Home NL
Blog
Diensten/produkten
Contact N
Columns N
Artikelen
overweging/bezinning
preken 2014
preken 2015
preken 2016
preken 2017
preken 2018
preken 2019
overwegingen 2020
Home EN

 

Overweging 26 september 2021 
vrije geest 
Lezingen: Numeri 11, 24-29; Jacobus 4, 11-17; Marcus 9, 38-48.

Terecht verzucht Mozes dat hij zou willen dat heel het volk van God zou profeteren. Want wat is profeteren anders dan God ter sprake brengen in de concrete omstandigheden van het leven van mensen. Om vrijmoedig te getuigen van de hoop die ons gegeven is in de opstanding van Christus. Om vooroordelen en uitsluiting aan de kaak te stellen en recht en goedheid te bevorderen.
We zijn juist geroepen om profetische mensen te zijn die het rijk van God verkondigen in woord en daad in een wereld die nood heeft aan bevrijding van de geesten van onderdrukking, discriminatie, etikettering, afgunst en zelfverheffing. Ieder die in staat is en de moed heeft om deze geesten te verzwakken en uit te bannen is getuige van het koninkrijk van God.

Wanneer ik het hierbij zou laten, zou het ruimschoots vallen binnen de tien minuten die voor de bisschop van Rome voldoende is voor een preek. Maar ik weet niet of hiermee al het vuur in de harten van de gemeente ontstoken is en er beslag over de gemeente is gekomen. Dat we iets ervaren hebben van Gods werking in ons. Dit, om maar een discussie aan te halen uit de Verdieping van afgelopen donderdag waarin Vlastuin en Verhey zich uitspreken over het rooms-katholieke preken. Niettemin betreft de eerste alinea van deze overweging wel de essentie van de preek.


Als er iets is dat de lezingen ons duidelijk voor ogen houden, dan is het wel dat de Geest niet eenkennig is. Dat zij werkt door wie zij wil. De Geest kan niet exclusief worden toegeëigend. Zij kan niet worden opgesloten in kerk, ambt, ritueel, woord. De geest is vrij, ongrijpbaar.
Zij is in de eerste plaats kenbaar aan de vruchten die zij voortbrengt. Hetzij in de bevrijdende daad, dan wel in de groei van geloofsvertrouwen, of  in het groter worden van onze  liefde. Laten we maar eens van meer nabij kijken naar de teksten van de Schrift.

 

De lezing van Numeri brengt ons naar de woestijn van de doortocht. Het volk beklaagt zich bij Mozes over het gebrek aan vlees. En Mozes beklaagt zich bij God over de last van het leiderschap. God draagt Mozes op zeventig mannen (tsja) te kiezen die oudsten van het volk zijn om te delen in zijn taak en belooft het volk in overvloed van voedsel te voorzien. De volgende dag verzamelt Mozes de zeventig bij de tent van samenkomst en laat God een deel van de geest die op Mozes rust op hen komen. En zij beginnen eenmalig te profeteren. Ook in het kamp zijn er twee die profeteren. Gebruikelijkerwijs zou het volk vertegenwoordigd worden door zes per stam, namelijk 72 personen.  Maimonides zegt over deze passage: “Eldad en Medad behoren tot het getal op wie de geest rust, maar zij horen niet bij de zeventig die delen in het leiderschap over het volk”. Tweeënzeventig verwijst naar het hele godsvolk. Op hen als geheel rust de opdracht om naar de geest te profeteren. Maar uit het vervolg van dit verhaal blijkt dat het volk leeft naar het vlees en niet naar de Geest. Gedurende de ceremonie bij de tent van samenkomst blijven Eldad en Medad in het kamp temidden van het volk om daar van God te getuigen uit liefde tot God en uit liefde voor het volk, zoals hun namen lijken te suggereren.


Jozua, de rechterhand van Mozes, veroordeelt hun optreden buiten het officiële kader en vindt dat Mozes het moet verbieden, alsof de positie van Mozes zou worden aangetast wanneer anderen Gods woord verkondigen. Dan verzucht Mozes dat toch ieder lid van het godsvolk zou profeteren.

Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij Marcus waar de leerlingen van Jezus iemand, die hen niet volgt, geesten heeft zien uitdrijven in zijn naam. Ook zij vinden dat dat verboden moet worden. Ze zijn wellicht bang voor hun positie en aanzien. Nog vers in het geheugen ligt de lezing (znd 19) over de bezeten knaap die de leerlingen niet konden genezen. Maar Jezus zegt dat ze hem moeten laten begaan, want iemand die in zijn naam een geest uitdrijft, zal zich niet makkelijk tegen hen keren.


Jozua en de leerlingen claimen impliciet het alleenrecht op de geest. Maar de geest werkt ook buiten de officiële kanalen. Er is ook heil buiten de kerk, om het maar zo te zeggen. Namelijk in mensen die hoop en perspectief bieden, die het goede met de naaste voor hebben, in wie geen kwaad steekt. Vooral ook in de mensen die niet in de eerste plaats het al of niet vermeende kwaad van de ander signaleren, maar allereerst het kwaad in zichzelf bestrijden.


Het is zo gemakkelijk om te zeggen: “dat is toch een roddeltante”; of: “die neemt het niet zo nauw met de waarheid”; “volgens mij is dat niet zo’n beste”; “zij doet wel veel goeds, maar meer tot eigen eer en glorie”. Daarmee gaat men voorbij aan wat er aan achterdocht, jaloezie en arrogantie in het eigen hart leeft. Het is nooit de bedoeling om de ander, of jezelf, te veroordelen want dat is makkelijk genoeg: In een hokje stoppen en nooit meer opendoen.
Bij een leven in het verbond, een leven in het teken van het komende rijk, dat nochtans onder ons is, gaat het om bekering en groei, om jezelf en de naaste te helpen op de weg van het ware leven. Niet om weerloze mensen ten val te brengen.
Daarbij zij gezegd dat ten fundamente ieder weerloos is tegen het kwaad dat een ander wil berokkenen.


Het schadelijke heeft vele voertuigen:  een voet die anderen vertrapt, of onder de voet loopt, letterlijk en figuurlijk. Een voet die weigerachtig is om naar de ander te gaan. Een hand die zich verheft, die toe-eigent, die bezit en macht vasthoudt, een oog dat afgunstig is, kwaad toewenst. En vooral ook de tong die kwaadspreekt en zich laatdunkend uitlaat over de medemens. Die goedpraat wat krom is en het goede verdraait.
Dit alles valt onder het verbod om te doden, want het tast het leven van de naaste aan.
Een woord kan iemand maken en breken, tot leven wekken en doden. Door alle wijzen wordt de discipline van de tong hoog geprezen. In hoofdstuk 3 vers 2 van de Jacobusbrief staat: “Wie in zijn spreken nooit misdoet is een volmaakt mens, in staat zichzelf geheel in toom te houden”. En verderop zegt hij dat de tong weliswaar een klein orgaan is, maar tot veel in staat. Ook Augustinus waarschuwt ons ervoor in zijn commentaar op psalm 39. Hij zegt zoiets als: “de tong ligt op een vochtige en glibberige plek en kan gemakkelijk uitglijden en ons ten val brengen”.


In het profetisch getuigend leven gaat het om zuiverheid, om integriteit, en niet om grootse en meeslepende daden. Dat probeert Jezus ook aan zijn leerlingen duidelijk te maken. “Wie jullie een beker water te drinken geeft, omdat jullie van Christus zijn…”. Jezus zegt hiermee twee dingen: een kleine dagelijkse handeling kan een profetisch getuigenis zijn. En hij zegt dit niet van zijn leerlingen, maar van iemand die niet tot de kring behoort.
Met andere woorden: sta open voor het goede dat in ieder die je ontmoet geopenbaard kan worden. Denk niet dat je als gelovige, of priester, of minister de enige bent die in staat is om het goede te doen. Veel, ook objectief, goede dingen gebeuren om verkeerde motieven. Het goede begint in de zuiverheid van hart, zonder bijbedoelingen en eigenbelang. Eigenlijk kunnen we dat lang niet altijd bij de ander beoordelen. Daarom is het lastig om de daden van de ander te beoordelen, laat staan te veroordelen. We kunnen er alleen op toezien dat wijzelf doeners van de wet blijven, naar het uiterlijk en innerlijk bereik. Wij zijn de enigen die daar in geweten een oordeel over kunnen hebben.
 
Zuiver in de Geest handelen is biddend handelen. En dan bedoel ik niet dat we bij iedere handeling en iedere daad een Onze Vader moeten bidden. Bidden is gaan staan in de relatie met God, je leven met God verbinden. Bidden is, nog meer dan de wet, het juk dat ons met God verbindt en waardoor we op hetzelfde gericht zijn. Biddend handelen is leven in die hechte verbondenheid, wandelen met God, elkaar niet uit het oog verliezen.  Daartoe heeft Jezus ons zijn Geest gegeven aan het kruis, heeft hij op de avond van zijn opstanding die geest op ons gelegd als vrucht van zijn opstanding en als bekrachtiging van onze zending in de wereld en als voortzetting van zijn leven in ons. Om in woord en daad te verkondigen en getuigen van het nieuwe leven zijn de leerlingen aangevuurd met zijn geest.
In dit profetisch getuigenis heiligen we de Naam van God en laten zijn wil geschieden, opdat zijn rijk zich openbaart.
We doen dat door zijn schepping en zijn schepselen te heiligen. Dat wil zeggen hun levensband met God, hun goddelijke oorsprong, te erkennen en te respecteren en hen met liefde tegemoet te treden. Dezelfde liefde waarmee de Eeuwige onze onvolkomenheden beschouwt.
Moge hij ons leren woorden van leven te spreken die mensen oprichten en verder brengen op de weg van het leven. En dat Hij ons helpt zijn Naam te heiligen in alles wat we zeggen en doen en in elke mens die we ontmoeten. Amen.
  top


Overweging 19 september 2021 

samen-leven
Lezingen: Deuteronomium 13, 1-5; Jakobus 3, 16- 4, 6; Marcus 9, 30-37.

Het boek Deuteronomium herneemt de wet die op de Sinai gegeven is. Het kernbegrip in de toelichting op de wet is de eenheid van God waarvan het Godsvolk getuigenis af moet afleggen. Om te groeien in eenheid en heiligheid.  
De wijze waarop wij samenleven met elkaar wordt gevoed door de manier waarop wij verbonden zijn met God. Dit is de kern van de wet en van het evangelie. De tien woorden zijn een kernachtige samenvatting van de relatie met de Ene en met de naaste.

De bereidheid en de vreugde om overeenkomstig de geboden en het levensvoorbeeld van Jezus te leven vloeien voort uit onze verbondenheid met de Ene en Eeuwige. De geboden zijn afgeleid van die relatie. Jezus leeft zoals Hij leeft, omdat Hij hecht verbonden is met de Vader. Soms lijkt het erop dat het om de geboden gaat. Maar zij zijn hulpmiddelen om de relatie met God, en in Hem met de naaste, te versterken.  Wijsheid in de zin waarin wij dat verstaan, begint met die verbondenheid, met het aanzien van God. Door God te zien in de naaste en de naaste in God. Zowel de geboden als de lezingen proberen ons te onderwijzen in de wijsheid die van boven is en om ons te leren leven naar de geest die in ons is gelegd. Geen slaafse gehoorzaamheid aan de letter van wetten en regels, maar verantwoordend leven naar de geest, als vrije mensen onder de zon. Wijsheid ontwikkelt zich in het domein van de verantwoordelijke keuze en niet in de vaak benauwde sfeer van volgzaam moralisme.

Mede daarom ga ik uit van een zin uit de tekst van de Jakobusbrief. En wel vers 4,5 dat zegt: ‘met na-ijver verlangt hij de geest die hij in ons deed wonen’. De NBV interpreteert die geest als de levensgeest die is ingeblazen en vertaalt: “Hij die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op”. Zonder nu verder op die vertaalkeuze in te gaan, ga ik uit van de betekenis van dit niet in de Schrift te traceren citaat. In beide vertalingen zegt dit vers dat God vurig en exclusief verlangt naar hetgeen hij in ons heeft gelegd. En dat is zijn eigen Geest en zijn eigen leven. Het is die fundamentele eigenschap van ons mens-zijn die verlangt aan het licht te komen in de wereld.

In die zin zijn we geen vriendjes van de wereld, maar staan in een zeer bepaalde verantwoordelijke verhouding tot de wereld, met het oog op Gods toekomst. Het is van belang te begrijpen wat hier onder de wereld wordt verstaan. Dat is natuurlijk niet het moderne begrip van wereld als filosofisch gegeven, product van ons bewustzijn. Ook niet het universum. En ook niet de wereld als schepping. Wat hier bedoeld wordt is de ongeordende op zichzelf betrokken wereld van mensen. Dit in tegenstelling tot de geordende op God betrokken samenleving van mensen. Dit laatste sluit aan bij een tekst uit Wijsheid: “De Geest van de Heer vervult het aardrijk”.
Je zou kunnen denken dat wereld en aardrijk hetzelfde zijn, maar dat is toch ook weer niet waar. Het aardrijk is de ‘oikoumenè’. We kennen het als oecumene en er wordt mee aangegeven de door mensen bewoonde wereld, niet de wildernis, maar de bewoonbare en bewoonde wereld.
En zo komen we stap voor stap verder in ons begrip van de tekst. Het gaat om een tegenstelling tussen een wereld waarin mensen uitsluitend op zichzelf betrokken zijn en een wereld waarin mensen op elkaar betrokken zijn. Schematisch geredeneerd leidt het één tot eenzaamheid, jaloezie, competitie, oorlog, machtsuitoefening en zelfverheffing; het ander tot verbondenheid, compassie, samenwerking, respect en hulpvaardigheid.
Het één een wereld waarin je voortdurend over je schouder moet kijken en het ander een wereld waarin een mens zich vrij en veilig kan voelen. Aan ons de keuze.


In die betekenis ontvangen we de wereld om er een bewoonbare plaats van te maken. Wanneer we werkelijk beseffen wie we als mens zijn, los van de oordelen die we over onszelf en elkaar hebben, weten we ook wat ons te doen staat. Onze ethiek vindt zijn basis niet in externe regels, maar heeft een wezenlijk fundament in ons zijn, dat wil zeggen het stoelt op wie we zijn in religieuze zin. Ethiek is enerzijds de uitdrukking van wie we zijn als mens in relatie tot de wereld, anderzijds en tegelijkertijd daagt de ethische keuze ons uit om te worden wie we kunnen zijn als een op God en mens betrokken persoon in relatie tot de naaste.
De naaste, die ons op welke wijze ook tegemoet treedt: in krant, op straat, in huis, op het scherm, die naaste opent ons tot wie we als verantwoordelijke medebewoner van die bewoonbare wereld mogen worden. Hij/zij doet een appèl op ons.  Het is de naaste die ons de mogelijkheid biedt om ons als medemens waar te maken. En de naaste is ieder die zich voordoet in onze aandachtsruimte.

De wijsheid waarover wordt gesproken in Jakobus is niet anders dan de liefde tot gerechtigheid. De wijsheid die van boven is, is niet anders dan leven naar de geest van God die in ons werkzaam wil zijn. Wat van boven is verlangt beneden geleefd te worden. En wat van God is verlangt intens in de wereld en onder mensen zichtbaar te worden. Het gaat er juist om om de verwijdering tussen God en mens te verkleinen, de wereld te heiligen, zodat mensen elkaar zo naderbij komen dat zij werkelijk naasten zijn. De afstand die wij als mensen tot elkaar scheppen is ook de afstand die ons gescheiden houdt van God en van het Komende Rijk. Zozeer zijn het spreken over God en mens met elkaar verweven dat de identiteit van de een niet los gezien kan worden van de identiteit van de ander. Wat je zegt over de een, heeft consequenties voor de ander.

Zoals we een verantwoordelijkheid hebben tot de wereld om haar van onbezielde kosmos tot een bewoonbare plek te maken, zo hebben we ook een verantwoordelijkheid met betrekking tot de menselijkheid en menswaardigheid van die wereld.
De wijsheid van boven is rein, dat wil zeggen: zonder bijbedoeling, en heeft mensen lief en is wars van list en leugen. Zij houdt zich ver van kromme redeneringen die goed moeten praten wat verkeerd is, is onpartijdig en integer.
De wijsheid van omhoog is gericht op vrede en goede verhoudingen met de medemens, zij is vriendelijk voor ieder, voor rede vatbaar, barmhartig. Zij is dat zonder aanzien des persoons, want alleen zo kan zij voor ieder respect hebben en iedere mens in zijn en haar waarde laten en tot recht laten komen.

In een wereld van macht en onderdrukking, van concurrentie op leven en dood, van strijd om voedsel en grondstoffen, kan dat niet. Daarin is het recht van de een competitief met het recht van de ander. Met andere woorden een model waarin mijn recht gaat ten koste van het recht van de ander. Dat is een soort verdelende rechtvaardigheid waarover ruzies bij echtscheidingen ontstaan.
Dit kan eigenlijk nooit tot een vreedzame samenleving leiden. De gerechtigheid waarvan in de Schrift sprake is, is een andere. Het is een gerechtigheid die stoelt op liefde en barmhartigheid. Een gerechtigheid die in de eerste plaats de ander tot recht wil brengen.
Dat is de houding van God jegens mensen, en zou, naar het voorbeeld van Jezus, ook de houding van mensen jegens elkaar moeten zijn.

Dit uitgangspunt biedt diepte aan het wat vlakke verhaal van het Evangelie.
Kennelijk hebben de leerlingen ten opzichte van elkaar een wat competitieve houding. De een wil dichter bij Jezus staan en een belangrijkere leerling zijn dan de ander. Jezus, die zich als dienaar van allen beschouwt, maar die eerder in dit hoofdstuk door de schrijver van het Marcusevangelie op gelijke hoogte met Elia en Mozes is afgebeeld, maakt duidelijk dat in zijn wereld niemand zich boven de ander kan verheffen en geen boven de ander staat. Hij laat zien dat ware grootheid erin bestaat je dienstbaar te maken aan de groei van die wereld. En dat kan alleen maar wanneer je bereid bent de ander te dienen. Niet als slaaf, maar als vrije mens. Niet om de ander naar de ogen te zien, maar om de ander in het hart te kijken en daar het verlangen naar waarlijk leven te ondersteunen. In die wereld is iemand recht doen niet zozeer een zaak van een procentje bij of een extra uitkering. Het gaat er om elkaar te helpen meer  mens te worden, iemand bewaren voor het leven waarnaar God zo na-ijverig uitziet.
Dat wil overigens niet zeggen dat dat procentje meer of die extra uitkering niet belangrijk is voor het gevoel gewaardeerd te worden en voor het rechtvaardigheidsgevoel in de maatschappij. Ook de maatschappij heeft een ethische plicht om ingezetenen te voorzien van hetgeen zij, ook in materiële zin, nodig hebben om hun leven tot ontplooiing te kunnen brengen. En dat ook zonder aanzien des persoons.


Voor een leven naar de geest biedt de Jakobusbrief heel behartenswaardige teksten. De brief verdient het om in zijn geheel gelezen te worden, ook al is deze hier en daar wat ongenuanceerd. Soms moet je de dingen wat aanzetten om het duidelijk te maken. Dat doet Jezus ook. Hij laat geen misverstand bestaan over zijn voorkeursoptie voor de kleinen en kwetsbaren, de weerloze mens. In de hiernavolgende tekst van hoofdstuk 9 wijst Hij alle eenzijdige vertrouwen op eigen macht en op de maakbaarheid van ons leven af. 
Als ons dat onrustig maakt, is dat goed. Het gebrek aan gerechtigheid en vrede in onze wereld zou ons een doorn in het oog moeten zijn; het lot van de machtelozen en de afstand tot het ideaal van een bewoonbare en menselijke wereld zouden ons een doorn in het vlees moeten zijn. Het moet ons onrustig maken en wakker houden, zodat we ons niet in slaap laten sussen, want het is nog lang geen sabbat voor de Heer. Gelukkig, gelukkig gebeurt er veel goeds. En dat kunnen we ook dagelijks ervaren. Laten we ons blijvend aansluiten bij die beweging van het goede, de beweging van Gods geest die het aardrijk tot vervulling wil brengen, om vol vertrouwen en blijmoedig ons daaraan dienstbaar te maken en te bouwen aan die toekomst die ons aller erfgoed is en die we nu al kunnen ervaren in het goede dat wij mogen geven en ontvangen. Amen.

 top

 

Overweging 12 september 2021 
sprakeloos, verlamd en doof 
Lezingen: Jesaja 45, 20-25; Jakobus 2, 1-18; Marcus 9, 14-29.
Het is een mooi tafereel wanneer je met een toneelblik naar de enscenering van deze evangelieperikoop kijkt. Een bonte menigte waarin druk gepraat en geruzied wordt: leerlingen van Jezus, wellicht wat in het nauw gedreven, schriftgeleerden die hen bevragen, nieuwsgierige omstanders, buren, en, stiller waarschijnlijk, een vader met zijn zoon. Vanuit de coulissen komt Jezus aanlopen in gezelschap van Petrus, Johannes en Jakobus. Jezus vraagt wat er allemaal aan de hand is. En de vader neemt het woord: “Mijn zoon is bezet door een geest die hem sprakeloos maakt en doet stuiptrekken. Ik wilde hem bij u brengen. Toen heb ik hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.”
Jezus wordt boos en beticht hen in het algemeen van ongeloof. Zijn inspanningen, verkondiging en tekenen ten spijt.
Geloof, en de kracht van geloof, is de inzet van de tekst.

Deze scene volgt in het markusevangelie onmiddellijk op de gedaanteverandering van Jezus op de berg. Jezus is samen met Petrus, Johannes en Jakobus een, zoals er staat, hoge berg op gegaan om met hen alleen te zijn. Op die plek zien zij hem in zijn verheerlijking temidden van Mozes en Elia. Dezen staan voor de wet en de profetische belofte; het verbond van God met zijn volk en de messiaanse vervulling. In Jezus als de Christus komen deze samen. Na deze openbaring dalen Jezus, Petrus, Johannes en Jakobus de berg af en treden ons verhaal binnen, midden in de verwarring en het gekrakeel. En waar gaat het om? Om onvermogen en gebrek aan geloof.

Het is niet zo moeilijk om een parallel te trekken met Mozes die met het teken van het verbond in zijn handen afdaalt van de berg Sinai om er het volk aan te treffen dat zich verenigt rond het Baalsteken. “Hoe lang trekt de Heer al met jullie mee? Hoe lang trek ik met jullie door de woestijn? Jullie hebben de tekenen gezien en desondanks geen geloof, geen vertrouwen.”
Woorden die we hier herkennen uit de mond van Jezus, die nieuwe Mozes is.

De vermoeidheid en teleurstelling met betrekking tot de vraag naar tekenen zijn al eerder in het evangelie door Jezus geuit. Tekenen die Gods bestaan en betrokkenheid moeten bewijzen zijn de facto heidens. De Vader verricht ze weliswaar door Jezus, maar alleen als tegemoetkoming aan een wankelmoedig geloof. En natuurlijk ook aan een werkelijk verlangen om heil te ervaren. Maar toch is geloof in de trouw van God niet afhankelijk te maken van tekenen die door ons als gezagvol voor het werken van God beleefd worden. Dat zou God tot een marionet van ons verlangen maken.
Wanneer het zo gezegd wordt, zullen we dat makkelijk beamen. Maar toch is het niet altijd zo eenvoudig. Wanneer er een ramp geschiedt of er oorlogsgeweld is waardoor onschuldige mensen, kinderen om het leven komen, hoor je twijfel aan het bestaan van God. Minstens aan hens betrokkenheid. Maar ook op kleinere schaal wordt ons geloof beproefd: door ziekte in het gezin, door het lijden van onze kinderen. Of banaler wellicht, wanneer we ons vertrouwen in God en Gods trouw aan ons afhankelijk maken van het slagen voor een examen, het succes van een sollicitatie of onderneming.
Echter: Beproefd geloof komt niet van buitenaf, maar groeit van binnenuit.

Daarmee zeg ik niet dat geloof en tekenen onverenigbaar zijn. Maar zij verhouden zich niet op die manier dat zichtbare tekenen leiden tot geloof. Andersom wel: geloof leidt tot zichtbare tekenen. Niet de wereld schenkt ons het geloof, wij schenken ons geloof aan de wereld om die te heiligen en bewoonbaar te maken en te houden.
Daarbij delen we, denk ik, de ervaring dat tegenover de overweldigende aanwezigheid van de wereld wij soms twijfelen, verlamd raken en met stomheid geslagen worden.

Met de vader van de jongen uit het verhaal dat we hoorden kunnen we zeggen: “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”. Ook als we twijfelen, of zelf wanneer we niet kunnen geloven, maar wel verlangen te geloven, kunnen we dit zeggen. Ook als de woorden in ons hart stokken en verstommen, kunnen we blijven verlangen. Dit verlangen is niets anders dan de honger en dorst naar God die zelf ons hongerig en dorstig heeft gemaakt. En dat verlangen bidt altijd, zoals Augustinus ons leert. In zijn preek over psalm 38 schrijft hij: “de psalmist zegt: ‘Voor u staat heel mijn verlangen’. Laat je verlangen voor hem staan en Hij die in het verborgene ziet, zal het je vergelden. Want dat verlangen van jou, dat is je gebed. En zolang je verlangen niet ophoudt, houdt je gebed niet op. De apostel zegt: ‘bid zonder ophouden’. Hij zegt dit toch niet om ons alsmaar te laten knielen, op de grond te gaan liggen, of om ons de handen te laten opheffen? Er is nog een ander bidden zonder ophouden, binnen in ons, namelijk ons verlangen. Wat je ook doet, als je naar de grote sabbat blijft verlangen, dan bid je zonder ophouden. Je voortdurende verlangen is je voortdurende spreken.” (einde citaat)
Verderop zegt hij: “wie zijn er gaan zwijgen? De mensen over wie gezegd wordt (Matteus 24,12): ‘Met het toenemen van het onrecht zal de liefde (en dus het verlangen) van velen bekoelen’.” (einde citaat)

Dit laatste lijkt enigszins van toepassing op het handelen van de leerlingen. Natuurlijk hebben zij eerder in het evangelie van Jezus de zending gekregen om uit te gaan en om te getuigen en ontvingen zij de macht over onreine geesten. Maar hier worden zij als het ware ontmaskerd. Misschien denken zij dat zij met de bevoegdheid ook de bekwaamheid hebben ontvangen. Maar ook Jezus handelt alleen in loco: namens de Vader en de Vader door Hem. Met de leerlingen is het niet anders. Zij handelen, net als Jezus, niet op eigen gezag. Alleen God is alle eer en alle macht.
De vader van het jongetje zegt dan ook dat zij niet de kracht hadden om de geest uit te werpen. Dat woord heeft met forceren van doen en met denken dat jij het moet doen. Verderop in de tekst wordt met betrekking tot Jezus over vermogen en handelingskracht gesproken. Ook de leerlingen ontbreekt het aan geloof. Dat wil zeggen aan het absolute vertrouwen dat het, op gezag van Jezus, God is die door hen handelt. Dat zij niet zelf iets hoeven te doen of bewerken, als zouden zij dit op eigen kracht vermogen. Vandaar dat gezegd wordt dat dit soort alleen door gebed (en in sommige teksten door  gebed en vasten) uitgebannen kan worden. Dat wil zeggen met alle afwijzing van het “ïk” in de handeling. Uitsluitend handelen als verwijzing naar God, getuigend handelen.  Dat wil zeggen biddend handelen. Waarbij bidden de levenshouding is en het levensgevoel, het bewustzijn, dat je bestaat in verbondenheid met de Ene. Leven voor het aanschijn van de ene, als Henoch wandelen met God.

Dit bidden geeft ons geloof vleugels en maakt het vruchtbaar en het wordt gedragen door het verlangen naar voltooiing en vervulling, naar de ervaring van verbondenheid met de bron daarvan. Naar de grote sabbat. Dit verlangen naar de sabbat is ons gelovig ingeschapen en geeft ons het vertrouwen en het vermogen om op de akker die de wereld is, te handelen.
Wie gelooft kan niet zwijgen en houdt zich niet doof, noch raakt verlamd door de realiteit van het onrecht. Het geloof is niet strijdig met de wereld en ook niet onrealistisch. Het wendt zich niet af van de realiteit, zonder die overigens een op een te aan te nemen. Het omarmt onze wereld in liefde en mededogen om haar te helen en te heiligen, af te stemmen op de grote sabbat.

 

Vanuit dat geloof handelen we. Niet omdat het moet als een morele religieuze verplichting, maar omdat we niet anders kunnen. Ons verlangen naar de sabbat, de liefde waarin wij geschapen zijn, vormen de onontkoombare  innerlijke motivatie om dienovereenkomstig  te getuigen en te handelen. Amen.

 top

Overweging 29 augustus 2021
zuiver op de graat
Lezingen: Deuteronomium 10, 12-21; Efeziërs 6, 10-20; Marcus 7, 1-8.14-15.21-23; Psalm 15.
In het evangelie horen we een deel van een discussie over rituele voorschriften. De leerlingen van Jezus krijgen het verwijt dat zij zich niet aan de kashrut, de geboden met betrekking tot rituele reinheid, houden. Die kritiek komt van de zijde van mensen die zich strikt aan de letter van de wet willen houden en aan de overgeleverde gezaghebbende interpretaties met bijbehorende geboden. Het betreft serieuze mensen die het zo goed mogelijk proberen te doen en daarmee de komst van het Godsrijk willen voorbereiden. Soms zijn zij erg van zichzelf overtuigd, te zeer gericht op de uiterlijkheid van de wetsvervulling en afwijzend tegenover andersdenkenden.
In het gesprek gaat het over zaken als handen wassen, het reinigen van vaatwerk en de voetwassing. Dagelijkse dingen die echter verwijzen naar een innerlijke gesteltenis. Zij krijgen hun religieuze waarde door de werkelijkheid waarnaar zij verwijzen. Zij getuigen van een hart dat ook bij alledaagse handelingen gericht is op het heilige. Bij opstaan en slapen gaan, bij eten, drinken, praten, binnengaan en uitgaan. 
De Farizese schriftgeleerden echter lijken de zuiverheid van het gelovige leven te situeren in de uiterlijke vervulling van de geboden en voorschriften. Daarmee krijgt volmaaktheid van geloof iets maakbaars. Bovendien verhult de veelheid van geboden volgens een  oudjoodse groepering de essentie van de wet.
Jezus benadrukt, zonder overigens de oude geboden af te schaffen, dat het gaat om de zuiverheid van het innerlijk en de geest van de wet. Dat is geen nieuwe gedachte. We komen die tegen bij de profeten die spreken over een nieuw hart en een nieuwe geest. Zelfs Deuteronomium benadrukt dat het uiteindelijk niet om de uiterlijke rituele besnijdenis gaat, toch niet zomaar een gebod, maar om de besnijdenis van het hart.

Aan de buitenkant van het geloof gaat het om regels en gebruiken, hoe vaak je moet buigen of kruizen slaan, om spijswetten en vasten, rituelen en voorschriften. Maar deze dingen zijn alleen maar belangrijk voorzover zij uitdrukking zijn van wat we innerlijk geloven en waardevol vinden. Wat in ons leeft bepaalt uiteindelijk wat we doen en laten, hoe we spreken, naar wie wij omzien. De vrede komt niet van buitenaf op ons toe, maar groeit van binnenuit.

De discussie die Jezus vandaag voert, gaat over rituele reinheid. Daar zijn allerlei voorschriften voor. Wanneer mannen en vrouwen zich ritueel moeten reinigen door onderdompeling in een ritueel bad. Het reinigen van gebruiksvoorwerpen die voor de maaltijd gebruikt worden. De rituele reiniging van de handen. Deze rituele reiniging is geen vervanging van het normale baden en afwassen. Het onderscheidt zich ervan door de betekenis. Het laatste doe je om schoon te maken. Het andere om innerlijk rein te worden en zuiver in het leven te staan.
In onze liturgische praktijk hebben we er nog iets van bewaard. We kennen de handwassing voor de tafeldienst. De voorganger reinigt ritueel de handen en bidt daarbij dat God hem mag reinigen om met een zuiver hart en oprechte intenties de dienst aan de tafel van de Heer voor het aanwezige Godsvolk te mogen verrichten. Wanneer we de kerk betreden kunnen we normalerwijze met water een kruis maken. Het is een geloofsbelijdenis waarin we ons bekennen als gedoopte christenen. Het verwijst als zodanig naar de doop waarin we de oude mens afwassen en ons bekleden met de verrezen Heer. Maar hoevelen beseffen de reikwijdte van het gebaar wanneer zij met wijwater een kruis maken?

