden worden de zogenoemde Zaligsprekingen (gelezen op de vierde zondag) met de Bergrede gelijkgesteld, maar dat is niet juist. De grote leertoespraak van Jezus beslaat de hoofdstukken 5, 6 en 7 van het Evangelie volgens Matteus. Het begint ermee dat Jezus de menigte die hem volgt ziet en de berg opgaat. Het eindigt wanneer Jezus in vers 1 van hoofdstuk 8 de berg weer afdaalt en een menigte hem volgt.
Dit gegeven is eigenlijk meteen al erg interessant. Tussen het bestijgen van de berg en het weer afdalen geeft Jezus onderricht aan het volk met betrekking tot de heilsbelofte van God en de Thora. Het voert ons meteen naar een andere figuur uit de grote verhalen van Israel. Een die ook een berg bestijgt en weer afdaalt. En die zelf op de berg onderwezen is in de Thora van God en daarmee terugkeert naar zijn volk om het de goede weg te leren, namelijk Mozes.
Jezus is binnen deze context de nieuwe Mozes die zijn volk onderwijst in de weg van God en hij doet dat op de berg, die vanouds verwijst naar God en die de plek is van de ontmoeting met God. In de hiernavolgende teksten zal Jezus zich openbaren als de Leraar van de Thora. Een eretitel die verbonden is met een gezagvolle interpretatie van de wet. Een gezag dat Hij ontleent aan zijn relatie met God en aan het getuigenis van zijn leven. En met name uit het getuigenis van zijn woorden en van zijn daden blijkt dat Jezus geen letterknecht is en geen minimalistische interpretatie van de wet geeft. Hij probeert de wet en de voorschriften naar de geest te verstaan. De bedoeling ervan bloot te leggen. Dat levert in sommige gevallen een striktere opvatting van het voorschrift op en in andere een ruimhartige. Zo laat Hij het verbod om te doden slaan op alle handelingen die het leven van de ander nadelig beïnvloeden of onmogelijk maken. Hij laat zien dat overspel al in het hart begint. En hij breidt het ‘naaste’- begrip uit naar vreemdelingen en zelfs naar vijanden. Anderzijds houdt hij zogenoemde zondaars niet vast in hun schuld, maar opent hen naar nieuwe toekomst. In plaats van hen te stigmatiseren brengt hij mensen terug in de gemeenschap.

 

De Bergrede staat aan het begin van de publieke doorbraak van Jezus. In Galilea had Hij al bekendheid verworven en ook uit andere streken trok Hij mensen aan. Net voor de Bergrede heeft Hij zijn eerste vier leerlingen geroepen: Simon Petrus, Andreas, Jacobus en Johannes. Het zijn vooral mensen die geestelijk en lichamelijk ziek zijn en lijden, die van heinde en ver op Hem afkomen voor genezing. Zijn leerlingen en allen die luisteren onderwijst Hij in het Koninkrijk. Eerst bemoedigt Hij hen in de zaligsprekingen en biedt perspectief aan wie nu lijden en aan het kortste eind trekken. Dan spreekt Hij de menigte rechtstreeks aan. Dat is waar onze lezing begint.

 

Tot die menigte mensen van uiteenlopende herkomst, die psychisch en lichamelijk ziek zijn, die door het leven lamgeslagen zijn, en bij Hem genezing zoeken, zegt Hij: “jullie zijn het zout der aarde, jullie zijn het licht der wereld”. Zelfs wanneer dit alleen voor zijn leerlingen bedoeld is, is het een tamelijk opmerkelijke boodschap lijkt me. En ook een explosieve. Het zet vertrouwde verhoudingen op z’n kop. En het laat ook op een bepaalde manier het gevestigde godsbeeld kantelen, waarin voorspoed en gezondheid juist tekenen zijn van Gods goedgunstigheid.

Het wordt immers niet gezegd tot maatschappelijk begenadigde mensen: machthebbers die over anderen beschikken, de gevestigde orde die zich verheugt in haar status, de Schriftgeleerden, als type van hen die het allemaal zo goed weten. Maar tot de mensen die verlangen naar genezing en die uitzien naar toekomst, naar nieuw leven. Jezus’  boodschap komt het meest tot gelding bij hen die, geconfronteerd met de gebrokenheid en onafheid van hun leven, open staan voor heil, in mensen die verlangen naar de concrete doorbraak van het rijk der hemelen. Te beginnen in hun persoonlijk leven.

 

Maar de bedoeling van het optreden van Jezus reikt verder. De genezingen zijn slechts een afbeelding, een teken van het heil waar het echt om gaat. Zoals manna vooruitloopt op de verzadiging van het beloofde land en het brood uit de aarde verwijst naar het hemels brood.
De lering van Jezus staat gericht op de zichtbaarheid van het koninkrijk der hemelen dat in Hem geopenbaard wordt. Net als Mozes wil Jezus deze mensen de weg naar het beloofde land tonen en hun erop voorgaan. En wie zijn betere getuigen van het heil dat hun overkomen is, dan zij die bevrijd en genezen zijn? Zij zijn het levende bewijs van de nabijheid van het Koninkrijk.

