Home NL
Blog
Diensten/produkten
Contact N
Columns N
Artikelen
Preken /Overwegingen
preken 2014
preken 2015
preken 2016
preken 2017
preken 2018
Home EN

 
 

Overweging 7 juli 2019
Jezus meebrengen

Lezingen: Jesaja 66, 10-14; Galaten 6, 1-10. 14-18; Lucas 10, 1-20.
De profetische visioenen van Israel met betrekking tot de uitredding uit ballingschap en onderdrukking en daarmee met de terugkeer naar het thuisland en het herstel van Jeruzalem vormen een belangrijk deel van de verhalen van het boek Jesaja. Het gaat over de vernieuwing van het Verbond en het bewind van de messiaanse koning.
Hoewel voor Christenen die messiaanse koning in Christus Jezus al is gekomen, lezen ook zij, dus wij allen, deze verhalen als visionair met betrekking tot de wederkomst van de Messias, en als beeld van de vervulling van de tijd waar wij in hoop naar uit zien: de voltooiing van de schepping. Het nieuwe Jeruzalem waarin we het nieuwe leven mogen deelachtig worden. Iets waar we allen naar verlangen.

De taal van Jesaja is met betrekking tot dit herstel zo levensnabij als het maar zijn kan. Als zuigelingen aan de weelderige en weldadige boezem van moeder Jeruzalem. We hebben geen herinnering aan onze zuigelingstijd, maar we hoeven maar te kijken naar een kind dat rozig en wel gevoed wordt om daar een beeld en gevoel bij te kunnen hebben. De troost die we ontvangen van een liefdevolle ouder wanneer we verdriet hebben is een krachtig beeld van die vervulde werkelijkheid die een eind brengt aan onze tranen en pijn. Ons ouder wordend lichaam met PHPD, pijntje hier pijntje daar, met altijd wel wat, veert op bij de belofte dat ons stram gebeente zal ontluiken als het groen in het voorjaar.
Het belofteleven bedient zich van alledaagse beelden, juist omdat het levensecht en levensnabij wil zijn. Daarom zijn de teksten zowel hoopvol als confronterend. God mag dan in den hoge zijn, de vervulling van zijn belofte openbaart zich aan ons armetierig, gebrekkig en onvolkomen bestaan.


Deze laatste kwalificaties klinken ons misschien wat onwelgevallig in de oren. Lokken wellicht een reactie uit van “nou, nou, zo erg is het nu ook weer niet met ons gesteld”. Ik begrijp dat best. Maar in relatie tot de nieuwe schepping die we in Christus zijn blijft onze dagelijkse werkelijkheid in de praktijk achter. We slagen er maar zeer ten dele in om de wet van Christus, waarvan in de Galatenbrief sprake is, en die de wet van de liefde is, te vervullen. De toepassing van de wet van de liefde geeft een heel ander resultaat dan de  toepassing van de wet van recht en gelijk. En dit is geen moralisme, maar een feitelijke constatering.

Het is niet voldoende om alleen maar te verlangen naar het nieuwe Jeruzalem. We moeten ook willen leven als burgers van die stad van God. Daarmee wil ik niet beweren dat het nieuwe Jeruzalem tot de maakbare werkelijkheid behoort. Maar wel dat het een ‘, ‘zijnbare’ werkelijkheid is. Juist dat verlangen om deel uit te maken van de stad van God, het nieuw Jeruzalem, stad van ware vrede en duurzame gerechtigheid, zou nieuwe mensen van ons moeten maken. Niet omdat we het kunnen, maar omdat we er intens naar verlangen. Niet ons willen en onze prestatiedrift transformeren ons, maar ons oprecht verlangen.
Het visioen van Jesaja laat ons de mogelijkheid van die verloste en voltooide werkelijkheid zien. De andere lezingen brengen ons terug naar onze dagelijkse werkelijkheid en geven ons aan hoe we ons in dat licht mogen gedragen.


Van deze lezingen is die van de Galatenbrief misschien wel de meest confronterende. Het gaat heel direct over de wijze waarop we met elkaar in de praktijk van alledag omgaan.
Denk maar eens aan de verontwaardiging die we hebben met betrekking tot de fouten en verkeerde dingen van de ander en de vergoelijking die we hanteren met betrekking tot onze eigen fouten misstappen. Moeten we dan alles maar met de spreekwoordelijke mantel der liefde bedekken of toedekken? Nee, natuurlijk niet. Die uitdrukking is ideologisch fout.  We moeten helder zien wat er aan de hand is en dat vervolgens met liefde benaderen. Verontwaardiging en woede kunnen ook dekmantels zijn om zichzelf te vrijwaren. Verontwaardiging kan proberen onszelf te distantiëren van het kwaad dat we veroordelen, alsof we er geen deel aan hebben.
De liefdevolle benadering geeft aan dat we besef hebben van onze eigen tekortkomingen, zonder deze vergoelijken. Wat kwaad is mag niet goed gepraat worden, niet bij onze naaste en niet bij onszelf. Daarom staat in Galaten die moeilijke zin: “Helpt elkaar zulke lasten te dragen; op die manier zult ge de wet van Christus vervullen”.


In het vervolg van de brief wordt ons duidelijk gemaakt dat we niet te snel moeten denken dat we iets betekenen. Dat betekent overigens niet dat we een lage dunk van onszelf moeten hebben. Het wil zeggen dat we ons niet boven de ander mogen plaatsen. Wij zijn allen leerlingen en geen meesters. We worden allen onderricht in het woord van God en Jezus Christus is onze enige leermeester. Daar richten we ons op en daar richten we ons naar. In zijn spoor proberen we te leven als geestelijke mensen en vruchten voort te brengen van de Geest die in ons bidt en werkt. Vruchten die in overeenstemming zijn met onze roeping: barmhartigheid, eenvoudige goedheid en voor zover het in ons vermogen ligt: het mijden van kwaad en in vrede levend met alle mensen.
Daartoe zijn we immers in de wereld gezonden. Om vredeboodschappers te zijn die de nabijheid van het rijk van God zichtbaar maken. 


In het evangelie van Lucas komt de aanvullende zending van de zeventig (of 72) voor.
Deze zending bouwt voort op de traditie waarin de unieke zending wordt gedeeld. Het herinnert aan de passages in Exodus en Numeri waarin zeventig oudsten van het volk Israel delen in de taak van Mozes.
Wanneer Mozes de berg opgaat om de stenen tafelen van de wet te ontvangen, zoals het in Exodus beschreven wordt, laat God Mozes zeventig oudsten meenemen. Deze mogen de aanwezigheid van God zien zonder dat zij sterven. Zij zijn de volksgetuigen van deze belangrijke gebeurtenis.
Op een andere plaats vraagt Mozes God om de last die hij draagt met betrekking tot de leiding van het volk te mogen delen. God laat daarna een deel van de Geest die op Mozes rust ook op de zeventig uitverkozen oudsten rusten.
De zeventig delen dus in de zending en de taak van Mozes en hier bij Lukas delen zij in de zending van die nieuwe Mozes Jezus.
Nu staat in sommige teksten 72 en andere 70. Tweeënzeventig sluit aan bij Israël, namelijk zes uit iedere stam. Rabbijnse commentaren spreken zich dan ook uit over de zeventig in Exodus en Numeri. Zodanig dat uit de door Mozes gekozen 6 maal 12 het Godsgericht er zeventig kiest. Maar hier bij Lukas sluit de zeventig aan bij het getal der volken. Vergelijk maar met de Griekse bijbelvertaling die septuagint heet, dat zeventig betekent en die voor alle volken gemaakt is.

Deze zeventig mogen dus staan voor de verkondiging van Christus aan alle volken. Zijn zending reikt verder dan Israel. Is bestemd voor de hele bewoonde wereld, de hele oikoumene. Het gaat immers niet om besneden of onbesneden, met andere woorden Jood of heiden; ook niet om Griek, Romein of Pers, zoals we al bij Pinksteren lazen, maar om een nieuwe schepping te zijn, om mensen van de Geest te worden.
En om in de kracht van de Geest te getuigen van het nieuwe Jeruzalem, dat is om de nabijheid van het Godsrijk te verkondigen en ervan te getuigen door vrede aan te zeggen, mensen te helen en heilzaam te zijn voor de wereld waarin we leven door daden van goedheid en barmhartigheid; en om daarmee het werk van Jezus voort te zetten.  

Deze zeventig, lees: de getuigen uit de volken -en mogen wij dat zijn-, gaan naar de plaatsen waar Jezus zelf naartoe wilde gaan. Met andere woorden: zij stellen Christus de Messias tegenwoordig waar zij komen. Zij hebben de taak het Godsrijk nabij te brengen. In woord en daad zijn zij de authentieke getuigen van de nabijheid van de messiaanse werkelijkheid, de vervulde wereld.
Waarlijk een taak die uitnodigt tot deemoed en oprechte vreugde om ieder die daarin deelt. Als volgelingen van Jezus hebben we die hoge roeping tot getuigenis ontvangen. Mogen we hem vervullen met blijdschap en in eenvoud van hart, God dankend voor de weldaden die Hij door ons tot stand wil brengen. Amen.

 top 

 

Overweging 23 juni 2019
zelfgave 

Lezingen: Jesaja 2, 10-17; Galaten 3, 23-29; Lucas 9, 18-24.
Zo nu en dan komen we in de verhalen van de Schrift zinnen tegen waar we niet zo goed raad mee weten. Echt verwonderlijk is dat natuurlijk niet bij teksten die zo oud zijn. Bij de meeste van die zinnen maakt dat niet zoveel uit, we lezen ze bijna niet en ze hebben voor ons geen betekenis van belang. Maar andere zinnen, die we eigenlijk niet zo goed begrijpen, hebben een plek gekregen in de manier waarop we naar het leven kijken. En die zijn natuurlijk wel belangrijk. Zo’n zin vinden we, denk ik, ook vandaag in de lezing uit Lucas. “Wie achter mij aan wil gaan, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en mij volgen”.
Een eenzijdige opvatting van de betekenis van deze woorden veroorzaakt veel leed. Zelfverloochening als navolging van Christus kan leiden tot een laag zelfbeeld; en een impliciete rechtvaardiging of klakkeloze aanvaarding van lijden maakt mensen onmachtig en tot slachtoffer. Op een dergelijke spiritualiteit met betrekking tot het volgen van Jezus valt nogal wat af te dingen. We belijden immers een rechtvaardige liefdevolle God en een bevrijdend geloof. We moeten daarom proberen de woorden te begrijpen in het licht van het Evangelie.

De oproep van Jezus bij monde van Lucas klinkt in een situatie waarin de christentoehoorders onder druk staan. Het speelt na de verwoesting van de Tweede Tempel en de verhouding tussen de christengelovige en orthodoxe Joden is verslechterd. Ook de romeinse overheid is niet blij met de spanningen onder de Joodse bevolking in verband met de nieuwe leer. Het levert zowel spanningen op in de provincie als in de stad.  In die situatie betekent het volgen van Jezus geen gemakkelijke weg. En dat kenmerkt ook de eerste eeuwen van het christendom. Christengelovigen stellen zich bloot aan discriminatie en vervolging. Er werden hoge eisen gesteld aan dopelingen en aan belijdend christenen.
Wie alleen maar denkt aan zijn eigen hachje moet geen christen worden. Elke dag loopt hij/zij risico de gevolgen van zijn levenskeuze te ondervinden. Hoewel misschien niet helemaal vergelijkbaar denk ik toch aan de situatie van onderdrukte christenen en martelaren voor het geloof in onze tijd.

Christen zijn in dergelijke omstandigheden vraagt werkelijk iets van je. Je moet afstand doen van een aantal persoonlijke verlangens en ambities en de gevolgen ervan aanvaarden. Het is een heel andere situatie dan waarin wij hier verkeren. Wij zijn wat lauwere christenen.
De woorden van Jezus klinken radicaal en dat zijn ze ook. Een situatie van bedreiging nodigt uit tot radicalisering. Daarmee bedoel ik heel uitdrukkelijk niet een gewelddadig extremisme. Maar een fundamentele bezinning en keuze met betrekking tot waar het in wezen, in de wortels (wortel, Latijn: radix) van het geloof om gaat. Deze radicaliteit moet ingebed zijn in de breedte van de geloofsgemeenschap zelf. Het mag geen antibeweging zijn die zich richt tegen andersdenkenden binnen en buiten de eigen kring. Radicaliteit is bedoeld om de geloofsgemeenschap bij haar identiteit en bij haar wezen te bepalen. Dat is ook wat profeten doen. En dat is ook de waarde van het religieuze leven van monniken: een radicale levenskeuze die van doen heeft met de essentie van het christen-zijn, maar die volledig is ingebed in het midden van de geloofsgemeenschap. Als een getuigenis in het hart van de gemeenschap.
Daarom zegt Jezus op een andere plek met betrekking tot de navolging: “het zal voor jullie neerkomen op het geven van getuigenis”. Zo’n getuigenis kan gevolgen hebben. Maar wanneer we diep van binnen overtuigd zijn van de waarde ervan, kunnen we niet anders, tenzij we onszelf op een dieper niveau verloochenen en zo onszelf verliezen.  Wie zijn leven zo wenst te behouden zal het verliezen.