Ter verduidelijking zij gezegd dat in de tekst van het evangelie voor onrein een woord wordt gebruikt dat algemeen, gemeenschappelijk en profaan betekent. Daarvan afgeleid ook onzuiver en onrein. Dit staat dan tegenover rein als geheiligd, tot de dienst aan God gewijd. Voor het reinigen wordt een woord gebruikt dat onderdompeling en dopen beduidt. En de doop heeft voor ons heel uitdrukkelijk de betekenis dat we aan God worden toegewijd, dat we willen proberen ons leven te heiligen en onze levenswandel zuiver te houden. Indachtig het aloude gebod: “weest heilig, want ik de Heer uw God ben heilig”.
Uit een hart dat beheerst wordt door het profane komen allerlei ondeugden en narigheid en onzalig gedrag, met alle consequenties vandien voor het leven van mensen. Maar uit een zuiver hart komen goedheid en liefde.

Bij alle ritueel gaat het erom dat we ons heel bewust in het verbond plaatsen. Daarbij beseffend dat het verbond van God en mens niet onze verdienste is, maar primair een liefdesaanbod van God zelf. De geboden die we ontvangen zijn geen beperkingen van onze vrijheid. Niet in eerste instantie verplichtingen die ons van buitenaf worden opgelegd. Zij vormen ons antwoord op Gods liefde voor ons. In het vervullen van de geboden maken we zijn liefde voor ons zichtbaar onder de mensen. De besnijdenis, de doop zijn de uiterlijke tekenen van ons verlangen en van onze  bereidheid om in die verbondenheid te gaan staan. Om ons leven naar die liefde te richten en ons te zuiveren van onedele motieven. En omdat we vergeetachtig zijn, hebben we rituelen om ons dit verlangen telkens weer in herinnering te brengen. En we hebben geboden als richtlijnen om ons te helpen bij de keuzes die we telkens weer moeten maken in de ontmoeting met onze medemensen.

In de tekst van Deuteronomium horen we een staalkaart van deugden en handelwijzen die onze wereld tot een heilige woonplaats maken. En die ons geschikt maken om er in Gods aanwezigheid te wonen. In psalm 15 is dat heel specifiek verwoord als antwoord op de vraag: “Heer, wie mag als gast verblijven in uw tent van het verbond, wie mag wonen op uw heilige berg?” (vert. W.) Beide zijn plaatsten waar de aanwezigheid van de Eeuwige zich ophoudt. Het kernachtige antwoord luidt: “een mens met een zuivere levenswandel, die gerechtigheid doet en waarheid spreekt in zijn hart”. Dus niet alleen met de mond, maar met het hart. Dan volgt de mond vanzelf.
Dit is diepe wijsheid. Ons hart is vol tegenstrijdigheden. We dienen God met onze mooie dingen en met onze schaduwkanten, met wie we waren, zijn en willen zijn; als heel de mens die we zijn.

Bij Marcus horen we waartoe een eenzijdige oriëntatie leidt. Het gaat telkens weer om keuze. Ons wordt de weg van onheil getoond en de weg ten leven. Aan ons de keuze. Als we alleen voor onszelf kiezen is de tweedeling in de wereld al een feit, een heilloze weg. Wanneer we voor de weg van het leven kiezen, kunnen we die niet anders dan samen gaan. Gods liefde is universeel. Maar ook partijdig; zijn liefde is met name bedacht op mensen in kwetsbare posities, op slachtoffers, op vrouwen en kinderen, op mensen die ontheemd zijn.  In Gods benadering is geen onderscheid tussen eigen volk en de anderen. Het gebod met betrekking tot de zorg voor de vreemdeling stoelt met name ook op het besef dat het volk zelf vreemdeling is geweest en dat het God is die het thuisbrengt. Wij echter in onze omstandigheden voelen ons veel te veel thuis in deze wereld om nog te beseffen dat we eigenlijk vreemdelingen en ontheemden zijn. God zelf is als het ware de vreemdeling in deze wereld.  
Zolang onze wereld nog geen huis is voor alle volkeren, zijn we geen van allen thuis. De wereld is pas heilige woonstede, stad van vrede, wanneer ik in de ogen van de vreemdeling mijn eigen verlangen naar vrede, geborgenheid en perspectief herken, de weerloze wens om gewoon te leven. Ik kan maar in vrede leven wanneer ik in de gestalte van de ander mijn zuster en broeder herken.

De keuzes die we als gelovigen moeten maken zijn geen rationele keuzes. De ratio is gericht op onderscheid, de liefde verbindt. De rede moet op grond van zijn redelijkheid erkennen dat het beperkt is. De waarde en de betekenis van ons leven zijn vervat in de onvoorwaardelijke redeloze liefde van God voor ons. Het is die liefde die we zichtbaar mogen maken in de wereld en die als richtsnoer voor onze keuzes mag dienen. Bij de zuivere levenswandel in psalm 15 gaat het om integriteit, om het bewaren van onze innerlijke zuiverheid, om leven zoals we bedoeld zijn. Die levenshouding weerspiegelt op de meest zuivere wijze het rijk van God.

Aan het begin van de eucharistieviering bidden we, staande voor de tafel der armen, de schuldbelijdenis en vragen we vergeving voor het kwade dat we gedaan hebben, maar vooral ook voor het goede dat we hebben nagelaten. Dat laatste gaat veel verder en ik word er altijd wat onrustig van. Want wat betekent het uitspreken van deze woorden voor ons, in onze wereld? Het verwijst naar het primaat van de liefde. Augustinus zegt in een preek: “de weg van kennis van God gaat door de reiniging van het hart die door de liefde geschiedt. Hoe groter de liefde, hoe groter de kennis.” Kennis van God is daarmee niet een vermogen van het verstand, maar het getuigenis van een liefdevol hart. Amen. 

 top

 

Overweging 22 augustus 2021
beproefde trouw
Lezingen: Jozua 24, 1-2 en 14-25; Efeziërs 6, 1-9; Johannes 6, 60-69. Psalm 16.

Volgehouden trouw, door dik en dun, in kwade en goede dagen, verbindt thematisch de lezingen van deze zondag. Maar uit de teksten komt nog een andere laag naar boven die te maken heeft met iets als elkaar recht doen, tot recht laten komen. Het gaat in de schrift eigenlijk bijna altijd over relatie. Dat is niet altijd een gelijkwaardige relatie. En wij zouden de genoemde relaties in onze tijd en context zeker anders invullen en benoemen. Maar juist bij ongelijkwaardige relaties, waarbij sprake is van een machtsverschil, is het van eminent belang om een grens aan de macht te stellen en deze in te bedden in wederzijds respect. Zodat ieder de rol kan vervullen die hem of haar toekomt. Ook al zouden wij, nogmaals, die rollen nu heel anders beoordelen en invullen.

Jozua, de opvolger van Mozes als leider, drukt zijn volk op het hart om toch vooral trouw te blijven aan de god die het bevrijd heeft en binnengeleid heeft in het beloofde land. Het boek Jozua vertelt het verhaal over de intocht in Kanaän over de Jordaan en de verovering en verdeling van het land onder de familiestammen van het godsvolk. Het handelt door de gebeurtenissen heen over de trouw van God aan zijn belofte. Aan het slot van het boek houdt Jozua een toespraak waarin hij zijn volksgenoten voor de keuze stelt om de HEER te dienen die hen bevrijd heeft en het beloofde land heeft gegeven, of de goden van hun voorvaderen en van andere volken, en zo zich in het ongeluk te storten. Het beeld dat Jozua van de HEER geeft is dat van een machtige, jaloerse heerser die absolute gehoorzaamheid vraagt en overtredingen en ontrouw genadeloos afstraft. Deze God beschermt het volk zolang het hem naar behoren dient en gehoorzaamt. Een relatie die gekenmerkt wordt door absolute macht enerzijds, en vrees en eerbied anderzijds. Zoals een machtige vorst een verdrag sluit met een zwakkere partij waarbij bescherming en vrede wordt aangeboden in ruil voor dienstbaarheid en gehoorzaamheid aan zijn bevel, dit onder dreiging van strenge sancties. Nogal wat verbondsteksten hebben deze structuur.

Een van de geboden, namelijk die met betrekking tot eerbied voor de vader en moeder, wordt in de Efezebrief aangehaald en binnen de context van de patriarchale familieomgeving gezet. In de oorspronkelijke vermaning wordt gezegd: “opdat jullie lang leven en toekomst hebben in het land dat ik jullie geven zal”. Hier staat, als verbreding van de belofte naar de volken, “op aarde”. Het respect voor de generaties staat gericht op de beweging van het leven.
De aardse intermenselijke structuren worden gepresenteerd als een afbeelding van de hemelse. De lager geplaatsten en afhankelijken, kinderen, vrouwen, slaven, zijn aan de hogergeplaatste Pater of heer gehoorzaamheid verschuldigd. En wel: in de Heer, want God is de uiteindelijke referentie. Ook de pater familias is gehoorzaamheid verschuldigd aan de Heer God. De relaties worden gekenmerkt door pietas. Een heel breed begrip, dat afhankelijk van de soort relatie een andere betekenis heeft. In Christus is met name Gods pietas zichtbaar geworden als maat voor het gedrag. In de relatie van God jegens mensen betekent het liefde, genade, genegenheid, barmhartigheid. Van mensen jegens God ook liefde, genegenheid, eerbied en ontzag. Zo ook van kinderen jegens de pater en van de vader jegens de kinderen en van slaven naar hun heer en omgekeerd. Het is een wederzijdse relatie van welwillendheid, van goede bedoeling, rechtvaardigheid, die ieder, binnen de normen van de klassieke cultuur, in zijn waarde laat.

Het evangelie stelt ons voor grotere raadsels. Ook in onze tijd hebben nogal wat mensen moeite met het eucharistische taalgebruik van vlees, lichaam, bloed. Door een al te letterlijk verstaan van de transformatieve aspecten van de eucharistie. Die is immers in de eerste plaats een geestelijke werkelijkheid. Geen materiële. Johannes lijkt er veeleer op te doelen dat het geestelijke woord moet incarneren, in het vlees treden, zoals het in Christus in het vlees is getreden. Op diezelfde wijze moeten de leerlingen hem als brood uit de hemel, vlees en bloed geworden Woord van God nuttigen, en opnemen in het eigen leven. Het Woord mag niet buiten blijven, geen uitwendige waarheid blijven die opgelegd, uitgelegd en voorgeschreven kan worden om mensen in een keurslijf te brengen. Het woord van God, God zelf moet binnen komen en waarheid worden in het leven van elke dag. Dit is een mystieke en spirituele benadering die relateert aan de fundamentele en existentiële verbondenheid van God en mens. Geen gehoorzaamheid aan een uitwendig geloof, maar een innerlijk verlangen om God  tot levende waarheid te maken.

De geloofsgeschiedenis van mensen en de schrift zelf laten een ontwikkeling in het godsbeeld zien en laten ook verschillende beelden naast elkaar bestaan. Beelden die ook in ieder van ons naast en door elkaar bestaan. Van sommige hebben we afscheid genomen, omdat zij niet goed en vruchtbaar bleken voor ons leven, en er zijn nieuwe voor in de plaats gekomen. Soms is God een beetje beangstigend wanneer we onszelf tegenvallen, soms vertrouwen we dan juist op Gods liefde en trouw. Soms zien we Gods scheppingskracht in de natuur, in het nieuwe leven ons geschonken. Als de vaste grond waarop we rusten.  Soms als weldadige stilte die ruimte geeft en ruimte laat, of soms ook als stilte zonder antwoord. Lijkend op het mysterie en het raadsel dat ons eigen leven ook voor ons is.
Je zou kunnen zeggen dat God de ultieme vraag is, aangezien geen antwoord de vraag kan beantwoorden. God is ook fundamenteel weerloos, aangezien God zich nooit kan verzetten tegen welke invulling en misbruik ook. Onze invullingsmacht over God zou beperkt moeten worden door wie God zelf is als schepper van leven. 

 

We lezen onze schriftverhalen altijd binnen de context en tegen de achtergrond van ons geloof, van de relatie tussen God en mens. Bij alle minder begrijpelijke en cultuurvreemde voorbeelden en teksten gaat het uiteindelijk om de innerlijke laag, de spiritualiteit van geloven. Daarover spreekt ons psalm 16. Het is een van mijn favoriete psalmteksten. Centraal in de psalm staat de dankbaarheid van de biddende psalmist. Hij dankt dat de meetsnoeren voor hem op goede grond zijn gevallen. Het lijkt erop dat hij God dankt voor het mooie stuk land en de welvaart die hem ten deel zijn gevallen. Maar dat is alleen maar zo bij oppervlakkige lezing van de tekst. Bij nader inzien namelijk dankt hij God dat God zelf hem ten deel is gevallen. God zelf is zijn erfdeel en zijn deel van leven. De Eeuwige is de grond waarvan hij leeft. De meetsnoeren van de Ene zijn als gebedssnoeren over de psalmist gevallen waarmee hij Gods akker is geworden. Om vruchten te dragen van het koninkrijk. Wat of wie zal hem deren? In God verblijvend en daar zijn veiligheid vindend zal zelfs de dood over hem geen macht hebben. In God is hij bestemd voor het leven. En zo zingt ook zijn loflied.
De meetsnoeren waarmee land bemeten wordt en de gebedsriemen waarmee de joodse bidder zich omwikkelt gaan hand in hand. Met het aanleggen van de gebedsriemen maakt de bidder zichzelf tot goede aarde waarin het gebed valt als zaad om vruchten te dragen die God welgevallig zijn. De heilige Schrift zelf is het meetsnoer dat over de toegewijde gelovige valt en deze tot leven strekt. Wanneer tenminste het woord naar de geest wordt verstaan en uit de geest beleefd en geleefd wordt.
De psalm gaat over de dynamiek van trouw, respect, vertrouwen en betrouwbaarheid zonder welke geen relatie, en dus ook geen leven, mogelijk is. Het is ook het centrale thema in de geschiedenis van God en zijn volk. Trouw zijn door dik en dun, met vallen en opstaan. Een trouw die niet zozeer bepaald wordt door succes, maar door de liefde die eraan ten grondslag ligt. Trouw aan de Schrift is leven naar de Geest waarmee deze gegeven is. Dat is leven in hechte verbondenheid met God, ook al begrijpen we haar/hem niet altijd. Wel weten we dat, wanneer we losraken van God en waarvoor deze staat, wij een stuk ongelukkiger zijn en de wereld er een stuk slechter aan toe is. Amen.
top

 

Overweging 8 augustus 2021 
Brood, voedsel naar lichaam en ziel 
Deuteronomium 8, 1-10; Efeziërs 4, 30-5,2; Johannes 6, 37-51.
Er wordt in de liturgie van deze weken veelvuldig over brood gesproken. Brood is belangrijk. In letterlijke zin en als symbool. Het betekent zoveel meer dan het dagelijks brood op onze tafel. In overdrachtelijke zin omvat het het geheel van bestaansmiddelen.
Jezus vergelijkt zich met brood waardoor zich een brede waaier van betekenissen ontvouwt. Het staat dan voor waarachtig leven, en voor de mogelijkheden om tot een waarlijk menselijk leven te komen. In de mond van Jezus, maar ook in onze dagelijkse werkelijkheid is brood geen neutraal begrip. Het is ethisch en politiek geladen. In zijn concrete en spirituele betekenis. Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De wijze waarop wij in de wereld met brood omgaan laat zien wat voor mensen wij zijn en welke wereld wij dienen.

Zoals in genesis al aangegeven wordt hoe de omgang met de schepping bedoeld is en hoe de mens in feite met de gaven van de schepping omgaat, zo krijgen we bij de enscenering van de geboorte van Jezus ook een vingerwijzing. Hij wordt geboren in Bethlehem omwille van zijn afstamming van David. En de naam van zijn geboorteplaats betekent broodhuis, beit lechem. Hij is het brood dat uit de hemel is gekomen om een huis te bouwen waar leven is.
Brood zou je immers kunnen definiëren als grondstof voor leven. Dat kan van alles zijn en in de praktijk is het dat ook. Kijk maar naar wat we nodig hebben voor ons leven: Leefruimte, vrijheid, geld, energie, graan, biobrandstof, grondstoffen, idealen en levensovertuigingen. Jezus, en waar Hij voor staat, is brood,  grondstof voor waarlijk leven. Brood, kortom, is alles wat we nodig hebben voor een menswaardig bestaan.

De letters waaruit het hebreeuwse woord voor brood bestaat kunnen ook oorlog en strijd betekenen. Het is maar hoe je het uitspreekt. Met andere woorden. Brood is maar grondstof voor leven wanneer er geen oorlog om gevoerd wordt.
De praktijk leert ons dat grondstoffen  voor ons bestaan juist een voorwerp zijn van strijd, concurrentie, handelsoorlogen en gewapend geweld. Brood betekent leven waar het gedeeld wordt. En het betekent oorlog wanneer er sprake is van ongeoorloofde toe-eigening.
Het paradijs biedt meer dan voldoende voor het leven van adam en eva, maar zij verliezen het door hun begeerte. De schepping biedt voldoende voor het menselijk bestaan, maar niet voor ieders hebzucht, om Gandhiji te parafraseren. De liefde van God is voldoende voor ieder mensenkind, we hoeven er geen strijd om te leveren, of God exclusief toe te eigenen.

Toe-eigening gaat ook altijd gepaard met uitsluiting. Wanneer ik veel heb, heeft mijn naaste weinig. Wanneer een ander macht heeft, heb ik dat niet. Wanneer de een de waarheid in pacht heeft, heeft de ander altijd ongelijk. Wanneer ik aanspraak maak op de juiste levenswijze, leeft de ander in zonde. Dit mechanisme schept schaarste en berooft de naaste van de mogelijkheden tot een menswaardig bestaan.
Dit klinkt wellicht wat simplistisch en kort door de bocht, maar het gaat om een fundamentele houding waarin de een zich hoger en beter acht dan de naaste en op grond daarvan voor zich meer rechten neemt ten koste van de rechten van de naaste die hij minacht. Leg dit voorbeeld maar eens op de huidige situatie in Belarus.

De filosoof Levinas benadrukt dat toe-eigening van vrijheid door de een, of door een kleine geprivilegieerde groep, op den duur leidt tot onvrijheid voor allen. Hij zegt: “om vrijheid voor allen te waarborgen dient ieder zich enige beperking op te leggen uit respect voor de vrijheid van de ander en uiteindelijk van ieder”.
Vrijheid is niet ongebreideld voorhanden. En datzelfde geldt voor veiligheid, vrede, leefbaarheid en ga zo maar door. Het gaat om de juiste maat.

Maar leven is meer dan persoonlijke vrijheid. Het is leven in verbondenheid. Om mens te zijn in de volle betekenis van het woord moeten we ons voeden naar lichaam en ziel. Het volk mag dan in het beloofde land leven in overvloed, maar het woord leert hoe daar mee om te gaan, zodat er voor iedereen levensmogelijkheden zijn.
Het verschil in brood als bron van leven en als oorzaak van strijd is gelegen in de toe-eigening waarbij de ander wordt uitgesloten. Zodra iemand zich toe-eigent wat bedoeld is voor allen, met name de gaven van de schepping, gaat het fout. Dan ontstaat een tweedeling tussen bezitters en bezitlozen en daarmee ontstaan rijkdom en armoede, overdaad en gebrek. Wanneer dat verschil te groot wordt, desintegreert de menselijke samenleving.

Het volk Israel heeft die les al geleerd in zijn tocht door de woestijn. Bij de gave van het brood uit de hemel. Daarbij werd van Godswege gezegd dat men niet meer mocht nemen dan wat men voor die dag nodig had. En op de dag voor de sabbat een dubbele portie. Het brood uit de hemel is immers bedoeld voor het hele volk (in messiaanse zin zijn dat alle mensen). Wat meer werd genomen, bedierf. Niet alleen wat genomen is bederft, maar het bederft ook degene die meer neemt dan het toekomende deel.  We bidden nog steeds voor het dagelijks (het ons toekomende) brood. Dat is niet alleen een smeekbede, maar zeker ook een ethisch appèl. Het herinnert ons eraan dat de gaven die we van God vragen niet ons exclusieve bezit zijn. Dat wij ze niet ten koste van het leven van anderen mogen toe-eigenen. Bovendien leert het ons te vertrouwen op de zorgende liefde van God. Heel veel toe-eigening en stapeling van bezit is immers gebaseerd op hebzucht en angst.
De leerlingen van Jezus leerden die les bij de broodvermenigvuldiging. Zij wilden de mensen wegsturen van de plaats en de persoon die hun levenshonger stilde. De leerlingen hadden maar amper genoeg voor zichzelf bij zich, vijf broden en twee vissen. Toen zij op het woord van Jezus deelden wat zij hadden, werden zij van bezitters deelgenoten aan de gaven van de schepping, hieven zij het verschil tussen hongerigen en bezitters op. De gaven die we om niet ontvangen, de vissen, en het brood, vrucht van de aarde en van het werk van onze handen, zijn er om gedeeld te worden, om te voeden wie hongeren en dorsten naar leven.

Jezus incarneert het messiaanse volk Gods waarin de schepping tot haar bedoeling komt. Niet exclusief, maar exemplarisch. Als eerste van de zijnen. Hij is het mensgeworden scheppingswoord, de nieuwe adam. Het brood uit de hemel neergedaald, het manna als beeld van het woord dat leven is en richting geeft aan ons menselijk streven. Het brood dat hij is en geeft als voedsel, is zijn vlees: zijnde het woord dat vlees geworden is, dat God is en bij God is en in de wereld gekomen als een licht om alle vormen van duisternis te verdrijven.

 

Jezus wijst zijn leerlingen op de weg van concrete gerechtigheid. Het beloofde land is niet alleen visioen, geen louter spirituele werkelijkheid. Het ontstaat heel concreet daar waar de gaven van de schepping en het werk van onze handen ten dienste worden gebracht van het geheel. Dat maakt het verschil tussen dood en leven, tussen vrede en oorlog. 
Zoals Jezus zichzelf geeft voor het leven van de wereld, zo ook moeten de leerlingen doen. Niet als bezitters, maar als uitdelers van Gods rijke genade. De Efezebrief wijst ons de weg: “Weest als geliefde kinderen navolgers van God en wandelt in de liefde zoals Christus u heeft liefgehad. Weest vriendelijk jegens elkaar en barmhartig en vergeeft elkaar”. Voor dat leven ontvangen we het brood uit de hemel, het woord van de Thora, brood van eeuwig leven, vleesgeworden, Christus zelf, in de eucharistie, de maaltijd die een afbeelding is van de wereld zoals die zou moeten zijn. Die niemand uitsluit en niemand minacht. Hier worden we naar lichaam en ziel gevoed om ervan te delen met velen, ten dienste van de wereld. Beter gezegd voor een wereld waarin levensmogelijkheden zijn voor ieder en dat een huis vol leven is.  Amen.

 top

Overweging 1 augustus 2021 
rentmeesterschap
Lezingen: Jeremia 32, 37-42; 1Korintiers 10, 1-13; Lukas 16, 1-9.
Soms komen we in de heilige Schrift verhalen tegen die ons een raadsel zijn. Vandaag is zo’n moment. De parabel over de rentmeester is een lastige en we vinden hem alleen bij Lukas. Het komt ons vreemd voor dat het verhaal in de evangelietekst is opgenomen. Misschien hebben we vooral moeite met de uitspraak die door Lukas in de mond van Jezus wordt gelegd: “Ook ik zeg jullie: maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen, wanneer deze jullie ontvalt”. Vriendschap kopen om in de eeuwige verblijven te komen? Ongerechtigheid prijzen? Zo kennen we de boodschap van Jezus toch niet? We moeten graven om tot betekenis te komen.

Laten we eens kijken wat er staat. Een landgoedeigenaar komt erachter dat zijn majordomus, zijn oikonomos zoals het in het Grieks staat, zijn goed verkwist. Deze dienaar, niet zelden een geletterde slaaf, is aangesteld om het huis van zijn heer te bestieren, maar er komen ernstige klachten over zijn bewindvoering en de heer vraagt rekenschap van hem en kondigt aan hem te ontslaan. In wat volgt wordt de praktijk van deze rentmeester bloot gelegd. Hij roept de schuldenaren een voor een op en vraagt hun wat er op hun schuldbrief staat. Van honderd vaten olie laat hij vijftig maken en van honderd mud tarwe tachtig.
Wat is hier aan de hand? Ogenschijnlijk heeft de rentmeester bij het uitlenen van goederen van zijn baas de schuldenaars afgeperst. Iemand leent 50 of 80 eenheden, tekent een schuldbekentenis van 100 en bij afbetaling steekt de rentmeester 50 of 20 eenheden in zijn eigen zak. Misschien zit daar de verkwisting dat hij teveel van zijn baas uitzet en geen rekening houdt met een goede voorraad voor het gebruik van zijn meester en diens huishouding. Wellicht maakt hij zich ook niet schuldig aan zelfverrijking, maar aan woeker en gaat hij daarmee niet alleen in tegen de wet, maar voegt er nog een onrecht aan toe, buiten medeweten van zijn heer die ervoor wordt aangezien. Dan is de verkwisting niet het over de balk gooien, maar het oneigenlijk en onrechtmatig gebruik van de goederen.

Er bestond immers van oudsher een verbod om rente te vragen aan volksgenoten. Het wordt uitdrukkelijk verboden in Deuteronomium. En het luistert nauw. De grote geleerde en wetsleraar Hillel, ongeveer een tijdgenoot van Jezus, zegt: “Een vrouw moet geen brood aan haar buurvrouw lenen zonder de geldelijke waarde te berekenen. Misschien stijgt de prijs van het meel en van het brood en dan zou zij bij het terugontvangen zich schuldig kunnen maken aan de overtreding van het verbod op rente”.
Rente en rente op rente brengt mensen in problemen en kan hen in schuld gevangen houden. Zoals sommige landen ook geld moeten lenen om aan hun renteverplichtingen te voldoen en daarover weer opnieuw rente betalen. Eigenlijk zou je niet aan elkaars gebrek of nood moeten willen verdienen.
Ook voor christenen gold eeuwenlang het verbod om rente te vragen. Tot het toegespitst werd op het verbod op woeker.
De psalmist zegt: “welzalig de man die leent zonder rente te vragen”. Die zaligspreking zou er op kunnen wijze dat het renteverbod niet altijd werd onderhouden. Maar dan wel op een verdekte manier. Afhankelijk van de schaarste van het geleende goed en de termijn van terugbetaling werd de schuldbekentenis verhoogd. Binnen een strikte benadering van de wet was dit niet geoorloofd, maar het gebeurde wel.
De rentmeester lijkt nu de zogenaamde rente bij de schuldenaars in mindering te brengen op hun schuld. Zijn baas krijgt niet minder dan hij heeft uitgeleend en de schuldenaar betaalt minder dan daarvoor. Een slimmigheid van de rentmeester. En…Ogenschijnlijk handelt hij in overeenstemming met de wet.
Zo maakt hij zich vrienden die hem mogelijk opvangen als hij ontslagen is uit de dienst, want hij is te lui en te trots om de consequenties te dragen. Hij handelt doortrapt en opportunistisch en wij kunnen ons moeilijk voorstellen dat je daarmee vrienden maakt. Ook niet dat zijn meester hem hiervoor prijst.  Moet hij voor deze voorbedachte rade als voorbeeld gesteld worden? Moeten de kinderen van het licht de sluwheid van deze wereld leren? Dat is onverenigbaar met ons geloof en zoals Augustinus, en niet als enige, zegt: “we lezen de Schrift uit geloof tot geloof. Om te groeien in geloof en in liefde”. En als de lezing in zijn letterlijke betekenis strijdig met het geloof, en met de wet van de liefde, dan moeten we die anders verstaan. En dat lijkt me hier ook aan de orde.

Kennelijk is er in de periode van het ontstaan van de nieuwtestamentische teksten een verandering gaande van de benadering van de wereld en in de verhouding tussen deze wereld en de komende wereld. Deze wereld wordt negatief gekwalificeerd ten opzichte van de komende wereld. En de komende wereld is dan de norm voor deze wereld. De in het Joodse geloof van destijds ook bestaande term van “kinderen/zonen van de komende wereld” als aanduiding van de rechtvaardigen, worden hier in het evangelie kinderen van het licht genoemd. Tegenover die van de duisternis. De rechtvaardigen nemen al deel aan de komende wereld. Zij staan in het licht van de eeuwige. De kinderen van het licht zijn degenen die hun leven betrekken op God.
Gaandeweg ontvangen deze wereld en de komende wereld, duister en licht, een dualisme. Zij worden uit elkaar getrokken in plaats van op elkaar betrokken. Dat wordt ook extra duidelijk in het verhaal dat even verderop in het evangelie staat en soort spiegelverhaal is, namelijk dat over de rijke man en de arme Lazarus die na zijn dood in de schoot van Abraham mag liggen. En in de onoverbrugbare afstand tussen het dodenrijk van de rijke en de zaligheid van de arme.  De rijke heeft met zijn rijkdom weinig goeds gedaan en zich weinig vrienden in de hemel gemaakt. De komende wereld is daarmee in relatie met deze wereld.

Een dualistische benadering van God en wereld; God en mens; hemel en aarde staat tegenover een idealistische betrokkenheid en een heilsbetrokkenheid tussen deze wereld en de komende. Want dat betekent immers dat de komende wereld richtinggevend is voor onze werkelijkheid en dat onze wereld heilsbetekenis heeft en actief betrokken is op de komende wereld. Dat zij met elkaar verweven zijn.  Moeilijk misschien, maar belangrijk om de tekst te begrijpen.
Hoe kun je in een slechte wereld rechtvaardig blijven? Je onbevangenheid en integriteit bewaren, zonder overdreven achterdochtig of naïef te zijn. Deze wereld en de gaven die we ontvangen vormen ook een opdracht met betrekking tot de komende wereld. Jezus maakt dit duidelijk door in de wereld een levende getuige te zijn van de messiaanse wereld. Om de wereld een plek van openbaring te laten zijn en mensen bij God te brengen.

Ook in de tijd van Jezus is rijkdom niet langer een onschuldig begrip. Het is niet zonder meer een blijk van begunstiging van Godswege. Er bestaat rijkdom die geïdentificeerd wordt als een vrucht van ongerechtigheid, de Mammon van ongerechtigheid. De betiteling Mammon heeft in het spraakgebruik al zijn neutraliteit verloren. Het heeft de status van een afgod en is daarmee verwerpelijk. Het verheerlijken van bezit en rijkdom en de verslaving eraan worden veroordeeld. Bezit is maar bezit wanneer het jou niet bezit. Dan verandert het in bezetenheid. Bezit is geen doel, maar middel. 
Vrienden maken met de onrechtvaardige Mammon kan niet anders dan geestelijk verstaan worden.  Er kan niet anders mee bedoeld zijn dan dat de kinderen van het licht, lees de volgelingen van Jezus, de goederen van de schepping, de aardse goederen gebruiken voor een hoger doel. Voor het geven van aalmoezen, dat is zorg voor de armen, de weduwen en wezen. Voor het doen van gerechtigheid, niet afpersen, ieder het zijne geven en gunnen, eerlijk handelen. De vrienden die ons thuisbrengen in de eeuwige tenten zijn: gerechtigheid, mededogen, milddadigheid, zachtmoedigheid, vredelievendheid, eerlijkheid en betrouwbaarheid. 
Dat laatste blijkt met name ook uit de vergelijkingen die daarna gemaakt worden met betrekking tot de betrouwbaarheid in het kleine en het grote, respectievelijk het hier en het straks. Wanneer we niet betrouwbaar en rechtvaardig omgaan met de tijdelijke goederen die we ontvangen, hoe zal ons dan het hemelse goed ten deel vallen? Nog meer geldt dit voor de hemelse gaven die ons zijn toevertrouwd, te weten Gods woord en belofte. Gegeven om ons leven en de wereld te heiligen.

 

Die betrouwbaarheid heeft zijn zetel in de integriteit van de persoon. In respect voor de integriteit van de ander en zorg voor behoud van de eigen integriteit. Dat is de existentiële betekenis van niet twee heren kunnen dienen. Wanneer je dat doet, is je innerlijke huishouding verdeeld. 
Lukas spreekt in een situatie van verdrukking waarin het juist van belang is om het getuigenis en de integriteit van geloof te bewaren. Jeremia maakt gebruik van de thematiek van ballingschap, de ontrouw van het volk tegenover de trouw en betrouwbaarheid van God die zijn volk niet loslaat.
Wat wij bezitten, de gaven en talenten die we ontvangen, alles wat ons wordt toevertrouwd stelt ons op de proef, maar niet boven onze krachten om met Paulus te spreken. In onze omgang ermee blijkt wie we zijn, blijkt onze integriteit en betrouwbaarheid, blijkt ook of we de weg ten leven gaan en vrienden maken voor het leven.
Wanneer de maatvoering in de relatie tussen bezitters en bezitlozen verloren gaat, desintegreert de samenleving als gemeenschappelijk project. Dat is niet de bedoeling van een samenleving, van een volk, van de wet. Die zijn juist gericht op leven voor allen. Hier en daar lijkt men dat ook weer te ontdekken. De samenleving is geen technisch begrip, maar een waardenproject. Het beheer en bestuur ervan, de economie en politiek, staan niet los van die waarden en hun bedoeling.