 

Dit getuigenis wordt aangeduid met zout der aarde, licht der wereld; het zouden zomaar aanduidingen kunnen zijn voor Jezus zelf. Maar dat is hier niet het geval. Hier slaat het op de hele menigte die uitziet naar toekomst. In heel het volk moet Gods licht aan de dag treden en het hele volk moet de wereld doordesemen. Het sluit aan bij de verbondsopdracht die met de gave van de Thora is meegegeven: het hele Godsvolk heeft een messiaanse opdracht.
En vandaag worden deze woorden ook tegen ons gezegd. Wij zijn het zout en het licht van de wereld, geroepen om de wereld aan het licht te brengen en met Gods woord op smaak te brengen.

Het is immers de inzet van mensen die uit verlangen naar vrede en gerechtigheid en naar levensmogelijkheden voor ieder, de samenleving betekenis geven in het kader van het koninkrijk en haar in het licht van dat visioen stellen.
Niet degenen die met hun handelwijze het onrecht in stand houden en de wereld in duisternis dompelen. Het koninkrijk der hemelen komt aan het licht in mensen die gericht staan op een nieuwe wereldorde. Hun tranen en hun verlangen vormen het zout der aarde. In hun ogenschijnlijke onmacht verkondigen zij een grotere wijsheid dan macht en hebzucht. En hun geweldloos protest heeft meer toekomst dan de wapens van revolutionairen. Zij leggen de situatie bloot waarin onze wereld zich bevindt, daar waar het povertjes afsteekt tegen het ideaal van vrede en gerechtigheid.
Hun levenshouding wordt gedragen door de wijsheid en de levenswijze van het koninkrijk, die anders zijn dan de wijsheid en de levenswijze die gangbaar zijn in onze wereld. Het onderricht van de Bergrede heeft als doel dat onderscheid duidelijk te maken, hetgeen bevestigd wordt door de woorden uit Jezus Sirach en die van Paulus. Samenvattend sporen dezen ons aan om te leven in eerbied voor Gods Naam en waar die Naam voor staat, in navolging van Jezus Christus. Dat doen we niet op eigen kracht en uit eigenbelang, maar in vertrouwen op de kracht van de Geest, opdat geen van ons roemt op zichzelf, maar alleen aan God de eer brengt. God eren in de mensen die we ontmoeten en in het werk dat wij doen, is de weg van het leven gaan die leidt naar het beloofde land.

 

Dat is een kwetsbaar geheel. Wanneer we geloven in Christus en zijn weg gaan, worden we een stad op een berg genoemd. Het is de nu al zichtbare Stad Gods. Voor allen te zien. Dat geeft een verantwoordelijkheid ten opzichte van onszelf om onze daden in overeenstemming te laten zijn met ons geloof. Want anders zou door een tegenstrijdige levenswandel de Naam van God geschaad worden. We zingen dat ook uit in lied 820: “Maak ons volbrengers van dat woord…opdat wij niet door onze strijd uw goede trouw beschamen.” Want dan worden wij als gelovigen, en via ons ook God, ongeloofwaardig. Terwijl het onze roeping en taak is om te werken aan het herstel van het verbond en van de wereld. Dit herstel is het koninkrijk.

De stad op de berg waarnaar in het evangelie verwezen wordt is natuurlijk Jeruzalem als concrete stad, maar tegelijk ook als beeld van het hemelse Jeruzalem, stad van God, stad van vrede.
Als gelovigen maken we daarvan deel uit. Wij van de aarde zijn op weg naar, maar maken tegelijk ook deel uit van de stad van God. De stad van God (de hemel, het koninkrijk) is een werkelijkheid die de onze doordringt.  Wij zijn Jeruzalem, zowel in haar gebrokenheid als in haar glorie. Niet altijd in ons kunnen, maar wel altijd in ons verlangen verwijzen we naar het Jeruzalem waartoe God ons roept.


Ons geloof maakt ons niet beter dan anderen, want het is geen verdienste dat we mogen en kunnen geloven. Maar het schept wel een inspanningsverplichting om ons leven dicht bij God te houden door de navolging van Christus. Daardoor delen we in zijn licht en zijn geest. Ons verlangen opent ons daarvoor en laat zien dat we geen genoegen nemen met “zoals het nu eenmaal is”.  Op die manier kunnen we toch ook een beetje zout en licht zijn voor de wereld waarin we leven die nood heeft aan licht en vrede. Amen.

 top

  