De aansporing om dagelijks je kruis op te nemen is nog wel eens misbruikt om het leed te vergoelijken, maar het kruis is geen legitimering van het lijden. Het is juist de aanklacht ertegen. Bovendien is het ene kruis ook het andere niet. We moeten goed onderscheiden waar het om gaat. Er is sowieso al een groot verschil tussen het lijden dat je wordt aangedaan, het leed dat iemand door het handelen van anderen overkomt en het lijden dat bij het leven hoort en waar niemand schuld aan heeft.

In de omgang met het eigen lijden (en soms ook dat van anderen) wordt het leed nogal eens onterecht goedgepraat: “Ik heb voor deze man gekozen”, zei de vrouw, “en nu moet ik de gevolgen van zijn agressie dragen. We zijn immers getrouwd. Dit is mijn kruis. Ieder mens heeft een kruis te dragen en dit is het mijne.” Het kruis als legitimering en als manier om met het leed om te gaan. Dat ligt heel vaak dicht bij elkaar. Een oude dame die met zeer vele en ernstige ongemakken te kampen had, zei vaak tegen me: “ach je moet iets hebben voor je pekelzonden”. Zij kon er met een zekere humor mee om gaan, maar ook hier een combinatie van goedpraten en ermee omgaan.
Wat kun je anders met dingen waar je in je beleving niets aan kunt veranderen? Je moet ermee omgaan. Soms zitten mensen helaas vast in hun situatie. Er is een ander nodig die hen bevrijdt.

Christus volgen is niet “hem nadoen”. Ook al heet het meest verkochte boekje in onze christelijke cultuur over een leven in navolging van Christus: de imitatione christi, van Thomas a Kempis. Als christen leven we òns leven, in ònze wereld en in ònze tijd als de mensen die wìj zijn; en we leven dat leven in zijn Geest. En dat is ook de Geest van de Vader die ons geschapen heeft, dat wil zeggen die aan de oorsprong staat van ons leven.


Hebben de begrippen verloochenen en kruis voor ons dan nog betekenis? Ik denk het toch wel. Laten we maar eens kijken naar de eerste lezing. Daar wordt Gods macht op zijn dag beschreven. Het wordt afgebeeld als een vernietigende macht. Afgezien van het godsbeeld kijk ik naar wie het voorwerp van Gods woede zijn. Dat zijn niet onverschillig alle mensen. Het gaat om de hoogmoedigen. Degenen die zich breed maken als ceders van de Libanon, die zich hoog verheffen als eiken van Basan. Zij die zich verheffen boven anderen en boven God. Degenen die zich van niemand iets aantrekken.  De mensen die vol zijn van zichzelf. Als we Jezus willen volgen worden we uitgenodigd iets van ons ego te laten varen om ruimte maken voor de ander. Een beetje afstand doen van ons ik ten gunste van een wij. Het gaat immers niet om ons persoonlijk, maar om ons samen. Hoe moeilijk het ook is om dat ons samen te definiëren. Sterker nog we moeten dat telkens opnieuw definiëren. We moeten leren elkaar in te sluiten. Of we daarin slagen weet ik niet, maar we worden er zeker toe uitgenodigd.
Alleen samen kunnen we die gemeenschap van Christus daadwerkelijk vormen, onder de norm van de liefde. Dat kunnen we alleen waarmaken wanneer we ons daarvoor met ons leven inzetten. Waarom we dat zouden doen? Omdat we erin geloven. Geloven dat we alleen maar kunnen worden wie we zijn wanneer we ons leven in dienst stellen van de liefde die is in Christus Jezus. Zonder dat zijn we niet.
Voor sommigen zou het kunnen lijken dat we dan ons eigen leven veronachtzamen of verloochenen. En dat is ook zo voor zover het ons particuliere leven betreft. Maar dat waar we ons leven voor inzetten is zo groot en groots dat we daar niet kleiner van worden, maar groter. Daarin verliezen we onszelf niet, we vinden onszelf erdoor. Je levert een ik-leven in om er een wij-leven voor te ontvangen. Namelijk als lid van een door Gods liefde betekende gemeenschap.

We kunnen niet het leven en wat ons overkomt buiten ons houden. Je kruis dagelijks op je nemen, betekent dat we elke dag opnieuw ons leven als òns eigen leven opnemen. Met alles wat het inhoudt (ook aan verdriet en leed) en met alles wat zich voordoet (aan ontmoetingen, mensen die op mijn pad komen en zich aandienen in mijn bewustzijn en waar ik iets mee moet, mijn ziekte en mijn kwalen). Je verzetten tegen dit kruis heeft geen zin en veroorzaakt alleen maar meer pijn. Wanneer je in die zin je kruis niet opneemt, en daarmee je leven niet iedere dag weer erkent als jouw leven, dan verlies je het. En je verliest op den duur ook je geloof en je verliest Christus uit het oog.

Misschien krijgt een zin die we niet begrijpen, en die weerstand oproept, door er even bij stil te staan en erover na te denken, toch een zin waar we iets mee kunnen. Op die moeilijke weg van de navolging van Christus. Jezus spreekt daarover met zijn leerlingen en hij spreekt tot al zijn volgers (om maar een woord te gebruiken dat door de social media een nieuwe betekenis heeft gekregen). En juist bij die moeilijke zin staat: “Maar tot ALLEN zei Hij: `als iemand mij achterna wil gaan, moet hij zich verloochenen en dagelijks zijn kruis opnemen en mij volgen’ “ Hij wil hen allen van volgers (dat is makkelijk genoeg, zie twitter) tot navolgers maken. Dat wil hij ook van ons. Elke dag weer, en dag na dag. Amen.

  top


Overweging 2 juni 2019
niet zonder hulp
 

Lezingen: 1Samuel 12, 19b-24; Openbaring 22, 12-21; Johannes 14, 15-21.
In de benoeming van de zondagen heet deze zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren in de liturgie van de Oud Katholieke Kerk “de zondag van de weeskinderen”. Daarbij lijkt het erop dat de leerlingen als wezen zijn achtergelaten. Dan kan zo lijken, omdat Jezus is ten hemel gevaren is en de Geest nog niet over de leerlingen is gekomen. Maar toch is de nadruk op het verweesd zijn niet in overeenstemming met de teksten die bij deze zondag gelezen worden. In het evangeliegedeelte van vandaag staat juist nadrukkelijk de belofte van Jezus: “ik zal jullie niet verweesd achterlaten”.
Ook de andere naam voor deze zondag exaudi stamt uit een andere context dan die van verlatenheid. Psalm 27, waar het uit geciteerd is, is juist eerder een lofzang op de beschermende nabijheid van de Heer. Daarvoor wordt de toon al gezet in het eerste vers: ‘de heer is mijn licht en mijn redding, voor wie zou ik bang zijn. De heer is de burcht van mijn leven, wie zou ik vrezen’. De bede om verhoring, die de naam aan deze zondag geeft, staat in de context van vertrouwen en uitredding. Ook waar de psalmist belaagd wordt door vijanden ziet hij de bewarende trouw van God. Ook zegt de psalmist: “al verlaten mij vader en moeder (dus als hij werkelijk verweesd zou raken), de Heer neemt mij aan als de zijne”.  

Het is belangrijk dit te benadrukken, aangezien het precies aanduidt in welke positie wij staan ten opzichte van Christus. Weliswaar hebben wij de Geest ontvangen, en zijn we de zogenoemde eerstelingen van de nieuwe oogst in het beloofde land, maar we bidden ook telkens om de Geest die troost, kracht geeft, levend maakt. Jezus Christus is immers voor ons de steeds Komende door de Geest. Door de Geest is Hij blijvend met ons, met de Kerk verbonden. Die komende aanwezigheid wordt benadrukt in de tekst van de Openbaring waarin de kerken nu al mogen drinken van het water des levens.

 

Wat heel klassiek doorheen de geschiedenis van de Schrift voor de relatie tussen God en zijn volk is het belofte-element. Ook Jezus doet een belofte. Het Godsvolk is volk van de belofte bij uitstek. De belofte in de heilige Schrift is zowel toekomstgericht, als ook presentisch, heden. Het beloofde land is  hier wanneer we leven naar de Geest van Christus, maar als voltooide werkelijkheid is het ook toekomst, land van ooit.
Het is die belofte die de kracht geeft om door te gaan, omdat in de belofte de aanwezigheid van God reeds ervaren wordt. De belofte doet ons met andere ogen naar ons leven en naar de wereld kijken. En dit lijkt me behoorlijk fundamenteel. Het is de belofte van Jezus’ aanwezigheid in de Geest die ons op een andere manier leert kijken en handelen. Een zienswijze die ons zou ontbreken wanneer wij niet in de belofte zouden leven.
In het Johannesevangelie wordt het mooi verwoord. Daar staat: ‘de Vader zal u een andere vertrooster geven, die in eeuwigheid bij u zal zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet’.  De wereld bij Johannes is alles wat zich uitsluitend richt op wat concreet aanwezig is. De wereld kijkt naar de wereld met het oog op de wereld. De belofte plaatst de wereld echter in een perspectief dat boven de concrete gestalte van de wereld uitgaat. Nu doet elke ideologie dat ook, maar de belofte doet iets meer. De belofte plaatst de wereld in het perspectief van de voltooiing. Ideologieën hebben immanente doelen. Zij willen ook de wereld veranderen, maar het blijft de wereld. In de belofte is de bedoeling van de schepping in de wereld meegegeven. De bedoeling van de wereld ligt niet in de wereld zou je kunnen zeggen. Als we niet open staan voor dit verder-dan-onze-wereld-kijken zullen we het ook niet zien; als je niet gelooft, zie je het ook niet; niet het perspectief en niet de mogelijkheden die onze wereld in zich draagt.


Dit klinkt misschien wat moeilijk allemaal, maar laten we het eens vergelijken met een voetbalscout. Een scout kijkt heel anders naar een voetbalwedstrijd dan de vader of moeder van een van de kinderen in het veld. Beiden zien min of meer dezelfde wedstrijd, maar de een ziet andere dingen dan de andere. De scout heeft verstand van wat voetbal in zich is en wat ervoor nodig is. Hij kijkt anders. En in het spelen van sommigen ziet hij een belofte. En dat hoeft niet eens de sterspeler van de  jeugdploeg te zijn. De scout ziet in het spel van zo’n meisje of jochie wat het kan zijn. Hij ziet de “geboren voetballer” en het potentieel.

 

Zo ziet de mens die gelooft in Gods trouw aan ons, andere dingen. Hij ervaart Gods betrokkenheid ook in momenten van benauwenis. Zelfs wanneer die betrokkenheid als negatief of als afwezigheid wordt ervaren. De gelovige ziet in de wereld ook het potentieel van het Godsrijk en zal er op gericht zijn dit potentieel zichtbaar te maken.
Misschien vinden we het moeilijk om in onze huidige wereld de mogelijkheid van het Godsrijk te ontwaren. Maar hoe kijken we dan?
Als wij naar onze wereld kijken en we alleen de tweedeling, de spanningen en conflicten zien, is dat dan de waarheid van onze wereld? Valt er ook nog iets anders te zien, of verliezen we dat uit het oog door de overmaat van negatieve berichtgeving? Worden onze ogen bepaald door de keuze van het nieuws of door ons geloof in Gods trouw? Waar is onze geest van vervuld? Wat is de waarheid van ons leven?  

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop we naar onze kerk kijken. Wat is de waarheid van de kerk. We zijn klein en misschien wat oud en soms moe, maar in ons is ook het zaad van het evangelie geplant. Het potentieel van onze kerk is uiteindelijk gelegen in Christus zelf. De kerk als bruid van Christus en als eersteling van de oogst van het beloofde land. In wat de kerk is loopt zij vooruit op wat zijn zal. Zij is bode van de verloste wereld.

Dit boodschapper zijn van de door God aan mens en wereld beloofde voltooiing is precies de missie van de kerk. En zij kan daaraan alleen maar beantwoorden wanneer zij dicht bij Christus blijft en leeft in zijn Geest. Het is immers de Geest die de kerk tot leven brengt.
In het zorgen en het doen en het activisme en de bestuurlijke ijver vergeten we wel eens dat de waarheid omtrent onszelf niet hoeft te worden bevochten; we hoeven die niet zelf uit te vinden. Die wordt ons aangereikt en geschonken. We hoeven die alleen biddend te ontvangen in een geest van waarheid.