In de termen van de evangelielezing zijn wij oikonomoi, beheerders van het huis van de Heer. De Heer heeft ons zijn bezit toevertrouwd om er naar eer en geweten mee om te gaan. Om het in te zetten voor de welvaart en het welzijn van dat huis. Dat huis is niets anders dan de komende wereld die in Hem al gekomen is en waar wij naar uitzien en reeds inwoners van zijn. In de wereld zijn we omgeven met duisternis, maar in Christus zijn we in het licht. Laten we dan als kinderen van het licht in de wereld handelen naar dat licht dat in ons is. Opdat onze wereld aan het licht komt in zijn heilsmogelijkheid, zich mag koesteren in de zon der gerechtigheid als een veilig huis voor allen die de aarde bewonen.  Amen.

 top

 

Overweging 25 juli 2021, apostel Jakobus 
navolging van Christus

Lezingen: Jeremia 45, 1-5; Handelingen 11,27-12,3; Matteus 20, 20-28.
We gedenken vandaag de apostel Jakobus. Niet Jakobus de rechtvaardige, de broer van Jezus, ook Jakobus minor genoemd, maar de andere Jakobus, de broer van Johannes. Zij zijn zonen van Zebedeus en worden in de Schrift Donderzonen genoemd. Dit waarschijnlijk vanwege hun vurig karakter. Mogelijk zijn zij neven van Jezus. In ieder geval behoren zij met Petrus tot de naaste leerlingen van Jezus. Zij zijn als enigen van de leerlingen samen met Petrus aanwezig bij de gedaanteverandering van Jezus op de berg, bij de genezing van het dochtertje van Jaïrus en in de hof van olijven.
Zij blijken ook ambitieus te zijn, gezien de evangelietekst van vandaag. Zij willen verzekerd zijn van een plek in de komende wereld. Dichtbij Jezus. Bij Marcus zijn zij het zelf die deze vraag aan Jezus stellen. Maar bij Matteus is het hun moeder, die als een soort ‘tiger mum’ dingt naar de beste positie voor haar zonen. In beide gevallen richt Jezus zijn antwoord tot de beide mannen.

Lukas heeft een vergelijkbare scene, overigens zonder de vraag naar de belangrijke plaats naast Jezus in heerlijkheid. Daar gaat het over een discussie die de leerlingen onderling hebben gehad over wie onder hen de belangrijkste of grootste is. Jezus vraagt wat zij besproken hebben en zij vertellen het hem. Jezus geeft dan een antwoord met betrekking tot de juiste omgang van de leerlingen met elkaar. We kunnen dat lezen als een onderlinge rivaliteit tussen de leerlingen van Jezus. Zelfs de leerlingen is niets menselijks vreemd, zo lijkt het. Zij moeten kortom nog veel leren. Zij moeten de regels en gedragscodes van het rijk der hemelen leren. In het dispuut over de voorrang zijn zij helemaal van de wereld, die bol staat van heerszucht en competitie. “zo moet het onder jullie niet zijn”, zegt Jezus hun. Dat is ook het tweede deel van zijn antwoord aan de donderzonen en de andere leerlingen bij Marcus en Matteus.

De vraag die door, ofwel ten behoeve van de donderzonen gesteld wordt, gaat nog wat verder. Het betreft de komende wereld. Bij Marcus vragen Jakobus en Johannes om te mogen delen in de heerlijkheid van Jezus en rechts en links van Hem mogen zitten. Hier vraagt hun moeder alleen het laatste. Het is in beide gevallen een onmogelijke vraag. Impertinent ook. Zo werkt het niet. Wat is inzet, wat is opoffering waard onder de garantie van een zekere uitkomst of beloning? Wat betekent geloof dan nog? Niet alleen voor de overige leerlingen, maar ook voor ons die in geloof na hen komen?


Leerlingen zijn geroepen de weg van Jezus te gaan. Een weg van navolging. In geloof. Apostelen zijn degenen die in de wereld zijn gezonden om van dit geloof getuigenis af te leggen. Aan sommigen kost dit het leven. Ook Jakobus is ter dood gebracht. En in die zin heeft hij de beker gedronken die ook Jezus gedronken heeft en is hij, zoals het bij Marcus staat, ook gedoopt met de doop van Jezus. Wij geloven dat zijn leven gezegend is en geborgen bij God.
Wij, als leerlingen, gaan de weg van navolging omdat we geloven in de juistheid en de heilzaamheid van die weg. We doen dat, ook al zien we lang niet altijd resultaat. We geloven in het visioen van de nieuwe wereld, van een herstelde schepping, en in de mogelijkheid van gerechtigheid en vrede. Ook al lijden we onder ons geloof en is de makkelijke weg misschien verleidelijker. Maar we geloven dat het een weg van leven is, een weg die toekomst heeft. De weg van verdeeldheid loopt dood. De weg van groter, grootst is niet die van het koninkrijk.


De vraag met betrekking tot wie de grootste is beantwoordt Jezus met een norm van de komende wereld. De leerlingen moeten niet proberen zich boven elkaar te stellen, maar dienstbaar zijn aan elkaar. In het koninkrijk gaat het nooit om heersen en macht uitoefenen. Het is een dwangvrije samenleving waarin iedere mens op waarde wordt geschat. De dienstbaarheid is dan ook niet een onderdanigheid. Behulpzaam zijn aan de weg die de ander gaat om te worden wie die kan zijn. Om waarlijk mens te worden. Het is een dienstbaarheid die gericht staat op verlossing van de wereld en van elkaar. Opdat we samen toekomen aan onze bestemming. Elkaar helpen dat Gods wil in ons kan geschieden tot heil en zegen van onze medemensen en van onze wereld. Dienstbaarheid aan elkaars verlangen naar geluk en voltooiing.  Misschien zouden we de vergelijkende en overtreffende  trap eens een poosje uit de taal en ons spraakgebruik moeten schrappen om te ervaren wat dat met ons denken zou doen en met de manier waarop we over elkaar praten. Minstens zouden we ons bewust kunnen zijn hoe kwalificerend en de maat nemend deze taalvormen kunnen zijn.


Met betrekking tot de komende wereld, het koninkrijk, spreken we meestal in de toekomende tijd. Dat het eens zal zijn, eens zal komen. Daarmee trekken we het eigenlijk binnen het tijdsperspectief. Nu is het er nog niet, maar eens komt de grote zomer. In geloof en ook emotioneel leven we daardoor in het spanningsveld van het eens en nog niet, het spanningsveld van de belofte en van de hoop. We zijn verlost, maar in hoop, zoals ook Augustinus zegt. En daar leven we van. De belofte en de hoop houden ons gaande en motiveren tot een bepaald gedrag, in afwachting van wat komen gaat en beloofd is.

Het is de vraag of dat de meest vruchtbare levenshouding is. Zeker doordat het ‘eens’ in de praktijk al heel lang duurt. Hetgeen ons met Gerard Reve zou kunnen  doen verzuchten: “dat koninkrijk van U, komt daar nog wat van?”.
Hoe onze uiteindelijke werkelijkheid zal zijn weten we niet. Dat is het terrein van, al of niet theologische, bespiegeling, van hoop en verwachting. Misschien kunnen we daar ook niet zoveel invloed op uitoefenen. Ook Jezus spreekt zich daarover niet uit en verwijst naar de Vader voor tijd en plaats en zegt dit ook met zoveel woorden tegen de Donderzonen.
Wel wijst hij de leerlingen op de gedragsnorm van het koninkrijk. Op datgene van het koninkrijk dat binnen ons bereik en binnen onze macht ligt. Daarmee is het koninkrijk uit de chronologie getrokken en gezet binnen het geestelijk bereik van de leerlingen van Jezus. Het is een concept, een wijze van beschouwen waarmee we onze wereld interpreteren en van waaruit we naar onze naaste kijken. Het biedt een normatief kader voor onze keuzes en richt onze gedragingen. Het koninkrijk als levend visioen dat voortdurend oproept tot actualisering in de wereld. Als daadwerkelijkheid. Als een in ons begraven schat, een zaad dat ontkiemen kan in ons hart en in ons bestaan. Dat betekent niet dat we er volledig greep op hebben. We hebben maar beperkte invloed op het denken en gedrag van onze naasten, zelfs op ons eigen handelen. Maar we hoeven niet te zitten afwachten, ‘stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’. In de levenswijze van de leerlingen, in de relaties tussen mensen wordt het zichtbaar en ervaarbaar.

 

Het hier-en-nu karakter wijst ons op onze verantwoordelijkheid met betrekking tot de verlossing van de wereld. Terwijl de weerbarstigheid van de werkelijkheid ons ook bescheiden houdt. We hoeven het ook niet tot stand te brengen, het is er al en we maken er al deel van uit. In zijn grote werk ‘de stad Gods’ zegt Augustinus dat we er nu al deel van uit maken, nu al burgers van die stad zijn, door ons geloof. Ook Paulus laat niet na te zeggen dat we al nieuwe mensen zijn door ons geloof in Christus Jezus.
We hoeven er alleen maar naar te leven en ervan te getuigen.
En dan liever niet als een loodzware plicht van de verantwoordelijkheid die op onze schouders rust, maar in vreugde. Als mensen die zich verheugen over de oogst, waarvan we de eerstelingen reeds ontvangen hebben en van welke oogst in het beloofde land we ook de eerstelingen zijn.
De boodschap van het koninkrijk is er een van bevrijding en vreugde. En als gelovigen en volgelingen van Jezus mogen we daarvan getuigen in de gerustheid dat het Gods goede Geest is die door ons handelt. Amen.
 top

 

Overweging 18 juli 2021
Één wereld, één nieuwe mens

Lezingen: Jeremia 23, 1-6; Efeziërs 2, 11-22; Marcus 6, 30-44.
Meestal is de evangelielezing leidend voor de viering en de predicatie. Zeker in de groene tijd heeft de tweede lezing niet altijd een verband met het evangelie. Maar vandaag vormt de tweede lezing uit de Efezebrief eigenlijk een mooie verbindende tekst tussen de profeet en het evangelie. Het geeft een theologische duiding van hetgeen in Jezus wordt geopenbaard en wat de betekenis daarvan is voor het volk van de belofte en voor de gelovigen uit de volkeren.
Het centrale gegeven is dat Jezus in zichzelf de twee werelden één maakt. Het gaat daarbij zowel om de wereld van God en die van de mens, als ook over de werelden waarin de mensen ten opzichte van elkaar verdeeld zijn. Bovendien wordt in hem ook de ene, nieuwe mens geschapen. Hij verzoent en maakt één wat is verdeeld.

Natuurlijk doelt de schrijver in eerste instantie op het onderscheid en de scheiding tussen de volkeren en de Joden, waarbij de wet wordt voorgesteld als een scheidsmuur. Israel heeft deel aan de messiaanse belofte, maar niet de heidenen. Deze zijn veraf en uitgesloten van de gemeenschap van Israel. De verdoolde schapen uit de profetenlezing zijn alleen de verstrooide leden van het volk Israel. Hen zal de van Godswege aangestelde herder en koning uit de diaspora terugbrengen naar de grond Israel en zijn bestuur zal rechtvaardig zijn. Hij zal de eenheid van het volk herstellen en het niet uitbuiten, maar vruchtbaar en voorspoedig maken. Historisch heeft men wel in deze beschrijving Zedekja, wat betekent God is rechtvaardig, herkend, maar messiasgelovigen herkenden hierin Jezus. En Hij is niet alleen Herder van Israel. In Hem krijgen ook de volkeren door hun geloof deel aan de belofte van Israel. Van buitenstaanders worden zij deelgenoten, leden van de beloftegemeenschap. Hij heft de scheidsmuur van de wet op. Het heil aan Israel beloofd, verbreedt zich naar in beginsel alle mensen. Geen scheiding tussen verkorenen en verlorenen.
Alle mensen zien immers uit naar vrede, veiligheid en bevrijding. Allen mogen in geloof naderen en huisgenoot van God worden, dichtbij Hem leven. Het doorbreken van het principiële onderscheid tussen “wij” en “zij” is een geweldige doorbraak in het denken. Niet alleen voor toen, maar ook, en met grote urgentie, voor ons nu.
Het ziet de leden van de verschillende volken als fundamenteel één. Het weerspiegelt de eenheid van God zelf. De eenheid van de Geest door wie wij allen toegang hebben tot de Vader.
Bijgevolg wordt in Jezus nog een andere dualiteit opgelost. De vermeende scheiding tussen God en mens. Een goede Herder brengt niet alleen de mensen bijeen, maar Hij brengt hen ook bijeen bij God. Hij herstelt de existentiële verbondenheid van mensen onderling en de essentiële verbondenheid van mensen met God.


Het idee van afgescheidenheid is een in alle opzichten desastreuze fictie. De bijbelse benadering van de wereld gaat uit van de fundamentele eenheid van God en zijn schepping. De eenheid van God is een alles doordringende eenheid. In dat beeld zijn de afzonderlijke dingen niet geschapen om afgescheiden van elkaar te zijn, maar om in een levenwekkende relatie te staan. Met name geldt dit voor de mens die verondersteld is beelddrager van God te zijn. De koning, de herder is het symbool van die eenheid. Maar meestal zien en ervaren wij onszelf niet binnen die fundamentele eenheid van God. En daarmee houden we God buiten de deur en onszelf buiten God. Zo zijn we letterlijk maar een schaduw van wat we kunnen zijn en hopelijk eens zullen zijn. We hebben een verkeerd beeld van onszelf en dat vormt het uitgangspunt van ons handelen. Hoe anders is het wanneer we ons omkeren, bekeren, en ons stellen in Gods licht. Daarmee krijgt God een centrale rol in ons handelen.


Waar we toe bestemd zijn is een in de Geest verenigde mensengemeenschap die leven ontvangt en leven doorgeeft. Niet alleen in biologische zin, maar in een vervullende zin. Deze omvat in principe alle mensen. Een gemeenschap waarin geen “vreemdelingen” zijn, alleen huisgenoten.
Die van Geest vervulde samenleving wordt present gesteld in de kerk, die voorloper en wegbereider is, en dan met name in de viering van de Eucharistie. Daar viert de samengeroepen gemeente haar verbondenheid onderling en met Christus. Daar wordt zij gevoed met de levensgave van de Heer. Daar ontvangt zij het beloofde leven en smaakt wat zij in belofte reeds is. De evangelielezing wordt met deze tafelgemeenschap in verband gebracht. Het gaat ook over de rol die de leerlingen daarbij vervullen.


In het voorgaande deel van het verhaal is verteld hoe Jezus zijn leerlingen macht geeft over onreine geesten en hen op zendingsreis stuurt. Zij mochten niets meenemen dan een stok en sandalen. Zij riepen op tot bekering en genazen veel zieken. Nu zijn zij teruggekeerd en Jezus neemt hen mee naar een afgelegen plek om met hen samen te zijn. Maar de heilshongerige menigte volgt hen. Tegen de avond dringen de leerlingen erop aan dat Jezus de mensen weer wegstuurt om voedsel te gaan kopen. Maar Jezus zegt hun dat zij hun te eten moeten geven. Jezus heeft de menigte de hele dag onderricht gegeven, nu is het de beurt aan de leerlingen. Ondanks hun ervaringen tijdens hun zendingsreis begrijpen de leerlingen toch nog niet waar het eigenlijk om gaat.
Zij vragen of ze voor tweehonderd denariën brood moeten gaan kopen. Maar het gaat niet om geld en kopen in het koninkrijk van God. Wat hier staat te gebeuren is een toepassing van wat in Jesaja geschreven staat in hoofdstuk 55 en 56. Een tekst die met name ook gaat over het nieuwe godsvolk. Allen die God willen dienen ontvangen een plaats in zijn huis. In 56, 8 lezen we: “anderen zal ik verzamelen en toevoegen aan hen die reeds verzameld zijn”. Hoofdstuk 55 begint met “Kom wie dorst heeft, hier is water, en allen die geen geld hebben, kom koopt koren en eet zonder geld, drink wijn en melk zonder betaling. Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is, en loon aan iets dat niet verzadigt? Luister aandachtig naar mij en u zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs. Buig uw oor en kom naar mij, luister en u zult leven”.


Jezus geeft aan dat het niet om geld gaat en om kopen. Het koninkrijk waarin allen verzadigd worden, is niet het resultaat van economisch handelen. Het gaat erom wat wij elkaar te bieden hebben. Daarom vraagt Jezus aan zijn leerlingen: “wat hebben jullie?” Wat zij hebben lijkt weinig voor zo’n grote menigte. Maar het wordt door de Heer gezegend en het blijkt voldoende voor iedereen, voor het hele Godsvolk.
Het gaat er niet om of je veel of weinig te bieden hebt. Dat is geruststellend. Wanneer wij zelf als leerlingen van Jezus nadenken over het koninkrijk en rondkijken in de wereld, worden we misschien moedeloos. Zover weg lijkt de vrede. Zo groot de problemen waarmee we geconfronteerd worden. We hoeven niet meer te geven dan we hebben, maar wat we te bieden hebben kunnen we bijdragen aan de groei van het koninkrijk. Aan het zichtbaar maken van onze bestemming. Die inspanning wordt door de Heer gezegend waardoor het vrucht draagt, niet honderdvoud, maar duizendvoudig in dit verhaal. Vijf broden en vijfduizend mensen. Met andere woorden: we moeten het resultaat van onze inspanningen en het weinige dat we te bieden hebben niet onderschatten.

De leerlingen hebben de sleutel tot het Godsrijk in handen. De vijf broden en twee vissen verwijzen ook naar het woord van God dat leven betekent voor ieder die het tot zich neemt. De Thora, de vijf boeken van Mozes, en de schriftelijke en mondelinge traditie. Het woord moet zowel ongeschonden voor de generaties bewaard worden alsook geleefd en doorgegeven, gebroken en gedeeld.
Het Godsrijk is daar waar wij leven naar dat woord. Zoals al gezegd: het rijk der hemelen is geen economisch en geen politiek vraagstuk. Het is het resultaat van bekering en een oprechte levenswandel in het licht van de Eeuwige. Het is niet zozeer iets wat je moet doen, maar iets wat je mag zijn.

Een voor onze tijd belangrijk aspect in de evangelielezing wil ik tot slot niet onvermeld laten. Met het gebaar dat de leerlingen maken, wordt de scheiding tussen de bezitters van levensmiddelen en van hongerige bezitlozen opgeheven. In een rechtvaardige wereld kan het niet zo zijn dat de een voldoende heeft om te leven en de ander honger lijdt. De één een bijna misdadige overvloed heeft met een onvoorstelbaar vermogen van 180 miljard dollar en de ander geen geld om zijn kinderen te voeden. Toch wordt die kloof nog steeds groter. Misschien onoverbrugbaar, zoals de kloof tussen de rijke en de arme Lazarus. De vruchten en de opbrengst van de schepping hopen zich bij een kleiner wordend percentage van de mensheid op, zodat, naar de woorden van Frans Timmermans, onze kleinkinderen straks oorlog moeten voeren om water en voedsel.
Zo aanstonds bidden we weer samen het Onze Vader, het centrale gebed in de Bergrede als samenvatting van het Godsrijk. We bidden: geef ons heden ons dagelijks brood. Het manna in de woestijn indachtig: alles wat we meer nemen dan we nodig hebben, dan wat ons toekomt, bederft. Het bederft ook onze ziel en de menselijke verhoudingen.
Zo is dit wonderverhaal, of tekenverhaal, bij Marcus ook een vingerwijzing voor een rechtvaardige verdeling van de gaven van de schepping, zodat allen mogen eten en verzadigd worden. Geen wereldvrede zonder rechtvaardige verdeling.

Laten we niet te gering over onszelf denken. Wat we te bieden hebben, de gaven van hoofd, hart en handen, is voldoende voor het rijk van God, wanneer we het blijmoedig delen met wie hongeren en dorsten naar vrede en gerechtigheid. Amen. 

 top


Overweging 2021 07 11

op de goede weg

Lezingen: Amos 7, 7-15; Efeziërs 1, 1-14; Marcus 6, 6b-13.
In onze wereld van vallen en opstaan, van voorzichtige hoop en overmoed, van onrecht en op maat gesneden redeneringen, van desastreuze regeringen en veelbelovende initiatieven van goedheid lezen we de heilige Schrift. In het lezen brengen we onszelf en de wereld waarin we leven, onze hele context, mee. En we lezen de Schrift met het oog op onszelf en met oog op de wereld. Het Woord moet niet bij God blijven, niet op de kansel, maar het komt thuis in ons hart, in ons leven, waar het woord bewerkt wat het betekent. Het is als een paslood. Het laat zien hoe wij staan in het leven: ten opzichte van elkaar, onszelf en God. Dat is de profetische functie van het Woord. Vaak troostend en richtinggevend, maar niet altijd onmiddellijk duidelijk en ook niet altijd welgevallig. Maar altijd erop gericht om ons dichter bij onze bedoeling als mens te brengen. Het is als een spiegel. Het laat ons zien, om met Augustinus te spreken, welke vorderingen wij maken op de weg van de liefde. Daarom lezen we de Bijbel ook niet als een kant en klare boodschap, die we dan al of niet begrijpen, maar bespiegelend en vragend om tot begrip te komen en te groeien in geloof en kennis van God. Om meer mens te worden en zo de wereld menselijker te maken.


We kennen Amos als een compromisloze profeet die zich vol inzet op gerechtigheid en elke hypocrisie ontmaskert en veroordeelt. In zijn bekommernis is hij niet alleen recht in de leer, maar misschien zelfs steil in de leer. Het paslood past goed bij hem.
Amos wijkt niet voor intimidatie en dreigementen. Hij weet wie hij vertegenwoordigt en door wie hij zich geroepen weet. Met dat recht laakt hij de religieuze feesten en erediensten die niet geworteld zijn in een daadwerkelijk getuigenis van het verbond. Gezangen, vieringen, offers betekenen niets, en zijn zelfs een aanfluiting, wanneer zij niet gepaard gaan met de beoefening van gerechtigheid.
Het is in zijn onomstotelijkheid een lastige boodschap. We weten dat het juist is, maar weten ook dat we er niet altijd aan beantwoorden. En op zich is dat ook niet een ramp. Als we ons er maar van bewust zijn. Ik zou zeggen: het mag ons onrustig maken, maar hoeft ons niet te verontrusten. Het besef dat de gerechtigheid een voortdurend appel op ons doet, houdt het verlangen gaande naar een wereld waarin gerechtigheid en vrede vanzelfsprekend zijn.
De normen van het koninkrijk van God vormen een wenkend perspectief en zijn een baken dat telkens weer richting geeft aan onze keuzes en aan de koers die we varen in het leven. Het koninkrijk van God is voor wie geloven het kader waarbinnen wij leven. En dat kader bepaalt hoe wij kijken naar onszelf, naar onze medemens, naar de wereld waarin we leven. We doen dat lang niet altijd bewust en soms ook helemaal niet, maar wel zo goed mogelijk. Je zou kunnen zeggen dat Jezus, zoals hij aan ons verschijnt in de Schriften, zich voortdurend bewust is van dit kader en er consequent naar handelt. In zijn optreden, in zijn woorden en handelen is hij trouw aan wat hij vertegenwoordigt.


Bij profetische woorden hoort immers ook profetisch handelen. Zoals profetische woorden duidelijk maken waar het bij God om gaat, zo maakt profetisch handelen dat concreet zichtbaar. Profetisch handelen actualiseert het Koninkrijk. Daartoe worden we in de wereld gezonden als leerlingen van Jezus in wie het Koninkrijk van God vlees en bloed wordt, levende werkelijkheid.

Jezus zendt zijn leerlingen twee aan twee uit om van Hem te getuigen. Waar twee of meer aanwezig zijn in mijn Naam ben ik aanwezig. Voor de geldigheid van een getuigenis moeten er altijd rechtens twee of meer getuigen zijn. Deze leerlingen moeten zichtbaar maken waar het met betrekking tot het rijk der hemelen om gaat. De zendingstekst bij Lukas en ook die van Mattheus verschillen van die van Marcus. De teksten van Marcus en van Lucas (9, 1-6) zijn kort. Bij Marcus ontvangen de leerlingen van Jezus de macht over de natuurlijke orde. Het heeft een wonderkarakter, zoals veel van de verhalen van Marcus. De leerlingen delen als het ware in de goddelijkheid van Jezus, die in staat is de wereld te herscheppen. Zo ook de leerlingen die in navolging van Hem en op Diens gezag handelen. Bij Lucas luidt de opdracht, net als bij Mattheus, om de nabijheid van het Godsrijk te verkondigen, hetgeen zich uit in het heilzaam handelen van geesten uitdrijven, zieken genezen, melaatsen reinigen.
Mattheus, en ook Lucas, verbiedt hun om ook maar iets mee te nemen. Marcus laat hen sandalen dragen en een stok meenemen. Als een minimale bescherming tegen stenen en schorpioenen en om zich wilde honden en andere beesten van het lijf te houden. Lucas en Mattheus spitsen het vertrouwen waarmee de leerlingen op weg gaan toe. Jezus is de weg die zij gaan, dus wat zouden zij verder van node hebben? Het geloof in Jezus als een absolute weg, een veilige weg, een weg die erin voorziet wat men nodig heeft om die weg te gaan. Een leerschool voor de leerlingen die in het spoor van Jezus willen gaan. Arm en weerloos als de mensenzoon zelf, maar met een, letterlijk, heilig vertrouwen in de God die erin zal voorzien.


Zij gaan als armen onder de armen. Om aan armen de blijde boodschap te verkondigen. Daarbij gedragen zij zich niet als rijken. Zij maken zich afhankelijk van de gastvrijheid van de plaats waar zij maar komen. Want juist in die wederzijdse dynamiek van de ontvankelijkheid van en voor de ander openbaart zich het koninkrijk van God. Het schept verbondenheid. Welk ander getuigenis zouden zij kunnen geven. Door zegenend en weldoende rond te gaan en als vreemden door naasten ontvangen te worden. Vreemden worden naasten en bezoekers zijn tot zegen. Zij drijven de boze geesten van vreemdelingenhaat uit en genezen van de ziekte van zelfzucht. De leerlingen maken zich, als Jezus, kwetsbaar. Het koninkrijk van God is kwetsbaar en weerloos. Juist daarin doet het een appel op de barmhartigheid en gerechtigheid. In het antwoord dat we zijn op elkaars behoefte wordt het koninkrijk zichtbaar en komt het tot bloei.

Waar we ook kijken worden we geconfronteerd met kwetsbare mensen voor wie we een naaste kunnen zijn. We hebben de keuze om op het appel in te gaan of niet. Toch wordt het koninkrijk pas echt ervaarbaar voor ons wanneer we zelf in onze kwetsbaarheid de hand uitstrekken naar een medemens in het verlangen een naaste te ontmoeten die ons aanziet en tot recht brengt. Te vanzelfsprekend staan we als bezitters, als mensen die te geven hebben, of moeten geven, in de wereld. En dat moeten we dan ook zeker doen.

Want vluchtelingen komen niet, zoals de leerlingen in het evangelieverhaal, als getuigen van het Godsrijk in onze wereld tot ons. Hun berooidheid is niet in de eerste plaats een getuigenis van Godsvertrouwen, maar een weerloze vraag om hulp. Zij komen met een dwingend appel om het Godsrijk aan hen zichtbaar te maken. Hun nood moet voor ons onontkoombaar zijn. Het is een paslood voor ons handelen: persoonlijk, nationaal en internationaal.
Hoevelen van deze mensen zullen het stof van de wegen die zij zijn gegaan, van hun voeten schudden als een getuigenis tegen ons, omdat we hen niet willen ontvangen? Omdat we niet in staat zijn het Godsrijk aan hen zichtbaar te maken ondanks het dwingend imperatief van hun ellende?
Ik was een keer op bezoek bij een gezin dat met een ander gezin in een tweekamer “appartement” huisde in een centrum voor mensen die asiel aanvragen. Toen ik binnenkwam stonden er bordjes en glazen op tafel. Er was fruit, thee en vruchtendrank. Een taartje en zoete versnaperingen. Geen gesprek zonder thee, geen ontvangst zonder iets te eten. Dat maakt je deemoedig en enigszins beschaamd. Voor hen was het een vanzelfsprekend teken van beschaving. Hetzelfde heb ik ervaren in bouwvallige hutten in India.

Onrustig is mijn hart, schrijft Augustinus, tot het rust vindt in U. Zo blijft ook ons geweten altijd wat onrustig tot het rust in de sabbat Gods, de grote rustdag als de verwezenlijking van de volheid der tijden. We zijn samen op weg in deze wereld. Ten goede en ten kwade. We geloven dat het koninkrijk allen ten goede komt en zonder allen, geen.  Van deze vervulde werkelijkheid leggen we getuigenis af waar en hoe we maar kunnen. We geloven immers in een wereld waar plaats is voor ieder mensenkind onder de zon. Ik hoop en vertrouw erop dat wij die leerlingen zijn van Jezus die niet te veel voor onszelf nodig hebben en anderen veel gunnen. Ik hoop en vertrouw erop dat wij het mogelijke doen om de zaak van God te verdedigen en zijn koninkrijk zichtbaar te maken. Amen.

 top 


Overweging 2021 07 04

de blik

Lezingen: Ezechiel 2, 1-7; 2Korintiërs 12, 1-10; Marcus 6, 1-6.
De wijze waarop we naar elkaar kijken heeft gevolgen voor de manier waarop we elkaar behandelen. Ik bedoel dit niet in moralistische zin. Meer als een gegeven waar we in de beoordeling van onze eigen kijk op onze medemensen rekening mee moeten houden. De ethiek komt daarna. Die heeft te maken met de gevolgen die deze blik heeft. Ook bedoel ik niet de, bijna dierlijke, blik waarmee we elkaar in het voorbijgaan opnemen om te beoordelen of de ander een bedreiging vormt. Het gaat mij om de blik waarmee we elkaar klasseren. In een hokje stoppen. En ook het beeld dat we van iemand hebben, en waarin we diegene opsluiten.
In sommige omgevingen waarin mensen elkaar al langere tijd kennen, of menen te kennen, is het moeilijk los te komen van het beeld dat men van iemand heeft. Dat geldt voor dorpen, verenigingen, kerken en zo meer. Soms is het ook structureel in de cultuur vervat. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de ‘mannelijke blik’, de in onze cultuur dominante blik van mannen op vrouwen. Dit gaat verder dan alleen “hé schatje”. Het heeft te maken met de positie en het functioneren van vrouwen in bedrijven, met opleidingsmogelijkheden en promotiekansen en salariëring. De blik in uitgebreide zin heeft te maken met de ontplooiingsmogelijkheden en levensmogelijkheden die de ander onder deze blik heeft.

Twee van onze Bijbellezingen gaan over de blik. De lezing uit Ezechiël en de tekst van het Evangelie.
Het boek Ezechiël is verhaaltechnisch geschreven tegen de achtergrond van de Babylonische ballingschap. De redactie zal van later datum zijn. Voor de betekenis van het optreden van de profeet in het verhaal maakt dat niet zoveel uit. Het gegeven van ballingschap vindt immers altijd plaats in het spanningsveld van de ontrouw van het godsvolk en de trouw van God aan zijn volk. Ook waar geen actuele of daadwerkelijke ballingschap aan de orde is, wordt ballingschap gebruikt als een metafoor voor de verwijdering van het volk van God en zijn wet, en de genadige toenadering van de Eeuwige die zich zijn verbond herinnert en zijn toorn opschort. Ballingschap figureert als thema in de dynamiek van de relatie tussen het godsvolk en de Eeuwige. Verwijderd zijn van God is ballingschap, is geen leven, is onvruchtbaarheid, is dood. Staan in de relatie met God is leven, overvloed, oogst, vruchtbaarheid, vrede en voorspoed.


De profeet als type en functie staat in de branding van die relatie. Met God aan zijn rechterhand en het volk aan zijn linker, of, misschien vaker, God  in de rug en diens volk tegenover zich. Profeten zijn zelden populair.
Ezechiël wordt gewaarschuwd. “Zij hebben een harde blik en een hart van steen”. Met andere woorden: zij houden zich gesloten voor de profeet en diens woord. Het is moeilijk praten met mensen die zich voor je afsluiten.
Ieders geweten, dat wat we van binnen weten als juist en goed, is kwetsbaar voor waarheid en recht. De manier waarop we ons aan het ethisch appel van wat goed en juist is zouden kunnen onttrekken, is ons enigszins verharden. We kunnen dat in onszelf ervaren bij iedere bedelaar die we op straat tegenkomen, bij hen die we niet willen aankijken, zogenaamd niet zien, bij de zoveelste oproep om te doneren en storten voor een goed doel. We kunnen het ervaren wanneer binnen families mensen zich ingraven in ruzie en gekwetstheid; en zij zich verharden zodat zij elkaar niet hoeven toe te laten.
Ezechiel maakt duidelijk dat God anders in elkaar steekt. Zich niet verhardt. En dat dat ook niet de bedoeling is voor mensen ten opzichte van elkaar.
Elders in het boek Ezechiel, in hoofdstuk 11, staat dat God bij monde van de profeet zegt: “ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest. Ik zal het stenen hart uit hen verwijderen en hun een hart van vlees geven. Dan zullen zij mijn wet in acht nemen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn”.
Mensen met een toegankelijk en warm kloppend hart, open naar God en de naaste. Daarin ligt de menselijke bedoeling.