2020 02 02 Opdracht van de Heer in de tempel
Vervulde hoop


Lezingen: Maleachi 3,1-4; Hebreeën 2,14-18; Lucas 2,22-40.
De Evangelietekst van vandaag vind ik een van de ontroerendste uit de lezingencyclus. We vieren de opdracht van de Heer in de Tempel, en dit feest, op de veertigste dag van Kerst, hoort nog helemaal bij de openbaring van de betekenis van de geboorte van Jezus.
In de NBV-tekst lezen we dat Maria en Jozef naar de tempel gaan om Jezus aan de Heer ‘aan te bieden’. Een betere vertaling dan het oudkatholieke “voor te stellen”. Het betreft de veertigste dag na de geboorte van Jezus. Daarmee eindigt de periode van rituele onreinheid voor de moeder na de bevalling van een zoon. Bij de geboorte van een meisje duurt die periode twee keer zo lang. Zie daar het expliciete seksisme in de Schrift.  Maria zou normalerwijze als vrouw onder de wet naar een ritueel bad in de buurt gaan. Maar in het verhaal gaat zij naar de tempel. Jezus moet immers naar de tempel worden gebracht.
Daarmee vervullen zij een heel belangrijk gebod dat verbonden is met de meest dramatische gebeurtenis uit het vroege leven van het volk Israël. Elke eerstgeborene, wanneer het na een maand levensvatbaar blijkt, moet opgedragen worden aan de Heer. Dit gaat terug op het begin van de uittocht uit Egypte. De bevrijding van het volk uit het slavenhuis is niet zonder slag of stoot gegaan. Het kostte heel wat om farao te overtuigen om de Israëlieten te laten gaan. Misoogsten, ondrinkbaar water, muggen- en sprinkhanenplagen, de pest. En tenslotte de dood van alle eerstgeborenen. “Er was geen huis zonder dode” staat in Exodus 12,30. Wat een prijs voor bevrijding! Een prijs die op sommige plekken van de wereld nog steeds betaald wordt.

Deze prijs, het bloed van de eerstgeborenen van Egypte, vormt een ereschuld voor Israël. Daarom zegt de Heer tegen Mozes al voor de uittocht, in hoofdstuk 13 vers 2 van Exodus,  “Wijd alle eerstgeborenen aan Mij; alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe”. En verderop staat: “En als uw kind u later vraagt wat dit betekent, dan moet u zeggen: ‘De Heer heeft ons met krachtige hand uit Egypte geleid, en toen farao halsstarrig was heeft Hij hem geslagen in de eerstgeborenen. Daarom koop ik al het eerstgeborene van het mannelijk geslacht vrij”. Dit is een instelling en gedachtenis voor alle generaties. Om te gedenken dat hun vrijheid gekocht is met het bloed van de eerstgeborenen van het volk dat hen onderdrukte.  

Het aanbieden van Jezus in de tempel is dus Pesachgedachtenis. Daarin loopt het vooruit op zijn exodus en doortocht in zijn kruisdood. Hij is immers zowel offerande, hogepriester en de nieuwe tempel. Hij is datgene waar de tempel voor staat: woonplaats van de aanwezigheid van de Allerhoogste. Hij geeft zijn leven als Eerstgeborene voor alle eerstgeborenen uit het geloof. Hij zal echter ook een nieuwe tempel bouwen. Niet van steen, maar van levende stenen.
Voor mij spelen al deze aspecten mee in de scene die ons hier in het Evangelie wordt verteld. Mede door het ontroerende getuigenis van Simeon en Hanna is het is een tekst die opgaat naar het hart, om een Joodse uitdrukking te gebruiken.


We vinden het verhaal aan het begin van het Lucasevangelie voorafgaand aan de publieke doorbraak van Jezus die een begin neemt met zijn optreden in de synagoge van Nazareth. Daar leest Hij de Jesajatekst over het jubeljaar, een jaar van verlossing waarin schulden worden kwijtgescholden, slaven vrijgelaten, lammen lopen en blinden zien, want het is, zoals er staat, een genadejaar voor de Heer. De tekst die Jezus leest begint met: “De Geest van de Heer rust op mij, daartoe heeft Hij mij gezalfd”. En Jezus beëindigt de lezing met de uitspraak: “Vandaag is dat Schriftwoord in vervulling gegaan”.  De beschrijving die Lucas geeft van de jeugd van Jezus en van de aanloop tot zijn openbaar optreden staat geheel in het teken van de heilige Geest. Lucas hecht er kennelijk groot belang aan om duidelijk te maken dat het Gods Geest is die in Jezus werkzaam is. Door Gods toedoen wordt Elisabeth, de verwante van Maria, zwanger van Johannes, de voorloper van Jezus. Door Gods toedoen wordt Zacharias met stomheid geslagen tot hij met een profetisch lied de mond weer kan openen. Maria wordt overhuifd door de heilige Geest en draagt vrucht. Elisabeth, vervuld van de heilige Geest, spreekt haar aan als de moeder van haar Heer.  Vol van Geest zingt Maria haar messiaanse profetie in het magnificat. Een lied waarin de verwachtingen van Israël doorklinken die al door Hanna, de moeder van Samuel, waren geuit. Vervuld van de heilige Geest zingt Zacharia de lof van God die een redder heeft verwekt, en noemt zijn zoon Johannes, dat betekent `God is genadig’,  en noemt hem ook profeet van de Allerhoogste. Johannes zelf groeit op in de kracht van de Geest die ook zijn latere optreden kenmerkt. Hij identificeert Jezus als de Messias, als degene die doopt met heilige Geest. Als net 12-jarige bar mitzwe vinden we Jezus rond Pesach in de tempel in een leergesprek met rabbi’s waarin Hij getuigt van zijn geestelijke ontwikkeling. De heilige Geest komt op Hem bij zijn doop. Vol van heilige Geest verblijft Hij in vervoering in de woestijn waar Hij op de proef wordt gesteld. In de kracht van de Geest keert Hij terug naar Galilea waar Hij onderricht geeft. Daar komt Hij ook in de synagoge van Nazareth, de plaats waar hij was opgegroeid tot een, volgens de woorden van Lucas, wijze volwassen man die in de gunst stond bij God en bij mensen. En daar spreekt hij ook de woorden die hierboven zijn aangehaald.
De eerste hoofdstukken van het Lucasevangelie verhalen over één grote beweging van Gods Geest die het heil voor en door mensen bewerkt, profetische mensen, mensen die open staan voor de werking van Gods Geest, die ervan vervuld zijn. En die daarvan getuigenis afleggen. Aan het begin van de Handelingen van de Apostelen vertelt Lucas hoe diezelfde Geest de leerlingen bezielt tot getuigenis en verkondiging.
Dit is het kader waarin de opdracht in de tempel staat.