 

Wanneer we in religieuze zin over waarheid spreken moeten we dat eigenlijk niet opvatten als een wetenschappelijke waarheid zoals die in de geschiedenis van de waarheidsvinding tot ons is gekomen. Bewijsbaar, reproduceerbaar, voorspelbaar, mededeelbaar, logisch. Allemaal aspecten van ons waarheidsbegrip. Religie betreft een ander soort waarheid. Het is een waarheid die meer poëtisch is, maar vooral ook een waarheid die ontdekt wordt wanneer je je ermee verbindt.
De waarheid van poëzie ontdek je maar wanneer je meegaat in het taalspel van benaderingen en betekenissen. Dan wordt de draaiing van de aarde een vurige zonsondergang.
De waarheid van een relatie ontdek je pas wanneer je je aan de ander verbindt. De waarheid van het geloof ervaar je pas wanneer je gaat geloven.
De geest van waarheid heeft niets van doen met de rationele waarheid zoals wij die kennen. De geest van waarheid onthult en opent onze werkelijkheid naar God toe. Het sluit de werkelijkheid niet op in negatieve oordelen, maar openbaart deze zoals het ook kan zijn. Daarbij mogen we ook onszelf openen naar God toe om dit kunnen zien, om die waarheid te kunnen ontvangen. Dit zicht op onze werkelijkheid verandert ons, maakt andere mensen van ons. Het is eerder een zijnswaarheid dan een mentaal waarheidsbegrip.

We kennen dit uit de grotmythe van Plato die laat zien dat een mens alleen maar ziet wat  bij zijn ontwikkeling past. Een gegeven dat in vrijwel alle modellen van spirituele ontwikkeling voorkomt. Naarmate de mens groeit in kennis en wijsheid, in geloof, ziet hij of zij andere dingen en helderder. Het gaat hierbij om achter de oppervlakte van de dingen te zien wat zij zijn, niet om welke indruk zij op ons maken. Zo is in de hebreeuwse  taal de waarheid van God aangeduid met een woord dat vast en betrouwbaar betekent; zoals iets is, niet zoals iets lijkt te zijn. Het is verwant aan een woord dat we in de liturgie veelvuldig gebruiken, namelijk “Amen”. Daarin bevestigen we dat wat gehoord of gebeden is, met een “zo is het”. De waarheid van God is zijn vastheid, zijn trouw, zijn betrouwbaarheid. Het is de waarheid van zijn naam: “ik ben er”.

 

Dat brengt ons weer naar het begin van de viering en naar psalm 27. De Heer is mijn vaste burcht, mijn veste in wie mijn leven geborgd is. En dat hij dat is, weten we door de Geest van waarheid waardoor wij zijn trouw aan ons ervaren. Deze openbaart ons ook de waarheid van ons leven en leert ons alles wat wij nodig hebben om te worden wat we kunnen zijn. Vast en zeker. Amen.

 top 

Overweging 19 mei 2019 
om het goed te hebben 
Lezingen: Deuteronomium 6, 1-9; Openbaring 19,1-9; Johannes 13, 31-35.

“Hoor Israël” is de centrale tekst in de lezing uit Deuteronomium. Het komt voor in het dagelijks gebed en is bevestigd aan de deurposten van de huizen, het wordt op het hoofd en het hart gedragen. Zo belangrijk is het om deze woorden in herinnering te houden. En ook: zo nodig om ze telkens weer in herinnering te brengen. We zijn immers behoorlijk hardleers waar het gaat om wat goed voor ons is en hardhorend waar het om de ander en het gemeenschappelijk belang gaat. We luisteren graag en vaak naar onszelf, zelfs wanneer we ogenschijnlijk luisteren naar de ander.
Huub Oosterhuis heeft op basis van dit gebod om te luisteren een lied geschreven dat door Antoine Oomen op muziek is gezet: “Hoor Israël”. In het Nieuw Liedboek staat het als nummer 323 en in het Oudkatholiek gezangboek als 794. Het is een vrij kort  lied, 18 regels, maar verre van eenvoudig en erg indringend van tekst en van melodie. “Hoor, maar ik kan niet horen”, is de eerste regel. En verderop “Ik ben nog niet geboren. Ik ben niet ik, niet waar”.
Het horen wordt in verbinding gebracht met authentiek leven en met het levenwekkend spreken van God. Luisteren is geboren worden, tot leven komen in relatie tot God. Het lied volgt in drie coupletten het geboren worden in Gods licht en waarheid, het gaan van Gods wegen en leven naar Hem toe, en het luisterende opnieuw geboren worden uit het graf in Gods toekomst. Waarachtig leven hier en nu, de weg van God en diens gebod gaan en leven in zijn rijk. Alles vervat in die twee woorden, en eigenlijk in één woord: luister.

Een lastig woord, luisteren. Gebod, ook al zo’n lastig woord. En de combinatie van die twee worden levert zo mogelijk nog meer weerstand op. Geboden worden al snel als inmenging van buiten begrepen. We willen van alles, maar we willen niet moeten. In het algemeen immers zien we geboden als strijdig met onze vrijheid. Zij worden ons van buitenaf opgedrongen en perken ons in. We beschouwen ze als dwang.

Als we zo naar de geboden kijken die God aan zijn volk geeft, slaan we de plank volledig mis.
De geboden worden gegeven op de tocht door de woestijn van het land van slavernij naar het land van overvloed en vrijheid. Eerst geen leven, maar door het bevrijdend handelen van God een leven in het vooruitzicht gesteld. Het zou vreemd zijn wanneer deze bevrijdende God het volk opnieuw zou willen knechten door allerlei beperkingen op te leggen.
Niettemin is een zekere beperking de garantie voor de vrijheid van allen. Een ongebreidelde individuele vrijheid maakt allen onvrij. Geen samenleving kan blijven bestaan wanneer we niet een zekere beperking met betrekking tot ons gedrag in acht nemen om onze gezamenlijke vrijheid te behoeden. Zonder regels is het geen leven.

De geboden staan immers gericht op leven en toekomst, op een goede samenleving.
De tekst van Deuteronomium maakt dat ook duidelijk. De nadruk die gelegd wordt op het inprenten en navolgen van de geboden die de Heer God geeft, gaat vergezeld van de reden waarom.  Er staat: “Opdat jullie lang mogen leven, opdat het jullie goed gaat, opdat je talrijk wordt, opdat je leeft in een land dat overvloed kent en vrede”.
Nergens staat hier dat de geboden gegeven worden om God te dienen en Hem onderhorig te zijn. Het gaat alleen maar om het welzijn en de toekomst van het godsvolk. De oproep staat in het teken van het liefdesverbond dat gericht is op het geluk van de ander in wederkerigheid. Een relatie zonder ten opzichte van elkaar iets achter te houden, in reserve te houden, zuinigjes te doen. God en volk leveren zich als het ware aan elkaar uit met heel hun hebben en houden. Zoals we voor het godsvolk lezen: heel het hart, heel je ziel en heel je vermogen. Met wat je bent en wat je hebt en wat je kunt.


De op leven en op het bevorderen van  leven gerichte verbondsrelatie vormt  de essentiële voorwaarde om als mens van God te leven en goed met de medemens te kunnen leven. Daarom wordt het zo sterk aangezet. We mogen het nooit en nergens vergeten, want dan verliezen we uit het oog en uit het hart waar het om gaat. Waarom en waartoe we van slavernij bevrijd zijn. We vergeten zo gemakkelijk wat het betekent om overheerst te worden en hoe kostbaar de vrijheid is. We denken dat vrijheid hetzelfde is als niets moeten. Terwijl de kostbaarheid van de vrijheid moet worden beschermd door terughoudendheid en regels die we samen hanteren. Dat mogen we niet vergeten.  Daarom wordt gezegd: “Herinnering is leven, vergeten is ballingschap en dood”. Daarom staat er zo nadrukkelijk: “prent het in, prent het je kinderen in en praat er met ze over, praat er over wanneer je staat of gaat, bindt ze aan je lijf, bindt ze aan je huis, bindt ze aan je hart, zodat je het niet vergeet.” Allemaal beelden en aanwijzingen om de levensgeboden te blijven herinneren, maar ook om ze in praktijk te brengen. Want als de geboden niet worden gedaan, niet worden nagekomen, zal men elkaar al snel naar het leven staan en zal men niet lang leven in het land van belofte.


Dat is geen straf of verborgen dwangmaatregel. Het is slechts de dagelijks om ons heen  te constateren consequentie van een goddeloos gedrag. Dat wil zeggen een gedrag dat uitsluitend door eigenbelang gestuurd wordt. Terwijl de bevrijdende en scheppende relatie van God jegens de mens en jegens zijn volk stoelt op zijn liefde voor hen. Het gaat nergens om macht en machtsuitoefening. Het gaat in beginsel en uiteindelijk om liefde. Waar liefde regeert daar is God aanwezig. En waar gehaat wordt, en verdeeldheid is, gaat het mis.

Jezus, het verbond in mensengestalte, maakt het gebod van de liefde tot de kern van zijn verkondiging. Hij leeft het voor zonder aanziens des persoons. Hij sluit niemand uit van de liefde Gods, die Hij representeert en vertegenwoordigt. Door zijn liefdeblijken, zijn welgemeende bekommernis om mensen, met name de lijdende en uitgestotene, komen mensen tot nieuw leven en vinden zij weer hun plek in de samenleving. Was dat het ook niet waarom het allemaal begonnen was? Het bevorderen van leven en goed en gelukkig samenleven? Is dat het niet waaraan men mensen van God herkent?

Als levenstestament geeft Jezus het aan zijn leerlingen mee op de laatste avond van zijn leven. “Een nieuw gebod geef ik jullie: hebt elkaar lief zoals ik jullie heb liefgehad” en “hieraan zal ieder weten dat jullie mijn leerlingen zijn, wanneer jullie elkaar liefhebben.”

Dit nieuwe gebod is strikt genomen niet zo nieuw. Maar aangezien er in de loop van de tijd bij de beoefening van het geloof meer nadruk was komen te liggen op de uitvoering van de geboden, was de balans zoekgeraakt. Voorschriften en wetten overwoekeren dan waar het eigenlijk om gaat. De vorm verdringt de inhoud. Het leven wordt ondergeschikt aan de leer. Heel herkenbaar ook in onze tijd waar systemen, procedures en protocollen belangrijker lijken dan mensen.
Ook in het geloof gaat het immers ten diepste niet om de geboden en voorschriften, maar om het leven in en vanuit Gods liefde. De beoefening van de geboden zijn daarvan de uitdrukking, maar niet de essentie en de oorsprong.
Vandaar dat Jezus, de Oorspronkelijke, er telkens weer op hamert om de gelovige aandacht te richten op de kernwaarden van mededogen, barmhartigheid, solidariteit, vrede; en op de liefde waarin dat alles is vervat.

Het gebod om elkaar lief te hebben is bij Johannes niets anders dan de aanduiding van de wezens- en levensverbondenheid van Jezus met God en met zijn leerlingen. Die verbondenheid, dat verbond, dat Johannes aanduidt, is er niet één van geboden. Geen uiterlijk verbond, maar een innerlijke en innige verbondenheid waar het woord liefde op van toepassing is. 

Dit is de wijze waarop God op ons betrokken is en met ons in relatie staat. En zo zouden ook wij verbonden moeten zijn met elkaar. Liefde als wijze van bestaan en in de wereld zijn. Dit engagement is per definitie onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig; als wijze van zijn gaat het immers aan ons handelen vooraf.  Die liefde staat niet in dienst van iets anders, is niet ondergeschikt aan een doel, maar behoort tot het wezen van God, en ook tot dat wat ons mens maakt. In die liefde beantwoorden we aan wie en wat we zijn. Het is dus geen plicht, of iets bijkomstigs, maar het is zoals we zijn. Er niet aan beantwoorden is eigenlijk zoiets als onze identiteit verloochenen. Het gebod is geen gebod dat aan ons vreemd is, maar de aansporing om te zijn wie we zijn.

Uit die levensbetrokkenheid worden we geboren, leven we naar waarheid en maken deel uit van het rijk van God waarin onze vervulling ligt.
In Openbaring wordt op een visionaire manier iets over de vervulling ervan gezegd. Het heil, de heerlijkheid en de macht die aan God behoren. Hij die het koningschap heeft aanvaard. Het gaat over de bruiloft van het lam, de verbintenis namelijk van Christus met zijn volk, dat bekleed is met gerechtigheid. Nu reeds mogen we dat smaken wanneer we zalig geprezen worden, uitgenodigd als we zijn tot het bruiloftsmaal van het lam, gerepresenteerd in de eucharistie waarin we vieren wat zijn zal en nu reeds is.

Het liefdegebod staat in het teken van de heerschappij van God. Hiermee wordt in de christelijke interpretatie eigenlijk niets anders bedoeld dan het rijk van God, het rijk der hemelen. Daarmee  is niet bedoeld dat Hij over alles en allen regeert als een machthebber. Het slaat op Gods alles doordringende liefde in onze werkelijkheid. Zoals we kunnen zeggen dat er koude heerst, heerst dan God. Zijn koningschap betekent dat God het geheel van onze werkelijkheid doordringt, alles wat we zijn, hebben en kunnen; heel ons hart, heel ons leven, heel ons vermogen. Het wil zeggen dat heel ons samenleven dan door Gods aanwezigheid en zijn Geest getekend wordt en wij derhalve met elkaar leven in daadwerkelijke verbondenheid.