In het Evangelie is de blik op een andere wijze bezet. Ook een die we gemakkelijk kunnen herkennen. Jezus komt terug in zijn geboortedorp en preekt daar in de synagoge. Zijn afkomst is bekend. Het is een gewone jongen, zoon van Maria en Jozef (die er uit gehaald lijkt) en broer van met name genoemde broers en zussen. Niets bijzonders wordt door Marcus vermeld. En zou zo’n gewone man dat allemaal kunnen doen? Wie is hij dan wel? Al ben je een gelauwerd hoogleraar, in het dorp waar je vandaan komt ben je Piet van Janne van Kees en moet je niet teveel kapsones hebben.
In kleinere gemeenschappen kent iedereen iedereen en een stigma dat je eenmaal hebt gekregen raak je maar moeilijk kwijt. Het wordt doorverteld aan wie nieuw komt en diens blik wordt er ook door beïnvloed. Als mens kun je in zo’n door opvattingen omtrent je persoon gevormde omgeving je weinig ontplooien. Het wordt altijd geïnterpreteerd binnen het kader van de heersende opvatting. Ben je vriendelijk, dan ben je neerbuigend; ben je zelfverzekerd, dan ben je hovaardig; rijd je op een fiets, dan wil je eenvoudig zijn; rijd je in een fatsoenlijke auto, dan ben je een patser.  Je kunt er weinig goeds doen en niet goed uit de verf komen.

Eigenlijk zijn beide vormen van kijken een overtreding van de toepassing in uitgebreidheid van het gebod om niet te doden. Het beperkt het bestaan van de naaste en maakt het leven en de ontplooiing in vrijheid onmogelijk. We kunnen niet altijd verhinderen dat we bepaalde (snelle) oordelen hebben. Maar we kunnen wel verhinderen  dat ze een eigen ongecontroleerd leven leiden met alle gevolgen van dien.
We hebben er nu in het negatieve naar gekeken, maar andersom werkt het natuurlijk net zo. De mensen die in de ogen van anderen geen kwaad kunnen doen en van wie de zwakkere kanten niet gezien worden.
Bij dit alles hebben we nood aan een liefdevolle realistische kijk op elkaar.
 
In de Korintebrief is het zicht van Paulus op zichzelf aan de orde. Veel mensen die Paulus horen vinden hem nogal moeilijk. Soms lijkt hij de bescheidenheid zelf, maar vaak vindt men er ook een valse bescheidenheid in. De intense mystieke ervaring die Paulus rond zijn bekering heeft gekregen en de geestelijke inwijding in de paradijs- of opgangsmystiek noemt hij wel, maar door er niet zijn naam  bij te noemen, vestigt hij er toch de nadruk op. In onze oren is dat wat dubieus. Maar voor hem is het bedoeld als tegenstelling. Hij zou kunnen roemen, maar ziet daarvan af in het volle besef dat zijn bekering en zijn hemelse ervaring niet zijn verdienste zijn, maar geschonken. Zoals elke mystieke- of zielservaring, natuur- en schoonheidservaring die we kunnen hebben, ook door ons als geschonken en in dankbaarheid ontvangen wordt gezien.
Ook wanneer we het geluk hebben eens iets echt moois en waardevols tot stand gebracht te hebben, iemand eens echt geholpen hebben, echt iets hebben kunnen betekenen voor iemand, we daar alleen maar dankbaar voor kunnen zijn en er ons niet op laten voorstaan.
Wanneer we net als Paulus ruimte in onszelf houden die we niet dichtplempen met onszelf, maar open laten voor het wonder, voor wat ons geschonken wordt, blijkt dat dat ons niet kleiner en minder zelfstandig maakt. Maar in menselijke zin juist groter, ruimer van hart en geest. Ruimte houden voor het initiatief van God drukt ons niet weg. Het maakt ons meer tot de mens die we mogen zijn.

En dat heeft alles te maken met Gods kijk op ons. Wanneer we volmaakt zouden zijn, heeft God geen werk aan ons. En zouden we misschien nog meer denken dat we God en de naaste niet nodig hebben. Maar zo is het niet gesteld. Om mens te worden hebben we de ander nodig. We zijn tot relatie gemaakt. God en mens, en mensen onderling. Iedere mens heeft iets bij te dragen en zonder elkaar zijn we niet compleet. Het koninkrijk omvat heel de mens en niet enkele uitverkorenen. Voor mijn menswording heb ik de naaste nodig, net zoals mijn naaste mij nodig heeft voor zijn menswording. Wanneer ik de ander gevangen houd in mijn oordeel, kan deze niet zich ontplooien als mijn naaste die mij iets wezenlijks te bieden heeft. In mijn bewondering kan mijn naaste zich niet tonen in zijn zwakheid. En daardoor missen we beiden iets essentieels.
Leven in respectvolle eerlijke verbondenheid. In een niet flauwe oprechte liefde die recht doet aan mijn naaste die mij op dezelfde wijze serieus neemt. Jezus is nergens zoetsappig en flauw, heeft een open oog voor de beperkingen van zijn broeders en zusters, maar rekent hen er niet op af, verbreekt de band met hen niet. Zijn weg mogen we gaan, hem volgend en hem tegemoet, samen met onze naasten. Amen.

 top

 

Overweging 27 juni 2021 
vrouwen en hun positie 
Lezingen: Spreuken 3, 1-8; 2Korintiërs 8, 9-15; Marcus 5, 22-43.

Vandaag staan in de evangelielezing twee vrouwen in de spotlights. Uit de menigte die altijd in de omgeving van Jezus samendromt wordt een vrouw uitgelicht. Maar niet met name genoemd. Wel haar medische details. Deze scene wordt ingesloten in het verhaal van een meisje, dat ook geen eigen naam heeft in het verhaal, maar aangeduid wordt als de dochter van Jaïrus. De verhalen horen bij elkaar. Ze worden niet als twee aparte wonderverhalen verteld, wat heel goed zou kunnen, maar met elkaar verweven in een drieluik. En dat moet iets betekenen.


Deze week werd ik via de krant deelgenoot van een discussie over kledingvoorschriften op scholen. Het is niet de eerste keer dat deze discussie gevoerd wordt. Over de afgelopen vijfenvijftig jaar maak ik het sinds het verschijnen van de hotpants met enige regelmaat mee. Het betreft bijna zonder uitzondering meisjes en het wordt vrijwel altijd geseksualiseerd. Esthetiek en de normen rond kleding en gelegenheid buiten beschouwing latend. De verantwoordelijkheid voor het mannelijk ongemak wordt altijd bij de vrouw gelegd.
In islamitische kring mogen jongens vrij zwemmen en dragen wat ze willen, maar meisjes dienen zich te bedekken.
In Zuid Afrika lijkt het wel alsof vrouwen vogelvrij zijn. Per jaar worden zo’n tweeduizend vrouwen vermoord en meer dan tweehonderdduizend verkracht. En waarschijnlijk is het een veelvoud daarvan. De argumentatie eromheen is misselijkmakend.
In nogal wat culturen en omgevingen is het leven van vrouwen kwetsbaar en bedreigd.
Het ambigue van Eva, de dubbelheid bij Maria Magdalena als zondares en apostel, het aseksuele bij Maria, de moeder van Jezus, laten een grote dubbelhartigheid zien in de mannelijke benadering van de vrouw. Met betrekking tot de mannelijke blik en de positie van de vrouw valt nog een wereld te winnen. Het belang van vrouwenprojecten in Afrika en elders valt niet te overschatten.
Nog steeds wordt het leven van miljoenen vrouwen beschreven in termen van afhankelijkheid, ondergeschiktheid en plicht.

Binnen de religieus-Joodse context is dat niet anders. Ons verhaal speelt zich binnen die context af. Wat er in het verhaal gebeurt en de houding van Jezus ten opzichte van deze vrouwen trekt onze aandacht. Aanraken en aangeraakt worden. We hunkeren ernaar en schuwen het. Als gevolg van corona zijn we het ook wat ontwend.
In onze cultuur zullen mannen niet gemakkelijk een vrouw aanraken, in andere zelfs geen hand geven. Terwijl in diezelfde culturen mannen gemakkelijk hand in hand lopen. Een wildvreemde raak je niet zomaar aan, tenzij het je beroep is. In de lift en de bus staan we in principe zover mogelijk van elkaar af, tenzij het niet anders kan, maar dan kijken we elkaar bij voorkeur niet aan. Hoewel aanraking op zich heilzaam is, is het al snel laakbaar, verdacht, of strafbaar. Het resultaat van teveel ongewenste en ongezonde aanraking. We moeten zoeken naar nieuwe vormen.

Jezus raakt met grote regelmaat mensen aan en mensen proberen ook hem aan te raken, zoals omstanders, althans in Nederland (elders zou dat ondenkbaar zijn) de koning of koningin proberen aan te raken, of de bisschop van Rome of een ander idool. Alsof daarmee iets van de aangeraakte op hen overgaat. In het geval van Jezus is dat zeker zo. Zijn aanraking is zonder uitzondering heilzaam. En hij raakt mensen aan zonder aanzien des persoons, zelfs de onaanraakbare, voor wie een aanraking misschien wel dubbel zo heilzaam is.


Terug naar de twee vrouwen en hun verhaal dat van doen heeft met belangrijke overgangen in het leven. Van meisje naar jonge vrouw, en van vruchtbare vrouw naar oudere dame. De beide situaties markeren de periode van lichamelijke vruchtbaarheid, begin en eind. Daarmee ook de sociale verplichtingen en verwachtingen, de afhankelijkheid, plaats in de samenleving, wat je als vrouw wel en niet mag doen en wat je nog kunt verwachten.

Het meisje is jong, twaalf jaar blijkt uit het rechter paneel. Geen kind meer en nog net niet huwbaar ( zij is na’ara); tussen tafellaken en servet. Als de dood kennelijk voor wat haar te wachten staat. Misschien zou zij het liefst kind blijven, zoals het jongetje Oskar Matzerath  uit Der Blechtrommel van Günther Grasz of zoals Peter Pan, ook een jongen die niet volwassen wil worden, een figuur geschapen door James Barrie.
Hoe het ook zij, zij schuwt de overgang naar een onvermijdelijke volgende levensfase. Jezus pakt haar bij de hand en doet haar opstaan. Zij staat op uit haar verlamming en loopt rond. Als teken van haar genezing en om te tonen dat het geen geest is, laat Jezus haar eten geven.
De andere vrouw bevindt zich in haar nadagen. Zij schuwt de oude dag waarin zij niet huwbaar meer is en afhankelijk wordt van naastenliefde. Zij vloeit al twaalf jaar uit de bron. Zij is derhalve onrein en kan zich eigenlijk niet onder de mensen begeven. Dwars door de conventies en verboden in neemt zij haar recht in handen en raakt Jezus aan om te genezen. Terstond stopt de bloeding. Zij kan als oudere vrouw haar plaats in de samenleving innemen met alle rechten vandien.
Ook hierin, in deze concrete omstandigheden van een mensenleven, maakt God in Jezus zijn naam waar als degene die redt en uitkomst biedt. Hij verlost beiden van de situatie waarin zij gevangen zaten, zodat zij verder kunnen en zich weer binden en toevertrouwen aan het leven. En natuurlijk mogen we hier ook een verrijzenismotief in herkennen.

Elke levensfase heeft zijn eigen uitdagingen, problemen en mogelijkheden. We kunnen de gang van het leven niet stoppen. Niet voor de drempel van de volgende fase blijven staan. Om de volle maat van het leven te leven moeten we kunnen loslaten en ontvangen. Het heden loslaten om het nieuwe heden te ontvangen. We willen ons graag vasthouden aan de status quo, zijn een beetje bang voor veranderingen. Je weet wel wat je hebt, maar niet wat je krijgt. De interventie van Jezus vertelt juist dat in elke nieuwe situatie je ontvangt wat je nodig hebt om die te leven.

Dat vraagt geloof en vertrouwen. Om niet te blijven stilstaan of vast te zitten aan de beperkingen, maar om open te blijven staan naar de mogelijkheden die er altijd zijn. De keuze die we hebben om ook in het zicht van het einde het leven te leven. Om geestelijk op te staan en te lopen op de weg van het Godsrijk. Zodat het leven niet uit je wegvloeit, maar door je heen stroomt.

Het heeft veel te maken met loslaten, toelaten en aangeraakt zijn door de realiteit van Gods aanwezigheid in de omstandigheden van ons leven. Niet willen vastklampen, naar  je hand zetten, domineren; het niet waar willen hebben wat er gebeurt, verzet tegen wat zich aandient. Afzien van de drang om de niet te veranderen gang van het leven naar mijn wens te sturen. Wetend van binnen dat de belangrijkste dingen niet te sturen zijn. Dat we die ontvangen. Hoe we het ontvangen is aan ons. Zijn we er als de dood voor of kunnen we het ontvangen als ons leven. En het leven in overgave.

In het voetspoor van hem die zelf, zoals Paulus schrijft, arm is geworden om onzentwil, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. Deze armoede en rijkdom zijn natuurlijk niet in materiële zin bedoeld. Jezus heeft zich ontledigd door ons menselijk bestaan op zich te nemen. In hem is God naar ons toe gekomen om ons tot zich te trekken en met hem te verenigen. Hij heeft zijn leven gegeven en over ons uitgestort, opdat wij tot waarlijk en voluit leven zouden komen. Dit leven ontvangen hebbend, mogen wij ook elkaar tot leven strekken. Dit niet voor onszelf houden, maar delen zoals Jezus het heeft gedeeld. Alleen zo kunnen we het namelijk behouden. We moeten het geven om het te kunnen ontvangen. Daar worden wij niet armer van, maar geestelijk rijker. Wat een weg mogen we gaan!
De schrijver van Spreuken zegt aan zijn leerling: “denk aan God op al je wegen en hij zal je paden effenen”. Geen moeilijke opdrachten en geboden. God voor ogen en in gedachten houden en je pad is effen.
In psalm 119 hebben we gebeden: “Ik zoek u met heel mijn hart, laat me niet afwijken van uw geboden. De weg van uw geboden verblijdt mij meer dan rijkdom en overvloed. Uw wetten zijn voor mij een vreugde, nooit zal ik uw woord vergeten”.

Het is het psalmdeel dat staat onder de strofe met de letter ‘bet’. Die letter staat voor ‘huis’. Leven naar het geschreven woord van de Heer en het Levend Woord Jezus,  in vertrouwen op God en in vreugde om zijn wet, voert ons naar het huis van God. Niet zozeer in het hiernamaals, maar nu reeds, aangezien we leven voor zijn aangezicht en naar zijn geboden. Het leert ons onszelf los te laten en de verworvenheden van de wereld te relativeren, zodat we kunnen worden wie we zijn in Gods ogen, kunnen groeien in menselijkheid en zo het aanschijn van de aarde vernieuwen en haar maken tot een huis voor alle mensen. Waarin niemand hoeft te vrezen voor een nieuwe morgen, niemand wordt bedreigd in haar bestaan. Amen.
  top

 

Overweging 20 juni 2021, feest Sint Vitus, martelaar.
wijsheid

Lezingen: Wijsheid 10, 10-14; Johannes 15, 18-21.
Voor het feest van de patroon van de kerk, de heilige Vitus, in Hilversum, lezen we een paar verzen uit Johannes met betrekking tot de navolging van Jezus en de relatie van de volgeling van Jezus met wat Johannes ‘de wereld’ noemt.
Ook hoorden we een vijftal verzen van het boek Wijsheid uit een veel breder stuk dat enkele hoofdstukken beslaat. Daarin gaat Salomo in op het leven als mens, houdt een lofzang op de wijsheid en bidt om wijsheid als koning.
De verzen die we lazen maken deel uit van de beschrijving bij monde van Salomo van het belang van de rol van wijsheid in de schepping en in de heilsgeschiedenis van zijn volk. Het is immers Gods wijsheid en zijn woord die in de schepping vorm krijgen. Daardoor weerspiegelt de schepping, misschien niet een op een, en misschien ook niet voor ieder en altijd duidelijk, maar toch op kenbare wijze Gods wijsheid. Datzelfde geldt voor de geschiedenis van Gods heilsdaden. Om daar iets van te kunnen ervaren, dienen we onze werkelijkheid te lezen in het licht van Gods betrokkenheid.

En dat is wat de schrijver van dit boek ook doet. Salomo kijkt naar de geschiedenis en leest er Gods raadsbesluiten in. Achtereenvolgens gaat het in de verzen die we lazen over de wijze waarop God uiteindelijk heil bewerkt in Jakob en Esau, Jakob en Laban (diens schoonvader), Jozef en diens broers. God werkt door mensen en langs onvermoede wegen.

Door te lezen uit het boek Wijsheid krijgt de overweging al snel een wat filosofisch karakter. Toch kunnen we de wijsheid waarvan in de heilige Schrift sprake is, niet als een filosofisch gegeven achterhalen. Wel moeten we de vraag stellen wat we nu eigenlijk in dit verband onder wijsheid verstaan. Het is geen eenduidig begrip.
We zullen best een notie hebben van wat voor ons wijsheid is. Maar het zal moeilijk zijn het onder woorden te brengen en het zal niet voor ieder hetzelfde zijn.

Salomo vraagt God vooral om wijsheid om recht te kunnen spreken. Een belangrijke taak van een koning. Ieder kon zijn of haar geding voor de vorst brengen. Een recht dat eeuwenlang heeft stand gehouden. Het zal wellicht om zaken gaan waar lagere rechters niet uit komen of waar ze niet bevoegd voor zijn. Misschien om moeilijker zaken. We kennen allen het verhaal van de twee vrouwen die voor Salomo verschijnen en elkaar het moederschap van een kind betwisten. Wat is in zo’n geval wijsheid en recht? We kennen het spreekwoordelijke oordeel van Salomo. Het is een geval waar de wet niet in voorziet. Zoiets vraagt wijsheid en inzicht. Salomo laat zich niet meeslepen in het conflict en de emotie. Hij onderscheidt helder waar het om gaat en doet een gruwelijke uitspraak die de waarheid naar voren brengt en recht schaft aan de moeder van het kind.
Dit is precies de gave van wijsheid en onderscheidingsvermogen die Salomo van God heeft afgesmeekt. Gaven die hij voor zijn koningschap hoger acht dan rijkdom en macht.


De wet toepassen  is redelijk eenvoudig, moeilijker is het om te onderscheiden hoe de wet moet worden toegepast en of de toepassing van de wet recht verschaft of juist onrecht. Nog moeilijker is het om recht te doen in zaken waarin de wet niet voorziet.
Het lijkt of dit ver van ons bed is, maar dat is niet zo. Er zijn zoveel situaties in ons leven en vragen waar geen pasklaar antwoord op is. Bij de opvoeding, bij ethische dilemma’s, in de verhouding tot onze naaste, bij levensvragen.
In al deze gevallen hebben we nood aan wijsheid en onderscheidingsvermogen om te bepalen wat goed en rechtvaardig is om te doen in deze concrete situatie en met betrekking tot deze concrete personen. Niet abstract en in de studeerkamer, maar in de concrete omstandigheid van het leven. Een omstandigheid die vraagt dat we onze verantwoordelijkheid als mens nemen.

In de klassieke oudheid, ook de tijd waaruit veel wijsheidsliteratuur stamt, wordt nadruk gelegd op de beoefening van de vier deugden. Deze zijn: verstandigheid/ behoedzaamheid, rechtschapenheid/rechtvaardigheid, matigheid/zelfbeheersing, moed/persoonlijke kracht. De mens die zo leeft wordt wijs genoemd. Het gaat om een bezonnen leven in gelijkmoedigheid en gelijkmatigheid. In alles het juiste midden. Kernbegrip is de redelijkheid. En het in toom houden van hartstochten. Het is de geest die het vlees onderwerpt. Deze kwaliteiten zien we terug in de christelijke deugden. Dat zijn de klassieke deugden vermeerderd met de deugden van hoop, geloof en liefde.  Er ligt grote nadruk op de rationaliteit. En op dat wat de mens van het dierlijke onderscheidt. Het is de vraag of op die manier het leven niet een voortdurende strijd is en of het wijs is op die manier naar het menselijk bestaan te kijken. En of het niet wenselijker is om vanuit liefde te leven. En dat in religieuze zin. Liefde voor God en voor de naaste. Het is immers, volgens ook Augustinus, die liefde die ons leert en openbaart wat we moeten doen en wie we mogen zijn. Door hem heel compact verwoord als: “heb lief en doe wat je wilt”. Niet als vrijbrief, maar omdat liefde de maat der dingen is, en die liefde komt van God en is God. Wanneer we werkelijk liefhebben zien we ieder en alles in het licht van God. Op haar geleide staan we gericht op de vervulling van onze levenslange hoop, vrucht dragend van een levend geloof. Gen strijd, maar heel ons leven en dat van anderen begrijpend in die liefde, die komt van degene die ons als eerste heeft liefgehad. Je zou dit alles de wijsheid van het hart kunnen noemen. Het hart ziet andere dingen dan de ratio. Tenminste een hart dat vrij is en open. Niet een hart dat bezet is door afgunst, boosheid en frustratie. Dat hart is bang en haat alles en ieder die anders is. Een hart dat open staat herkent de ander als zelf.  


In de bijbels georiënteerde wijsheid die we in de spiritualiteit vanuit onze joodse rabbijnse wortels krijgen aangereikt schuilt veel liefde in de zin van toewijding, mededogen en aanhankelijkheid. Een innerlijkheid en innigheid in de omgang met God en diens woord dat wijsheid is. Nergens letterknechterij. Altijd op zoek naar het antwoord in deze tijd en deze omstandigheid.
Wijsheid is daar de vrucht van een leven in omgang met de Ene.  De vrucht van een doorleefd en beproefd geloof.
Een wijsheid die begint met ontzag en eerbied voor de Eeuwige en het besef altijd te leven voor het Aanschijn van de HEER. Door in alles God voor ogen te houden en hem bij alles te betrekken ontstaat op natuurlijke wijze een bestaan dat getekend wordt door de liefde tot God en diens woord.

In het christendom heeft die liefde voor het Woord een bijzondere betekenis en inhoud in zijn vleesgeworden woord. Het is op unieke en voorbeeldige wijze geïncarneerd, zodat het ook in ons geïncarneerd kan worden in de navolging van Christus. En die navolging kan niet verstaan worden als na-aperij. Dat zou onze wil en ons verstand ondergeschikt maken. De navolging is dat wij als de mens die we zijn met alle makken en nukken, talenten en beperkingen ons leven richten naar dat menselijk geopenbaarde Godswoord. Dat mens is als wij en in de wereld gekomen om onze wereld niet langer in duistere onwetendheid te laten, maar onze bedoeling opnieuw en bereikbaar aan het licht te brengen. En te richten op het Godsrijk. Dat betekent dat onze wereld en wij zelf ook openbaringspotentie en openbaringsbedoeling hebben. Hier en nu kunnen we Gods bedoeling met ons zichtbaar maken. We kunnen het ook laten, natuurlijk, maar dan zijn we een stuk ongelukkiger en verder van huis. Dus wat is hier wijsheid?

In hoofdstuk 9 verzucht Salomo: “welke mens kent Gods bedoeling? Wie kan doorgronden wat de Heer wil? Als we al nauwelijks kunnen bevatten wat er op aarde omgaat, en zelfs moeite hebben om te ontdekken wat onder handbereik is, wie kan dan doorgronden wat er in de hemel is?” (wijsheid 9, 13.16). Hij geeft zichzelf antwoord met de woorden (vers 17): “Wie kan uw bedoelingen kennen als u niet zelf wijsheid geeft en uw heilige geest naar beneden zend?”
God heeft zijn geest gezonden om ons te helpen, hij is zichtbaar onder ons verschenen in Christus Jezus. De geest van God helpt ons iedere dag en is voortdurend in ons werkzaam om ons te richten op het rijk van God. Dat is zijn wijsheid die we kennen als het licht dat ons bestaan stelt in Gods liefde voor ons en al wat leeft. Amen.

 top

 

Overweging 13 juni 2021
het geheim van het Koninkrijk
Lezingen: Ezechiel 17, 22-24; 2 Korintiërs 5, 1-10; Marcus 4, 26-34. Psalm 92.

Overal waar mensen zich hovaardig verheffen komt de gerechtigheid in het nauw. Behalve in bijbels georiënteerde omgeving wordt de term hovaardig, denk ik, nergens meer gebruikt. We hebben het eerder over arrogantie. Bijvoorbeeld bij de arrogantie van de macht. Beide woorden dragen ook altijd een betekenis in zich van de pretentie van onaantastbaarheid, van vermeend recht, van je gang kunnen gaan, van het veronachtzamen van de naaste. Dat maakt het zo ergerlijk. En het lijkt eerder toe te nemen in de wereld dan af te nemen. Ieder kan zelf wel voorbeelden bedenken.

Dit is natuurlijk niet de plaats om politiek te bedrijven. Maar in het licht van het Koninkrijk kan het menselijk handelen niet buiten beschouwing blijven. Over de groei van dat koninkrijk gaat het met name in de eerste en evangelielezing. Het voltooide Israël als beeld van de vervulling van Gods Woord en het koninkrijk van God staan op één lijn. Met betrekking tot ons handelen en de bedoeling van ons leven is het koninkrijk van God, zoals het bij Marcus steeds genoemd wordt, de referentie en het doel. Het gaat daarbij niet om moralisme, maar om de menswording van de mens en de menselijkheid van de wereld.


Zowel in het scheppingsverhaal als in het beeld van het koninkrijk speelt een boom een belangrijke rol. De boom in het paradijs, van leven en van kennis van goed en kwaad, en de boom als beeld van het koninkrijk waarin de schepping is voltooid. In Ezechiël het twijgje dat van de trotse boom wordt gehaald en uitgroeit tot een ceder waarin en waaronder het wemelt van leven en die door God tot grote hoogte wordt gebracht. Beelden waarbij duidelijk wordt dat hoogmoed ten val komt en dat arrogantie het weefsel van het paradijs aantast, zoals het ook de verhoudingen van het koninkrijk te niet doet. Hoogmoed vormt een breuk in de relatie met God en met de naaste. En zonder deze kan er van het koninkrijk geen sprake zijn


Nu is vaak makkelijker om de bestaande situatie te beschrijven en de ideale situatie te schetsen dan de weg van bestaand naar gewenst aan te geven. Niet zelden wordt bij en vergelijking van beide situaties de beschrijving van de huidige situatie beïnvloed door de gewenste situatie. Met betrekking tot het koninkrijk komt onze wereld er dan ongunstiger van af dan nodig zou zijn. We mogen, zoals Paulus schrijft, de weg gaan in geloof. Het geloof, namelijk, dat we het onderpand van de Geest hebben ontvangen die ons bereid maakt die toekomst te ontvangen.

Zo gaan we in geloof en verlangen onze weg door dit leven, nog niet in de aanschouwing, maar in het tijdelijk onderkomen en zien uit naar de vervulling van ons bestaan: te wonen in het huis van de Heer. Hoe en waar we dat ook situeren; als een hiernamaals of als een ingeschapen bedoeling van ons bestaan die verlangt zich te realiseren en die de motor is van ons eigen verlangen.
Dit onaffe maakt ons leven nu niet minder waardevol. Maar we beseffen  wel de gebrokenheid en het nog-niet-karakter van ons leven. Er is ziekte en pijn, verdriet en eenzaamheid. En op grotere schaal uitbuiting, slavernij, oorlog en marteling. Juist daardoor wordt ons verlangen naar een bedoelde wereld voortdurend aangewakkerd. We leven in het diepe besef dat dit hier niet de bedoeling van ons menszijn is.
Dat betekent niet dat er geen oprechte liefde en geen oprechte goedheid zijn. Gelukkig wel, anders zouden we helemaal niet kunnen verlangen en hopen. Het is de geest van God, het besef van de uiteindelijke bedoeling van ons leven die ons doet verlangen en die ons geschikt maakt om het Koninkrijk te ontvangen. Die van dorre onverschillige grond een hongerige vruchtbare akker maakt.

De verhalen van perspectief en hoop houden ons gaande en staande. Ze laten ons zien dat ons een andere toekomst wacht dan het gebroken nu. Ze tonen ons dat we geen willoze slachtoffers zijn van het lot, maar dat we ons lot kunnen keren door zelf om te keren en andere wegen te gaan. En dat in dat perspectief Gods toekomst ligt als een zekerheid.

Die toekomst is niet mijn toekomst, of een toekomst voor uitverkorenen. Het betreft vogels van allerlei pluimage. Het is onze toekomst en zonder dat ‘ons’ is er geen toekomst van vrede en gerechtigheid. We worden samen verlost of niet. Het gaat om heel de mens en heel de schepping. Juist daardoor zet arrogantie het koninkrijk op afstand. En dit te meer wanneer het door machthebbers gebeurt en institutioneel is.
We kunnen het koninkrijk misschien niet bewerken als product van ons handelen, maar we kunnen het door ons handelen wel op afstand houden.


Net zoals in de vergelijkingen bij Marcus ligt de vervulling bij God zelf. In Ezechiël staat het als: “Ik de Heer heb gesproken en ik zal het doen”. Het heilshandelen van God vindt plaats aan het volk, in de eerste plaats omwille van zijn verbond en niet omwille van de verdienste van zijn volk.
Bij Marcus is met betrekking tot het koninkrijk van God sprake van de mens die zaait en God die de wasdom geeft. We zijn als mens niet eindverantwoordelijk voor de vervulling van het Koninkrijk. Dat zou ons overvragen. Het is te veelomvattend. We doen ons deel, en dat moeten we ook doen, en dat is alles. Dat bevrijdt ons ook van het zorgelijke idee van de maakbaarheid van het koninkrijk en daarmee het idee dat het van ons afhangt. Maar het ontslaat ons niet van de verplichting om te doen wat moeten doen en te zijn wie we zouden moeten zijn. En geloof in Gods toekomst en ons verlangen ernaar niet laten frustreren en verflauwen.
We moeten wel het zaad van het verlangen in ons hart uitstrooien of toelaten. Het is maar hoe je onze eigen rol bekijkt. En dat verlangen doet zijn werk, overdag en ’s  nachts. Het verlangen naar een geheelde wereld van vrede, geluk en recht slaapt immers nooit. Of zoals Augustinus het zegt: “Naar de eeuwige weldaden moeten we vurig verlangen en er volhardend om vragen; niet met veel woorden, maar met een hart vol verlangen. Het verlangen bidt altijd, ook al zwijgt de tong. Als je voortdurend verlangt bid je altijd. Wanneer slaapt ons gebed? Slechts dan als ons verlangen bekoelt” (preek 80).

Dat perspectief van het koninkrijk kunnen we hier en nu reeds ervaren, omdat heel de schepping deelt in de Geest van Gods liefde die het geschikt maakt om het Koninkrijk te ontvangen. De parabels verwijzen naar onze concrete werkelijkheid. Het betreft onze wereld en onszelf. Onze wereld is de akker en wij zijn Gods akker. Daarmee staan wij en onze wereld in het teken van het heilige. Niet in zijn voltooidheid, maar in hoop en belofte. Niet in de aanschouwing, maar in het geloof. En ook in het zien, soms, even. Als plaats van openbaring en werkplaats van Gods wil heeft ons leven koninkrijkswaardigheid. Dit is niet iets om ons op te laten voorstaan. De hoogmoedige verheft zich om boven anderen uit te komen. De rechtvaardige groeit in zijn verlangen naar God en in dienstbaarheid aan diens woord.


Wat kan van ons gevraagd worden? Dat we de blik gericht houden op het koninkrijk Gods en met dit doel voor ogen leven.