Hier ontmoeten we de figuren van Simeon en Hanna. Mensen op leeftijd, gelouterd door het leven en beproefd  in hun jarenlang volgehouden verwachting. Hanna, een profetes, die biddend en vastend in de nabijheid van God verblijft en over God spreekt tot hen die de verlossing van Jeruzalem, beeld van duurzame vrede, verwachten. Juist daarin is zij profetes; zij verkondigt hoop aan mensen die heil verwachten en sterkt hen met haar geloof. Zij die ogenschijnlijk zelf in menselijke zin weinig te verwachten heeft. Weduwe na een kort huwelijk, blijkbaar kinderloos en bijna 84. Maar zij kijkt uit naar toekomst, een toekomst die haar overleeft, maar waarvan zij wel degelijk deel uitmaakt. Dat is haar kracht. Zij verbindt haar leven en verwachting met de toekomst van Israël en met allen die de verlossing van Jeruzalem verwachten. Het aardse Jeruzalem als spanningsvolle  afbeelding van de messiaanse werkelijkheid.
Met Simeon vertegenwoordigt zij heel het gelovige Israël, mannen en vrouwen die leven in hoop. Simeon wordt in de tekst van de lezing een rechtvaardige en godvrezende genoemd. Nu is godvrezende eigenlijk niet zo’n goede term, omdat die ook gebruikt wordt voor een niet geboren Jood die in God gelooft. Beter is het om hem rechtvaardig en vroom te noemen, een tzaddik en chassid. Iemand die in zijn daden en in zijn hart God aanhangt en innig met hem leeft. Deze mensen staan hoog in aanzien. Hij leeft in de verwachting van de vertroosting van Israël en heilige Geest rust op hem. De verwachting die in hem leeft  is juist een teken van die Geest. En hij heeft een woord ontvangen dat hij in zijn dagen de Messias, de gezalfde van de Heer, zou aanschouwen. De ontmoeting met Jezus doet zijn hart overlopen in de woorden van zijn lied. Zijn leven is vervuld. Hij heeft het licht aanschouwd. Dat is nog eens iets anders dan een voltooid leven waarin geen licht meer is.

Uit de woorden van Simeons lied blijkt dat Jezus als Messias niet alleen de glorie van Israël is, maar ook het licht voor de volken. Met andere woorden, zijn menswording heeft betekenis voor de menswording van alle mensen. En…voor de menselijkheid van de hele bewoonde wereld.


Het is precies deze allen omvattende betekenis van de Messias die Simeon en Hanna herkennen. De belofte was aan Israël gegeven, opdat het een teken en licht zou zijn voor de wereld. Het is niet de bedoeling dat het een exclusief heil zou zijn, maar een exemplarisch heil als teken van hoop voor de volken die ook verlangen naar heil en redding en verlossing. God is niet eenkennig. In de oudere profetische geschriften en in de verkondiging van Jezus zien we een God die open staat voor ieder die zich tot Hem wendt en die geen schepsel uit zijn liefde laat vallen.

Een God die zo liefheeft en zich zo toegankelijk wil maken, kan niet worden toegeëigend. Kan niet worden opgesloten in maar één belijdenis. Hij/ Zij is immers bron van licht en heil voor alle mensen en alle volken, tot de einden van de aarde. Maar niet op een koloniserende manier. De God die we belijden is niet exclusief van ons (en ook niet, ik wil dat toch zeggen: exclusief van Joden of moslims). We zijn geroepen om van Hem te getuigen door de Geest die in ons is. Maar we mogen en kunnen onze God niet claimen. God is voor ons, maar niet van ons. Wij zijn van God, maar God is niet van ons. We zullen zijn liefde moeten delen. Alleen zo kan ZHij onze God zijn als de God die er voor alle mensen wil zijn.