En dat alles door dat ene simpele gebod: hebt elkander lief, waarbij “elkander” zowel God als de naaste omvat.  Het levenswoord waarnaar wij horen, waardoor wij leven en bij elkaar horen. Een heel rijk door één gebod. Dat is iets om te onthouden en je blijvend in herinnering te brengen, elke dag weer. Knoop het in je oren en bindt het aan je hart. Praat erover om niet te vergeten. Leef goed met elkaar en gun elkaar het goede leven. Amen. 

 top


Overweging 12 mei 2019 

heiligen van de Naam 

Lezingen: Numeri 27, 12-23; Openbaring 7, 9-17; Johannes 10, 22-30.
In de eerste lezing wordt een verband aangeduid tussen het heiligen van Gods naam en het binnengaan in het beloofde land. Dat blijkt uit het gegeven dat Mozes het land wel mag aanschouwen, maar niet binnengaan, al zijn inspanningen als bemiddelaar en voorganger ten spijt. Omdat hij bij het moment van de opstand van zijn volksgenoten in de woestijn Sin, ‘toen het om water ging’, zoals er staat, tegenover hen de heiligheid van God niet heeft hoog gehouden.
Uit het fragment is niet duidelijk wat Mozes dan wel gedaan of nagelaten heeft om het binnengaan in het beloofde land mis te lopen.

Misschien moeten we dan kijken naar het moment dat in de tekst genoemd wordt en dat aangeduid wordt met: ‘bedoeld is het water van Meribat-Kades’.
In exodus 17 wordt beschreven hoe het volk op uittocht het kamp opslaat in Refidim en daar bij Mozes klaagt over het gebrek aan water, een eerste levensbehoefte. “Waarom ons weggevoerd uit Egypte om hier onze kinderen van dorst te laten omkomen.” Mozes wendt zich tot God en krijgt de opdracht om met zijn staf op de Horeb te slaan, zodat God er water uit laat stromen. Zo geschiedt. En Mozes noemt de plaats Massa en Meriba ter herinnering aan de verwijten van het volk. In dit verhaal is geen reden te vinden voor de straf van Mozes.

In Numeri 20 wordt over dezelfde situatie verteld. Anders dan in het eerste verhaal slaat Mozes hier tweemaal met zijn staf op de rots. En dit wordt hem aangerekend als een publiekelijk gebrek aan vertrouwen en dus aantasting van de heiligheid van de Naam. Daar wordt hem al gezegd dat hij daardoor het volk niet zal binnenleiden in het beloofde land. In hoofdstuk 27 wordt dit verder uitgewerkt. Mozes moet zijn taak overdragen aan een opvolger die het volk zal binnenleiden, Jozua de zoon van Nun.
Tegen het eind van het boek Deuteronomium komt de positie van Jozua als opvolger van Mozes weer naar voren. Daar laat God Mozes op de berg Nebo het land zien dat hij niet betreden zal wegens zijn ontrouw bij Meribat-Kades. Na zijn zegenbede sterft Mozes, weliswaar in verbondenheid met God, aan het eind van het boek.


Het telkens weer afvallige en opstandige volk wordt vergeven en mag het beloofde land binnentrekken, maar Mozes die een keer zich vergaloppeert wordt gestraft. Omwille van de heiligheid van de Naam. Het lijkt nogal onrechtvaardig. Maar van een leider/ voorganger wordt meer verwacht. Er wordt gezegd: van een zondaar die zich bekeert worden de zonden niet geteld, al zijn ze vele. De bekering van de zondaar verheft immers de naam van God. Maar van een rechtvaardige die ten val komt tellen al zijn goede daden niet. Het tast immers de Naam van God aan en maakt Hem tot een leugen. En dit geldt te meer wanneer de daden publiekelijk bekend zijn.
Hoe dat voor God zelf is weet ik natuurlijk niet, maar in de praktijk werkt het wel zo. Niet iedereen wordt met dezelfde maat gemeten. Wanneer een willekeurig iemand een misdrijf jegens een medemens pleegt wordt dit op de persoon zelf betrokken. Wanneer een belijdend gelovige dat doet, komt ook het geloof in geding (“als dat nu een christen is”). Wanneer een kerkleider over de schreef  gaat, lijden kerk, geloof en God schade.

Het hooghouden van de Naam van God is een gebod voor iedere gelovige, maar een overtreding wordt een voorganger zwaarder aangerekend. Zo ook in het geval van Mozes. Het slaan op de rots bewerkt niet het gaan stromen van een bron van levend water voor het twijfelende en dorstende Godsvolk (ook al zeggen Mozes en Aäron in Numeri 20, 10: zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?) . God kan het water ook wel zonder Mozes laten stromen. De handeling van Mozes is alleen bedoeld om duidelijk te maken dat de Naam zich hierin openbaart en dat God zijn Naam groot maakt voor zijn volk. En dat Hij het is die zijn volk voedt en laaft. Mozes’ handelwijze in dezen leidt af van God en tast daarmee diens heiligheid aan. 


Onze Joodse broeders en zusters lezen dit weekend uit het Bijbelgedeelte dat “over heiligheid” (Leviticus 19,1-20,27) genoemd wordt. Het betreffende deel begint met de woorden die de Heer spreekt tot Mozes: “zeg tegen de hele gemeenschap van de Israëlieten: wees heilig, want ik de Heer ben heilig.” De heiligheid van God betekent dat de mensen die met Hem verbonden willen zijn, heilig moeten zijn. En de heilige levenswandel van de gelovigen bevestigt de heiligheid van God en houdt zijn Naam hoog in de wereld. Wanneer God niet in woord en daad geëerd wordt, heeft Hij geen naam onder de mensen en verdwijnt uit het bewustzijn. De concrete geboden die volgen op het centrale gebod tot heiligheid en heiliging, zijn toepassingen en uitwerkingen ervan. Maar het gaat om het ene gebod: Wees  heilig. Net zo centraal en eraan gelijk: heb lief.
Natuurlijk zijn dit tamelijk massieve en misschien ook wel abstracte geboden, want wat betekent dat nu eigenlijk: liefhebben en heilig zijn?
Op de site van het Levisson instituut stond met betrekking tot deze sabbat een citaat van een bekend Joods publicist, Harold Kushner: “in het Jodendom leeft het besef dat je samen met andere mensen het heilige kunt vinden. Om te begrijpen wat het leven werkelijk is, moet je het delen”. Met andere woorden: je leert het in de dagelijkse praktijk van het samenleven. Daarin leer je te luisteren naar de ander.  En de Joodse predikant van de week legt de nadruk op het “zorgvuldig inpassen van de geboden in de praktijk van ons leven om zo gaandeweg iets te proeven van de betekenis van heiligheid”. Door de toepassing van geboden in de concrete omstandigheden van het eigen leven leer je wat de vervulling van een gebod met je doet en voor het leven betekent.


Het heiligen van Gods Naam is in het Joodse geloof een uiterst belangrijk begrip dat derhalve verre van abstract is. Geloven, trouw zijn aan het verbond, gehoorzamen, het zo belangrijke ‘luisteren’ in het centrum van het dagelijks gebed van Israel en het heiligen van de Naam zijn inhoudelijk verbonden. Het heiligen van de Naam is synoniem met een gelovig leven leiden. Hetgeen niets anders betekent dan je leven in alle aspecten in het licht van God proberen te stellen. De geboden helpen daarbij. Niet als doel op zich, hoewel ze wel degelijk een eigen waarde hebben, maar om dichtbij God te blijven.
Christengelovigen hebben naast een aantal van de geboden ook Jezus als richtsnoer, in wie, meer nog dan in wet en profeten, Gods levend woord onder ons heeft gewoond en in wie diens heiligheid is verschenen. Beelden die verbonden zijn met de bevrijding van Israel, met het aloude verbond en met de intocht in het beloofde land komen in Hem samen. Hij is bron van levend water, brood uit de hemel, vervulling van de wet, beloofde land en de weg erheen.
Het erkennen van dit samengaan van heiligen van de Naam en het beloofde land is bewaard in de tekst van het Onze Vader. Na de aanroeping van God als Vader volgen “uw Naam worde geheiligd” en “uw rijk kome”. Het gebed vormt het centrum van de Bergrede. Dat wij van Christus zijn blijkt wanneer wij luisteren naar zijn stem en in Hem God herkennen. Gehoorzaamheid aan de geboden en de  navolging van Christus staan op één lijn. Hij is immers de heilige Gods en door hem te volgen heiligen wij ons leven en daarmee ook de Naam van God.

 

In Jezus zien we de nieuwe Mozes die zijn volk wel binnenleidt in het beloofde land, het eeuwige leven. En die het voedt met zijn eigen leven. Zijn bloed is het teken van een nieuw verbond, waarin ons sterfelijk leven wordt gereinigd. Hij is de goede herder die zijn schapen leidt en weide laat vinden, maar ook de deur van de schaapsstal, degene door wie de schapen binnengaan in de eeuwige stal. Hij is ook de nieuwe tempel, geheiligd en gewijd. Geen stenen tempel, maar een tempel in de Geest. God woont niet in een gebouw, maar in de vervulling van de geboden. De goede herder geeft het voorbeeld. Centraal in het denken van Johannes staat de liefde van God voor de wereld en de mensen. “Alzo heeft God de wereld liefgehad dat hij zijn enige zoon heeft gegeven voor het leven van de wereld”. Jezus zegt tegen zijn leerlingen als een samenvatting van zijn eigen leven: “hebt elkander lief met de liefde waarmee ik jullie heb liefgehad.”  Binnen de veelheid van de geboden blijkt dit telkens waar het om gaat. God beminnen met heel je leven en je naaste als jezelf. Dit is voldoende om het beloofde land binnen te trekken en het eeuwig leven te verwerven. Amen.
 top


Overweging 28 april 2019

herkennen bij het breken van het brood

Lezingen: Genesis 28, 10-22; Openbaring 1, 12b-20; Lucas 24, 13-35.
Na de dood van Jezus valt er veel uit te leggen voor zijn leerlingen. Wij die opgegroeid zijn in de christelijk-gelovige traditie kunnen dat eigenlijk maar met moeite beseffen. We zouden van alles moeten weglaten uit ons vanzelfsprekend geloofsbegrip om zicht te krijgen op de geloofswereld van de leerlingen en de vragen die zij zich stelden. Op het niveau van de geloofsleer hebben we antwoorden op die vragen geformuleerd, maar als het op het niveau van geloof aankomt hebben we nog dezelfde vragen als zij. Samengebald in één vraag: wie is Jezus eigenlijk? En laten we maar niet denken dat dit een gemakkelijk te beantwoorden vraag is.
Mede daardoor hebben de verhalen rond Pasen ook voor ons betekenis.
Een deel van de leerlingen wendt zich na de dood van Jezus teleurgesteld af en zij keren terug naar waar zij vandaan gekomen waren om hem te volgen. Hij bleek niet de verlosser te zijn die zij voor ogen hadden. Anderen trachten tot inzicht te komen in het waarom en hoe en in de betekenis van alles wat er gebeurd was. Vragen met betrekking tot wie hij is, geven aanleiding tot vragen ten aanzien van het definitieve karakter van zijn dood, de opstanding, nieuw leven, de aanwezigheid van Jezus na zijn dood, de identiteit van zijn persoon voor Pasen en erna. We vinden deze vragen terug in de verhalen die we lezen. Voor een deel zijn dat verhalen uit de geloofstraditie vóór Jezus, en deels ook  interpretaties van die verhalen, en ook nieuwe verhalen.
Eigenlijk is het allemaal nogal complex; het gaat immers om de wording van het christelijk geloof en om de  kern van onze christelijke theologie en verlossingsleer.

De leerlingen moeten leren het leven van Jezus te lezen als het bevrijdende verbondsverhaal van God. De hele werkelijkheid van Jezus in de verschillende aspecten van zijn bestaan, -zijn geboorte, optreden en dood-, bekeken vanuit het groeiend geloof in Jezus als een lijdende dienende Messias. Een geloof dat bovendien de voorhoede vormt van een doorbraak in de exclusiviteit van het Joodse Verbond naar een meer universeel karakter dat Gods heil toegankelijk maakt voor de volken.

De eerste vraag die de leerlingen zich stellen stoelt waarschijnlijk op de overweging dat een God welgevallig leven van zo’n profeet toch niet zo kan eindigen in een onrechtvaardige dood. Daar zitten twee aspecten aan: een leven bij God en de opstanding, aspecten die ook voor een deel samenvallen.
In het traditionele joodse geloof is er geen persoonlijk voortbestaan. Men leeft door in de generaties. Wanneer rechtvaardigen, eventueel kinderloos, sterven als martelaren zou hun naam verdwijnen en dat is niet rechtvaardig en in strijd met de opvatting over de relatie met God en de naleving van de geboden. Dit gold met name de vele martelaren onder de Griekse overheersing en de doden van de Makkabeeën opstand. De rechtvaardigen hebben daarom een naam bij God en zijn in Gods hand.   
Ten tijde van Jezus geloofden met name de farizeeën in de opstanding van de doden.
Binnen dit gegeven past ook dat het leven van deze rechtvaardige niet door de dood wordt vastgehouden in de onderwereld, maar geborgen is bij God. Een aantal profetische passages noemen de opstanding van de doden bij de komst van de Messias. De opstanding van Jezus onderstreept het geloof dat Hij de Messias is, dan wel dat in Hem de messiaanse tijd is aangebroken. 