In deze tijd van EK kan ik, misschien enigszins gewaagd, zeggen dat we doelpunten moeten maken, waarbij het doel het koninkrijk is. Bijbelser gezegd: wij mogen zijn als een boom aan levend water, geplant in het huis van de Heer, groeiend tot eer van God, en die vruchten voortbrengt van gerechtigheid. Zaaiend, wiedend, plantend en verlangend naar de oogst van de Heer die de wasdom schenkt. Amen. 

  top


Overweging 6 juni 2021
tussen goed en kwaad

Lezingen: Genesis 3, 1-15; 2Korintiërs 4, 13-18; Marcus 3, 20-35.
Het probleem van goed en kwaad wordt wel eens de tragiek van de vrijheid genoemd.
We zijn immers in staat tot keuzes. We hebben een ethisch bewustzijn. We hebben weet van de consequenties van onze daden voor anderen. We hebben kennis van goed en kwaad, al van heel vroeg in ons leven. Sommige andere wezens zijn ook in staat tot keuzes, maar die zijn meestal door impulsen en opportunisme gedreven. Wat niet wil zeggen dat onze keuzes altijd vrij van opportunisme zijn.
Voor zover wij weten is dat wat wij de natuur noemen volstrekt onverschillig. Alle natuurrampen die ons overkomen zijn de natuur niet aan te rekenen. Soms zijn ze wel de mens aan te rekenen door zijn onverzadigbare omgang met de schepping. Pas dan krijgt een natuurramp een ethische kant. Bijvoorbeeld wanneer een modderstroom het gevolg is van de ontbossing van berghellingen.
We kunnen de schoonheid van de natuur bewonderen, iets wat weinig andere wezens zullen doen, en er de hand van de schepper in herkennen. Maar wanneer een hele streek met haar bevolking ten onder gaat door een vulkaanuitbarsting, een vloedgolf of extreme droogte is het ons onmogelijk om er de goede hand van God in te herkennen. Om dergelijke gebeurtenissen te kunnen rijmen met Gods alomtegenwoordigheid en betrokkenheid ziet een bepaalde manier van geloven, die niet de onze is, er de straffende hand van God in. Met een dergelijke verklaring kunnen zij het een plaats en betekenis geven. En dat is wat wij mensen doen: betekenis geven aan dat wat van zichzelf geen betekenis heeft. Dat kunnen we ook lezen in het scheppingsverhaal waarin al wat leeft voor de mens gevoerd wordt  om het een naam te geven, en daarmee een betekenis. Die betekenis bepaalt ook de relatie die we er als mens mee hebben.

Hoe langer we leven en hoe meer we om ons heen kijken zien we dat de goede en de kwade dingen die ons overkomen geen direct verband houden met ons gedrag. En dat is maar goed ook. Binnen zo’n “verdienmodel” van leven zou het goede ons arrogant maken en het kwade ons aan schuldgevoel ten onder doen gaan. Iedere mens wordt immers getroffen door kwade dingen en ontvangt ook veel goede. Wie we als mens zijn wordt niet bepaald door wat ons overkomt, maar door de manier waarop we ermee omgaan.
Deze, onze lang niet ideale werkelijkheid wordt meegenomen in het visioen van een herstelde schepping. Wanneer onze werkelijkheid ideaal zou zijn, zouden we niet dromen over een betere wereld. Terwijl wij er ook hard aan werken om te doen wat in ons vermogen ligt om ziekte en ander leed te bestrijden.
We hebben eenvoudigweg te accepteren dat dit wat wij kwaad noemen, omdat het haaks staat op wat we leven noemen, er is; en we moeten ermee omgaan.

Maar de lezingen van vandaag en de titel van de zondag, zondag van goed en kwaad, leggen het accent niet op wat ons overkomt, maar op wat van ons uitgaat. Ook in onszelf, in ieder van ons, is het goede en kwade aanwezig. Ons huis, ons hart is verdeeld. We vallen onszelf tegen. We zijn minder goed dan we zouden willen zijn. We constateren in onszelf een zekere onmacht om te beantwoorden aan ons ideaalbeeld. We hebben tegenstrijdige strevingen. We weten dat bepaalde dingen niet goed voor ons zijn, maar bezwijken toch voor de verleiding. “Twee zielen bewonen, helaas, mijn innerlijk” verzucht Faust, en wij met hem.

De vraag waarom de mens die als goed geschapen is, in staat is tot zoveel kwaad moeten we blijven stellen. Zelfs wanneer we er geen antwoord op vinden. Generaties voor ons hebben die vraag ook gesteld. En iedere mens moet deze vraag opnieuw stellen.

Het deel van genesis dat we lazen, probeert hiervan een verklaring te geven. Door te luisteren naar de woorden van de verleider wordt de mens zich bewust van zijn verhouding tot God. En door in te gaan op de verleiding raken goed en kwaad in hem vermengd. Met het bewustzijn van goed en kwaad komt ook de neiging tot goed en kwaad binnen. Je zou kunnen zeggen dat voor dit bewustzijn kwaad en goed voor de mens nog niet bestonden. De verleiding wordt verinnerlijkt. Genesis probeert alleen maar een verhalende verklaring te geven voor de geconstateerde werkelijkheid van de mens. Het verhaal zelf is overigens al niet vrij van ideologie. De interpretatie die in het verhaal wordt gegeven heeft het zicht op de vrouw ingrijpend en tragisch en langdurig bepaald. Zij werd tot zinnebeeld van de verleiding waardoor mannen naar haar konden blijven wijzen als de oorzaak van hun eigen zwakte. We zijn daar nog niet helemaal vrij van.

Er is overigens ook een oude rabbijnse interpretatie van dit deel van genesis: “nadat de man en de vrouw gemeenschap hadden, viel de man in slaap en liet zijn vrouw alleen op haar meest kwetsbare moment. Zij liep door de tuin en hoorde in de slang de stem van de messias. Daar ging zij natuurlijk op in”.  De slang is een oud symbool voor leven en levensvernieuwing en Eva zal de moeder zijn van alle menselijk leven. In deze interpretatie is de man nalatig. Hij verbreekt de eenheid met zijn heelmakende tegenover.

De essentie is dat we niet heel zijn. Dat goed en kwaad in ons hart vermengd zijn en dat zij daardoor niet eenduidig zijn, wat nog lastiger is. Goed en kwaad zijn de ethische benamingen van de twee elkaar beconcurrerende krachten in ons gemoed. De neiging tot vechten en tot vluchten; de agressieve en defensieve krachten; de animale en vegetatieve; de neiging voor onszelf te kiezen en ons in te zetten voor wie we liefhebben. We kennen ze in andere zin ook als yin en yang. Plato beschrijft ze tussen 400 en 375 voor Christus in zijn mythe van de wagenmenner. De bestuurder moet om vooruit te komen de twee paarden die tegengestelde kanten uit willen, goed in de teugels houden. (we weten tussen haakjes uit het bedrijfsleven en de politiek heel goed wat er gebeurt wanneer bestuurders dat niet doen)


Onze Joodse wortels kennen deze krachten ook, de goede neiging en de kwade neiging. Toch zijn beide nodig. De zogenoemde kwade neiging stelt ons in staat tot voortplanting, het bouwen van steden, het ontdekken van werelden en tot welvaart. Maar het kan ook leiden tot geweld, onderdrukking en uitbuiting. De krachten moeten elkaar afwisselen en in evenwicht houden. Alleen zo kunnen we heel zijn. De zachte krachten moeten de harde in toom houden, zoals de teugel een paard. En zoals, een beeld uit een profetisch pslamvers, een kinderhand de hand van de sterke. En dat is een prachtig beeld: de hand van de zwakke houdt de hand van de sterke in toom waardoor diens kracht omgebogen tot het goede.
Wanneer we de opdracht krijgen God te beminnen met heel ons hart is dat met de beide richtingen die in ons hart aanwezig zijn. Of met onze lichte en donkere kanten. Dat is in essentie het leven van bekering.

Dat goed en kwaad vermengd zijn is niet de tragiek van de vrijheid, het is naar mijn idee juist de essentie ervan. We zijn niet tot het een of het ander gedetermineerd, we zijn niet bepaald, we hebben de keuze. Dat juist maakt ons tot wie we zijn, maakt ons tot mens. Een wezen met een ethisch begrip en daarmee een onvervreemdbare en onontkoombare verantwoordelijkheid voor zijn en haar daden. Juist doordat beide in ons aanwezig zijn, kunnen we de verantwoordelijkheid voor het kwaad dat we doen niet afschuiven op anderen, niet op Het Kwaad met hoofdletters dat als een externe macht sterker zou zijn dan wij, niet op de duivel die we niet kunnen weerstaan, niet op andere mensen.

Als de mens die we zijn, met alle dubbelheid die ons eigen is, mogen we ons leven lang proberen de wil van God te doen. Met alle vermogens die we daarvoor tot onze beschikking hebben. Daarom is het wel fijn dat het laatste deel aan de evangelielezing is toegevoegd. Na de hele discussie over het verdeelde huis en Beëlzebul en de werking van Gods geest komt dit verhaal. Familiebezoek. Ze staan aan de deur en willen binnenkomen. De verwanten van Jezus, en daarmee ook onze verwanten, zijn zij die de wil van God doen. Dat lost het niet te bevatten dilemma van goed en kwaad op. We hoeven alleen maar stug vol te houden om te proberen Gods wil te doen, zo goed en zo kwaad als dat gaat.

 

Ik maak u graag deelgenoot van een gebed van rabbi Tanchoem bar Eskolastikai, en we zullen er delen van het onze vader in herkennen:
“Moge het uw wil zijn, Heer mijn God en God van mijn vaderen, dat u breekt en wegneemt het juk van de kwade neiging in ons hart. Want zo hebt u ons geschapen, om uw wil te doen. Wij zijn verplicht om uw wil te doen. U wilt dat graag en wij willen het graag. Wat weerhoudt ons dan? De zuurdesem. Het is u welbekend dat we niet de kracht hebben die te weerstaan. Moge het uw wil zijn, mijn God en God van mijn vaderen dat het niet over ons blijft heersen, zodat we uw wil maken als onze wil en met een geheeld hart leven” (j.Ber. IV, 2, 7d).  Amen.
 top

 

Overweging 30 mei 2021
Drie-eenheid, heilig verbond

Lezingen: Exodus 3, 1-6; Romeinen 8, 12-17; Johannes 3, 1-16.
Over God spreken is eigenlijk net zo iets als praten over covid. Iedereen doet het, maar weinigen hebben er echt verstand van. En dan is corona nog een strikt menselijke aangelegenheid waarvan we de bewegingen en gevolgen dagelijks aan den lijve, en in de portemonnee, ondervinden.
Gelukkig voor ons is God niet in de eerste plaats een zaak van het verstand, maar van het hart. We hoeven God niet te begrijpen, we mogen Hem verstaan. Zoals een partner. En dat is toch iets anders. Bij dogmatische uitspraken lijkt het wel alsof we God in onze zak hebben. Dat we precies weten wie God is. Zo ook hier: één God in drie personen. Wanneer we daar met ons gevormde verstand over nadenken krijgen we dat niet bij elkaar. Geloven we nu in één God, zoals we dat ook telkens zeggen in de geloofsbelijdenis? Of geloven we in drie goden, zoals  sommigen beweren dat wij doen? Of heeft onze God een meervoudige persoonlijkheidsstoornis?

Wat wij als een massief geloofsgegeven krijgen gepresenteerd -één God, drie personen- heeft zich in een tijdsspanne van een paar eeuwen ontwikkeld. En om tot de algemene viering van drievuldigheidszondag te komen heeft zes eeuwen geduurd, van Alcuinus in de achtste eeuw tot het besluit van de Avignonpaus Johannes XXII om de viering voor de hele kerk in te stellen.

U kunt zich voorstellen dat de goddelijkheid van de Zoon en de bemiddeling van de Geest in de jonge Kerk veel vragen opriepen met betrekking tot de eenheid en soevereiniteit en uniciteit van God, die de God van Abraham, Izaak en Jakob is.

Er is veel over gepraat en veel over geruzied door de bisschoppen van de vroege kerk, waarbij regelmatig bisschoppen en theologen werden verketterd om hun inzichten. Soms inzichten waarvan we nu zouden zeggen dat die helemaal zo gek niet zijn. Maar goed, wat is nieuw onder de zon?


Het gelovig inzicht groeide naar een formulering waarbij God werd gedefinieerd als één natuur, één wezen, in drie personen; een model om de eigenheid van de Vader, de Zoon en de Geest te beschrijven, hun eenheid en gelijkheid aan te geven en hun relatie, hun dynamiek met betrekking tot het heil aan te duiden. De formulering werd algemeen geloofsinzicht. Het inzicht tot geloofswaarheid, tot dogma.

Als de waarheid van God datgene is wat God zelf  is, dan kun je eigenlijk niet een verstaansmodel de plaats van de waarheid laten innemen. De waarheid van God lijkt me nu juist zijn onuitputtelijkheid, zijn nooit volledig te formuleren zijn, zijn altijd ontglippen aan ons denken en spreken. Daarom zeggen we vaak dat we beter over God kunnen zwijgen. Toch ontkomen we niet aan duidingen. We willen God ook benoemen en daar is ook niets mis mee, als we maar bedenken dat wat we beduiden niet De Waarheid is (met twee hoofdletters) en dat met ons spreken niet alles over God gezegd is.

Wie God voor zichzelf is weten we niet en daarom is alle spreken over God in die zin eigenlijk onmogelijk. Ons spreken gaat dan ook altijd over de wijze waarop God zich aan ons openbaart. Zo ook bij de drie-eenheid. Daarin openbaart zich voor ons een wezenskenmerk van God, namelijk dat God niet zelfgenoegzaam in zijn soevereiniteit opgesloten is, maar per se relatie is. Het zijn van God is altijd er-zijn, betrokken zijn. God levert zich over en levert zich uit in een liefdevolle leven schenkende en bevrijdende betrekking. De drie-eenheid is het beeld van de openheid van God. Van de goddelijke liefdesdynamiek. Van zijn verbondenheid en wat die verbondenheid bewerkt.

We leren God maar kennen in de ervaring met hem. Niet in de eerste plaats door over God na te denken. Het denken, het begrijpen volgt die ervaring. Dat klinkt moeilijker dan het is. Maar het wordt een stuk begrijpelijker wanneer ik zeg dat ik iemand niet leer kennen door over die persoon te gaan zitten na te denken, maar door me ermee te verbinden, door er ervaringen mee op te doen, door in relatie te komen. Over die ervaringen kan ik dan nadenken om iemand beter te leren begrijpen. Zo is het met God niet anders. De gelovige leert God kennen door ervaringen met Hem op te doen en daarover na te denken. Onze eigen zoektocht wordt ondersteund door de ervaringen van anderen. De heilige Schrift is een bijna onuitputtelijke bron van zulke ervaringsverhalen.

Daarin is God voortdurend met zijn volk bezig om zijn wezenlijke verbondenheid met zijn volk gestalte te geven. Scheppend, bevrijdend, herscheppend.
Binnen het verbond dat God met zijn volk sluit is het volk zoon van God. Drager van de messiaanse opdracht om de wereld te heiligen. God, verbond en volk vormen een drie-eenheid die gericht staat op heiliging. God heiligt zijn volk door zijn naam eraan te verbinden; het volk heiligt God door te leven naar zijn verbond; de heilige belofte van het verbond, het woord van God, verbindt hen met en aan elkaar.
Het onvermogen van het volk zich aan het verbond te houden vertaalt zich in de hoop op een messiaanse figuur die in staat is het verbond te herstellen. Deze gaat meer en meer het zoonschap vertegenwoordigen. Op hem is de hoop van het volk gesteld om de relatie met God te herstellen. De christusgelovige Joden troffen in Jezus die Messias aan.


Door ons geloof maken we deel uit van dit herstelde volk. Door Hem kan Paulus zeggen dat wie door de Geest van God gedreven worden kinderen van God zijn. Door ons geloof in Christus zijn wij weer als dochters en als zonen aangenomen. We worden als het ware opnieuw geboren. Nu niet naar het lichaam, maar naar de Geest die is in Christus Jezus.
We worden herboren om te kunnen worden wat we zijn, kinderen en erfgenamen van de belofte. Dat is geen verdienste, dat is liefde.

“Want alzo heeft God de wereld liefgehad dat hij zijn eniggeboren zoon gegeven heeft, opdat wie in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven hebben zal.” God geeft zichzelf voor het leven van de wereld. Een wereld die in zichzelf dood is, maar openbloeit wanneer deze geïnspireerd wordt door een geest van liefde. Daardoor krijgt de wereld het perspectief van Gods belofte.

Het is Gods liefde die zijn hemel omlaag buigt en de ellende van zijn volk ziet, die naar zijn volk toekomt om het uit slavernij te bevrijden. Geen ander dan die een nageslacht beloofde aan Abraham en met hem onderhandelde over Sodom, geen ander dan die Izaak redde van het offerhout  en die vocht in de nacht met Jakob. 


God is zelf heilig verbond en bevrijdende op leven gerichte relatie. Die relatie staat niet buiten ons en is niet zonder ons. Wij participeren in de trinitaire relatiedynamiek van God. Op sacramentele wijze krijgen we deel aan die relatie tot bevrijding en heiliging van de wereld. Zodat wij ook zelf sacramentele waardigheid krijgen. Zelf teken van godsopenbaring en godsontmoeting worden.
Het is niet zozeer Gods theologische gestalte die in de drie-eenheid wordt uitgedrukt. Het is veeleer het beeld van zijn verbond voor het leven met zijn geliefde kind. Een liefde die zich ook door ons aan de wereld kennen laat wanneer we leven naar zijn Geest. Het is Gods liefde zelf die door ons stroomt, geen andere. Er is geen scheiding. Maar onderscheid in eenheid.  Die liefde krijgt vorm in onze inzet voor gerechtigheid en vrede, goede relaties tussen mensen en volkeren, verbondenheid, in de liefde tussen mensen, in het bouwen aan een goede wereld en een vruchtbare samenleving. Wanneer wij zelf de wereld alzo liefhebben dat wij die heiligen in zijn structuren en relaties. Amen.
 top


Overweging 23 mei 2021, Pinksteren
klare taal

Lezingen: Genesis 11, 1-9; Handelingen 2, 1-11; Johannes 14, 8-17.
Het lijkt wat vreemd om met Pinksteren het verhaal van de toren van Babel te lezen. Babel staat bij ons symbool voor de spraakverwarring. Pinksteren juist voor de verstaanbaarheid. In die zin zou je kunnen zeggen dat de verhalen elkaars tegenhanger zijn. Maar dan kijken we alleen naar het slot van het verhaal dat eindigt in een veelvoud van taal, in verwarring en verstrooiing. Een situatie waarvoor het verhaal een gelovige verklaring wil zijn. De mensen verstaan elkaar niet langer en raken over de aarde verstrooid. Wanneer mensen elkaar niet langer willen of kunnen verstaan, valt de gemeenschap uiteen. Maar zo begint het verhaal niet. Zij spraken allen één taal en gebruikten dezelfde woorden, staat er. Een ideale uitgangssituatie zou je zeggen. Bovendien volgt het verhaal kort op het herstel van de schepping na de zondvloed. De aarde wordt bevolkt door de volkeren die uit Noach en zijn zonen zijn ontstaan. Wat gebeurt er dan waardoor de verwarring ontstaat? En, sterker nog, waardoor God zelf die verwarring doet ontstaan.
Zij zijn eerst uit het oosten, klassiek de plaats van licht, weggetrokken en vestigen zich in een vlakte. Daar werken zij samen om een stenen bouwsel op te richten dat reikt tot in de hemel om zich zo een naam te vestigen. Het lijkt alsof de geschiedenis van het paradijs zich herhaalt. De mens reikt naar de hemel om binnen te dringen in het domein van God. Maar dat is niet de plaats waar het leven van de mens zich moet afspelen. Hij moet niet daar een naam verwerven, maar juist hier op aarde. Hij moet zijn vermogen tot communiceren gebruiken om de aarde bewoonbaar te houden. Niet om een eigen naam te vestigen, maar om Gods naam te vestigen op aarde. Daarom, zo wordt verteld, brengt God verwarring aan, zodat mensen moeite moeten doen om elkaar te begrijpen. Zij moeten zich naar elkaar toe buigen om elkaar verstaan.
De menselijke taal wordt uiteengelegd en verliest zijn universele verstaanbaarheid. Het is zou je kunnen zeggen een straf met een opdracht. Maar soms lijkt het wel dat we het zo druk  hebben met misverstanden en pogingen om elkaar te begrijpen, dat we helemaal het zicht op God verliezen. En dat is natuurlijk ook niet de bedoeling. Daarbij is het van belang om in gedachten te houden dat de verwarring in genesis ontstaat tussen broedervolkeren. En dat is dan ook wat we zijn, broeders en zusters. De conflicten en misverstanden, maar ook de oplossing ervan, moeten we plaatsen binnen dit gegeven.


Net zoals de oude tekstschrijvers zich waarschijnlijk de vraag stelden waarom mensen toch niet één taal spreken, constateren wij dat mensen en groepen zich opsluiten in hun eigen taal en contexten. De oude bijbelschrijvers maakten er een verklarend verhaal over waarin de telkens terugkerende menselijke hoogmoed een sleutelrol speelt. Zij hadden intuïtief een scherp beeld van de menselijke mogelijkheden wanneer deze zich verenigen en zich op een gezamenlijk doel richten. Eendracht maakt macht in het kwadraat.
Wij zien een veelheid van talen als uitdrukking van de verschillende werelden en systemen die achter schuil gaan. Wij constateren in onze wereld een toenemende ideologische segregatie en (etnisch) nationalisme  waarbij volken en groepen zich opsluiten in het isolement van hun gelijk en identiteit. Daarbij gaat het niet alleen om godsdienst. Het betreft ook economisch protectionisme en staatkundige en culturele ideologieën.

 

Zo zou het niet moeten zijn. Ik ben er diep van overtuigd dat iedere mens in beginsel verlangt naar mens-zijn samen met andere mensen. Dat ieder verlangt om begrepen en gewaardeerd te worden. Om vrijuit en in vrede te kunnen leven.  Dat geldt zeker voor degenen die in de hoek zitten waar de grootste klappen vallen. De meest kwetsbaren op aarde, de rechtelozen en machtelozen, de op de vlucht gedreven massa’s. Het geldt ook voor hen die er de oorzaak van zijn. Maar die hopeloos verstrikt zijn geraakt in hun eigen ambities en overtuigingen waardoor zij blind zijn geworden voor de impact van hun handelen. Mensen die hun eigen naam willen vestigen ten koste van de levens van anderen.
We mogen niet ophouden te trachten elkaar te verstaan in ons verlangen naar vervulling, hoe moeilijk dat ook is wanneer de wegen zo ver uiteen liggen. En nog moeilijker wanneer men niet naar de ander wil luisteren. We moeten het volhouden omwille van de toekomst van de aarde. We leven immers alleen maar in vrede wanneer we allen in vrede leven.

De kracht van Pinksteren ligt voor mij in de boodschap die het uitdraagt. Het is de volheid van Pasen. En het mooie ervan is dat die volheid niet bij Jezus ligt, maar bij de leerlingen. De incarnatie in Jezus en zijn zending moet voltooid worden in de leerlingen. Het is ook een oogstfeest, het feest van de eerstelingen van het beloofde land. De leerlingen van Jezus, geïnspireerd door de Geest en levend naar het Woord van God (met het wekenfeest, zeven weken na pesach, wordt in Israel ook de gave van de tora gevierd), die leerlingen die ook wij zijn, zijn de eerstelingen van het beloofde  land. Zij vertegenwoordigen Gods belofte en stellen die present. Vandaar dat de NBV-uitgave uitdrukkelijk de apostelen en de andere leerlingen aan het woord laat.
De boodschap is universeel, katholiek bij uitstek. Het is geen esoterische boodschap voor ingewijden of voor uitverkorenen. Maar voor ieder die het wil horen. Er staat in handelingen 2 vers 4 weliswaar dat de leerlingen in vreemde talen begonnen te spreken, maar in vers 8 dat ieder de taal van zijn geboortestreek hoort.  Het eerste is een wonder, maar het tweede is veel betekenisvoller. Iedere toehoorder verstaat de blijde boodschap in zijn eigen taal. De boodschap heeft betekenis voor elke mens en elke context. Dat is waarlijk universeel en katholiek in de meest pure betekenis van dat begrip. Bovendien verstaat ieder deze woorden in de taal waarin hij geboren is. En dat betekent heel veel.
Dat roept een herinnering op van thuis zijn, van teruggevoerd worden naar de oorsprong, het is een onmiddellijkheid die je later nooit meer zult voelen. De Boodschap van de leerlingen heeft met ieders oorsprong te maken. Met dat wat we oorspronkelijk zijn en waartoe we ook bedoeld zijn. Om beelddrager van God te zijn. En precies daartoe heeft Hij ons zijn adem ingeblazen, laten delen in zijn Geest en leven.

Durven we daarop te vertrouwen en ons leven te richten op het nieuwe dat God vandaag, en telkens weer vandaag, met ons begint? Te leven naar de Geest? In het volle vertrouwen dat wij nu al helemaal deel van Gods plan uitmaken. We hoeven het niet zelf te doen de Geest de Helper komt ons tegemoet. De verstaanbaarheid van de boodschap van Pinksteren, Gods grote daden, heeft enerzijds te maken met de oorspronkelijkheid ervan en anderzijds met de bereidheid van de toehoorders om deze boodschap te verstaan. Zo mogen ook wij elkaar met een open geest tegemoet treden om elkaars verlangen naar oorspronkelijk leven te kunnen ontvangen.
Om achter de verschillen in taal en cultuur de authentieke wens om mens te worden te beluisteren. Om deel te blijven uitmaken van het beloofde land en er de vruchten van te smaken hoeven we niet omhoog te staren.

De sleutel ligt in de mens tegenover mij.
Wie Mij ziet, ziet de Vader zegt Jezus. Hij is de gestalte van de onzichtbare God. Hij is ons tegenover, onze naaste in ieder die we ontmoeten. Eigenlijk moeten we niet naar God streven om godgelijk te worden, want dat is een onmogelijke opgave, waarover we struikelen en ten val komen. We dragen zijn beeld al in ons. We zijn niet gelijk aan God en zullen dat ook nooit zijn. Maar we lijken wel op God wanneer we leven naar zijn Geest die in ons werkzaam is en die ons voortstuwt naar de vervulling van Gods belofte. We moeten ernaar streven om God zichtbaar te maken als de mens die wij zijn. Wie ons ziet moet iets van de Vader zien. Dat is de volheid van Pasen. Het nieuwe leven aangezegd. De weg gebaand door alles wat ten dode is om, door de kracht van de geest, de aarde tot bloei te brengen. Moge het overvloedig vrucht dragen, vruchten van de Geest, wijsheid, mededogen en gerechtigheid, liefde en vrede allermeest. Amen.

 top


Overweging 9 mei 2021
de maat der dingen

Lezingen: Jesaja 45, 15-19; 1Johannes 4, 7-21; Johannes 15, 9-17.
Het lijkt me een misvatting om aan te nemen dat de geschiedenis doelgericht is, of, dat de geschiedenis het doel van de wereld voortbrengt. En dat we zo op de geschiedenis zouden kunnen vertrouwen. Dat betekent niet dat er geen ontwikkeling is, maar wel dat die ontwikkeling niet samenvalt met de bedoeling van de schepping, ook al zou je momenten en bewegingen van hoop kunnen aanwijzen. Wat we in gelovige zin als de bedoeling van onze wereld en van ons mens-zijn onderscheiden, ontwikkelt zich niet lineair in de tijd van vroeger naar morgen, van verleden naar toekomst. Toch blijven we ons inspannen en zien we uit naar wat voor ons in het verschiet ligt. En dat is niet zinloos en niet vergeefs.
 
Dit lijkt me een aardige binnenkomer op de eerste zondag dat we weer na een periode van lock-down bij elkaar komen. En misschien nog wel behoorlijk frustrerend ook. Het doorbreekt het idee dat we vooruitgang boeken, steeds beter worden, ons ontwikkelen in de zin van het steeds meer zichtbaar worden van waartoe we geroepen zijn.
Het zijn gedachten naar aanleiding van de Jesajalezing in het licht van de evangelische aanwijzing.

Dit gedeelte van Jesaja vertelt over de plaats van Israël temidden van de volken. Het gaat over de roeping van Israël en roept ook op tot bekering. Dat gaat in de Schrift eigenlijk altijd hand in hand. Kinderen van God zijn betekent ook altijd je ernaar gedragen. Uitverkiezing houdt ook een opdracht in. Ook wij mogen Gods genade niet vergeefs ontvangen. Gods liefde voor ons noopt ons tot een antwoord. Belijden waarin je gelooft schept verplichtingen.


In ons tekstgedeelte is het niet altijd duidelijk wie er aan het woord is. En dat is voor de lezing van de tekst wel van belang. Het begint met de verborgenheid van God. Wie zegt dit? Israël? Dat blijkt niet zo te zijn. Het wordt de volken die tot Israël komen (uit Egypte, Nubië, Seba) in de mond gelegd. De beeldenmakers uit de volken staan te schande, maar zo niet het Godsvolk. Voor de volken is de God van Israël een verborgen God, maar voor Israël openbaart Hij zijn heil. Voor wie gelooft is God immers niet verborgen.
In het tweede stukje tekst, de verzen 18 en 19,  wordt een duidelijke relatie gelegd met de schepping en daarmee ook met de bedoeling ervan. Daar concentreren we ons op.

Bij monde van de profeet spreekt God zich uit in bewoordingen die verwijzen  naar genesis. Duisternis, woestenij, leegte. En naar de zevende dag. God is niet te vinden in het duister en de leegte, op plaatsen zonder licht. Maar juist in het licht. De profeet grijpt terug op het begin om de bedoeling, het waartoe van de schepping aan te duiden. Dat de aarde er is weten we allemaal wel, maar waartoe is een andere kwestie. Waar chaos en duisternis heersen is geen richting. Voor die richtingloosheid en doelloosheid is de aarde niet gevormd en is de mens niet geschapen. Maar juist om de schepping te vervullen en de aarde tot een verblijfplaats te maken, een bewoonbare plaats waar gerechtigheid is en leven.


Een verblijfplaats is iets anders dan een tijdelijke plek onderweg. In een woestijnomgeving onderweg zijn is bivak maken, tentje opzetten en weer afbreken. Eventueel wachten uitzetten tegen wilde dieren en eventuele overvallers. Een verblijfplaats is dan een oase waar iedereen veilig is, waar het gezelschap tot rust kan komen, de beesten gedrenkt en de mensen gelaafd kunnen worden. Een verblijfplaats kenmerkt zich door een zekere gerustheid, veiligheid en de mogelijkheid om op krachten te komen. In een verblijfplaats kun je wonen en je vestigen. Daar voel je je thuis en veilig. Daartoe heeft God de aarde gemaakt, met de bedoeling dat het een plek is waar men wonen kan, veilig, gerust en in vrede. Dit zijn de kenmerken van de zevende dag van de schepping. De viering van deze dag verwijst naar de voltooiing van de scheppingsbedoeling. Op deze dag brengen wij ons te binnen waartoe het begonnen is. En dat moeten we telkens hernemen, aangezien de geschiedenis niet lineair verloopt en we keer op keer uit het oog verliezen waar het eigenlijk om gaat.


Gods heil en de bedoeling van ons leven zijn niet zozeer ontwikkelingsgeschiedenis, maar vertegenwoordigen een scheppingsmogelijkheid en een gerichtheid, een intentie die steeds in de concrete omstandigheden waar gemaakt moet worden. Het waarmaken van die bedoeling is de opdracht van ons bestaan. Om binnen ons bereik en op de plaats waar wij zijn met liefde en toewijding de chaos te ordenen naar recht en gerechtigheid en de duisternis te verdrijven met ons licht en onze wereld een verblijfplaats te laten zijn.

Dit verblijven keert herhaald terug in de tekst van de Johannesbrief en het Johannesevangelie. Het woord dat daar gebruikt wordt is de vertaling van datzelfde begrip in de tekst van Jesaja.  Bij Johannes wordt het gebruikt in relatie tot God en diens liefde die zichtbaar wordt in onze liefde voor elkaar. Wanneer wij elkaar liefhebben verblijft God in ons. En wanneer wij in zijn liefde verblijven, verblijven wij ook in God. Het gaat om wonen en niet op doorreis zijn. Elkaar liefhebben is de voorwaarde om in God en diens liefde te blijven. Tegelijk is het er ook de uitdrukking en het teken van.


Wat voor soort liefde is dat dan? Is elke liefde goed genoeg? De vraag stellen is haar beantwoorden. Liefde is een veelomvattend begrip en wordt gebruikt voor vele vormen van betrokkenheid tussen mensen. We kennen de eigenliefde, de naastenliefde, vaderliefde en vandaag natuurlijk bijzonder de moederliefde. De romantische liefde, de kuise liefde, de hoofse liefde en de vurige en hartstochtelijke liefde. We kunnen de liefde bedrijven en haar beoefenen, een groot verschil. Het woord zelf is duidelijk niet voldoende en we hebben allerlei bijvoeglijke naamwoorden en voorzetsels nodig om aan te duiden welke liefde we bedoelen. Een groot onderscheid is de liefde die uit is op eigen bevrediging en de liefde die het welzijn van de ander zoekt. Tussen liefde met een bijbedoeling en onbaatzuchtige liefde. Tussen liefde die zichzelf zoekt en de liefde die om niet gegeven wordt. De schrift maakt dan ook een duidelijk onderscheid tussen de twee (eros en agape).