De waarheid van hetgeen we geloven zit niet in onze theologie, niet in onze kerk, maar in ons getuigenis. Een getuigenis die het niet alleen bij woorden laat, maar die tot daad komt. Een getuigenis en een geloof die zich in de wereld realiseren en dagelijkse werkelijkheid worden. Zoals in Jezus zelf die vervuld van Gods Geest zich aanbiedt aan ons als de uit levende stenen opgebouwde tempel in de Geest. Opdat wij worden wat we zijn: zichtbaar teken van Gods liefde, woonplek van de Allerhoogste. Licht voor de wereld.  Amen.

 top

 

Overweging 26 januari 2020 
plek van vertroosting 

Lezingen: Jesaja 49, 1-7; 1Korintiërs 1, 1-9; Matteus 4, 12-22.
We kijken altijd met de bril van nu naar ons verleden. Met een beetje geluk kunnen we iets van vroeger terugervaren, zoals het was, maar dan nog. Meestal is het toch gekleurd door vermenging van ervaringen en het huidige levensgevoel. Soms construeren we het verleden om het laten passen bij het nu. We laten dingen weg of onderbelicht en halen andere dingen naar voren al naargelang het doel van het verhaal. Feiten vinden plaats in het nu, de betekenis en interpretaties komen erachteraan. Zij zijn fluïde en kunnen veranderen door latere ervaringen en ontwikkelingen. En zo ontstaat het levensverhaal.

Zo is het ook met het verhaal van en over Jezus. Er zijn weinig tot geen feiten. Maar er zijn wel betekenissen. Zijn verhaal wordt ons verteld door de bril van het geloof in zijn opstanding. Door de bril van Pasen. Vanuit het geloof dat hij die door de dood is heengegaan, leeft. Zijn verhaal wordt verteld als het verhaal van de Levende, de beloftegestalte van Israel. Het is geen geschiedenis, maar reflectie, interpretatie en verduidelijking. Veel belangrijker dan de vraag naar wat er feitelijk heeft plaatsgevonden is de vraag naar wie Hij is. Zijn betekenis voor ons en voor zijn tijdgenoten en leerlingen is gegeven in het belijden van wie hij is. De verhalen vertellen ons over de exodus van Jezus en onze intocht in het beloofde land. Zij staan voor het ware en goede leven van het rijk der hemelen.


In de kersttijd zijn in de openbaringsverhalen twee elementen prominent aanwezig. Licht en water. De teksten over de doop van Jezus, de bruiloft van Kana en de roeping van de vissers worden omsloten door het licht van de geboorte en de opdracht in de tempel. Het licht der wereld brengt het koninkrijk der hemelen nabij, maar de weg gaat door het water van het sterfelijk leven. Doop en gedaanteverandering van water in wijn verwijzen naar het Pasen van de Heer. Hij dompelt zich in ons sterfelijk leven om er als de Leven bij uitstek uit op te staan. Hij verandert het water van ons sterfelijk bestaan in een leven dat blijvend is. Het roepingenverhaal richt de camera op de leerlingen, en via hen op ons.


Deze week hoorde ik een mevrouw een deel van haar levensverhaal vertellen. Zij was met haar geliefde op vakantie om hun relatie te vieren en samen hun dromen en verwachtingen voor hun gezamenlijke toekomst te delen. Het was rond kerst en zij waren naar een ver en warm land gegaan waar zij een huisje bij het strand bewoonden. Op tweede kerstdag stond zij voor het raam, haar man was nog binnen, toen zij voor zich een donkere muur zag opdoemen. Het was in 2004 in Thailand. Het volgende moment was zij overspoeld en bevond zich richtingloos in een kolkende massa water. Hoe weet zij nog niet, maar kort daarna werd zij vastgegrepen en naar binnen gehaald in een hotelkamer op de derde verdieping van een gebouw. Zij was door een Thaise man uit het water getrokken en gered van de dood. Je zou van een afstand kunnen zeggen dat het een gelukkig toeval is geweest. Zij zelf zal het eerder een wonder noemen.


In lijn met de duiding van water als sterfelijk leven moeten de leerlingen vissers van mensen worden, dat zou dan betekenen dat zij hun medemensen moeten redden van de dood, uit de dood tevoorschijn brengen, zoals vissen in het net. Jezus, God redt, brengt deze boodschap en geeft die opdracht aan zijn eerste leerlingen in Kafarnaum, dorp van de troost, aan de oever van het water van het meer van Tiberias. In de opdracht aan de leerlingen die zo delen in de zending van Jezus komt de nabijheid van het rijk aan het licht. Wanneer Gods heilsliefde zich uitstrekt over de hele aarde, over alle mensen, moet ook ieder zich inspannen om de dood te keren, die zich op alle niveaus voordoet.