Door het verhaal van Genesis en de droom van Jakob te leggen naast de verhalen over Jezus na zijn Pasen, wordt de eenheid gesuggereerd van Jezus voor Pasen en na Pasen.
Degene die uit de hemel is neergedaald, is dezelfde die naar de hemel is opgegaan. Ook de verhalen over de zichtbaarheid van zijn wonden in zijn verrijzenislichaam willen die identiteit aangeven. Het thema van het breken van het brood doet niet anders.
Er is een relatie tussen het laatste avondmaal en het avondmaal in Emmaus. Rond het centrale paneel van dood, graf en opstanding vormen Lucas 22 en Lucas 24 de twee zijpanelen van een drieluik. Het “doe dit om mij te gedenken” staat op één lijn met “zij herkenden hem bij het breken van het brood”. Degene die zijn lijden is ingegaan is dezelfde die na zijn dood het brood breekt voor zijn twijfelende en naar perspectief verlangende leerlingen. Het breken van het brood is een identiteitsbepalende handeling. In dit breken is Jezus als de Christus herkenbaar aanwezig. Het gedenken waarvan sprake is, is altijd een aanwezig brengend gedenken. Het is meer dan herinneren of denken aan.
Wanneer in de Schrift gezegd wordt dat de Eeuwige zich zijn verbond gedenkt, dan wordt dat verbond geactualiseerd, wordt ervaarbaar. Naar analogie: wanneer Jezus zegt “doe dit om mij  te gedenken”, dan komt hijzelf aanwezig in het gebaar van het breken van het brood. Daarin is Hij herkenbaar in het midden van de leerlingen. Je zou kunnen concluderen dat Lucas het breken van het brood ziet als de centrale handeling van het vieren van de maaltijd des Heren.  

Het breken van het brood is de oudste aanduiding van het vieren van de eucharistie, het heilig Avondmaal. Het behoort tot de allervroegste rituelen van de gemeenschap des Heren. Al vroeg in de ontwikkeling gecombineerd met liturgie uit de huissynagoge, gebeden, schriftlezing. In niet Joodse kringen, lijkt het, met een gewone maaltijd in een huis-/ patroonskerk.

Toch gaat het niet alleen maar om het gebaar van het breken van het brood waarin de gedachtenis aan Jezus zo levend wordt. Het gaat ook om de betekenis van het gebaar. Wanneer Jezus het brood breekt op seideravond, op pesachavond, wordt de bevrijding uit Egypte gevierd. Het is een gebaar dat de uitredding uit slavernij representeert, en dat de doortocht door de woestijn, de verbondssluiting en intocht in het beloofde land oproept. Bij het breken van het brood refereert Jezus aan zijn eigen doortocht door de dood waarin hij zijn leven geeft voor de bevrijding van zijn leerlingen. Het breken van het brood bij, wat we noemen, het laatste avondmaal loopt vooruit op goede vrijdag; op zijn dood en opstanding. Brood en wijn; dit is mijn lichaam, mijn leven, het nieuwe verbond in mij. Dat wil zeggen: verzoening en nieuw leven.

Wij breken het brood om Jezus present te stellen in ons midden. In de avondmaalvierende gemeente is Hij werkelijk aanwezig met zijn liefde en zijn toewijding. Hierin biedt Hij zich opnieuw aan ons aan. Niet als louter gedachtenis, maar als door de Geest werkzame aanwezigheid. Om ons te doen leven,  in beweging te zetten en te doen getuigen van zijn verrijzenis. Om samen met de leerlingen de omslag te voltrekken van “Ga jij met ons vandaag op weg” naar ‘Ik zeg het allen dat hij leeft” en “verrezen is, verrezen is, ons leven dat  genezen is”. Hoe moeilijk dat ook is te voltrekken in de dagdagelijkse werkelijkheid van ons bestaan.

De werkelijke tegenwoordigheid van de Verrezene in ons midden laat ons, dankbaar voor het leven dat we zelf ontvangen, kiezen voor het leven en voor alles wat het leven bevordert. Aan graf en twijfel voorbij keren we op onze schreden terug naar Jeruzalem.
Onder het aspect van Pasen mogen we onze wereld zien in zijn mogelijkheid van verloste wereld, als nieuw Jeruzalem, stad van vrede. Zo gaan we de weg terug van de leerlingen uit Emmaus. Daarvoor ook moeten wij de weg van Jakob gaan, die Israël wordt. Wanneer we ontwaken uit de slaap en onze ogen open gaan mogen we de plaats waar wij zijn ontdekken als een plek van Godsopenbaring, onze wereld als een huis van God. Dat is zo van Godswege, en ook actueel wanneer wij in ons leven Christus present stellen in en buiten de liturgie.


Wanneer we zeggen en zingen dat Christus waarlijk verrezen is, doen we een profetische uitspraak die consequenties heeft voor ons en voor de wereld. Gebonden als wij zijn aan een gebroken wereld en een bedreigd bestaan vieren we de realiteit,-niet de droom, maar de realiteit-, van de wereld die we verwachten en van de waarachtigheid van Gods belofte. Misschien wel, gezien onze levenservaringen, met de moed der wanhoop, met twijfel in ons hart, met een helder besef van onze tekorten, maar met een weten van licht. Daarvan getuigen wij. Christus leeft in de wereld door ons spreken en handelen.

Met zijn heengaan breekt het tijdperk van de Geest aan. Jezus is verborgen in God, maar aanwezig door de Geest, zoals Hij ook is mens geworden door bemiddeling van de Geest. Dat betekent in praktische zin dat we Jezus niet alleen in herinnering moeten houden, maar veeleer dat we Hem verinnerlijken. Dat Hij door de Geest leeft in onze geest, in ons hart. Het aanwezig komen en blijven van Christus in de wereld waarin we leven wordt weliswaar bemiddeld door zijn Geest, maar niet buiten ons om. Het is immers de Geest van God die in ons bidt en zucht om gerechtigheid en verlossing van de wereld. Ons gelovig handelen is daarop gericht. Dat betekent opstaan tegen onrecht, geweld en discriminatie. Opstaan om het verlossende woord te nemen. Opstaan om naar je medemens te gaan. Amen.
 top

 

Overweging 21 april 2019 Pasen
teken en betekenis


Lezingen: Jesaja 51, 9-11; Kolossenzen 3, 1-4; Johannes 20, 1-18.
Een paar weken geleden verkeerde de kring van wetenschappelijke ruimtewaarnemers in grote opwinding. Een gecombineerde waarneming van acht grote telescopen verspreid over de aarde had een dipje in een grafiek te zien gegeven. Na langdurige analyse van de beschikbare data werd vastgesteld dat dit onomstotelijk wees op een zogenoemd zwart gat. Door bewerking kon zelfs een afbeelding geproduceerd worden die we in de kranten konden zien. Geen computersimulatie, maar een echte waarneming van een zwart gat dat alleen als afwezigheid waarneembaar is. Het bevindt zich achter onze waarnemingshorizon, niet doordat het zover van ons verwijderd is, maar doordat het geen informatie loslaat. Het dipje in de grafiek was het teken van zijn realiteit.
Dit verhaal deed me denken aan een ander verhaal, en wel uit de Talmoed, die grote Joodse verzameling van commentaren op de Thora. Wanneer Mozes bij de Eeuwige komt om de stenen tafelen in ontvangst te nemen, ziet hij Hem bezig de laatste hand aan de tekst te leggen door die van haaltjes en kroontjes te voorzien. Op de vraag van Mozes waarom Hij dat doet, antwoordt de Ene: “ooit zal er een geleerde rabbijn opstaan die hierin een diepe zin zal ontdekken.” Tekentjes van de Eeuwige die voor de diepzinnige lezer R. Akiva een grote betekenis hebben.

Tekenen en betekenis, duisternis die tot inzicht wordt gebracht. Daarover gaat het in de paasverhalen en met betrekking tot Pasen zelf. Hoe maak je iets zichtbaar, wat niet zichtbaar is. Hoe maak je iets duidelijk en kenbaar wat door zijn eigenschappen juist duister en onkenbaar is.  
Verstaan we de tekenen van God in onze werkelijkheid, zoals Akiva de schijnbaar betekenisloze tekentjes in de Schrift verstaat? Of, nog dringender gesteld, kunnen we hetgeen zich aan ons voordoet en wat er aan ons gebeurt als teken zien, zonder overigens de hele realiteit als verwijzing te bestempelen, of nemen we de dingen à vue. Zijn dingen alleen maar dingen en gebeurtenissen alleen maar gebeurtenissen, of valt daar nog meer over te zeggen? Vragen die juist in het licht van dood en leven ons heftig bezig houden.

In mijn inleidend woord voor de Lebuinuskompas van deze maand schreef ik over het teken van Pasen en vroeg me hardop af of we in staat zijn het teken van Pasen te verstaan met betrekking tot ons eigen leven en in de praktijk van ons dagelijks bestaan?
Het zal jullie opgevallen zijn dat ik met betrekking tot Pasen en de verrijzenis over een teken spreek. En ik denk dat ik dat in gezelschap van Johannes ook mag doen.
In het paasevangelie lezen we over Maria Magdalena, over Simon Petrus en de andere leerling. Maria van Magdala komt bij het graf in duisternis, het is nog donker, en ziet of concludeert alleen een afwezigheid. Zij dringt niet door tot het graf. Haar blik is nog duister. Later komen Petrus en de geliefde leerling bij het graf. Zij kijken in het graf. Zij gaan die realiteit binnen en zien. Het verschil in zien is opmerkelijk. Simon Petrus ziet de doeken, maar verbindt daar in het verhaal geen betekenis aan. De geliefde leerling ziet en gelooft. Hij ziet de doeken en de afwezigheid van Jezus niet als een gegeven, maar als een teken, en wel als de zichtbaarheid van wat onzichtbaar is, namelijk de verrijzenis van Jezus die hij daaruit concludeert en die hij nog niet uit de Schriften kende.

Johannes de evangelist spreekt in verband met Jezus graag over tekenen. Liever dan over wonderen. Wonderen hebben het gevaar alleen maar indrukwekkend en soms ook angstwekkend te zijn. Daarvoor is het optreden van Jezus niet bedoeld. Jezus’ optreden is in alles en voor alles teken van Gods aanwezigheid en mensbetrokkenheid.  
Al in het begin laat Johannes ons dat weten aan de hand van een parabel over het huwelijk in Kana. Het is vol van betekenis. Zo vindt het plaats op de derde dag. Het betreft een huwelijk. Er wordt iets getransformeerd, in dit geval water in wijn. En er staat dat Jezus hiermee een begin maakt van zijn tekenen en erin zijn luister openbaart. Het verhaal loopt vooruit op het paasverhaal en geeft er betekenis aan. Ook hier is een derde dag, het levensverbond van God en mens, het sterfelijk leven wordt veranderd in onvergankelijk bestaan, het is een teken waarin Gods luister wordt geopenbaard. Het laatste teken van Jezus optreden onder de mensen, ook al volgen nog verhalen over zijn verschijningen.
Het gaat dus niet om het teken van het lege graf en van de verrijzenis en de discussie over de feitelijke haalbaarheid daarvan, maar over de betekenis ervan. Om het geheel te kunnen zien en ervaren als teken van Gods betrokkenheid bij ons menselijk bestaan. De verrijzenis is de vertaling van deze betrokkenheid, verwijzend naar Gods onontkoombare trouw waarin we geborgen zijn. Wat er ook gebeurt en of we het kunnen geloven of niet.

Daarmee is geenszins gezegd dat de dood voor ons niet een verdrietige en verscheurende realiteit is. Wel dat de geloofsverhalen die we lezen ons een narratief van leven bieden, dat aan ons leven in zijn gebrekkigheid en eindigheid een betekenis en perspectief biedt dat uitreikt boven de tijdelijkheid en de toevalligheid van ons bestaan. Zij bevrijden ons leven uit de gevangenis van het hier en nu en van de bepaaldheid door ons verleden, door de gebeurtenissen van ons leven en van de bepaaldheid die ontstaat door het idee dat we hebben van onszelf. Maar onze eigenlijke identiteit, wie en wat we zijn, ligt niet vast in het verleden, maar bestaat veeleer in het nog niet, in het scheppend moment van het heden en in wie we kunnen zijn.
Paas- en opstandingsgeloof bevrijdt ons telkens weer tot nieuw leven, en, in overgave aan de liefde van de Ander, uiteindelijk tot mogelijkheden die ons leven overtreffen. We hoeven onszelf niet aan te treffen in het graf van voorbij en de knellende windsels van het heden. Dat is de eminente betekenis van het verrijzenisgeloof in ons dagelijks bestaan. Het getuigenis ervan bevrijdt ook onze naasten.   
De jonge Amsterdamse rabbijn Jacobs die dit weekend met zijn geloofsgenoten Pesach viert, zegt in Trouw: “Het is het geloof van Pesach, van uittocht en bevrijding, dat ons telkens weer bevrijdt van de gevangenschap in de slavernij van het heden en doet wegtrekken om nieuwe levensmogelijkheden te zoeken. We zijn niet door huidige omstandigheden bepaald. Dat geloof is de kracht van ons volk.”