Augustinus zegt dan ook dat niet iedere vorm van liefde zuiver is. We hebben maar zuiver lief wanneer we de ander beminnen omwille van God en God omwille van zichzelf. We moeten niet beminnen omdat we er beter van worden of omdat we iets van de ander nodig hebben, al was het maar bevestiging. Liefde is niet gebruikenmaar genieten (niet  uti maar frui). Zuivere liefde is gratis, zoals de liefde van God gratis en om niet is. Het besef dat God ons bemint zonder voorbehoud en omwille van ons zelf, om wie we zijn en niet omwille van hetgeen we doen, laat ons zien wie we in de ogen van God mogen zijn. Beminnelijke mensen. En doordat we ons ten diepste bemind weten, hebben we de liefde niet als ruilmiddel nodig. We kunnen in gerustheid verblijven in de liefde van God en zijn vrij om de ander te beminnen. Dat begint bij de radicale aanvaarding van de ander in diens bestaan. Bevrijd van angst voor de vreemdheid van de ander. Met deze blik herkennen we elkaar als broeder en zuster. 

Dat is ware vrije liefde. Een liefde waarvan Augustinus zegt: “bemin en doe wat je wilt”. Die liefde heeft geen regels en geen wetten nodig. Zij is verankerd in God zelf en wijst de weg en geeft aan wat goed is om te doen. Het is de wegwijzer en de weg in één.  Een weg die leidt naar een goed leven voor ieder. Het is waarheid, weg en leven. Daarom gaat er aan het korte gebod uit de mond van Jezus nogal wat vooraf. Het komt niet uit de lucht vallen. Jezus zelf is de weg van die liefde gegaan tot leven van ons allen. Geen groter liefde kan iemand hebben dan dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden (vrienden die ook nog vijanden zijn). Met de liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad moeten wij elkaar beminnen. Zijn liefde zet de standaard. Dat is de meetlat waarlangs onze liefde wordt afgemeten. Wij moeten elkaar niet zomaar beminnen, maar elkaar beminnen met dezelfde liefde waarmee Jezus ons heeft liefgehad. En die liefde is dezelfde als waarmee de Vader Hem heeft bemind. God, Jezus, wij, zijn in de Geest verbonden in een liefdesmenuet, de wereld een dansfeest. Door die goede Geest houden wij verblijf bij elkaar en verblijven in elkaar. Daartoe zijn wij geschapen en is de aarde ons gegeven.


Het gebod om elkaar lief te hebben en de ons gegeven mogelijkheid om dat te doen en zo Gods liefde onder ons zichtbaar te maken, staan ten dienste van het leven. Zij staan erop gericht om de aarde bewoonbaar te maken en te houden. Om het een verblijfplaats te laten zijn waar God zichtbaar woont temidden van zijn volk, zijn mensen. Dat betreft heel de aarde, niet maar een deel ervan. De liefde waartoe wij ons geroepen weten en die geen andere is dan Gods liefde en de inwerking van zijn Geest, staat gericht op de vervulling van de schepping. 
In de tekst van Jesaja staat dat God de aarde heeft gevormd tot een bewoonbare plaats. We hebben al gezien dat dat de bedoeling weergeeft. Het moet een bewoonbare plaats worden en zijn voor allen. Het woord dat daarvoor gebruikt wordt is ook te vertalen als “tot een plaats van rust”. Er wordt namelijk het woord voor sjabbat gebruikt. Tot een sabbat maakt God de aarde. De zevende dag, de sabbat, is de voleinding van de schepping waarin God rust. Gods liefde voor ons en onze liefde voor elkaar staan dus in het teken van de voleinding van de schepping. Gericht op de sabbat van de wederkomst des Heren. Waarop Gods liefde alles zal zijn in allen. In die grote sabbat ligt onze bestemming. En we hebben er nu al deel aan wanneer wij rusten, verblijven en wonen in zijn liefde. Amen.

 top

 

Overweging 2 mei 2021
voor het leven innig verbonden
Lezingen: Deuteronomium 4, 32-40; 1 Johannes 3, 18-24; Johannes 15, 1-8.


Geen mens is een eiland, wordt wel gezegd. En wanneer we geïsoleerd zijn, voelen we ons minder mens, minder vitaal. Met alle individualisme en ideeën over zelfbepaling en persoonlijke vrijheid is het goed om te beseffen dat we de ander nodig hebben om mens te worden. We hebben medemensen nodig tegenover wie we ons kunnen bevestigen en die op hun beurt ons bevestigen. We worden wie we zijn in relatie tot de ander. Onze identiteit ontwikkelt zich in de dynamiek met onze omgeving. Deels gebeurt dat onbewust, maar ook op grond van de keuzes die we maken met betrekking tot die omgeving en ten opzichte van hetgeen ons gebeurt. Verbondenheid schept identiteit en doet leven. Niet alleen dàt je verbonden bent, maar ook met wie je verbonden bent is daarbij belangrijk. De digitale wereld speelt daarin een steeds belangrijker rol.


En dat geldt eigenlijk zo langzamerhand voor iedereen. Niet alleen voor jongeren vormen de online groepen en communities waarvan ze deel uit maken de slagaders die hen van zuurstof voorzien. Ook voor ouderen is het van groot maatschappelijk belang om verbonden te zijn. Zeker in deze tijd van social distancing. Zo blijven zij in contact met de kinderen en kleinkinderen, met vrienden en met de kerk. Je kunt bestellingen doen en zaken regelen met de bank, de overheid en bedrijven en instellingen.
We kunnen ons een samenleving zonder social media en de mogelijkheden van het mobiele dataverkeer nauwelijks nog voorstellen. Het is geweldig dat dat kan. Het is allang niet meer iets alleen voor jongeren. Ook danig bejaarde opa’s en oma’s appen, facetimen, zoomen en skypen er lustig op los via smartphone of tablet. De verschillende applicaties vormen een breed aanvaard en integraal onderdeel van ieders sociale en zakelijke netwerk. We willen ervaren dat we deel zijn van een familie, een gemeenschap, een gebeurtenis, een club, een bindend verhaal. Het geeft ons het gevoel erbij te horen en het geeft betekenis aan ons leven. Het plaatst ons individuele leven in de context en de samenhang van medemensen. Zo leren we wie we zijn en ontwikkelen en bevestigen onze identiteit.


Deel uitmaken van een betekenisvolle omgeving is voor ieder van levensbelang. En die omgeving wordt gevormd door een relatienetwerk van mensen met een gedeelde ervaring. Zo is het nu en zo was het vroeger niet anders.
Deuteronomium spreekt erover: God is een relatie aangegaan met een volk dat hij uit de volken heeft gekozen. Hij heeft het bevrijd en is ermee op weg gegaan. De leden van dit volk hebben samen beproevingen doorstaan en hebben tekenen ontvangen van Gods trouw aan hen. Hij heeft tot hen gesproken en hun zijn voorschriften gegeven. Door deze gemeenschappelijke ervaringen hebben zij een identiteit verkregen die hen onderscheidt van anderen. Een identiteit die, meer dan door wat dan ook, wordt gecontinueerd door het onderhouden van de geboden, het leven naar de wet. Als lid van dat Godsvolk ben je door de generaties heen verbonden met degenen die uittogen uit Egypte, die aan de voet van de berg Sinaï stonden, die het land binnentrokken, die in diaspora leefden, vervolgd werden en vernietigd. Die telkens weer in hun geschiedenis door de Rode Zee trekken met een belofte in het hart. Dit schept een verbondenheid voor het leven door het leven.
Dit is geen verbondenheid waar je naar believen op kunt inloggen en uitloggen. Je kunt mensen met wie je het leven deelt niet ontvrienden. Het verbond met God niet deleten.
God heeft zich geëngageerd en Hij heeft zijn woord gegeven. Hij heeft zijn geest op ons gelegd. De verbondenheid met God en daarmee met medemensen is niet vrijblijvend. Vrij latend, ja, maar niet vrijblijvend.

Wanneer we antwoord geven op zijn woord, gaan we een relatie aan en bouwen samen een geschiedenis op die een kwalitatieve verandering in ons leven teweeg brengt. En dat is onomkeerbaar.


In de verschillende omgevingen waarin we op het web aanwezig zijn, kan identiteit iets vluchtigs krijgen. Een constructie voor de gelegenheid, voor die bepaalde groep. Meer een schijngestalte dan een echte identiteit. Misschien doen we ons mooier voor, hebben een jongere profielfoto. We kunnen spelen met deze identiteit zolang die niet geconfronteerd wordt in de ontmoeting. Ontmoeting heeft altijd openbaringskarakter. De ontmoeting met de medemens, en ook met God is altijd onthullend en niet verhullend.

In gelovige zin is identiteit nooit een constructie en zeker geen spel. Het volk van God is volk van God door uitverkiezing, maar wòrdt volk van God temidden van de volken door te leven naar zijn wet. Kind van God zijn we krachtens de scheppingsorde; lidmaat van Christus door de doop; zusters en broeders worden we door te leven naar zijn woord en in zijn liefde. Eerst is er de genade, dat wil zeggen Gods liefde, en dan is er het antwoord waarin de genade bevestigd wordt.
Onze identiteit is in de eerste plaats een geschonken identiteit. We krijgen die aangereikt van degene die ons het eerst heeft liefgehad. “Ik ben jullie God en jullie zijn mijn volk. Wees heilig, want ik de Heer ben heilig. Ik heb jullie bevrijd uit Egypte en jullie uitgekozen. Leef naar mijn woord, opdat jullie gelukkig zijn”. En Jezus: “Met de liefde waarmee de Vader Mij heeft liefgehad heb ik jullie liefgehad. Blijft in mijn liefde”.
In deze en vergelijkbare passages wordt eerst identiteit aangezegd en daarna een aanwijzing gegeven om overeenkomstig die identiteit te leven. Eerst de gave en dan de opgave, zo je wilt. In alle gevallen betreft het een identiteit die niet bepaald wordt door wie we kennen of zeggen te kennen op onze facebook- of LinkedInpagina, maar door Wie wij gekend worden.


Achter die liefde kunnen we ons niet verschuilen. We kunnen niet, om met de Johannesbrief te spreken, zeggen dat we God liefhebben zonder daarvan in concrete daden van naastenliefde te getuigen. Dat zou ons tot een leugen maken, tot mensen die beweren geen actuele herinnering hebben aan de woorden die Christus tot ons heeft gesproken. Onze belijdenis is de maat waarnaar we gemeten worden en onszelf meten.
Het is immers precies die liefde waar we een beroep op doen, die onthult wie en wat we zijn in het licht van diezelfde liefde. En we worden wie we als gelovige zeggen te zijn wanneer we ons aan Gods liefde toevertrouwen en zo met Hem verbonden blijven.

Wanneer Christus de wijnstok is en wij de ranken, en wanneer we dus zo met elkaar verbonden zijn dat zijn levenssappen door ons heen stromen, hoe zouden we dan andere vruchten kunnen voortbrengen dan vruchten van goedheid, mededogen en godsverbondenheid? Wanneer we naar de woorden van de eerste Johannesbrief, die in deze tijd ook gelezen wordt, kinderen van God zijn, wat zouden we dan anders kunnen doen dan elkaar liefhebben zoals God ons liefheeft.

Wie we zijn, zijn we in verbondenheid met God en in Christus. En zonder die verbondenheid zijn we niet. Ons leven kan maar in gelovige zin vruchtbaar zijn wanneer we blijven in Hem zoals Hij blijft in ons. In die vruchtbaarheid blijkt dat God in ons woont en in ons werkzaam is.


Wanneer het in de Schrift over verbondenheid gaat betreft het altijd de relatie met God en met de naaste. Een verbondenheid die ingebed is in liefde. Liefde die leven schept en leven behoedt. Die breuken herstelt, nieuwe wegen van verbondenheid zoekt.
Die liefde wordt ons niet opgelegd, is ons niet wezensvreemd. Hij woont in ons. God woont in ons. Christus verblijft in ons. Er is een existentiële verbintenis tussen God en ons.


Geloof heeft vele aspecten, sociale, ethische, mentale en emotionele. Het draagt op vele terreinen van ons iets waardevols aan. Het schept gemeenschap, geeft richting aan ons handelen, levert ons concepten voor de manier waarop we in de wereld staan en naar ontwikkelingen kijken, het geeft ons iets te verwachten, het schenkt toekomst, geborgenheid en thuisgevoel en verheft ons hart. Allemaal ongelofelijk belangrijke dingen voor ons bestaan in deze wereld.
Maar intiemer nog dan dit alles is de inwoning. God woont in ons en wij in God. Wij zijn existentieel verbonden, ook al bestaat God niet op dezelfde wijze als wij in de wereld bestaan. Het er-zijn van God in en met ons is van wezenlijke aard. In de zin dat het ons leven doordringt in al zijn aspecten. Ongrijpbaar wellicht, maar niet minder reëel; zoals alles wat belangrijk is in en aan ons bestaan. Zoals liefde, verbondenheid, warmte, welbevinden. In die zin is God niet groter dan ons hart (1Joh. 3,20), God is het hart van ons leven.


Het is precies die tot verwondering en dankbaarheid stemmende mystieke en reële verbondenheid die we gedenken en vierend actualiseren in de liturgie. Niet samen vieren is een groot gemis. Niet bijkomstig, maar een existentieel gemis.
De liturgie is, meer dan welke community, de betekenisgevende omgeving waarin we in directe verbondenheid met God en met elkaar vieren wie we mogen zijn.
En dit zijn de bevrijdende namen die wij ontvangen: mijn volk, die ik heb uitgeleid, mijn geliefde, wijnrank, broeder/zuster, geliefd kind.
Namen die diepe verbondenheid uitspreken en identiteit scheppen wanneer je je levensgeschiedenis lang ermee leeft. Amen.
  top

Handreiking 5e zondag van Pasen                      
2 mei 2021:
verbonden om vrucht te dragen


Lezingen: Deuteronomium 4, 32-40; 1 Johannes 3, 18-24; Johannes 15, 1-8.

Jezus zegt: “blijft in Mij en Ik blijf in jullie. Wie in mij blijft draagt veel vrucht”.

De liefde van God, de genade van onze Heer Jezus Christus en de gemeenschap van de heilige Geest zij met ons.  Amen.


Lied
Liedboek 656, strofe 1 en 3.

Ik ben de wijnstok, mijn Vader de wijngaardenier.
Gij zijt de ranken, dus blijf in mij, ik blijf in u- dan vindt Hij vruchten hier.
Zing voor de Vader, de wijngaardenier,
dus blijf in mij, Ik blijf in u, dan vindt Hij vruchten hier.

Laat dan mijn woorden uw waarheid en uw leven zijn;
blijf in mijn liefde, zoals Ik in de Vader blijf- gij zult vol vreugde zijn.
Bid om de geest, om het brood en de wijn,
en al wat gij de Vader vraagt, zal u gegeven zijn.


Gebed

In verbondenheid met U, God,
ontvangen wij de genade om te leven naar uw geboden.
wij danken U voor hem in wie uw verbond
met ons zichtbaar is geworden.
Laat ons in hem blijven, zoals Hij blijft in ons,
opdat ons leven vruchtbaar zij
in geloof, liefde en goede werken.
Door hem, Jezus Christus, uw Zoon,
die met U en de heilige Geest
leeft en leven geeft in de eeuwen der eeuwen. Amen.


Overweging

Geen mens is een eiland, wordt wel gezegd. En wanneer we geïsoleerd zijn, voelen we ons minder mens, minder vitaal. Met alle individualisme en ideeën over zelfbepaling en persoonlijke vrijheid is het goed om te beseffen dat we de ander nodig hebben om mens te worden. We hebben medemensen nodig tegenover wie we ons kunnen bevestigen en die op hun beurt ons bevestigen. We worden wie we zijn in relatie tot de ander. Onze identiteit ontwikkelt zich in de dynamiek met onze omgeving. Deels gebeurt dat onbewust, maar ook op grond van de keuzes die we maken met betrekking tot die omgeving en ten opzichte van hetgeen ons gebeurt. Verbondenheid schept identiteit en doet leven. Niet alleen dàt je verbonden bent, maar ook met wie je verbonden bent is daarbij belangrijk. De Schrift laat hier geen misverstand over bestaan.

Wanneer het daar over verbondenheid gaat betreft het altijd de relatie met God en met de naaste. Een verbondenheid die ingebed is in liefde. Liefde die leven schept en leven behoedt. Die breuken herstelt, nieuwe verbindingen zoekt.

Die liefde is ons niet wezensvreemd. Hij woont in ons. God woont in ons. Christus verblijft in ons. Er is een existentiële verbintenis tussen God en ons.

Geloof heeft sociale, ethische, mentale en emotionele aspecten. Het schept gemeenschap, geeft richting aan ons handelen, levert ons concepten voor de manier waarop we in de wereld staan en naar ontwikkelingen kijken, het geeft geborgenheid en thuisgevoel en verheft ons hart.
Intiemer nog dan dit alles is de inwoning. God woont in ons en wij in God. Wij zijn existentieel verbonden, ook al bestaat God niet op dezelfde wijze als wij in de wereld bestaan. Het er-zijn van God in en met ons is van wezenlijke aard. In de zin dat het ons leven doordringt in al zijn aspecten. Ongrijpbaar wellicht, maar niet minder reëel; zoals alles wat belangrijk is in en aan ons leven. Zoals liefde, verbondenheid, warmte, welbevinden. In die zin is God niet groter dan ons hart (1Joh. 3,20), God is het hart van ons leven.


Het is precies die tot verwondering en dankbaarheid stemmende mystieke en reële verbondenheid die we gedenken en vierend actualiseren in de eucharistie. Daar klinken ook de woorden ter bevestiging van die gemeenschap: “blijf in Mij, Ik blijf in jou”. Daarom is het gemis aan eucharistie niet bijkomstig, maar existentieel. Zolang we geen eucharistie kunnen vieren/ konden vieren kan dat gemis niet slijten, het schrijnt en in feite tot de wederkomst.


Gebed

God van leven,
woon in ons en blijf ons zo nabij
dat wij U nabij kunnen zijn
en leven in uw licht.
Wij danken voor de liefde
die ons verbindt
en bidden dat ons bestaan
vruchtbaar mag zijn.
Dat wij trossen van liefde en gerechtigheid dragen
geworteld in U en in uw Zoon, Jezus Christus,
levend door uw Geest, in eeuwigheid. Amen.


Zegen

Zegene ons de Algoede,                                                 
die in ons leeft,
die ons leven doordesemt,
die ons tot mensen maakt:

 

Vader, + Zoon en heilige Geest.
Amen

  top 

 

Handreiking 4e zondag van Pasen                                         
25 april 2021: Gods mededogen,
ofwel: zondag van de Goede Herder.

Lezingen:
Ezechiël 34, 1-10: Wee de herders…die zichzelf weiden…
1 Johannes 3, 1-8: nu reeds zijn wij kinderen van God…
Johannes 10, 11-16: Ik geef mijn leven voor mijn schapen…


Introitus: (Gb 396) Psalm 33, 4-5:
Oprecht is het woord van de HEER, al wat hij doet getuigt van zijn trouw. Hij heeft lief rechtvaardigheid en recht. De liefde van de HEER vervult de aarde.


De liefde van God, de genade van onze Heer Jezus Christus
en de gemeenschap van de heilige Geest zij met ons allen.
Amen.


Lied
  De aarde is vervuld, misericordia domini (Ok Gb 660, Liedboek 650), strofe 1,2,3, 6,7. T. Willem Barnard, m. Frits Mehrtens.

De aarde is vervuld van goedertierenheid,
van goddelijk geduld en goddelijk beleid.

Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen,
zij gaat in alle nood door heel het leven heen.

Zij daalt als vruchtbaar zaad tot in de groeve af,
omdat zij niet verlaat wie toeven in het graf.

Het zaad der goedheid Gods, het hoge woord, de Heer,
valt in de voor des doods, valt in de aarde neer.

Al gij die God bemint en op zijn goedheid wacht,
de oogst ruist in de wind als psalmen in de nacht.


Gebed
 
Barmhartige God,
Gij steunt de zwakken
en brengt verdwaalden thuis bij U.
Wij danken U voor de goede herder
die zijn leven voor ons heeft gegeven
en die ons geleidt op de weg naar U toe:
Jezus Christus, uw Zoon en onze Broeder,
die met U in de eenheid van de heilige Geest
leeft en leven geeft, God in de eeuwen der eeuwen. Amen.


Schriftwoord

Uit de eerste Johannesbrief, hoofdstuk 3: ‘Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft. Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook. Dierbaren, nu al zijn wij kinderen van God, en wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is.’  


Gedachten bij het woord

Thematisch gaat deze zondag over zorgend en verantwoordelijk leiderschap. Er wordt gerefereerd aan Gods liefde voor de wereld en het verlangen dat recht en gerechtigheid in de wereld leidend zijn. En dat niet zozeer als een extern gebod, maar vanuit een innerlijke behoefte van de mens zelf. En dat ook weer niet als een geforceerd gedrag, maar op grond van wie we als mens zijn, namelijk kinderen van God. Het bewustzijn daarvan voert ons leven op natuurlijke wijze naar de paden van het recht.

Een vrome wens? Daar lijkt het soms op waanneer we naar de leiders in onze wereld kijken en naar mensen die met luide stem blijk geven van nationalistische, racistische en discriminerende opvattingen. Juist het besef dat wij kinderen van de Allerhoogste zijn, maakt onze realiteit zo schrijnend. Tegelijk voedt het onze hoop en ons geloof dat het anders kan en moet.

Zowel de lezing uit Ezechiël als die uit het Johannesevangelie hekelen de herders, de leiders, die zich niet gedragen conform hun opdracht en bedoeling. Die eerder het eigen belang voor ogen hebben en niet het belang van degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd, of zich aan hun zorg hebben toevertrouwd. Leiders die zich schaamteloos verrijken ten koste van hun land en de bevolking. Politici die partijbelangen laten prevaleren boven het algemeen belang. Regeringen die de menselijke maat en de menselijkheid uit het oog verliezen. En aan de andere kant de slachtoffers van onrechtvaardige en onrechtmatige maatregelen en wetten en van onverschillige dictatoriale regimes.

De werkelijkheid is weerbarstig voor het gelovig hart. Reden temeer om ons ervan te blijven doordringen uit welke liefde we geboren zijn en tot welke liefde wij geschapen zijn. Zodat wij groeien in gerechtigheid en in gelijkvormigheid met Hem die ons de Weg ten leven heeft geopenbaard, vol genade en waarheid. Gaande die Weg wordt ook steeds meer zichtbaar wie we al zijn en zullen zijn.


Gezang
(OkGb 642, strofe 2) Voor de verrijzenis van onze Heer; m. victoria, victoria, surrexit nostra gloria, uit Missen en Gezangen 1745; t.W.Barnard

Geprezen is, geprezen is de Heer die ’t eeuwig wezen is.
Hij die het licht tevoorschijn riep laat ons opnieuw beginnen,
de nacht kan nooit meer winnen omdat de dood ten einde liep
die dag dat Hij ons schiep, die dag dat Hij ons schiep.


Zegenbede

Gezegend zijt Gij, God, die de wereld draagt.
Gezegend zijt Gij omwille van uw liefde en uw trouw.
Gij laat het werk van uw handen niet los
en verlangt dat wij leven hebben en wel in overvloed.
Zegen ons dan met het licht van uw gelaat,
opdat wij elkaar zien als zusters en broeders
en uw recht vestigen op aarde voor ieder mensenkind.
Zegen ons, Gij Eeuwige, Vader, +Zoon en heilige Geest.
  top


Handreiking derde zondag van Pasen                           

18 april 2021, ‘jubelt!’

Lezingen: Micha 4, 1-5 In het laatste van de dagen;
1 Johannes 1, 1-7 Het woord dat leven is ;
Johannes 21, 15-24 Petrus, hebt je Mij lief?


Introitus: Psalm 66, 1-2:
Juich, aarde alom voor de Heer,
bezing de heerlijkheid van zijn Naam.
Halleluia, halleluia, halleluia.

Het feest van de Opstanding draagt de voleinding in zich.
Het Woord dat ons tot leven riep zal worden vervuld.
In het laatste van de dagen zal het zijn als op de eerste dag.

 

Genade zij ons en vrede van God onze Vader, van Jezus Christus de Zoon en van de heilige Geest, de Helper. Amen.


Lied:
In ’t laatste van de dagen zal het zijn, str 1 en 3; t. H. Oosterhuis; m. A. Oomen

In ’t laatste van de dagen zal het zijn: een hoge berg, onwankelbaar gegrondvest,
hoog uit boven de heuvels, en een huis van goud in hemelsblauw daar bovenop.
De wereldzeeën zijn tot rust gekomen, de golven zijn verstomd, de branding zwijgt.


In ’t laatste van de dagen zal het zijn dat zwaarden worden omgesmeed tot ploegen,
je leert de oorlog af, je snoeit je wijnstok en strekt je in de schaduw van je bomen.
En niemand schrikt meer wakker in de nacht en niemand vreest nog voor een nieuwe morgen.


Gebed

Wij bezingen uw grote daden, God,
die U in uw liefde aan ons verricht.
Laat ons uw woord van leven steeds indachtig zijn,
opdat onze vreugde volkomen mag zijn.
door Christus, de verrezen Heer,
die met U leeft in de kracht van de Geest,
nu en tot in eeuwigheid. Amen.


Woorden van leven

Ook na zijn dood en opstanding is Jezus werkelijk tegenwoordig. In de zorg voor zijn gemeenschap, in de verkondiging door zijn leerlingen, in hun heilzaam handelen en in hun samenkomsten is Hijzelf aanwezig, als gastheer, als voedsel, als woord van eeuwig leven.
Dit woord dat leven is nemen wij tot ons opdat het ons leven stelt in het licht.
Wanneer wij, op zijn woord, in geloof samenkomen, is de verrezen Heer als gastheer in ons midden. Hij deelt ons van de gaven die Hijzelf voor ons heeft bereid en die Hijzelf is. Brood gebroken en wijn gedeeld, lichaam en leven tot opbouw van gemeenschap.
Het zijn de tekenen waarin Hijzelf zich met ons verbindt en gemeenschap heeft met ons. In een heel oud tafelgebed van de begintijd van de kerk, ver voordat de instellingswoorden een centrale plek kregen in het eucharistisch gebed,  komt de bede voor: “kom en heb gemeenschap met ons”. Dat is niet de uitdrukking van een dogmatische theologie. Dat is een intiem en levenscheppend gebeuren. Het is de uitdrukking van het geloof dat aan ons geschiedt wat wij vieren. Dat Christus werkelijk in ons midden komt om zijn leven met ons te delen, opdat we worden wat we zijn, gemeenschap en lichaam van Christus. De gemeenschap van het Woord is de omgeving, biotoop zo je wilt, waarin we kunnen groeien in gelijkvormig met Christus, als lichtmensen.

Die gemeenschap is de inhoud en het doel van de verkondiging zoals dat verwoord is in de lezing uit 1Johannes 1. De gemeenschap met de Vader en de Zoon is bron van volmaakte vreugde en deelhebben aan het eeuwige leven dat bij de Vader is en geopenbaard is en aan ons verschenen, zichtbaar voor alle ogen, in Jezus Christus.
Geheel in de traditie van de Johanneïsche literatuur wordt dit leven met licht geassocieerd en dood met duisternis. Het eeuwige leven bij de Vader wordt zo in verband gebracht met het scheppingslicht. Zo is God te noemen licht en leven. Er is in Hem geen spoor van duisternis en dood, alleen licht en leven. De wegen van de wereld en de werken van het duister zijn Hem vreemd. Maar wanneer wij gemeenschap met Hem hebben, wandelen we in zijn licht. Zijn kinderen van het licht. Als leden van die levensgemeenschap zijn we ook geroepen van dit licht te getuigen in onze leefwijze. Licht te brengen in de duisternis van onze wereld en waar het leven van onze naaste verduisterd is door pijn, verdriet, angst en onrecht, geweld en verlamming.


Dat we niet volmaakt hoeven te zijn om ons geroepen te weten laat de ondervraging en opdracht van Petrus zien in het evangelieverhaal.
Hij is leerling van het eerste uur, soms sneller met de tong dan met het hart. Loyaal en angstig, gelovig en twijfelaar, belijder en loochenaar. Wat dat betreft lijkt hij wel wat op ons. Tijdens het gesprek na de maaltijd is hij zich bewust van zijn beperkingen. Een goede eigenschap voor een leidinggevende lijkt me. Tot driemaal toe vraagt Jezus hem of hij van Hem houdt. Steeds bedroefder antwoordt Petrus ja. Hij ontvangt de opdracht om de gemeenschap te leiden.
Van belang is hier dat de zorg voor de gemeenschap gebaseerd is op de liefde tot Jezus. Petrus is verre van perfect en niet bijster geleerd en dat is maar goed ook. Zo staat hij dicht bij mensen. De doorn van de loochening in zijn eigen vlees behoedt hem voor hoogmoed, die een valkuil is voor iedere mens maar zeker ook voor een leidinggevende in de kerk. Het gaat om een functie die uit liefde voor Christus dienstbaar is aan de levensvervulling van mensen.
Het is een opdracht die zich over alle leerlingen van Jezus uitstrekt. Allen zijn tot de gemeenschap van de Vader en de Zoon in de Geest geroepen.
 

Looft en dankt de Heer, halleluia, halleluia.
Lof en dank zij God, halleluia, halleluia.

Zegene ons de Algoede God:
Vader, + Zoon en heilige Geest.
 top
 


Handreiking Beloken Pasen,    
                           
11 april 2021, tweede zondag van Pasen

Jesaja 26, 1-13; 1 Johannes 5, 1-6;
Johannes 20, 24-31

TASTEND GELOVEN


Heer, ik geloof; kom mijn ongeloof te hulp.

Vrede zij met u.

De liefde van God,
de genade van onze Heer Jezus Christus
en de gemeenschap van de heilige Geest
zij met u allen. Amen.


Lied:
Als kinderen nieuwgeboren, quasimodo geniti (naar de introitus van deze zondag: 1 Petrus 2, 2 en Psalm 81, 2), t. W. Barnard

Als kinderen nieuwgeboren zo moet gij begerig zijn
om het woord van de Heer te horen, uw melk en uw medicijn.
Het woord van de Heer is weldadig,
het woord van de Heer maakt rein,
het woord van de Heer verzadigt
wie dorstig en hongerig zijn.


Het is aan de mens beschoren begerig te zijn naar God,
naar een God die als mens geboren kwam uit een aardse schoot.
Het woord van de Heer… enz.


Het is aan de mensen geschonken te proeven de zoetheid Gods,
want het leven heeft zelf gedronken de bittere gal des doods.
Het woord van de Heer… enz.


Nu drink dan en wees begerig en groei in de zaligheid,
maar wees ook wederkerig voor God en zijn Zoon bereid.
Het woord van de Heer is geduldig,
het sterft en staat op als brood,
het brood wordt vermenigvuldigd
en redt van de bittere dood.


Gebed

Barmhartige God,
U kent ons verlangen om te geloven in uw aanwezigheid,
zichtbaar en tastbaar in ons midden,
tekenen waaraan we ons kunnen vasthouden.
Help ons te vertrouwen op het getuigenis
van wie ons in geloof zijn voorgegaan
om zelf teken te worden van uw liefde in de wereld.
Door Christus onze Heer.


Overwegingen
Bij herhaling horen we de vraag, in de Schrift en om ons heen, naar een teken, een bewijs van het bestaan van God en van zijn aanwezigheid en betrokkenheid. Een begrijpelijke en gerechtvaardigde vraag, lijkt me. Ook als gelovige mens bekruipt je van tijd tot tijd de twijfel of het wel waar is wat je gelooft en of de grond van ons geloof wel die solide rots is waarop we vertrouwen. Het zou fijn zijn zo af en toe een betrouwbaar teken te ontvangen dat ons geloof ondersteunt. Iets meer dan alleen de woorden waarin we God ontmoeten. (Gerrit Achterberg, Woord: ‘Ik kan alleen woorden ontmoeten, U niet meer. Maar hiermee houdt het groeten aan, zozeer, dat ik wel moet geloven, dat gij luistert; zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor’.) We geloven op de tast, want we weten niet en zien niet.

Het verhaal over Tomas is voor ons geschreven om ons te laten zien dat onze twijfel niet nieuw is en om ons te helpen geloven dat Jezus die gestorven is, ook werkelijk is verrezen als teken van hoop voor ons allen. Het getuigenis van Tomas, en ook de andere leerlingen, en zijn belijdenis “mijn Heer en mijn God” ondersteunen dat.
En toch klinkt het “niet zien en toch geloven” ons tot vandaag in de oren. We geloven op goed vertrouwen.

Er is echter nog een ander aspect aan het vragen om een teken. We willen zien en overtuigd worden. Maar de ervaring leert dat we pas zien wanneer we geloven.
Misschien moeten we het eens anders benaderen. In plaats van een teken te vragen zouden we eerst een teken van God in de wereld moeten zijn. In dat licht zien wij het licht. “Mij spreekt de blomme een tale, dat God geschapen heeft”, schrijft Guido Gezelle. In het licht van zijn geloof spreekt de wereld tot hem in Gods taal. Eerst geven en dan ontvangen; eerst zijn en dan ook zien. Ons geloof leert ons God zien en niet andersom.