Redden uit de dood klinkt natuurlijk op het eerste gehoor als een onmogelijke taak. Toch sluit het nauw aan bij het gebod om niet te doden. Van Jezus is bekend dat hij de geboden maximaal interpreteert. Dat is het tegenovergestelde van minimaal. Het gebod betekent voor hem en voor de andere leraren uit dezelfde school zoveel meer dan de letter volgen. Voor Jezus betekent het dat je alles doet wat het leven van de naaste bevordert en alles nalaat wat het leven van de naaste kwetst of schaadt. Zo kent de dood vele gezichten. Jezus zegt: “als je iemand een ongelovige noemt dan ben je strafbaar voor het hoge gerecht”. Kwaadspreken, iemand in diskrediet brengen, de goede naam van een persoon beschadigen vallen alle onder het centrale gebod om niet te doden. Iemand een onveilig gevoel geven, de aantasting van de lichamelijke integriteit, vernedering, pesten vallen onder hetzelfde gebod.


Dit maakt duidelijk dat het rijk der hemelen, het domein van het goede leven, eigenlijk heel dichtbij is. Net als het woord dat God ons geeft is het nabij, in ons hoofd en in ons hart. Om het te doen, om het te vervullen met ons leven. En zo is het ook met het koninkrijk. Het is geen onmogelijk hoog ideaal, onbereikbaar en veraf. Dat zou immers alleen maar ontmoedigen. Het is geen staatsconstruct, geen objectieve werkelijkheid, maar een relationele werkelijkheid. Het zit hem in de wijze waarop wij met God en medemens omgaan. Het rijk Gods is in die zin een voortdurende uitnodiging en uitdaging om te groeien in menselijkheid.

Ook in dit evangelie spreekt het licht in de duisternis. Jezus treedt op in het Galilea van de heidenen. De nabijheid van de getrouwe getuige van het koninkrijk roept op tot bekering, tot levensverandering. Een noodzaak die voor ieder geldt. We moeten ons steeds opnieuw bekeren om vissers van mensen te worden.
De betekenis van die roeping reikt veel verder dan wat in het algemeen hierover wordt begrepen. Het gaat niet om het vissen en in de netten halen van gelovigen, van bekeerlingen, niet om zieltjeswinnerij. Zelfs niet om de kerk. Dat is veel te plat. Het gaat erom onszelf en anderen te behouden voor het leven. Om mensen de weg van het leven te leren kennen. Tegenover zo’n roeping staat geen aarzeling en zij laten dan ook terstond hun netten in de steek om Jezus na te volgen en te delen in zijn reddingswerk.


Uit zijn aard kan het koninkrijk niet beperkt blijven tot een selecte groep. Daarin is immers geen recht en geen vrede. Het is noodzakelijkerwijze inclusief en universeel. Geen mens mag in het doodswater blijven spartelen.
Alle volken tot het einde der aarde zijn begrepen in het heilsplan van God. Niet om mensen  religieus te koloniseren, maar om de universele verbondenheid van de mensengemeenschap aan te duiden. Om aan te geven dat er een eenheid van heil en redding is. Dat het dus niet kan dat één volk gered wordt en het andere niet, omdat het strijdig is met de principiële eenheid van de mensheid in relatie tot Gods scheppende en herscheppende liefde. Daarom is het redden van mensen zonder aanzien des persoons. Het gaat om de nood waarin iemand verkeert, geestelijk, fysiek of sociaal, en niet om de mens die hij is (of die wij denken dat hij is). We hebben immers allen nood aan bevrijding en verlossing. En we worden niet zonder elkaar verlost.

We zouden kunnen beginnen te leren op een minder competitieve manier met verschillen van inzicht, met conflicten om te gaan. Een verschil van inzicht is geen aanleiding voor machtsspelletjes, krachtmetingen. Maar een uitnodiging om samen te onderzoeken hoe de geest in ieder spreekt ten dienste van het geheel, de groei van het koninkrijk. Het zou al een geweldige vooruitgang zijn wanneer we daarin zouden slagen in onze directe kleine verbanden en ook op de grotere schaal van wereldconflicten.

Dat is geen eenvoudige gedachte. We moeten niet naïef zijn, maar wel vertrouwen hebben. Klein durven beginnen, tegen de stroom in durven gaan. Ons niet laten verlammen door de gedachte dat het toch allemaal niets uithaalt.

In navolging van de eerste leerlingen van Jezus zouden ook wij bereid moeten zijn om zonder aarzelen de hand aan de ploeg te slaan (ook al is dit weer een andere tak van nijverheid) en elkaar zonder aanzien des persoons te redden van de dood en van al wat daartoe leidt. Ervan overtuigd dat we de weg van vrede met elkaar moeten gaan, en anders  gaan we helemaal geen weg van vrede. We kunnen mensen niet uitsluiten, hoe afschuwelijk zij ook zijn. Dat is erg moeilijk. Het geldt voor landen, voor bepaalde machthebbers, politici, maar ook dichter bij huis voor collegaas, voor onze familie.
We kunnen ervoor kiezen gevangen te blijven zitten in het troebele water van wij en de rest, van uitsluiting en discriminatie, jaloezie, ruzie en verwijdering. Maar omwille van het koninkrijk der hemelen zullen we elkaar de reddende hand moeten reiken om elkaar uit het moeras van onrecht en de doodswateren van oorlog en haat te trekken. Omwille van de lieve, lieve vrede die niet de ogen sluit, maar aan het licht brengt. Daar zien de volkeren reikhalzend naar uit en daartoe zijn wij allen geroepen. Amen.  
  top