 

Pasen is tenslotte ook de realiteit van het beloofde land vieren, als een beeld van de uiteindelijke vervulling van ons verlangen naar een allesomvattend sjalom, een diepe levensvervulling. De grote zevende dag waarop ook God tot rust komt, omdat hij rust in onze vrede, zoals wij rusten in zijn vrede. En wat dat betekent kunnen we in geloof reeds hier en nu smaken en genieten. Wanneer we ons hart en ons oog gericht houden op wat boven is, zoals Paulus de Christenen van Kolosse probeert duidelijk te maken.
Niet door omhoog te blijven kijken en daardoor hier in zeven sloten tegelijk te lopen! Ons leven speelt zich hier af en in het heden moeten we getuigen. Maar wat hebben we te getuigen als we ons bepalen tot de feitelijkheid van ons leven en niet kijken naar de betekenis. We kijken dus naar wat boven de feitelijkheid uit verwijst naar de bedoeling en het perspectief van ons menselijk bestaan en van onze wereld. Juist om in het nu dienovereenkomstig te handelen en leven. Met ons hart bij God en waar Deze voor staat leven we niet aan ons leven voorbij; alleen op die manier kunnen we het juist ten volle leven.
Door ons leven in dienst te stellen van de bedoeling ervan geven we het niet uit handen, maar vinden het. De gebeurtenissen in ons bestaan stellen ons telkens weer voor de keuze om ons door die gebeurtenissen te laten bepalen, er in meegezogen te worden, of juist te proberen mens te blijven en te groeien in menselijkheid. Kortom om in het voetspoor van Jezus te gaan, een weg die zoals we geloven een weg ten leven is. Pasen is op die manier zowel teken als betekenis. Amen.  

 top


Overweging 14 april 2019
Palmzondag: de koninklijke weg


Lezingen: Openbaring 7,9-17; Jesaja 50, 4-7; Lucas 19, 29-40.
Wanneer we zo met palmtakken in de hand staan vertegenwoordigen we die eschatologische gemeente waarvan in de lezing bij de palmwijding voor de viering sprake was. De grote menigte van het voltooide Godsvolk die staat voor de troon en het lam en die juicht en lofprijst. Natuurlijk is het nieuwe Jeruzalem als woonplaats van duurzame vrede nog niet neergedaald over onze werkelijkheid. Wij worstelen en strijden. Nog is er verdrukking, en honger. Nog zijn er tranen en is er rouw.  Maar tegelijk weten we ons in Christus tot liefde verloste mensen; behoren we tot dat messiaanse volk, geroepen om te wonen in die stad van God.

Daarom vieren we vandaag de intocht, in het heldere besef van wat de mensen in het verhaal nog niet weten. Namelijk dat het gejuich waarmee Jezus wordt binnengehaald, zomaar kan veranderen in het “weg met hem”. In het heldere besef ook waar het in de bijbelse afbeeldingen van deze week, statie voor statie om gaat. Wij kijken met ogen die ook het Pasen van de Heer hebben gezien. Wij kijken als Opstandingsgemeente. Wij die betekend zijn door zijn menswording, verzoend zijn door zijn dood en leven door zijn opstanding. Wij weten dat Hij alles wat over ons geschreven staat, zoals Barnard schreef, zal volbrengen in deze dagen. Onze schepping, onze zonde, onze slavernij, onze uittocht uit ballingschap, onze doortocht door de woestijn, onze intocht in het hemels Jeruzalem.
En zo juichen we deze vreemde koning toe en verwelkomen Hem in onze stad van mensen, die bedoeld is om Jeruzalem, stad van God te zijn.

De intocht heeft de vorm van een koninklijke intocht. Maar is toch anders. Er trekt geen caravaan soldaten en lakeien vooruit. Hij berijdt geen strijdros of strijdwagen. Zijn intocht herinnert aan iets anders. Heeft de Eeuwige immers niet paarden en wagens ten onder laten gaan bij de uittocht en doortocht van zijn volk? Bevrijding is geen oorlogswinst. Hoe nodig het ook kan zijn om het juk van tirannie af te schudden. Ten diepste wordt bevrijding geschonken, niet bevochten. Het kan niet worden toegeëigend. Het is gave. En uiteindelijk, in de heilsbetekenis van bevrijding, gave Gods. Het is bevrijding tot de vrijheid van de kinderen Gods. En dat is het klimaat, het milieu, waarin we samen kunnen leven in de alomvattende vrede, het shalom, van de Ene. Het is de vrucht van liefde en verbondenheid, van recht en gerechtigheid; niet van macht en competitie.

De boog der sterken wordt gebroken en het koningschap is aan de weerlozen. Deze koning komt niet in zijn stad om te heersen, maar om te dienen, zoals Hij dat in zijn openbare leven in de provincie heeft laten zien. Sterker nog: Hij toont hiermee aan dat Jeruzalem, als beeld van de voltooide werkelijkheid, alleen maar stad van vrede kan zijn, wanneer machtsuitoefening plaats maakt voor dienstbaarheid en zachtmoedigheid. Zoals het ook in Zacharia hoofdstuk 9 wordt beschreven: “zie uw koning komt naar u toe, hij is rechtvaardig en zegevierend; hij is nederig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin”.
Het veulen dat deze koning berijdt is teken van zijn beleid. Geen Arabische volbloed, geen Ferrari.  Het voertuig voor het rijk Gods is weerloos, onschuldig, eenvoudig en ongetraind. Vergelijkbaar met de inhoud van de uitspraak dat het koninkrijk behoort aan wie zijn als  kinderen. Later zal Jezus zeggen tijdens zijn korte (schijn)proces: “koning ben ik”. Maar zijn koningschap is van een andere orde. Van de orde die aangeduid wordt in de lofzang van Maria, in de Bergrede, in het beeld van de mosterdboom waarin iedere vreemde vogel zich thuis voelt en in de werken van naastenliefde uit hoofdstuk 25 van het Matteusevangelie.
Jezus gaat in Jeruzalem niet naar het paleis van de viervorst, maar naar de tempel. Er is immers maar één koning en dat is de Koning van al wat leeft, de Koning van de wereld, deze wereld en de komende wereld. En deze wordt niet gediend in wapenrok, maar met gebed, lofprijzing en de vervulling van de geboden die gegeven zijn met het oogmerk om leven te hebben en wel in overvloed. Geboden die ontvangen zijn midden in de woestijn, juist om aan de woestijn waar mensen elkaar naar het leven staan, te kunnen ontsnappen.
Die levensgeboden heeft deze koning in alle kwetsbaarheid vervuld. Het kost hem zijn leven bij de mensen, maar niet bij God. Deze dood is waarachtig leven. Deze dood is doorgang naar het binnenste van de tempel, het hart van God.

Aan de vooravond van zijn lijden en dood staan we stil bij zijn intocht in Jeruzalem, als teken en voorafbeelding van de uiteindelijke bestemming van zijn bestaan: zijn intocht in het hemels Jeruzalem waarin Hij ons voorgaat om een plaats voor ons in gereedheid te brengen, opdat wij zullen zijn waar Hij ook is.  Voor we het lijden ingaan ontvangen we een teken van bemoediging en perspectief.  Ondanks de ogenschijnlijke mislukking van een leven dat gekenmerkt wordt door liefdevolle dienstbaarheid en trouw aan de geboden, is deze levensweg een koninklijke weg die op een ander niveau werkelijk leven genoemd mag worden.
Het teken wordt ons gegeven om ons niet uit het veld te laten slaan. En dat kan makkelijk gebeuren temidden van de afschuwelijke gebeurtenissen om ons heen, de onontwarbare problemen van de wereld waarin we leven, en daarenboven onze eigen moeilijkheden. We kunnen immers makkelijk twijfelen aan de goede afloop der dingen. We geloven in de belofte van het messiaanse rijk, grotendeels omdat we ernaar verlangen en er daarom ook in zoeken te geloven. Maar onze omgeving is niet altijd bemoedigend. Soms verzuchten ook wij met de woorden van, toen nog G.K. van het Reve in Nader tot U in het gedicht Graf te Blauwhuis: “Dat koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”
Het feestelijk vieren van de intocht van Jezus in zijn stede is het bevestigend antwoord hierop. Ja, het zal worden en het zal zijn. God is geen loser en zijn koninkrijk geen mislukking. Henriette Roland Holst (1869-1952) verwoordt het als volgt:

De zachte krachten zullen zeker winnen 
in ’t eind -- dit hoor ik als een innig fluistren 
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren 
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren 
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen, 
dan kan de groote zaligheid beginnen 
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren 
als in kleine schelpen de groote zee. 
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen 
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten: 
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

 

We mogen leven in trouw aan onze bestemming om waarachtig mens te worden en te zijn in het vertrouwen dat het een weg ten leven is. Al was het alleen maar omdat de andere weg leidt naar onmenselijkheid en verderf. Daarom is het goed om, met de geloofskennis van Pasen, stil te staan bij deze weg die Jezus gaat. Het is een goede zaak om  ons kleed van zelfgenoegzaamheid, quasi zekerheid en hoogmoed af te leggen,  en de Heer te verwelkomen die ons voorgaat naar de tempel waar God is, en leven in overvloed voor iedere mens. Amen. 
 top
 

Overweging 17 maart 2019
de menselijke weg 
Lezingen: Exodus 34, 27-35; 1Korinthiërs 13,1-13; Lucas 9,28-36.

De ervaring van een ontmoeting met God kan mensen totaal veranderen. Ik heb het verschillende keren zien gebeuren. Misschien mag ik jullie daarover een kort verhaal vertellen.
Ik begeleidde eens een groep zieke mensen op een bedevaart naar Lourdes. Wat je ook verder over die plek zou kunnen zeggen, het is zonder twijfel een plaats van geloof en van gebed. Een vindplaats van  kracht en troost. Er was in die groep een pelgrim die zo boos was op het leven en op zijn ziekte en zo verbitterd dat hij totaal verkrampt was. Hij had overal kritiek op en er was niets dat deugde. Ook wij als begeleiders konden weinig goeds doen.
Op een avond laat stelde ik voor om samen naar de grot te gaan. Ik reed hem er in zijn rolstoel heen. In de stilte van de late avond  zaten we naast elkaar te bidden. Na enige tijd zag ik hem veranderen. De lijnen van zijn gezicht werden zachter. De verbeten trek om zijn mond verdween en de kramp verdween uit zijn houding. De pijn nam af. Er kwam licht in zijn ogen. Er had zich een verandering in hem voltrokken. Een alledaagse gedaanteverandering. In het donker was een licht over hem opgegaan.
Ik vertel dit verhaal om aan te geven dat wonderen alleen maar wonderen zijn doordat zij zich in de dagelijkse werkelijkheid afspelen en niet in uitzonderingssituaties. Wonderen zijn gebeurtenissen waarin onze werkelijkheid even haar volle gestalte laat zien, gebeurtenissen die een doorkijk bieden naar een grotere werkelijkheid waar zij deel van uit maken.
Het zijn openbaringen.

Dat is ook wat in het evangelie dat we lazen, aan de orde is. Jezus gaat met drie van zijn leerlingen de berg op om te bidden. Hij doet dat acht dagen nadat Hij zijn leerlingen heeft verteld hoe zij Hem kunnen volgen en acht dagen nadat Hij hun de vraag heeft gesteld wie zij denken dat Hij is. Acht dagen is in de Schrift altijd vol betekenis. Acht is het getal van de vervulling. Zeven plus één. De menselijke maat plus één. De achtste dag is de dag van de besnijdenis, teken van het verbond in Israel, de achtste dag is ook de dag van de verrijzenis, het levensverbond in Christus.
Op die dag dus gaat Jezus met drie leerlingen de berg op om te bidden. De berg is ook de plaats waar God zich openbaart. De Ararat, Moria, de Sinai, de Horeb, de Karmel, Tabor tot en met de berg Golgotha. Allemaal verhevenheden die uitsteken boven het dagdagelijkse vlakke menselijke landschap, plekken waar God zich op een bijzondere wijze openbaart. Op Ararat blijft de ark steken en openbaart Hij zich als redder van alle leven op aarde en houder van het nieuwe verbond na Adam met alle schepselen, op Moria als God van leven door Izaak van het offerhout los te maken, op Sinai als gever van het verbond met Israel in de tien levenswoorden, op Horeb aan Elia, op Karmel als de ene God tegenover Baal, op Tabor de overwinning onder Debora, op Golgotha de openbaring in de kruisdood.
De naam van de berg wordt hier niet genoemd, maar deze wordt geïdentificeerd met de berg Tabor. Hoe het ook zij, de berg is plaats van openbaring van de verbondenheid van God met zijn mensen, de plek waar hemel en aarde elkaar ontmoeten en aanraken. Waar God de wereld verlicht.