Ook de leerlingen moesten zich eerst openen. Hun deuren, hun luiken, hun hart open stellen. Om te kunnen zien en ontvangen. Dat stelt een vraag met betrekking tot de spanning tussen onze geslotenheid en openheid, onze gerichtheid op onszelf en ons openstaan naar de wereld, de ander. Het in onszelf besloten zijn en leven in relatie. Het idee dat wij onszelf genoeg zijn en de ervaring dat we de ander nodig hebben om mens te zijn. Het ik van de afgescheidenheid en het wij van de hele mens.
In het verlengde daarvan kunnen we onze ogen, onze harten, onze handen niet gesloten houden voor onze naaste, die mens is als wij.


Gebed
(naar Jesaja 26, 1-13)                                       
Gij, rots van ons heil,
uw naam alleen willen wij belijden.
Laat uw gerechtigheid over de aarde heersen
en leer ons wat recht is, schenk ons vrede.
Maak onze wegen recht.
En laat ons in uw liefde leven.
Door Christus onze Heer. Amen.

Zegen

God die in de opstanding van zijn Zoon een teken van trouw geeft aan alle generaties, moge ons zegenen en ons het vertrouwen schenken dat wij delen in zijn belofte:
Vader, + Zoon en heilige Geest. Amen. 

 top

 

Handreiking voor Pasen                    
4 april 2021

Jesaja 25,6-9:
op de berg van de Heer.
Marcus 16,1-8:
paasevangelie van de paasnacht.
Johannes 20,1-18:
paasevangelie van Pasen.


De steen is weggerold

In de paasnacht lezen we in het Marcusevangelie dat in alle vroegte, als het ware in de schemer van de ochtend, Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus, en Salome met kruiden op weg gaan om Jezus, die in alle haast begraven was, te gaan zalven. Zij vragen zich echter af wie voor hen de steen voor het graf zal wegrollen. Maar toen zij opkeken zagen zij dat de steen al weggerold was. Om aan te geven dat zij dat onmogelijk zelf hadden kunnen doen, staat er dan nog geschreven: “want hij was zeer groot”.

Het verdriet om een groot verlies is als een steen op ons hart. Soms zo groot dat we met geen mogelijkheid in staat zijn om die weg te rollen. Maar toch, na verloop van tijd, vele tranen verder, zien we soms wat licht schemeren. Dan kun je de ervaring hebben dat de zwaarte minder is geworden en de steen is weggerold. Hoe en wanneer precies weet je vaak niet eens. Maar, er is weer licht, je kunt weer verder. De dood is niet langer absoluut, er is ruimte voor nieuw leven.

Pasen is verre van eenvoudig, nooit vanzelfsprekend en geenszins naïef. Paasgeloof stelt zich actief te weer tegen de absolute aanspraken van de dood en tegen alles wat het leven gevangen houdt. Het bagatelliseert noch ontkent de realiteit van de dood. Het is een antwoord erop.

Lied 656; OK-Gezangboek, anastaseos hèmera, bew. K. Ouwens naar thema’s uit de paascanon van Joh. Damascenus.

Wij groeten u, o dag der dagen, o morgen der verrijzenis.
De Heer trok door de dood, verslagen ligt wat de mens tot dreiging is:
Hij leidt ons uit de dood naar ’t leven; de laatste vrees is uitgedreven.

Hij laat ons, mensen, mee ontstijgen aan al wat ons te gronde richt
en achten wij de aarde ons eigen, Hij gaat ons voor, wij zien in ’t licht
dat Hij ontsteekt het ware leven, ons door de hemel weer gegeven.


Gebed

Dit is de dag die gij hebt gemaakt, God,
een dag van vreugde voor ons allen.
Wij verheugen ons in hem
die ons verlost heeft en nieuw leven schenkt.
Mogen wij ons met de leerlingen openen
voor dit geloofsgeheim.
Gij die leven geeft en nieuw leven schept
in de opstanding van onze Heer en broeder, Jezus Christus,
die met U in de eenheid van de heilige Geest
leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen. Amen.


Hij zag en geloofde, zij herkende en beleed

In het evangeliegedeelte van Johannes zien we twee stromen, die van de wanhoop en die van het inzicht. De reactie van Maria van Magdala en van de geliefde leerling. Waar de brief verrijzenisverkondiging is, wil het evangelie ons meenemen in een geloofsproces.

In het verslag over de reactie van ieder van beiden staat iets heel merkwaardigs. Merkwaardig genoeg om er dieper op in te gaan, want het biedt aanknopingspunten voor ons eigen geloof.
Maria Magdalena was ’s morgens vroeg al bij het graf gekomen en zag dat het leeg was. Ontzet gaat zij naar Petrus en de geliefde leerling. Deze rennen voor haar uit naar het graf. Zelf staat zij wenend bij het graf, terwijl de twee leerlingen naar binnen gaan. Wanneer deze weg zijn, buigt zij zich weer voorover en ziet twee engelen. Zij vragen haar waarom zij huilt en zij antwoordt dat het is omdat men haar Heer heeft weggenomen. Zij vraagt niet of zij dat gedaan hebben. Dan draait zij zich om en ziet iemand staan, die haar ook vraagt waarom zij huilt en aan wie ze wel vraagt of hij Hem heeft weggenomen. Jezus spreekt haar nu met haar naam aan en zij draait zich weer om, Hem herkennend. Zij keert zich twee maal om. Een keer naar de tuinman en een keer naar Jezus, terwijl zij met Hem spreekt.
Merkwaardig. Terwijl zij met Jezus praat, keert zij zich om.

Om Jezus als de Levende te herkennen zijn er kennelijk twee bewegingen nodig die beide met omkeer aangeduid worden.
De eerste beweging van omkeer is die van het graf naar de wereld van het leven, de tuinman. Het is tevens de beweging van staren in het donker naar kijken in het licht. Zij keert zich naar wat achter haar is, staat in de tekst. Het leven speelt zich af achter haar rug. Zij kijkt de verkeerde kant uit voor een antwoord op haar vraag. Waar Hij is, is niet in het graf, maar achter haar in het domein van het leven. En wanneer zij zich omkeert, ziet zij wel de realiteit, maar zij herkent niet degene naar wie zij op zoek is. Kennelijk vraagt dat nog een andere omkeer. Een innerlijke omkeer.

Je kunt je wel van de grafsteen omdraaien naar het levensdomein, maar dat betekent nog niet dat je leven en perspectief ziet. Haar blik is bezet door het verdriet om de dood. Zij zoekt de dode en ziet niet de Levende die voor haar staat. Pas wanneer zij aangesproken wordt met haar naam en zich innerlijk omkeert naar het leven, herkent zij degene die haar kent bij haar naam.
Een prachtig, herkenbaar en diep menselijk bekeringsproces als omkeer van dood naar leven. Pas op dat moment, wanneer zij haar geliefde meester als de Levende heeft herkend, kan zij optreden als de apostel van de apostelen. Als verkondiger aan de leerlingen met de boodschap dat Hij opgaat naar zijn en onze Vader. Zij heeft op een nieuwe manier leren kijken en in plaats van een dode te zoeken, verkondigt zij de Levende.


Intussen heeft zich een andere scene afgespeeld. Petrus en de geliefde leerling (de naam wordt niet genoemd) komen bij het graf. De geliefde kijkt in het graf, maar Petrus gaat als eerste naar binnen. Beiden zien de doeken, maar van de geliefde leerling wordt verteld dat hij ziet en gelooft. Dat wil zeggen: hij ziet de windsels, de afwezigheid van het lichaam en gelooft in wat zij betekenen. Hij kijkt anders dan Maria Magdalena en daarom is er ook geen ontreddering, geen vraag. Hij ziet en hij gelooft. Vooral dat “gelooft” mogen we heel betekenisvol verstaan. Het gaat om geloof in de zin die het evangelie wil verkondigen. Geloof in het Woord dat is vlees geworden en dat onder ons heeft gewoond. Het woord dat door de duisternis van de wereld niet ontvangen is, maar niettemin niet door de duisternis gevangen gehouden kan worden. Dat licht is en leven en dat gestorven is en aan het kruis zijn geest voor het leven van de wereld heeft overgedragen. Het Woord van God, dat God is, en niet door de dood kan worden vastgehouden. Dat is wat de geliefde leerling op grond van wat hij ziet en op grond van Jezus’ liefde voor zijn leerling mag en durft te geloven. Hij ziet hetzelfde als Maria Magdalena, maar hij ziet het niet op dezelfde manier. Hij ziet het niet als doodswindsels maar als tekenen die verwijzen naar de Afwezige. En die in zijn afwezigheid een teken van leven geeft.


Lied 655,
 OkGezangboek 1,3,5,7, Ich sag es jedem das er lebt (m. J.Crüger, t. Novalis, vert. A. den Besten)

Ik zeg het allen dat Hij leeft, dat Hij is opgestaan,
dat met zijn Geest Hij ons omgeeft waar wij ook gaan of staan.

Nu schijnt ons deze wereld pas der mensen vaderland:
een leven dat verborgen was ontvangen w’ uit zijn hand.

De donkere weg die Hij betrad komt uit in ’t hemelrijk,
en wie Hem volgen op dat pad worden aan Hem gelijk.

Nu is op aard geen goede daad meer tevergeefs gedaan,
want wat gij doet is als een zaad dat heerlijk op zal gaan.


Gebed 
(naar Jesaja 25,9)

Gij zijt de God van onze verwachting.
Wij geloven dat u ons hebt verlost en zult verlossen
van alles wat ons verhindert om waarlijk en voluit te leven.
Laat ons delen in het nieuwe leven,
dat wij het aanschijn van de aarde vernieuwen
en in Christus nieuwe mensen worden.
Door hem, de verrezen Heer, Jezus Christus,
uw Zoon, onze broeder. Amen.


Zegen

Mogen wij dan opstaan in hem die voor ons verrezen is. Moge de nieuwe dag voor ons open gaan.

Zegene ons de Eeuwige, de Verborgene die met ons is:
Vader, +Zoon en heilige Geest.

 Zalig Pasen.

 top


Handreiking Palmzondag  
                                      
28 maart 2021

Lezingen: Marcus 11,1-11; de intocht.
Jesaja 50, 4-7; Filippenzen 2, 5-11;
Marcus 14,1-15,47 passieverhaal.

De eerste lezing van Palmzondag wordt gelezen bij de palmwijding en betreft de intocht van Jezus in zijn stede, Jeruzalem. De vierde lezing beslaat de passie, de arrestatie, de veroordeling, de marteling en de dood van Jezus. Zo maakt palmzondag de beweging van de glorievolle intocht tot verguizing en dood.
Heden “hosanna”, morgen: “kruisigt hem”.

Gezegend jij die om liefde komt en vrede,
Gezegend jij die verlangt naar heelheid,
Gezegend jij die zachtmoedig bent en barmhartig,
Gezegend jij die zoekt en zoeken blijft,
Gezegend jij mens van God en kind van deze wereld. Amen.


Van lied 620 (OK Gezangboek, m. Floor van der Putt, t. Harrie Beex) luidt de 1e strofe:
Toen Jezus naar zijn stede ging zes dagen voor zijn lijden,
toen naderde een grote stoet die hem een welkom wijdde:
Wij zingen Hosanna de koning ter eer, gezegend die komt in de Naam van de Heer.


Eigenlijk is de intocht een soort trompe-l’oeil, een vorm van gezichtsbedrog. Het lijkt op de intocht van een koning of stadhouder in zijn stad, maar dat is het niet en ook weer wel.
Jezus lijkt uiterlijk in niets op een koning, hij heeft geen staatsie, geen soort van rijdier, geen herauten en koninklijke garde die hem vooruit gaan, geen pompa. En toch is Hij koning in de lijn van David, omgeven met grote verwachtingen van een messiaans koningschap. Later, bij zijn veroordeling, zal de discussie over zijn koningschap ook een rol spelen. Daar zegt Hij: mijn koningschap is niet van deze wereld. Niet deze wereld met zijn verdeeldheid, onrecht en lelijkheid. Maar de wereld waarnaar we uitzien en verlangen, een schone en veilige wereld waar leven is. Niet de wereld van glamour, schijn, hard lachen en oppervlakkigheid. Maar de wereld van eenvoud, diepgang en echtheid. Een wereld die tevoorschijn komt wanneer we onze prioriteiten op orde hebben. Wanneer we datgene waar Jezus voor staat en wat Hij voorleeft ook zelf nastreven, wordt die wereld zichtbaar, tot zegen van de mensheid.


Een hymne van Thomas van Aquino (364 uit het Gezangboek, Liedboek 565) begint met:

Het hoogste woord daalt uit het licht en blijft toch voor Gods aangezicht.
Het geeft zich over aan de nacht, zo wordt zijn grote werk volbracht.


Deze woorden sluiten aan bij de Filippenzenlezing: Laat in u dezelfde gezindheid zijn, die ook in Christus Jezus was. Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast. Hij heeft zich ontledigd door de gestalte van een dienstknecht aan te nemen en aan de mens gelijk te worden. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood, de dood aan het kruis.


Wat in Jezus wordt duidelijk gemaakt is dat God zich niet te groot voor ons voelt. Hij komt ons menselijk nabij. Mens geworden is Jezus dienstbaar aan onze verlossing en gaat die weg ten einde toe. Gehoorzaam aan het levenswoord dat hij is. De brief aan de Filippenzen vraagt ons, als leerlingen van Jezus, diezelfde gezindheid te hebben. Dienstbaar te zijn aan elkaars bevrijding tot menswording. Gehoorzaam aan het woord dat als scheppingswoord aan ons bestaan ten grondslag ligt en dat nog immer scheppend in ons werkt en ons boetseert tot de mens die wij kunnen zijn.
We hebben moeite met woorden als dienstbaar en gehoorzaam. Maar dienstbaarheid aan wat ons overstijgt en waarnaar wij verlangen, namelijk het nieuwe leven van het Godsrijk, maakt ons niet klein en afhankelijk, maar deel van het grote werk van de schepping. Hetzelfde geldt voor ons luisteren naar en gehoor geven aan het scheppend Woord dat is vlees, mens, geworden om ons opnieuw tot mensen te maken. Niet eens en voorgoed wellicht, zolang wij leven in deze wereld, maar wel telkens weer.


Daarbij gaan we de weg van de leerling, zoals de profeet schrijft: “de Heer, de Heer heeft mij leren spreken als een leerling. Om vermoeiden tot steun te zijn. Van ochtend tot ochtend wekt hij mijn oor, opdat ik hoor zoals leerlingen horen. De Heer, de Heer, heeft mijn oor geopend en ik ben niet weerspannig geweest”.
De leerling is niet vol van zichzelf, zoals de ‘weter’ dat is. De leerling is vol van het geleerde. Al lerende van Jezus raken wij vervuld van hem en van hetgeen hij ons leert.


Gezegend zijt Gij, God,
die ons uw Woord hebt toevertrouwd en in het hart gelegd.
Laat uw levenswoord in ons wortelen en vrucht dragen,
opdat het niet vergeefs gesproken is en ijdel tot u keert.
Vervul ons verlangen om deel te hebben aan uw grote werk,
de voltooiing van de schepping en verlossing van de wereld.
Maak ons tot dienaren van uw woord en laat ons de weg gaan
die uw Zoon ons is voorgegaan, opdat wij leven hebben,
en wel in overvloed.
Door Hem, Jezus Christus, die voor ons gestorven en verrezen is
en die met U leeft in de eenheid van de heilige Geest. Amen.

Zegene ons allen de Algoede God,
Vader, + Zoon en heilige Geest. Amen.

 top

 

Handreiking vijfde zondag veertigdagentijd
21 maart 2021; Zend mij uw licht en uw waarheid.

Lezingen: Jeremia 31, 31-34; Hebreeën 5, 1-10;
Johannes 12, 20-33.


Introitus Ps. 43,3 (NBV):
Zend uw licht en uw waarheid,
laten zij mij geleiden en brengen
naar uw heilige berg,
naar de plaats waar u woont.


Gij die uw verbond in ons hart legt,
wees met ons en wijs ons de weg naar het nieuwe leven
in Christus Jezus, die gestorven is en verrezen. Amen.


Bij Jeremia lezen we (NBV): "…spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden “Leer de HEER kennen”, want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al, spreekt de HEER."


Er lijkt in het land van de social media een aparte en lucratieve rol weggelegd voor influencers. Mensen die veel volgers hebben op hun account en die met hetgeen zij doen of voorstaan het zelfbeeld en het gedrag van hun volgers beïnvloeden. Het is niet moeilijk te bedenken dat influencers commercieel interessant zijn voor bedrijven die produkten aan de mens willen brengen. Deze bedrijven proberen dan weer de influencer te beïnvloeden om met hen in zee te gaan. Invloed uitoefenen is belangrijk en beïnvloeding is al zo oud als weg naar Rome (of van Rome!) en nog ouder.
Niemand kan zich aan beïnvloeding onttrekken. Iedereen doet het, eenvoudigweg doordat we met elkaar in relatie staan. Vaak wordt het onbewust gedaan en ontvangen. Maar ook bewust. De regering doet het, ouders doen het, vrienden/-innen doen het, klasgenoten en leraren. En vaak met de beste bedoelingen. Om anderen iets te leren, de veiligheid van de samenleving te bevorderen, om betere mensen van ons maken. En soms alleen maar om er zelf beter van te worden.
Onze wereld is werkelijk ingrijpend veranderd door de digitale mogelijkheden en ik denk dat we nog maar voor een deel beseffen hoe ingrijpend. Fake nieuws, deep fake, communicatie middels avatars van jezelf, veranderen het zicht op onze werkelijkheid.
Het stelt hoge eisen aan ons onderscheidingsvermogen om te achterhalen met welke waarheid we te maken hebben en om keuzes te maken die echt bij ons passen en die ons schenken wat we verlangen.


Ook dat is kennelijk niet helemaal nieuw. Gezien de belofte van de HEER om zijn wet in ons hart te leggen, zodat niemand ons hoeft te vertellen (wijs te maken) wie God is. Ook al bestond er in het verleden een grotere overeenstemming tussen zichtbare werkelijkheid, waarde en waarheid.
We beschikken volgens de woorden van de profeet over een innerlijk kompas. Een van binnen weten wat onze waarheid is en wie we zijn. Een weten wie we als mens en als persoon zijn en wat de bedoeling is van ons bestaan als mens. Een besef van gaafheid en heelheid. In het licht van God zien we de waarheid van ons mens zijn. En daar koersen we op, doorheen de verleidingen en beproevingen die ons trachten te vervreemden van onszelf. Een leven dat al te sterk op de variaties, de golfbewegingen en de wisselende verschijningsvormen van de buitenwereld gericht is, verwijdert ons van onszelf.


Dat betekent dat we niet samenvallen met onze wereld. Wellicht zouden we die moeilijke passage uit het Johannesevangelie zo kunnen verstaan. Ik bedoel Johannes 12, 25b: “wie zijn leven in deze wereld haat, zal het bewaren tot eeuwig leven”. Een lastige zin. Voor mij is de betekenis gegeven in de woorden “in deze wereld”. De aanduiding “de wereld” is bij Johannes het duistere, het niet aan het licht gekomene, de van God afgekeerde kant.
Wie zou, zo stel ik dan de vraag, een leven in duisternis en van God afgewend niet haten, en alle mogelijke moeite doen om zich naar het licht te keren en te leven in verbondenheid met God, waar de bronnen van leven zijn? Het gaat er dus niet om dat je je leven haat. Dat zou wat zijn, het geschenk van de schepper zelf. Maar dat je een leven haat dat los van God staat en in duisternis verkeert omtrent de bedoeling van je leven.

Dus nogmaals bid ik: “Zend mij uw licht en uw waarheid tegemoet. Dat zij mij geleiden en thuis brengen bij u; dat ik in de wereld mag leven in uw licht, in uw waarheid die de openbaring van mijn leven is”.


Ik sluit met het mooie Oudkatholieke lied: Laat mij mijn hart en leven.
OkGb 609, t. E. Lagerwey, m. Keuls psalter 1722. Een mooie melodie.
Men zou het wat onbevooroordeeld mogen bidden om door de taal naar de innerlijke betekenis te komen.

Laat mij mijn hart en leven u, Jezus, God en Heer,
in ootmoed mogen geven ter uwer roem en eer.
Gij die ons ’t eeuwig leven geeft, geef dat ik eeuwig voor u leef.
O Heer, die ons van ’t kwaad geneest, herschep in ons de rechte geest.

Wat dank zal ik u schenken voor uwe komst in ’t stof,
wat loon voor u bedenken, die kwam uit ’s hemels hof?
Geef mij, zegt gij, uw hart, mijn kind. Geef, Heer, dat ik uw handen vind.
O Heer, die ons van ’t kwaad geneest, herschep in ons de rechte geest.

Gij hebt u neergebogen tot mijn verheffing, Heer,
en zag uit mededogen op mijn geringheid neer.
Nu leef ik, Heer, uit uwe kracht; nu straalt uit mij, Heer, uwe macht.
O Heer, die ons van ’t kwaad geneest, herschep in ons de rechte geest.


Zegene ons de God die ons leven betekenis geeft,
die zijn innerlijk verbond met ons sluit,
die ons nabijer is dan wij onszelf zijn,
Die we belijden als Vader, + Zoon en Geest. Amen.

 top


Handreiking vierde zondag veertigdagentijd, verblijdt u.

14 maart 2021
Lezingen: Jozua 4,19-5,1 en 5,10-12; Efeziërs 2,4-10; Johannes 6,4-15.


Het begin van het boek Jozua verhaalt hoe het volk Israël het beloofde land binnentrekt en voor de eerste keer daar Pasen viert, zijnde de gedachtenis van uittocht uit Egypte, doortocht, intocht in nieuw leven, het beloofde land.                          
Ook voor ons is Pasen het feest van nieuw leven.
Onze lezing van Jozua eindigt met de zin:
Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer;
gedurende dat jaar aten zij datgene wat Kanaän opbracht.


Bij deze zin bleef mijn aandacht hangen door een beeld dat ik daarbij had. Niet zozeer qua bijbelse betekenis, maar associatief. Hoe lang is het nu al niet geleden dat wij Brood uit de hemel, brood ten leven, Christus in teken van brood en wijn mochten ontvangen?
In de tussentijd leven we van hetgeen Kanaän voor ons opbrengt. Kanaän verstaan als het dagelijks leven dat we leiden. Het brood van alledag. En alles wat we elkaar te bieden hebben als werk van onze handen, en de gaven van hart en hoofd.  Dat lijkt soms niet zo veel, maar toch kan het meer dan genoeg zijn voor een waarachtig menselijk leven.


De liefde van God, de Vader,
de genade van God, de Zoon,
en de gemeenschap van God, de heilige Geest,
zij met ons allen.
Nu en alle dagen van ons leven tot aan de voleinding van de schepping.
Amen
.


Psalm 125, 1-3

Wie op de Heer vertrouwt is als de Sionsberg,
die onwankelbaar vast staat voor eeuwig.
Zoals de bergen Jeruzalem omringen,
zo omringt de Heer zijn volk, van nu tot in eeuwigheid.
De scepter van het kwaad zal niet rusten
op het land van de rechtvaardigen
en de rechtvaardigen zullen het onrecht de hand niet reiken.


Gebed

Gij hebt uw volk, God, bevrijd
en het door de woestijn gevoerd naar beloofd land.
Breng zo ook ons thuis bij u
en laat ons leven voor uw aangezicht.
Behoed onze handen voor onrecht,
dat wij wonen in vrede met alle mensen.
Laat ons van harte delen wat wij van u ontvangen.
Door Christus onze Heer. Amen.


Evangelie van Johannes 6, 5 vv.

Toen Jezus de menigte zag die naar hem toe was gekomen, vroeg hij aan Filippus: “waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?” Filippus zei: “zelfs 200 denariën zijn niet voldoende om ieder maar een klein stuk te geven”. Andreas zei: “hier is een jongen met vijf broden en twee vissen”. Jezus zei: “laat ieder gaan zitten”.
Jezus nam de broden, sprak het zegengebed en verdeelde het brood onder de aanwezigen, ongeveer vijfduizend. Zo ook met de vissen.
Toen iedereen voldoende gegeten had, verzamelden de leerlingen wat nog over was: twaalf manden vol.


Enkele gedachten

“zij aten van hetgeen Kanaän opbracht”. Het lijkt alsof God niet meer voor zijn volk zorgt. Maar dat is niet zo. Hij zegent hen in het werk van hun handen en de vruchtbaarheid van de schepping. En zo is onze situatie. We kunnen niet voor alles wijzen naar de hemel. We moeten zelf zorgdragen voor het leven op deze onze aarde en voor onze menselijke samenleving.
Daarbij moeten we niet te gering denken over wat we bij te dragen hebben. Wat weinig lijkt kan veel blijken. De sleutel voor genoeg voor allen lijkt gegeven in het inbrengen wat je te geven hebt en daarvan delen met velen.
Wanneer de gaven van de schepping en van onze scheppende handen worden toegeëigend en tot privébezit worden, afgeschermd voor de hongerige, zal er altijd lichamelijk en spiritueel gebrek zijn. Ongeveer zoals Mahatma zei: “de aarde biedt voldoende voor ieders behoefte, maar niet voor ieders hebzucht”.

In het evangelie staat dat Jezus zijn leerlingen een les wil leren. Ook hier speelt een kind een belangrijke rol. Hij heeft ogenschijnlijk niet veel bij zich. De leerling zegt dan ook: ‘wat is dat voor zo’n grote menigte?’ Maar voor Jezus, die zelf het brood uit de hemel is, dat is neergedaald als voedsel tot eeuwig leven, is het voldoende. Hij spreekt de zegenbede: “gezegend zijt gij, God, koning van de wereld, die voedsel geeft aan al wat leeft”. En er geschiedt wat wordt gebeden. Durven delen wat je hebt is het begin en wat er overblijft is voldoende voor een heel godsvolk.


Lied
(Barnard; Van Aalten) Lb 383, OkGb541
Zeven was voldoende, vijf en twee, zeven was voldoende
voor vijfduizend op de heuvels langs de zee.
Zeven is voldoende, toen en nu, zeven is voldoende
alle dagen van ons leven, dankzij u.

Zeven is voldoende, brood en vis, Jezus is voldoende
voor ons allen als de kring gesloten is.

Voed ons met uw leven, vis en brood, alle zeven dagen,
gij verzadigt allen met uw offerdood.

Want gij zijt de eerste, rond alom, ja, gij zijt de eerste
en de laatste, kom, o Here Jezus, kom.

Gebed
Schenk ons het vertrouwen, God,
om ruimhartig te leven.
Dat wij niet angstvallig voor onszelf houden
wat u ons hebt gegeven voor het leven van velen.
Sterk ons in het geloof dat wie en wat wij zijn
voldoende is om bij te dragen
aan de komst van uw rijk van vrede en gerechtigheid.
Gij maakt ons nieuw, dat geloven wij op uw woord,
Jezus Christus, uw Zoon en onze Heer. Amen.
 

Zegene ons de Algoede eeuwige God,
Vader, + Zoon en heilige Geest. Amen.

 top


Handreiking derde zondag veertigdagentijd 

Lezingen: Exodus 20, 1-17; Romeinen 7, 14-25;
Johannes 2, 13-22.

Wat een hoogtepunt in de reis door de woestijn had moeten zijn, is tegelijk een dieptepunt.
Tijdens de gave van de tien geboden, die wegwijzers naar een goed leven, en de uitleg ervan aan Mozes, is het volk overspelig in de afgodsdienst aan het gouden kalf.


Ontvangen van de wet

Na de mondelinge overdracht van de tien levenswoorden verblijft Mozes 40 dagen en nachten op de berg bij God voor hij de tafelen ontvangt die door de vinger van God beschreven zijn. De woorden zijn Gods vingerwijzingen die zijn volk de weg willen wijzen naar een goed leven in het land dat het ontvangen zal om er te wonen in vrede en een rechtvaardig leven te leiden.  
In afwachting van Gods openbaring en de terugkeer van Mozes wordt het volk onder aan de berg Sinaï ongeduldig. Het grijpt terug op de oude goden.
Dit moment van overspel zal later in het evangelie van Johannes (hoofdstuk 8, 1-11) nog een rol spelen. Daar beroepen schriftgeleerden en Farizeeën zich op de wet van Mozes om een vrouw die op overspel betrapt is, te stenigen. Jezus brengt hun de wet van de barmhartigheid in herinnering die aan het volk genade schonk toen het zelf tijdens de gave van diezelfde wet overspelig was.
Boven de letter van de wet staan de geest en de bedoeling van de wet. De geest van liefde en barmhartigheid en de gerichtheid op de bevordering van het leven.

Wanneer de letter overheerst worden mensen verketterd en gedood. Of wordt mensen die toch al in een moeilijk parket zitten, het leven onmogelijk gemaakt. Dat gebeurt zelfs in een land dat we graag als beschaafd beschouwen. Menselijkheid en menswaardigheid gaan aan de wet vooraf. Een wet die deze kwaliteiten, bedoeld of onbedoeld, onder druk zet, mag niet worden toegepast.


Psalm 119, 1-8
(NBV), De wet in het hart

Gelukkig wie de volmaakte weg gaan en leven naar de wet van de HEER,
gelukkig wie zijn richtlijnen volgen, hem zoeken met heel hun hart.
Zij bedrijven geen onrecht, maar gaan de wegen die hij wijst.
Uw regels hebt u gegeven, opdat wij ons eraan houden.
Laat toch mijn wegen recht zijn, ik wil mij houden aan uw wetten.
Ik zal nooit beschaamd staan als ik uw geboden in acht neem.
Ik zal u loven met een oprecht hart als ik uw rechtvaardige voorschriften leer.
Ik zal mij houden aan uw wetten, -verlaat mij dan niet voorgoed.

Wanneer de wet uitwendig blijft als een opgedrongen structuur, kan het geen levende werkelijkheid worden. Dat kan maar wanneer het eigen wordt gemaakt, zich vestigt in het hart. Er is werkelijk een groot verschil tussen het opvolgen van regels en leven naar een ethisch kompas. Gods levenswoord moet ons eigen antwoord zijn op het leven. Ons leven heeft toekomst wanneer we integer de weg gaan langs de richtingwijzer van God. Dat maakt onze wegen recht, hoe grillig ons leven ook kan zijn. Niet de gebeurtenissen bepalen onze weg. We gaan onze weg, en de weg van de Heer, doorheen de gebeurtenissen van ons leven.


Heelheid van het hart

Het zal niemand van ons ontbreken aan de wil om de weg van het leven te gaan. Maar toch maken we ook keuzes waarvan we wel weten of achteraf beamen dat ze ongelukkig zijn, schadelijk of soms ook strijdig met wie we zijn of willen zijn. Willen en kunnen zijn toch verschillende dingen. Dit nog afgezien van de momenten waarop we ons willens en wetens in risicovolle situaties begeven. Denkend dat we het wel zullen redden. En gelukkig is dat vaak ook zo.
Het goede zoeken met heel ons hart en er ook naar leven is zeker ons verlangen. Maar in ons hart zijn ook andere verlangens. Ons hart is niet heel, we zijn niet uit één stuk, geen ongekerfd blok, om met de tao van Poe te spreken. Niemand komt zonder kleerscheuren door het leven. Gebeurtenissen laten hun sporen na. En met name de gevoelens de we aan de gebeurtenissen overhouden. Beschadigingen, gekrenktheid, boosheid en teleurstelling vormen een residu in ons hart van waaruit we dingen doen die we eigenlijk niet willen. Dankbaarheid, vertrouwen, de ervaring van geliefd zijn en het vermogen om lief te hebben daarentegen brengen ons dichter bij heelheid.

Wat laten we toe in onze binnenkamer, welke “gasten” zijn welkom, wat laten we wonen in ons hart?

In het moeilijke stuk van Romeinen 7 lezen we hoe Paulus worstelt met de dubbelheid die hij in zijn innerlijk tegenkomt. Hij ziet hoe het goede willen wel binnen zijn bereik ligt, maar niet het goede doen. Doordat hij kennelijk de wet als iets van buitenaf beschouwt, hoe goed die wet ook is, roept het verzet op. Hij dankt voor de Geest van God die in hem bewerkt wat hij niet in staat is op eigen kracht te doen.
Zo werkt het ook bij ons: wanneer we beseffen dat wij van God zijn en waartoe we geroepen zijn geeft dat ons de kracht om ernaar te leven. Dat mogen we ons telkens weer te binnen brengen om de genade van Gods liefde te actualiseren.


Gebed

Gezegend zijt gij, God, die ons uw wegen toont
en ons uw woord geeft als licht op onze weg.
Laat ons in alle oprechtheid de weg van uw waarheid gaan
in respect en liefde verbonden met u en onze naaste.
Zegen allen die ons daarin tot voorbeeld zijn
en zegen ons die trachten te gaan in het spoor
van uw Zoon en onze broeder: Jezus Christus,
die met u leeft en heerst in eeuwigheid. Amen. 

 top

Handreiking                                               
tweede zondag van de veertigdagentijd
jaar B, 28 februari 2021
Lezingen: 1Koningen 19, 9-18; psalm 16;
2Petrus 1, 16-21; Marcus 9, 2-10.