Overweging 12 januari 2020 
Gedoopt in waarheid en gerechtigheid    

Lezingen: Jesaja 42, 1-9; Handelingen 10, 34-38; Matteus 3, 13-17.
De vraag die we bij herhaling horen stellen naar aanleiding van het optreden van Jezus is: Wie is die man toch? Met welk recht doet hij wat hij doet? Niet alleen gesteld door de directe  leerlingen, maar ook door anderen in de omgeving van Jezus. De mensen die zich in hun nood tot hem wenden, de gevestigde orde van priesters en schriftgeleerden. Zelfs bijwoners en vreemdelingen uit de volken. Allen die met Jezus in contact komen of over hem horen willen antwoord op die vragen.  Misschien kun je daarom wel zeggen dat het overgrote deel van het Nieuwe Testament bestaat uit duidingsverhalen die proberen te onthullen en verhelderen wie Jezus is.
Het gaat daarbij niet alleen om strikt biografische gegevens, maar vooral om de plaats en betekenis van deze Jezus in relatie tot de heilsverwachting van Israel en de vervulling van het verbond. Het zijn theologische duidingsverhalen die de hele mondelinge en schriftelijke traditie meenemen.  De vertellers en schrijvers zijn daarbij bevooroordeeld. Zij kijken naar Jezus en schrijven over hem vanuit geloof, het geloof dat in hem God aan het licht komt. En wel zo dat zij hem Heer, koning, Messias, Zoon van de Allerhoogste noemen.
Op grond daarvan zou je kunnen zeggen dat dit gegeven alle verhalen over hem relativeert. Maar beter is het om te zeggen dat het alle verhalen relateert aan geloof en in relatie zet tot de universele belofte die in Israel wordt geopenbaard.
Wat in Jezus aan het licht komt heeft betekenis voor de wereld en voor alle mensen. En dat is ook precies wat de openbaringsverhalen van de kersttijd beogen te zeggen.


De evangelietekst speelt zich af aan het begin van het openbare leven van Jezus. Het is de periode waarin hij zich openbaart aan zijn volk. We zijn getuige van de ontmoeting met Johannes die De Doper genoemd wordt, een achterneef van Jezus.
Johannes preekt in de woestijn een doop van bekering. Hij zal zeker tot een meer radicale en verinnerlijkte geloofsgroepering binnen het Jodendom behoord hebben. Hij leeft als een vroege heremiet in de woestijn. Wars van alle uiterlijke vervulling en letterknechterij gaat het hem om waarachtige bekering en een oprecht innerlijk geloof. Ook al wordt hij gezien als een groot profeet, hij geeft niets om macht en aanzien. Zijn onkreukbaarheid zal hem later letterlijk de kop kosten.
Door zijn opmerking tot de farizeeën en sadduceeën die naar hem toe komen, zet hij zich af tegen een al te gemakkelijke geloofshouding. Hij zegt namelijk: “breng maar liever vruchten voort waaruit jullie bekering blijkt en denk maar niet dat het voldoende is om te zeggen wij zijn toch kinderen van Abraham”. Met andere woorden: het is niet voldoende om het geloof met de mond te belijden of erop prat te gaan dat je de ware godsdienst vertegenwoordigt of een telg bent uit het uitverkoren volk, erfgenaam van de belofte. Dat zal ook moeten blijken uit je daden. Het feit dat je een bijbelgeleerde bent, zoals de farizeeën, of uit een priesterkaste stamt, zoals de sadduceeën, is geen garantie en ook  geen legitimering om op je lauweren te rusten.
Johannes is daar behoorlijk strak in, maar staat open voor mensen die serieus zoeken naar bekering en gelovig leven. Enerzijds het doorprikken van hypocrisie en anderzijds een weg banen voor mensen die oprecht verlangen naar verlossing.


Geen wonder dat Jezus zich daarin herkent en dat hij zich in dit milieu openbaart. Ook hem gaat het immers om de geest van de geboden en om een authentieke geloofshouding. Om innerlijkheid en waarachtigheid. Maar er komt voor hem nog wat bij. Namelijk het perspectief van die bekering. In Jezus is meer aan de hand. Daarom ook zegt Johannes dat Degene die na hem komt zoveel krachtiger is dan hij en dat hij niet waardig is hem maar met zijn schoeisel te helpen. In de tekst horen we hem zeggen “ ik behoor door jou gedoopt te worden en je komt naar mij toe?” Maar Jezus gaat in tot de doop om iets van de essentie van zijn leven te openbaren. Waar Johannes een doop van bekering predikt, openbaart Jezus een doop ten leven. Niettemin laat Jezus zich dopen door Johannes, omdat bekering de sleutel is tot het leven en een voortdurende inspanning vraagt.