In de lezing wordt Jezus opnieuw geopenbaard als de zoon van de stem die uit de wolk klinkt, teken van Gods aanwezigheid. Teken van de inwoning van God in de wereld. Jezus staat niet op zichzelf, maar in een traditie van openbaring. Gesymboliseerd door het motief van de berg en door de aanwezigheid van Mozes en Elia. Met andere woorden: Jezus staat in de traditie van de heilsopenbaring en de reddende en richtinggevende tussenkomst van God en Hij is verbonden met de wet en de profeten, die in hem oplichten. Wie en wat Jezus is wordt betekend door Mozes die de wet en het verbond vertegenwoordigt en de voorbode van de messiaanse tijd, de profeet Elia. Van beiden wordt verhaald dat zij respectievelijk op het gelaat van God gestorven zijn en in vuur ten hemel opgenomen. Als het ware onbemiddeld door de dood die gewone mensen overkomt.

Hoe wonderlijk dit alles ook mag klinken, laten we niet vergeten dat het in menselijke gestalte gebeurt. De menswording van Christus, zijn inbedding in wet en profeten en daarmee in de heils- en openbaringsgeschiedenis van God zeggen iets over ons menselijk bestaan. Met name de grotere werkelijkheid waarin ons leven staat en het perspectief ervan. Het verhaal is immers voor ons geschreven! En het loopt vooruit op Pasen.

Wat mag het ons dan zeggen?
Zoals Mozes ons duidelijk maakt is de gave van het verbond een licht dat ons van binnenuit verlicht en juist van daaruit de wereld verlicht. In Jezus, die in de lijn van Mozes staat, schijnt het licht van de eeuwige door. Wanneer Jezus zegt dat hij het licht der wereld is, is Hij ook daarin ons voor. Waar wet en profeten vlees en bloed worden, wordt God zicht, schijnt zijn licht door ons menselijk bestaan.
Daarin komen onze wereld en ook wijzelf op nieuwe wijze aan het licht en verschijnen daarin zoals bedoeld in het begin. Dat vraagt van ons een soort transformatie, minstens een bereidheid daartoe. Een verandering die op grond van die bereidheid en openheid in de ontmoeting met God aan ons geschiedt. Wij zijn op het Licht geijkt, zoals Oosetrhuis met zoveel woorden zegt.

Onder de paasverwachting zijn we getuigen van het nieuwe leven, dragers van het licht. We verlangen in dat licht te staan en worden uitgenodigd het ook te laten stralen. We zouden ons blijvend willen koesteren in dat licht en er tenten voor willen bouwen, het vasthouden. Maar dat is niet ons milieu. We leven in het halflicht, onze wereld. We kunnen wel verlangen naar het licht en er weet van hebben, maar als de leerlingen van Jezus moeten we naar beneden, naar waar de mensen zijn om daar te getuigen van het licht. We moeten leren de weg van het duister naar licht te gaan, de weg van de mens te gaan.
Zoals zo mooi beschreven in De kleine Johannes van Frederik van Eeden, als een weg naar volwassenheid ook. Aan het slot van het eerste deel staat: “Daar is de weg naar alles wat je wilt hebben. Daar, en hij wees naar het Oosten, waar de mensheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, waarin je geloofd hebt, maar ikzelf zal je begeleiden. Maak nu je keuze. Toen wendde Johannes langzaam zijn oog van het wenkende Windekind af en strekte de handen naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote duistere stad waar de mensheid was en haar weedom.”

De leerlingen dragen bij hun terugkeer naar de wereld de herinnering aan het licht en het getuigenis vanuit de wolk over wie Jezus is met zich mee als een bevrijdende en troostrijke boodschap voor een lijdende mensheid. God is licht en in dat licht worden ook wij licht. Daardoor is de wereld niet in duisternis gevangen, dat wil zeggen zonder perspectief en uitzicht, maar heeft zij toekomst. En met deze belofte gaan wij onze weg.

Het licht dat iedere mens verlicht, is zelf mens geworden. In Hem wordt duidelijk dat het licht de duisternis overwint en sterker is dan het absolute duister van de dood. Dat is de essentie van Pasen en de ultieme betekenis van ons bestaan. Het is de uitdrukking van Gods onvoorwaardelijke “ja” tegen ons leven. Dit “ja” is tevens de uitdrukking van Gods liefde voor ons, een liefde die ons kent en kennen blijft, ook en zelfs in de dood.

Liefde is de meest zuivere expressie van Gods licht. Liefde is het licht dat niet verblindt, maar juist de ogen opent voor Gods aanwezigheid. Augustinus zegt ervan dat liefde het enige is waarbij God als voornaamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt kan worden. Dus niet alleen “God is liefde”, maar ook “liefde is God”. Zozeer raakt liefde aan het wezen van God. Het gebod tot liefhebben stelt de maat aan alle menselijke betrekkingen.
“Met de liefde waarmee ik jullie heb liefgehad”, zegt Jezus, “moeten jullie ook elkaar liefhebben”. De liefde van God in Christus kwalificeert en normeert de menselijke liefde. Daarom zegt Hij: “met de liefde waarmee ik jullie heb liefgehad”. In die liefde immers brengen wij God aan het licht in onze wereld. “ziet hoe zij elkander liefhebben” is het beste getuigenis dat we kunnen geven van een door Gods licht doordrongen bestaan. Daarmee stellen we elkaar in Gods licht. Amen.

 top

 

Overweging 10 maart 2019 
dat verdraaide woord

Lezingen: Deuteronomium 5, 6-21; Romeinen 10, 8-13; Lucas 4, 1-13.
Als er iets is dat de lezingen verbindt, dan is dat wel het woord: het woord van leven dat ons, als leden van het volk van God, is gegeven; het woord dat we belijden en dat als echtheidsreferentie voor ons leven gebruikt kan worden; het gesproken woord waarvan we de betrouwbaarheid moeten wegen. Het is een tricky business. Het woord kan in dit verband een richtinggever zijn, een spiegel, een oordeel, een bedrieger en daarbuiten nog veel meer dan dat.


Dat de dingen zijn zoals ze genoemd worden is al lang geen borg meer voor een waarheidsdefinitie. En tegelijkertijd is het, helaas, een verrassend moderne vorm van geconstrueerde waarheid. Woord, en ook beeld trouwens, hebben allang hun onschuld verloren. Eigenlijk al vanaf het woord dat vanuit de paradijsboom is gesproken, al vanaf Babel, al zolang waarheid en bedrog bestaan. Voortdurend moeten we ons afvragen of het wel klopt, of het wel waar is wat getoond of gezegd wordt. Welke bedoeling, welk oogmerk schuilt er in de woorden? Hoe betrouwbaar is de boodschapper? Met de onschuld van het woord is ook onze onschuld verdwenen. Goed en kwaad zijn vermengd in ons aanwezig. Niemand is alleen maar goed en niemand is alleen maar slecht. Dat is geen poging om het goede en het kwade te relativeren. Het goede en het kwade moeten als zodanig benoemd blijven, anders is de chaos compleet. Het beschrijft alleen maar de mensen zoals wij zijn. Daarnaast kennen we ook mensen die in onze ogen puur goed zijn, in wie we geen kwaad kunnen ontdekken, en helaas ook mensen die in- en inslecht zijn.

Waar goedheid gericht is op de integriteit van het zelf, de ander en het andere, de geschapen wereld, is het boze gericht op aantasting van die integriteit. Het een is gericht op heelheid, het ander op verdeeldheid en gebrokenheid. En zij komen er ook uit voort.
We kunnen niet geheel verhinderen dat wij delen in die gebrokenheid en daarmee in de zondigheid van de wereld en de structuren ervan. Het zijn onze eigen verlangens en aandriften die ons ontvankelijk maken voor de vele verleidingen en mogelijkheden die ons omringen. We kunnen ervoor kiezen om ons in te zetten voor het leven, de toekomst, voor heelheid; maar ook voor kortstondigheid, verspilling, eigenbelang. En in de praktijk doen we een soort gemengd bedrijf, van alles wat.


In de Schrift kennen we een aantal beruchte en beroemde verleidingsscenes, en dan spreek ik niet over het Hooglied. De eerste is wel de verleiding van Eva door de slang in de paradijstuin. De verleider probeert ons van de wijs te brengen, van het goede voornemen af te halen, van de juiste weg af te leiden. Ten diepste en in religieuze zin, probeert de figuur van de verleider ons van onszelf weg te halen en van God te vervreemden. Waarbij de verleider altijd de veruiterlijking is van wat zich inwendig afspeelt.

Toch is de figuur van de diabolos, duivel, noch van de satan in de Schrift een zelfstandige kwade macht die concurreert met God. Er is geen macht naast God in het Joodse geloof en ook niet in het oorspronkelijke Christelijke geloof. Het zijn geen dualistische religies. De oude kerk heeft zich juist altijd verzet tegen godsdienstige stromingen die de wereld als het strijdtoneel van twee tegengestelde machten zagen: die van het goede en van het kwade, die van het licht en het duister, voorgesteld als twee onafhankelijke machten.
De duivel als kwade, en eventueel overweldigende, macht is meer een Middeleeuwse uitvinding. De satan is de figuur van de beproever die het morele gehalte van mensen op de proef stelt.  Maar bij beide blijft de macht uiteindelijk onderhorig aan God.  Misschien was het beeld van de duivel voor die tijd een antwoord op de vreselijke ellende waar men God niet verantwoordelijk voor kon houden, en hopelijk ook niet de menselijke zondigheid. Je kunt immers naar mijn oordeel niet leven in een wereld waar alle kwaad het gevolg is van menselijke zonde en alle goeds de werking van Gods genade. Dat breekt op den duur de relatie tussen God en mens af.


De geboden die het uit slavernij gevluchte volk werden gegeven in de woestijn, de plaats van beproeving, de plek van waarheid, geboden die we vandaag weer lezen, de tien woorden, de tien richtingwijzers, hebben ook alles met dood en leven te maken. Zij zijn gegeven opdat het volk het goed zal gaan in het land van belofte. Zij vertegenwoordigen een weg ten leven bij de naleving ervan en ten dode bij het verwaarlozen ervan. De keuze is aan het volk zelf.
We weten hoe het toekomstonzekere volk in de verleiding kwam om het op te geven, terug te keren naar de voedselpotten van Egypte of vertrouwde stierengod Baal te dienen. Hoe het God op de proef stelde en tegen hem  in opstand kwam. Het leven kan ons geloof danig op de proef stellen. We kunnen daarin tegen onszelf in kiezen voor voedsel en zekerheid. Als je al te kiezen hebt natuurlijk. Er zijn er velen die geen keuze hebben. Maar ook zij staan voor de taak zichzelf te bewaren in de omstandigheden van hun bestaan. Het is moeilijk om trouw te blijven aan jezelf en aan God. Maar de rechtvaardige die standhoudt in beproeving, heeft een groot geestelijk gezag.


In het evangelie is het Jezus die op de proef wordt gesteld. Ook hij is in de woestijn, 40 dagen vastend en biddend. Hij wordt beproefd in de drie grondrelaties: die met ons leven, die met de ander en die met God.
Het verhaal is naar mijn smaak archetypisch verteld. Het is het verhaal van de mens die de weg van God wil gaan, die zich een regel heeft gesteld en dan pas geconfronteerd wordt met alles in zichzelf dat dit tegenstreeft en hem beproeft. De woestijn, een plaats waar geen afleiding is, is de ideale plek om dit alles te openbaren en onder ogen te krijgen. Hetzelfde doet voor in een klooster, of tijdens een retraite. De woestijn is een confronterende leerschool.
40 is kennelijk een belangrijk getal: het volk liep 40 jaar door de woestijn voor het binnen kon trekken in het beloofde land; Mozes verbleef veertig dagen en nachten op de berg om de wet te ontvangen; Elia liep 40 dagen en nachten naar de berg Horeb om God te ontmoeten. Een zwangerschap duurt 40 weken. Wij vasten 40 dagen om met Christus te verrijzen. Veertig heeft kennelijk van doen met een levensweg, een weg ten leven. Leren leven kost een mensenleven lang.