Op weg naar Pasen en voor zijn lijden en dood openbaart Christus zijn luister tot ontzag van zijn leerlingen. Hij heeft zijn plaats bij Elia en Mozes. Hij is de vervulling van wet en profeten.

Psalm 16, 8.10.11a
Steeds houd ik de HEER voor ogen, met hem aan mijn zijde wankel ik niet.
U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. U wijst mij de weg naar het leven.


De Heer zij met ons allen en schenke ons overvloedige vreugde in zijn nabijheid (ps.16,11b).
Laat de dag aanbreken en de morgenster opgaan in ons hart (2Petrus1, 19b).

Psalm 25b Lb; OkGb 221
K. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
K. Omdat Gij zijt zoals Gij zijt,
zie naar mij om en wees mij genadig,
want op U wacht ik, een leven lang.
A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
K. Zijt Gij het, Heer, die komen zal,
of moeten wij een ander verwachten?
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
K. Gij geeft Uw woord aan deze wereld,
Gij zijt mijn lied, de God van mijn
vreugde,
naar U gaat mijn verlangen, Heer.
A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

Gebed
Barmhartige God,
wij wenden ons tot U in vertrouwen,
want groot is uw genade en blijvend uw liefde voor ons.
Open ons hart en laat uw licht in ons schijnen,
opdat wij de goede weg gaan die ten leven leidt.
Mogen wij ons in deze tijd bijzonder toeleggen
op de liefde tot onze naaste
en het beoefenen van gerechtigheid.
Laat ons door de kracht van de Geest
die is in Christus Jezus, onze broeder,
getuigen dat Hij leeft en leven geeft
voor tijd en eeuwigheid. Amen.

Het ruisen van de stilte

De taak van een profeet is zwaar. Het is vechten tegen de bierkaai. Profetische woorden worden zelden met vreugde en in openheid ontvangen. En dat is niet verwonderlijk. Profetische woorden halen ons terug van waar we mee bezig zijn om de wegen van het Woord te gaan. Halen ons uit onze comfort zone, om het eigentijds te zeggen. Het vraagt ons om te luisteren, ons doen en praten stil te leggen en van binnen te luisteren. En eigenlijk moet je daarvoor eerst alle beweging en onrust van hart en verstand tot rust brengen. En ook beelden en opvattingen waaruit het leven is verdwenen los laten om opnieuw te luisteren en te kijken met nieuwe ogen.
Wanneer we die stilte ingaan kunnen we God opnieuw ontmoeten en onszelf hervinden. Zo vergaat het de grote profeet Elia en zo kan het ook ons gebeuren.

In de tweede Petrusbrief staat een prachtige zin met betrekking tot het profetisch woord dat Jezus spreekt en dat Hij ook is. Vers 1,19: “..jullie doen er goed aan er acht op te slaan als op een lamp die schijnt in een donkere ruimte, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in jullie harten”. (OKV)
Jezus als het licht dat in het duister van de wereld schijnt. De zon van gerechtigheid die het duister van het onrecht aan het licht brengt en licht in de harten van mensen brengt om op geleide van het Woord, dat een lamp voor de voeten is, een leven te leiden van gerechtigheid en naastenliefde. Het mensenhart wordt hierin vergeleken met de donkere ruimte die door het profetisch woord verlicht wordt.
In het ontwaken van ons hart worden we kinderen van het licht.

In het heldere licht van de bergtop valt de sluier van de ogen van de leerlingen en zien zij Jezus als de geliefde zoon van de Vader. Geflankeerd door Mozes die op een woord van God het volk Israël heeft geleid uit slavernij, en door Elia, de grote profeet die naar verluidt wederkeert aan de vooravond van de messiaanse tijd. Vandaar de vraag aan Johannes de Doper of hij de profeet is. Mozes stierf op het gelaat van God en Elia is ten hemel opgevaren. Als bevrijdende profeet leidt Jezus zijn volk uit de slavernij van zonde en dood naar nieuw leven, beloofd land, voltooid Jeruzalem. Als Broeder gaat hij de weg van mensen met mensen, als Zoon leidt hij zijn zusters en broeders op de weg van het leven.
Het is ons diepste verlangen naar het leven en Gods liefde voor ons die in Christus aan het licht komen.


Intentie

Bidden we voor de mensen van wie het hart duister is door verdriet, woede, teleurstelling. En die daardoor niet vrij en liefdevol kunnen leven.

 

Zegenbede

Zegene ons de Algoede,
die licht schept waar duisternis heerst,
die ons leven aan het licht brengt
en maakt tot kinderen van het licht.
Vader, +Zoon en heilige Geest. Amen.

 top


Handreiking eerste zondag van de

veertigdagentijd, 21 feb. 2021. 

Lezingen: Genesis 9, 8-17;
1Petrus 3, 18-22; Marcus 1, 12-15.

“Zie”, zegt God, “ik span een regenboog als teken van hoop en verbondenheid voor alle geslachten. Als ik de boog zie zal ik mijn verbond indachtig zijn dat ik sluit met al wat leeft op de aarde”.

Wie woont onder de hoede van de Allerhoogste,
die zegt tot de Heer: mijn toevlucht, mijn veste zijt Gij. (naar ps 91, 1-2)

De God van het verbond gedenke ons in onze dagen.
Zoals het was in het begin en nu en altijd, tot in eeuwigheid. Amen.

Laten wij bidden:

Barmhartige God,
verlangend naar het nieuwe leven trekken wij door de tijd
en U trekt met ons mee als licht en woord van leven.
Wij bidden U:
blijf bij ons als wij twijfelen aan U en afdwalen van de goede weg.
Breng ons terug en leid ons in het spoor van uw waarheid.
Laat ons standhouden in de beproevingen van ons bestaan,
opdat wij mogen verrijzen op de dag van Jezus Christus,
die leeft en leven geeft voor tijd en eeuwigheid.  Amen.

Ter overweging
Naar ik meen is geen mens onverschillig voor het verschijnsel van de regenboog. Ieder houdt even de pas in om te kijken. Het is ook een mooi symbool. Het ene licht dat zich laat zien in zijn veelkleurigheid. Het is zowel een symbool van de zorg voor het milieu als voor de verscheidenheid in de geaardheid van mensen in hun relatievormen. En natuurlijk voor de Eeuwige die trouw houdt aan het werk van zijn handen. En als zodanig de blijvende verbinding tussen de hemel en de aarde.

Niet zelden zien we God als de Ene en Ongedeelde, maar toch manifesteert God zich in de verscheidenheid. De eenheid zit niet in ongedeeldheid, de hele beweging van de schepping begint met delen en onderscheiden. Tussen licht en donker, land en water, hemel en aarde, mens en evenmens. Beeld van God zijn we alleen samen en niet in onze individualiteit. De eenheid wordt gevonden in de relatie, de verbondenheid, het aanzien.
Het ene licht, zou je kunnen zeggen, bestaat slechts als de samenstelling van de kleuren en de kleuren ontlenen hun bestaan aan dat ene licht. Het een kan niet zonder het ander.

Het lijkt me een goede zaak te beseffen dat verscheidenheid en veelkleurigheid een wezenlijk kenmerk is van de wijze waarop God zichtbaar wordt. Niet uniformiteit en eenheidsworst. Er is verscheidenheid aan gaven. En ieder heeft haar plaats in het samenstel en samenspel van de schepping. In het huis van de Vader zijn vele woningen en in de boom van het leven vinden allerlei vogels een plek.

Als verbinding tussen hemel en aarde en teken van Gods trouw is die regenboog Christus. Hij verwijst naar het verbond ten leven dat God heeft gesloten met al wat leeft en Hij leeft dat verbond. De belofte die de regenboog inhoudt komt in hem tot leven. Hij heeft respect voor ieder die hij tegenkomt en schenkt hun aanzien, heil en genezing. Hij is het rijk van God waarnaar wij verlangen en waarnaar wij op weg zijn.

Dat doen we door ons te keren tot God en tot elkaar. Door ons erop toe te leggen de eenheid van het veelkleurige rijk van God zichtbaar te maken. Vooral in deze tijd waarin we het allemaal moeilijker hebben en waarin we niettemin in geloof op weg zijn naar Pasen, naar nieuw leven.


Gebed 

God van het verbond,
wij danken U dat U ons in deze tijd helpt
om ons toe te leggen op de beoefening van gerechtigheid.
Laat ons in de veertig dagen naar Pasen
licht verspreiden waar wij kunnen.
Gij zelf zijt ons een licht op ons pad,
en uw woord is een lamp voor onze voeten,
zelfs op de donkerste momenten van ons leven.
Mogen wij gaan in het spoor van Jezus uw Zoon,
die ons voorgaat, om met hem te verrijzen.
Gij die leeft in eeuwigheid.  Amen.

Lied: Van de opgang, Alles wat over ons geschreven is (OkGb 619)
Mehrtens/Barnard   

Alles wat over ons geschreven is gaat Gij volbrengen in de veertig dagen;
de tien geboden en de veertig slagen, dit hele leven dat geen leven is.

De schepping die voor ons gesloten was, ontsluit Gij weer, Gij opent onze ogen.
O Zoon van David, wees met ons bewogen, het vuur van bloed en ziel brandde tot as.

Maar, Heer, de haard van uw aanwezigheid zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken;
Gij waart met ons, Gij zult ons niet ontbreken, Gij hogepriester in der eeuwigheid.

Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan. Aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven.
Ons is een loflied in de mond gegeven, sinds Gij de weg van ’t offer zijt gegaan.

 

Zending en zegen 

Jezus zegt (Marcus 1,15): De tijd is vervuld en het koninkrijk van God is nabij gekomen; bekeert u en gelooft in het evangelie.

Moge de Algoede God ons geloof in de Blijde Boodschap
en in de nabijheid van het rijk Gods bestendigen en versterken,
opdat wij in woord en daad getuigen van zijn Verbond met al wat leeft.
Zegene ons daartoe de Vader, + Zoon en heilige Geest.  Amen. 

 top

 

Aswoensdag, begin van de veertigdagentijd                                                       
17 februari 2021, zoombijeenkomst

Lezingen (eigen lezing): Jesaja 58,1-10; 2Korintiërs 5,20-6,10; Matteus 6,1-6.16-21.

20.00 uur: Welkom en opening
Van harte welkom in deze zoomomgeving waarin we elkaar kunnen zien, spreken en ontmoeten aan het begin van de veertigdagentijd.
Normalerwijze zouden we natuurlijk bij elkaar gekomen zijn in de Lebuinuskapel om de veertig dagen liturgisch te beginnen en as op te leggen als teken van onze bereidheid om op de weg naar Pasen een weg van bekering te gaan.

De asoplegging is daarmee een uiterlijk teken van een innerlijke gesteltenis. De oude mens sterft om de nieuwe mens geboren te laten worden. We oefenen het nieuwe leven in waarvan we met Pasen het onderpand ontvangen. Binnen de strenge bewoordingen van Amos heeft God geen behagen in offers en hymnen zonder een bijpassende levenswijze. Amos spreekt uit naam van God: “Laat liever recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortstromende beek”. Ook de Jesaja-lezing is daarin duidelijk. “Is vasten niet: misdadige boeien losmaken, de banden van het juk ontbinden, verdrukten bevrijden…je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, de naakte kleden, je bekommeren om je zuster en broeder”. Dan pas breekt het licht door in de wereld.

De liefde van God, de genade van onze heer Jezus Christus
en de gemeenschap van de heilige Geest zij met ons allen.  Amen.

Onze hulp is + de Naam van de Heer.
Van geslacht op geslacht tot in eeuwigheid.

De Heer zij met u.
En met uw geest. 

Laten wij bidden.

Barmhartige God,
U bent nabij aan uw volk
en uw Aanwezigheid trekt mee door de woestijn,
door droog dor land,
op weg naar nieuw beloofd leven
op geleide van uw woord, uw levensgave.
Wees met ons in deze onze dagen van ons leven
waarin we hunkeren naar nabijheid
en een hersteld bestaan.
Laat deze periode tot bezinning zijn
en ons doen verlangen naar de nieuwe mens,
de nieuwe wereld, het nieuw Jeruzalem.
Door Christus onze Heer.  Amen

Leggen we de hand op ons hart en zingen:

Herschep ons hart, heradem ons verstand, Dat wij elkaar behoeden en doen leven.
maak ons tot uw gemeenschap, wees de stem die mijn geweten wekt;
Verberg u niet, verberg u niet.

20.15 uur
Uitwisseling met betrekking tot beleving van de veertigdagentijd in zoveel restricties
en ten aanzien van ons verlangen naar nieuw bestaan, naar een geestelijk Pasen.

------------------------------------------

20.45 uur
Gebed:

Wij danken u, God, voor hetgeen we met elkaar hebben gedeeld.
Laat het ons tot bemoediging zijn en vergezellen
op onze persoonlijke weg in de veertig dagen naar Pasen.
We weten ons verbonden met u en met elkaar,
we gaan dezelfde weg, hoe verschillend wij ook zijn,
en hopen allen te mogen delen in uw leven.
Schenk ons uw heil en de ervaring van uw nabijheid
door Christus onze Heer. Amen. 

Afsluitend lied: Van de opgang, Alles wat over ons geschreven is (OkGb 619)
Mehrtens/Barnard   
Dit met ondersteuning van een door Toon ’t Hoen gemaakte video. Indien dat niet lukt, is hieronder de tekst.
Alles wat over ons geschreven is gaat Gij volbrengen in de veertig dagen;
de tien geboden en de veertig slagen, dit hele leven dat geen leven is.

De schepping die voor ons gesloten was, ontsluit Gij weer, Gij opent onze ogen.
O Zoon van David, wees met ons bewogen, het vuur van bloed en ziel brandde tot as.

Maar, Heer, de haard van uw aanwezigheid zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken;
Gij waart met ons, Gij zult ons niet ontbreken, Gij hogepriester in der eeuwigheid.

Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan. Aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven.
Ons is een loflied in de mond gegeven, sinds Gij de weg van ’t offer zijt gegaan.

Zegenbede en zegen

 

Gezegend zijt gij, God,
die ons het leven schenkt en nieuw leven geeft.
Wees met ons op onze wegen, opdat het uw wegen zijn.
Zegen ons met het licht van uw gelaat
en laat ons gaan in vrede, Gij,
Vader, +Zoon en heilige Geest.  Amen. 

 

 top
 

31 januari 2021 Opdracht van de Heer
Licht in de tempel, licht voor volken.

Lezingen: Maleachi 3, 1-4; Hebreeën 2, 14-18; Lucas 2, 22-40.
Vandaag vieren we het laatste openbaringsfeest van de kersttijd, de veertig dagen van Kerstmis. Die begint natuurlijk met de Geboorte van de Heer, gevolgd door Epifanie/Driekoningen, de Doop van de Heer in de Jordaan, de bruiloft te Kana, en vandaag de Opdracht in de tempel. Al deze openbaringsmomenten weerspiegelen de ontwikkeling van het geloof: dat Jezus de Heer is, de kurios, de Messias, de Christus.
Die momenten komen tot ons in verhalen, menselijke verhalen, die ook het geschieden van God aan mensen vertegenwoordigen. Openbaring kan niet zonder menselijke ontvangenis.

De evangelietekst van vandaag vind ik een van de ontroerendste in de lezingencyclus. Gods aanwezigheid komt zelden nabijer in de Schrift…..geen wonder in de verhalen over de Menswording.
Maria en Jozef gaan naar de tempel om Jezus aan de Heer ‘aan te bieden’. Het betreft de veertigste dag van de geboorte van Jezus. Daarmee eindigt de periode van rituele onreinheid voor de moeder na de bevalling. Maria zou anders misschien als vrouw onder de wet naar een ritueel bad in de buurt gaan. Maar in ons verhaal moet Jezus naar de tempel worden gebracht.
Daarmee vervullen zij een heel belangrijk gebod dat verbonden is met de meest dramatische gebeurtenis uit het vroege leven van het volk Israel. Elke eerstgeborene, wanneer het na een maand levensvatbaar blijkt, moet opgedragen worden aan de Heer. Dit gaat terug op het begin van de uittocht uit Egypte. De bevrijding van het volk uit het slavenhuis is niet zonder slag of stoot gegaan. Het kostte heel wat om farao te overtuigen om de Israëlieten te laten gaan. Misoogsten, ondrinkbaar water, muggen- en sprinkhanenplagen, de pest. En tenslotte de dood van alle eerstgeborenen. “Er was geen huis zonder dode” staat in Exodus 12,30. Wat een prijs voor bevrijding!

De gedachtenis van de verlossing kan niet zonder de herinnering aan deze prijs. Het bloed van de eerstgeborenen van Egypte, vormt een ereschuld. Daarom zegt de Heer tegen Mozes al voor de uittocht, in hoofdstuk 13 vers 2 van Exodus,  “Wijd alle eerstgeborenen aan Mij; alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe”. En verderop staat: “En als uw kind u later vraagt wat dit betekent, dan moet u zeggen: ‘De Heer heeft ons met krachtige hand uit Egypte geleid en toen farao halsstarrig was heeft Hij hem geslagen in de eerstgeborenen. Daarom koop ik al het eerstgeborene van het mannelijk geslacht vrij’”. Dit is een instelling en gedachtenis voor alle generaties. Om te gedenken dat hun vrijheid gekocht is met het bloed van de eerstgeborenen van het volk dat hen onderdrukte. 

Het aanbieden van Jezus in de tempel is daardoor exodusgedachtenis. Het vindt plaats in Jeruzalem, plek van het pascha (lijden, dood en doorgang) van de Christus. Hij is de eerstgeborene die zijn bloed zal vergieten voor de bevrijding van zijn broeders en zusters. Hij is immers zowel offerande, hogepriester en nieuwe tempel. Hij is waar de tempel voor staat: woonplaats van de aanwezigheid van de Allerhoogste. Hij geeft zijn leven als Eerstgeborene voor alle eerstgeborenen uit het geloof. Hij zal echter ook een nieuwe tempel bouwen. Niet van steen, maar van levende stenen.
Al deze aspecten klinken door in de scene die ons hier in het Evangelie wordt verteld. Het is een tekst die opgaat naar het hart, om een Joodse uitdrukking te gebruiken.

Hier ontmoeten we de figuren van Simeon en Hanna. Mensen op leeftijd, gelouterd door het leven en beproefd  in hun jarenlang volgehouden verwachting. Hanna, een profetes, die biddend en vastend in de nabijheid van God verblijft en over God spreekt tot hen die de verlossing van Jeruzalem verwachten. Juist daarin is zij profetes; zij verkondigt hoop aan mensen die heil verwachten en sterkt hen met haar vaste geloof. Zij die ogenschijnlijk zelf in menselijke zin weinig te verwachten heeft. Weduwe na een kort huwelijk, blijkbaar kinderloos en bijna 84. Maar zij kijkt uit naar toekomst, een toekomst die haar overleeft en waarvan zij tegelijkertijd deel uitmaakt. Dat is haar kracht. Zij verbindt haar leven en verwachting met de toekomst van Israel en met allen die de verlossing van Jeruzalem verwachten. Het aardse Jeruzalem als afbeelding van de messiaanse werkelijkheid, het hemelse Jeruzalem.
Met Simeon vertegenwoordigt zij heel het gelovige Israel, mannen en vrouwen die leven in hoop. Simeon wordt in de tekst van onze lezing (NBV) rechtvaardig en vroom genoemd. Dat is: iemand die in zijn daden en in zijn hart God aanhangt en innig met hem leeft. Dit soort mensen staat hoog in aanzien. Simeon leeft in de verwachting van de vertroosting van Israel en heilige Geest rust op hem. De verwachting die in hem leeft  is juist een teken van de werking van die Geest. En hij heeft een woord ontvangen dat hij in zijn (levens)dagen de Messias, de gezalfde van Heer, zou aanschouwen. De ontmoeting met Jezus doet zijn hart overlopen in de woorden van zijn lied. Zijn leven is vervuld. Hij heeft het licht aanschouwd.

Het menselijke moment van twee mensen die naar de wet hun kind opdragen en een offer tot reiniging brengen, wordt geplaatst in de bevrijdingsgeschiedenis van God met zijn volk. Tegelijk is dit moment een opening naar alle volken. De Messias heeft immers betekenis, niet alleen voor Israël, maar voor alle volken. Gods heil en bevrijding voor Israël zijn niet te isoleren van het heil voor heel de mensenwereld. Met andere woorden, zijn menswording heeft betekenis voor de menswording van alle mensen. En voor de menselijkheid van de hele bewoonde (lees: beschaafde) wereld.

Net als die van Simeon zijn onze ogen oud. Dat wil zeggen: zij zijn oud geworden en moe  door het zien van te veel ellende. Kunnen we nog wel tekenen van hoop zien? Zien wij nog licht? We moeten het, als we naar de enscenering van het verhaal kijken, kennelijk niet te ver zoeken. Maar in het kleine dat ons in de schoot valt. Juist in ogenschijnlijk hopeloze en uitzichtloze situaties is dit kleine zo belangrijk. Misschien drukt God zich wel juist daarin uit, in het kleine en hoopgevende, temidden van de grote puinhoop die wij er vaak van maken. Het kan zomaar gebeuren.

Maleachi zegt in zijn dialoogverhaal over de vervulling van Gods belofte: “plotseling zal dan de Heer in zijn heiligdom binnentreden, de Heer die gij zoekt, de bode van het verbond, naar wie gij met vreugde uitziet”. Wanneer we als Simeon onze verwachting en ons verlangen naar vertroosting juist niet opgeven en net als Hanna dichtbij de tempel blijven en God dienen, kan het zomaar gebeuren dat onze Heer het heiligdom binnentreedt. Het kind dat de tempel in wordt gedragen is immers zelf beeld van de nieuwe tempel in de Geest. En hij treedt binnen in het heiligdom van een gelovig en ontvankelijk hart.

God is niet eenkennig. In de oudere profetische geschriften en in de verkondiging van Jezus zien we een God die open staat voor ieder die zich tot Hem wendt en die geen schepsel uit zijn liefde laat vallen.
Een God die zo liefheeft en zich zo toegankelijk wil maken, kan niet worden toegeëigend. Kan niet worden opgesloten in maar één belijdenis. Hij/Zij is immers bron van licht en heil voor alle mensen en alle volken, zijn liefde is wijd als de wereld. De God die we belijden is niet exclusief van ons. We zijn geroepen om van Hem te getuigen door de Geest die in ons is. Maar we mogen en kunnen onze God niet claimen. God is voor ons, maar niet van ons. Wij zijn van Hem/Haar, maar Zij/Hij niet van ons. We zullen zijn liefde moeten delen. Alleen zo kan Hij onze God zijn als de God die er voor alle mensen wil zijn.

De waarheid van hetgeen we geloven zit niet zozeer in onze theologie, niet in onze kerk, maar in ons getuigenis. Een getuigenis die het niet alleen bij woorden laat, maar tot daad komt. Een getuigenis en een geloof die zich in de wereld waar maken, werkelijkheid worden. Zoals in Jezus zelf die vervuld van Gods Geest zich aanbiedt aan ons als de uit levende stenen opgebouwde tempel. Opdat wij doen wat we zijn: zichtbaar teken van Gods liefde, woonplek van de Allerhoogste. Licht voor de wereld.  Amen.

 top

 

Overweging 03 januari 2021
Epifanie
van ver gekomen

Lezingen: Jesaja 60, 1-6; Efeziërs 3, 1-12; Matteus 2, 1-12.
Soms moeten we van ver komen om de Heer te zien en te erkennen. De omstandigheden van het leven zijn in staat om ons vertrouwen en geloof in een nabije en goede God te ondermijnen en ons op afstand te plaatsen. We kunnen en durven niet meer te geloven. Niet dat we daar gelukkiger van worden. Het is een soort ballingschap, een woestenij. De teleurstelling dooft immers niet het verlangen naar heelheid, en naar geloof.
Het is het verlangen om te ervaren dat je gekend en gezien bent. Een weerloze maar betrokken God is te verkiezen boven een machtige God die onverschillig lijkt ten aanzien van ons lot. Een God die mijn machteloosheid en gebrokenheid aanziet en begrijpt, is te verkiezen boven een die in zijn macht boven me staat en daardoor niet in staat is mij te begrijpen en lief te hebben.
Ons verhaal gaat over kwetsbaarheid en solidariteit. En over de leven veranderende  ervaring van de ontmoeting met het weerloze. Het verhaal van iedere mens.

Vandaag vieren we hoe God in een mensenkind verschijnt aan de volken. We noemen het Epifanie, verschijning of openbaring. En eigenlijk is die viering ouder dan de viering van Kerstmis. Maar in de kerk van het westen heeft de geboorte van Christus de overhand gekregen. Dit als kerstening van de Germaanse zonnewendefeesten en het romeinse feest van sol invictus, de onoverwinnelijke zon. Epifanie nam geboorte, aanbidding door de volken, doop van de Heer en bruiloft van Kana samen. In de rite van de kerk van het westen zijn al deze momenten uiteengelegd in verschillende openbaringsfeesten. Gaandeweg hebben de wijzen uit het verhaal verschillende leeftijden gekregen, als om de mens in zijn levensfasen aan te duiden. Zij kregen de gestalte van koningen om de onderwerping van de wereldlijke macht aan de kerkelijke en goddelijke macht uit te drukken. Na de ontdekking en kerstening van andere continenten kregen zij verschillende huidskleuren, waarbij de oudste en eerste blank is (!). De kerkelijke en politieke geschiedenis weerspiegelt zich in de ontwikkeling van de afbeeldingen.
Maar de oorspronkelijke afbeelding zag er anders uit. De oudste afbeelding vinden we in de catacomben van Priscilla in Rome. Daarop staan Maria met kind op schoot en drie getinte mannen met frygische mutsen en oosterse kledij afgebeeld die geschenken brengen. Hier zijn het nog helemaal de uit het Oosten afkomstige Magi, uit de streek waar de zon opgaat zoals Matteus schrijft. Zij hebben een teken aan de hemel gezien dat er een koning voor de Joden is geboren. En uit hun verre land reizen ze naar Judea om hem hulde te brengen. Op het eerste gezicht is dat toch merkwaardig. Waren zij dan zelf joods? Waarschijnlijk niet. Maar zij blijken wel de Joodse geschriften te kennen. Wat was dan hun belang bij een koning van de Joden?

Dit gegeven in het verhaal van Matteus maakt duidelijk dat hier meer is dan zomaar een koning. Tegen Herodes zeggen de Magi dat zij zijn ster hebben gezien. Herodes roept meteen zijn priesters en Schriftgeleerden en vraagt hun of zij weten waar de Christus, de Messias dus, geboren zou worden. Deze vreemdelingen zijn van ver afgekomen op de messiaanse koning, die van belang is voor alle volken. In Hem wordt Gods heil aangeboden aan alle volkeren.
Veel belangrijker nog dan de zelfopenbaring van de Ene en Eeuwige in de wereld, is de ontvangst van deze openbaring door de wereld. De Magi symboliseren de wereld. Zij zien een ster en kennen de Schriften waardoor zij dat verschijnsel ook religieus kunnen interpreteren als iets wat ook hen aangaat en betreft. Zij gaan op reis om die universele koning te zoeken, maar hebben geen idee wat zij zullen aantreffen en wat dat met hen zal doen.
In eerste instantie verwachten zij een koning zoals zij die kennen: verheven, machtig, rijk. Via het paleis van Herodes, een ouderwetse potentaat, komen ze bij een primitieve behuizing. Daar raken zij vervuld van een bijzondere vreugde en ontsluiten hun schatten voor het kind met zijn moeder die ze er aantreffen.
Zo ontsluiten ook wij de schatten van ons hart in de ontmoeting met Christus. Langs een andere weg keren zij terug naar hun land. Er wordt niet verteld dat zij Gods lof prijzen en verkondigen, zoals dat bij andere ontmoetingen met Jezus (genezingen enz.) wel het geval is. Maar er is wel iets met hen gebeurd.
Zij zijn op weg gegaan met de beperkte kennis die zij hadden, een ster van hoop op een nieuw koningschap volgend. De ster komt tot staan bij het weerloze licht dat schijnt in de duisternis van onze wereld. De ontmoeting verandert hen en zij gaan andere wegen bewandelen, terug naar hun land. Maar hun wereld is niet langer hetzelfde. Dit is prachtig verwoord in het gedicht ‘De reis van de Magi’ van T.S. Eliot, in de vertaling van Martinus Nijhoff: “wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken, maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen.”
De ontmoeting met Jezus is altijd transformatief, het maakt andere mensen van ons waardoor onze kijk op de wereld verandert.
De wereld zoals de Magi die kenden is hun in het licht van de openbaring niet langer een thuis. De gebruikelijke gang van zaken, de idolen die de mensen omklemmen, zijn hun vreemd geworden.

God openbaart zich in de wereld, aan de volken, aan alle mensen. Dat is geen poging tot kolonisering van de wereld, maar een universeel liefdesaanbod. Het is weerloos, maar zeer weerbaar; krachtig, maar niet machtig. En wanneer de wereld die openbaring ontvangt en opneemt, verandert er iets. We gaan met andere ogen naar onze werkelijkheid kijken.
Met de wereld bedoel ik hier niet de aarde, de maan enzovoort, maar het hele domein van het menselijk bedrijf met alles wat daarbij hoort aan emoties, aan lijden en sterven, aan ondernemen en vechten, aan technische en economische verrichtingen, aan indrukwekkende prestaties op velerlei gebied, aan persoonlijke relaties en internationale betrekkingen.
Gods menswording is in de eerste plaats een openbaring aan mensen met betrekking tot mensen. Wie anders zouden zijn openbaring moeten ontvangen? Dat betekent dat onze wereld, in het licht van deze openbaring, gericht staat op menswording, op humanisering. En dat is een radicale keuze voor het kwetsbare, voor de menselijke maat, voor relatie en verbondenheid, voor naastenliefde en vrede, voor gerechtigheid en bescherming van het kleine.

Deze humanisering van de wereld beslaat het hele menselijke bedrijf in al zijn facetten en betrekkingen. Daaronder vallen de directe betrekkingen, de relatie met partner, kinderen, ouders, buren, collega’s en zo meer. Maar ook de indirecte menselijke betrekkingen als de politiek, de economie, het zorgstelsel, de omgang met vluchtelingen, ouderen en zo meer. De menswording van de wereld beslaat de private ruimte, de staat,  en wat de publieke ruimte wordt genoemd. En ook de betrekkingen tussen volkeren.

De universele boodschap van de menswording en de humanisering van de wereld is tegelijk het van Godswege aangereikte paradigma, zeg maar de wijze van kijken en handelen, waarmee we de wereld tegemoet treden. Veelal zien en beoordelen we de wereld als concurrerende markten en culturen, als schaarste en aanbod, als machtsevenwicht en competitie om het bestaan. Deze benadering beïnvloedt ons kijken naar de ander en ons handelen. We leven dan in feite in afgescheidenheid, gedreven door individueel -, nationaal -, c.q. groepsbelang.
Het zou wezenlijk anders zijn wanneer we naar de wereld kijken als mogelijkheid van menswording, als plek van humanisering. En dat gebeurt wanneer we onze werkelijkheid stellen in het licht van Christus. In Hem, als navolgbare mens, ontvangen we een herkenbare vreugdevolle boodschap en een model voor de inrichting van onze samenleving;  voor Perzen (al of niet met frygische mutsen) en Russen en Amerikanen en Europeanen en Chinezen en Afrikanen, die allen mensen zijn en verlangen hun mens-zijn tot ontplooiing te brengen.

Als mensen die geloven in hetgeen in Christus wordt geopenbaard en waar de Messias voor staat,  willen we ons inzetten voor een wereld die menselijk is. Een wereld waarin mensen elkaar als ware zusters en broeders herkennen, als vlees van hun vlees, bloed van hun bloed. Waar kinderen onze gezamenlijke toekomst vertegenwoordigen, en onze gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn. Kostbaar en beschermwaardig. Wie wil er nu eigenlijk dagelijks geconfronteerd worden met mensonterende berichten? God is toch in de wereld gekomen om die in liefde te helen? Maar om ons heen kijkend moeten ook wij van ver komen.
Wanneer we Christus, als mens geworden Woord van God, in geloof ontmoet hebben en zijn messiaanse betekenis hebben toegelaten in ons leven, kan het niet anders of de wereld zoals we die dagelijks aan ons zien verschijnen, komt ons vreemd en onwerkelijk inhumaan voor. Een vreemde wereld en wij vreemdelingen en ontheemden (cf lied okkn Gb 803; door de wereld gaat een woord; Liedboek 802; GvL 431). Dat klinkt misschien een beetje triest, maar het is niets anders dan de uitdrukking van ons gezamenlijk verlangen naar de wereld zoals die bedoeld is. Van de wens om andere wegen te gaan; wegen langs de machten heen, zodat ze machteloos staan; wegen van echte verbondenheid en menselijkheid, van licht en vrede…voor iedere mens. Amen.
  top 

 

 


  

 

 

 


info@wardcortvriendt.eu