Tegelijk verandert Jezus de betekenis van de doop. Hij ondergaat een andere doop dan de doop van bekering. Hij is als rechtvaardige geboren en Gods geest rust al op hem.
Water is een symbool van leven, maar hier vooral van het sterfelijke leven.  Daarom is water ook vaak het symbool van de dood. Jezus dompelt zich onder in dat water, het water van het sterfelijke leven, ons leven, om daaruit terstond, zoals de tekst zegt, op te staan. De dood houdt hem niet vast, hij staat eruit op als de Levende. Zijn doop loopt vooruit op zijn verrijzenis.
Datzelfde wordt gesymboliseerd bij het bruiloftsmaal in Kana, het vierde openbarings- feest van de kersttijd. Daar wordt het water van het sterfelijke leven veranderd in de wijn van het eeuwig leven.

Hier ondergaat Jezus in de doop zijn menswording, zijn dood en zijn verrijzenis op symbolische wijze als een samenvatting van zijn leven. Een leven dat onder het teken staat van Gods Geest en bekrachtigd wordt vanuit de hemel wanneer een stem klinkt (de stem die klinkt is het bijbelse teken van Gods aanwezigheid), die zegt “jij bent mijn geliefde kind”.

Deze doop van Jezus verandert het voorteken van ons leven. Het staat  hierdoor niet langer in het teken van de dood, maar van het leven. Het brengt een essentiële verandering in de betekenis van ons leven teweeg. In de doop gaan we van de dood naar het leven. God heeft in het teken van de menswording ( dit zal u een teken zijn: gij zult een kind vinden in een kribbe ) het perspectief van ons leven voorgoed veranderd, ons leven gekeerd, van de dood afgewend naar het leven.
Wanneer wij in Christus worden gedoopt, worden wij ook gedoopt in zijn dood en verrijzenis en staat ons leven in het teken van zijn Geest waarmee wij worden gezalfd. In die doop klinkt ook over ons de Stem. Niet de stem van het gebroken paradijs die zegt “mens waar ben je?”, niet de stem van het oordeel, maar de stem van het hersteld verbond die tot een getuigenis voor de wereld zegt “dit is mijn geliefde kind”.
En dat is een geweldige uitgangspositie voor het leven.


Nu zegt de Stem nog iets meer in het verhaal. De wetenschap geliefd te zijn is één ding, maar dat God ook behagen schept in zijn kinderen is een ander ding. Over Jezus worden beide dingen uitgesproken: “je bent geliefd en ik heb behagen in je”.
Gedoopt worden zou voor ons ook mogen beteken dat je als mens wordt wat er over je is uitgesproken en dat je als geliefd kind van God ook een leven leidt waar God plezier aan kan beleven. Daar hoeven we ons niet voor in allerlei moeilijke bochten te wringen. Het betekent wel dat we op een of andere manier, als de mens die we zijn, messiaanse mensen worden en leren leven in waarheid en gerechtigheid.
Dat wil zeggen dat wij durven geloven in de belofte van een ongeschonden wereld, een onbedreigd bestaan, in het perspectief van het rijk Gods.  Mensen die leven in hoop en vertrouwen en die van daaruit handelen in de wereld, als teken van het kind zijn van God. De waarheid van het leven van Jezus en dientengevolge ook de waarheid van ons leven is erin gelegen dat het verwijst naar het koninkrijk der hemelen, het rijk van God en diens gerechtigheid.


Wat dat voor het leven van de wereld kan betekenen lezen we bij Jesaja die spreekt over de messias als de dienaar van God. De profetische tekst spreekt hier niet  in termen van koningschap en bijzondere machtsuitoefening. Die teksten horen we wel bij het feest van de geboorte. Maar hier gaat het over het optreden van de messias als de dienaar van God en mensen. Over wie de tekst bij monde van God zegt: ´mijn uitverkorene in wie ik welbehagen heb, op wie ik mijn geest heb gelegd. Hij zal de volken het recht openbaren`. Deze messias is zachtmoedig, vol mededogen, heeft oog voor de kwetsbaren en wil het recht op aarde vestigen. Geen recht dat kromme verhoudingen in stand houdt en legitimeert, maar recht naar waarheid. De waarheid van onze bestemming, van de belofte van verlossing, van universeel heil dat alle mensen gelijkelijk omvat, zonder aanzien des persoons. Kortom de waarheid van het nieuwe koninkrijk.
In de tekst klinkt de messiaans profetische opdracht om mensen te bevrijden uit de duisternis en de ogen te openen voor Gods toekomst. Om als een licht te zijn voor de volken.
Het zijn ook precies deze teksten die licht werpen op het leven van Jezus en die duidelijk maken wie hij is. In navolging van hem bieden zij ook ons handvatten om iets te verstaan van de betekenis van een God welgevallig leven.  

In dat opstandingsleven zijn wij in geest en waarheid gedoopt en tot dat messiaanse leven zijn we  gezalfd. Opgenomen in de belofte van dat hersteld verbond als geliefde kinderen. Om te worden wat in de doop over ons is uitgesproken. Mensen van wie God en onze medemensen plezier kunnen hebben. Mensen die een zegen zijn voor de wereld. Amen. 
 TOP

 


 


info@wardcortvriendt.eu