De zaken waarin Jezus beproefd wordt, zijn die waarover de meeste oorlogen gestreden worden. Zaken die een essentiële rol spelen in menselijke relaties. Ook wij worden daarin op de proef gesteld en het is belangrijk voor het leven van de wereld dat we daarin goede keuzes maken.
Het gaat om voedsel en grondstoffen voor ons leven. Schaarste leidt tot oorlog en strijd. Het is goed om te beseffen dat de voedsel- en grondstoffenschaarste niet altijd een natuurlijke schaarste is, maar een die alles te maken heeft met politiek en toe-eigening. Die schaarste elders is dan het gevolg van een overvloed op andere plaatsen. Het heeft te maken met de gerechtigheid die wordt aangeduid in het bidden om het dagelijks brood. Niet meer voedsel nemen dan je nodig hebt, zodat er ook voor anderen voldoende is.
De tweede beproeving heeft te maken met macht, met territorium en marktaandeel. De wil om te domineren, en groter en machtiger te zijn dan de ander, maakt een einde aan de menselijke relatie zoals die bedoeld is. Essentiële waarden als veiligheid en vrijheid gaan erdoor verloren. Het tast het weefsel van de samenleving aan. Als zodanig staat het haaks op de relaties binnen het koninkrijk van God waarvoor wij dagelijks bidden.
Uitverkoren zijn als kinderen van God is geen exclusief recht. Het verheft niet boven anderen. Uitverkiezing is een belofte, en ook een opdracht, die voor ieder mensenkind geldt. Het is universeel, katholiek in de ware zin van het woord. God uitdagen om voor jou persoonlijk te kiezen is zijn universele liefde toe-eigenen en aantasten. Je moet God niet op de proef stellen om een keuze te maken tussen het ene kind en het andere. Dat kun je als ouder niet. Het idee van exclusieve uitverkiezing en daarmee van mijn God tegenover die van jou, mijn godsdienst en mijn ideologie tegenover die van de ander, of de anderen, is oorzaak van bloedige en zo volstrekt onnodige strijd. Er is liefde genoeg voor ons allemaal. De Naam van God eren is getuigen van zijn universele liefde.

Veertig dagen hebben wij onszelf gegeven om daarbij stil te staan. Om te overwegen hoe wij zelf omgaan met die drie essentiële relaties. Om te vasten, dat wil zeggen: te leren niet meer te nemen dan we nodig hebben, om te leren onze plaats en verantwoordelijkheid in het geheel te zien en in te nemen.
En om te bidden dat we niet in de verleiding komen om willens en wetens de verkeerde keuzes te maken. Amen.

top

  

Overweging 3 maart 2019 
Integriteit


Lezingen: Jeremia 7, 1-15; 1Korintiërs 15, 50-58; Lucas 6, 39-49.
Op vele plaatsen in het land, met name onder het Roomskatholieke volksdeel, wordt deze dagen carnaval gevierd. Het is een heel complex feest in zijn oorsprong, maar het algemeen kenmerk is dat het een feest van omkering is op verschillende niveaus. En dat is natuurlijk in religieuze zin een aardig gegeven.
In de oudste vorm van een paar duizend jaar geleden is het een feest van een aantal dagen waarin de maatschappelijke verschillen worden opgeheven. Of zelfs de rollen worden omgedraaid. Slaven maken grappen over hun meesters. Dat leert mensen om zich niet met hun maatschappelijke functie te vereenzelvigen, een functie die immers ook aan een zijden draadje kan hangen en afhankelijk is van het politieke klimaat en van degene die dan toevallig aan het bewind is. Het feest werd op die wijze kennelijk gevierd van het oude Mesopotamië tot in de tijd van het Romeinse Rijk.
Het feest is ook bekend geworden als een heidens voorjaarsfeest. In het voorjaar vindt immers ook een omkeer plaats van de winter naar een nieuwe opbloei in de natuur. Van ogenschijnlijke doodsheid naar nieuw leven.
Onder invloed van de weerbarstigheid van volksgebruiken is het feest ondanks aanvankelijke kerkelijke weerstand gekerstend als een inleiding op de vastenperiode. De houding van de roomskatholieke kerk is lange tijd ambivalent gebleven, getuige daarvan de instelling van het veertigurengebed. Veertig uur ononderbroken aanbidding van het in een monstrans uitgestelde heilig sacrament als tegenwicht voor de losbandigheid.
Bij carnaval hoort al eeuwen lang een verkleedpartij. In het Bourgondisch carnaval draagt iedereen traditiegetrouw een eenvoudig kostuum, veelal een boerenkiel met rode zakdoek. Iedereen dezelfde outfit. In het Rijnlands carnaval zijn de kostuums en de maskers gevarieerder en meer uitgewerkt. Bij het een gaat het om de principiële gelijkheid van mensen. Bij het ander meer om in de maskerade zich los te kunnen maken van de dagelijkse rol en in vrijheid zichzelf te kunnen zijn, waarbij juist door de maskerade ook het maatschappelijke onderscheid wegvalt.
Bij het carnaval houdt ieder de ander een spiegel voor. We zijn allemaal in de eerste plaats mensen en het masker dat we dragen herinnert aan het masker dat we dagelijks dragen in de rol die we spelen in het maatschappelijk domein. Het maakt duidelijk dat die rol ons niet tot een beter of belangrijker mens maakt.

Onder de maskerade en de schmink gaat het om wie we echt zijn. Het gaat niet om losbandigheid en teugelloos genot. Ook al menen sommige toeristische feestvierders, achter hun maskerade verscholen als misdadigers achter een bivakmuts, zich van alles te kunnen permitteren en zichzelf daarin te verliezen. Dat is verre van het wezen van carnaval.

Carnaval staat bij ons aan de vooravond van de veertig dagen van omkeer.  Niet zelden spreekt men over vasten- of vastelavond, de avond voor de vasten. De vasten als een periode die ons leert en laat zien wie we echt zijn in religieuze zin. De zoektocht door de woestijn van onze dagelijkse rollen en maskerades naar de integriteit van onszelf. Naar onze heelheid. Naar nieuw leven, opstanding, oorspronkelijk bestaan. En noem de termen maar die ons verlangen naar echtheid en heelheid tot uitdrukking brengen.

Naar mijn smaak is dat het eigenlijke onderwerp van de lezingen van vandaag. De splinter en de balk waarnaar deze zondag genoemd wordt is daar slechts een onderdeel van. Hypocrisie is het gevolg van gebrek aan heelheid en integriteit. Het gaat erom dat je bent zoals je je voordoet, en ook dat je je voordoet zoals je bent. In christelijke zin voegt zich daar nog een dimensie aan toe. Namelijk het beeld van de mens die we in gelovige zin zijn. Onder het kostuum van de sterfelijkheid schuilt de onsterfelijkheid en achter het mom van ons dagelijks vertoon gaat het beeld van de eeuwige schuil. Het sterfelijk bestaan is het dodenmasker waarachter het gelaat van de Levende zich openbaart.

Misschien klinkt dit allemaal te poëtisch. Ik troost me met de gedachte dat Paulus niet anders doet in zijn brief aan de Korintiërs, wanneer hij spreekt over de overwinning op de dood en de bekleding met onsterfelijkheid. Het gaat er maar om dat we doordrongen raken van het besef dat we het Leven in ons dragen. En dat we het deelachtig worden wanneer we ons ernaar ge-dragen. Wanneer we leven in overstemming met de belofte.

Misschien mogen we de opgang naar Pasen ook wel zien als een spirituele reis. Een bewustwording van de mens die we mogen zijn. En die reis begint ermee dat we afstand nemen van het ‘grootscheeps doen’ waarmee we onszelf zand in de ogen strooien (zie gedicht Burgers van A.R. Holst). En ons de vraag te stellen: “Is onze liefde groot genoeg om te leven naar het woord dat ons in het hart is gelegd?” We hoeven ons niet te vergelijken met onze naaste. We kijken in de spiegel die Christus is en proberen eerlijk te zien wat zich voordoet. We leggen het masker af, want er is niemand anders die meekijkt. Het is geen social medium dat vraagt om het mooier te maken dan het is. We moeten beginnen om af te leren iemand anders te willen zijn. Dan kunnen leren ons zelf te worden en te groeien tot wie we kunnen zijn in het licht van ons geloof. Groeien in heelheid. 


Heelheid is niet hetzelfde als perfectie. Volmaaktheid is een abstractie, geen realiteit. Onze heelheid bestaat erin dat we leven in overeenstemming met onze bedoeling, dat we worden wat we onder inwerking van Gods geest mogen zijn. Groeien in liefde voor onszelf, onze medemens en voor God. Eigenlijk ook in die volgorde. Wanneer die liefde niet in ons is, kunnen we niet goed zijn voor elkaar. We kunnen dan geen liefde geven en geen liefde ontvangen. Het evangelie maakt er geen geheim van. In een aantal vergelijkingen maakt het duidelijk dat we geen andere vruchten kunnen voortbrengen dan dewelke in ons hart groeien. Het evangelie legt ook hier de nadruk op de daden en niet op de belijdenis. Heel samengebald in de woorden die de Heer in de mond worden gelegd: “wat noemen jullie mij: Heer, en doen niet wat ik zeg?” Wanneer we de Naam van de HEER belijden, zijn we genoodzaakt in overeenstemming met die Naam te leven. Zo niet, dan getuigen de daden tegen ons. Dat is geen oordeel, maar een consequentie.

Dit klinkt allemaal, hoe waar ook, misschien wat streng. Er is nog een andere, misschien vreugdevollere, kant. Ik haal nog even de carnaval aan, waarvan een mevrouw me laatst zei: “wanneer ik een pakske aanheb en geschminkt ben, kan ik lekker mezelf zijn”. Ik vertaal dat even als: “wanneer ik een ander ben, kan ik fijn mezelf zijn”. Een uitdagende uitdrukking, bijna als een koan, een zenraadsel.

 

Wat zou het kunnen betekenen wanneer we het gelovig interpreteren? Wanneer we aan onszelf gebakken blijven kunnen we niet onszelf worden. Zoals in de Korintebrief staat: “Vlees en bloed kunnen het koninkrijk van God niet beërven”. Verderop staat: “wij zullen veranderd worden”.
Het is precies die spanning van eigen en ander waar het om gaat. Onze identiteit is niet de fictie van onze individuele eigenheid, maar de relationaliteit van ik en de ander. Door de ander worden we ons zelf. In Christus word ik wie ik ben, ben ik vrij om mezelf te zijn en te worden. In Hem leren we om onszelf los te laten om ons zelf te vinden. Dit paradoxale vinden we in alle grote spirituele stromingen. Jezus doet het aan het kruis, waar Hij zijn leven loslaat om de Losser te zijn van ons leven: het loslaten van jezelf om te worden wie je bent in extremo. Door zijn leven te geven, vervult Hij het en wordt Hij wie Hij is voor ons.
Voor ons zal dat minder dramatisch zijn. Maar wanneer we onszelf niet definiëren in onszelf, maar in relatie,  en onze identiteit als gemeenschap, zijn we al een heel eind op weg. Naarmate we de ander meer toelaten in ons leven, worden we meer onszelf. Dat is de ver-andering. Merkwaardig, nietwaar? Maar, zoals Paulus schrijft: ‘’het is een geheimenis. Maar niet een geheimenis die verborgen is, maar één die geopenbaard is. Amen.
 top

 

Overweging 24 februari 2019 
Mattias apostel, gekozen als getuige

Lezingen: 1Samuel 2, 27-35; Handelingen 1, 15-26; Johannes 15, 1-8.
Het is duidelijk dat voor het apostelfeest van Mattias de lezing uit de Handelingen van de Apostelen centraal staat. De lezing uit Samuel en ook in dit geval de lezing uit het Evangelie zijn erbij gekozen. Zij versterken de omstandigheden waarin Mattias gekozen wordt en de tegenstelling met Judas Iskariot.

In de eerste lezing wordt de priester Eli en diens zonen de belofte ontnomen die aan het huis van Eli en zijn nakomelingen was gegeven met betrekking tot de zorg voor de offergaven in de tempel. Zij misbruiken hun taak voor eigen gewin en worden uit hun functie gezet. Daarbij zegt de Eeuwige in hun plaats een betrouwbare priester aan te stellen die zal handelen naar Gods hart en in diens geest. Wat voor iedere gelovige geldt, is zeker van toepassing op de ambtsdragers. De betrouwbaarheid van hun getuigenis, hun verkondiging, hangt af van de mate waarin zij erin slagen te handelen naar het hart en de geest van God tot wiens dienstwerk zij geroepen zijn. Wanneer zij hun functie misbruiken voor eigen doeleinden beschadigen zij het fundament van menselijke relaties, het geloof in een betrouwbare God en het wezen van de kerk. De in dit verband veelgehoorde bekommernis om het aanzien van de kerk is de facto verraad aan het wezen van de kerk.
Het wezen van de kerk is gericht op heelheid en verzoening. Dat impliceert dat er altijd sprake is van gebrokenheid en zondigheid. We zijn allen immers heiligen en zondaars. Het aanzien van de kerk wordt niet zozeer geschaad doordat er zondaars zijn, maar door de wijze waarop de kerk ermee om gaat. Handelen naar de geest en het hart van God houdt zowel gerechtigheid als barmhartigheid in.
De onnozele handelwijze van Eli en zijn zonen en de arrogantie om te denken dat ze ermee weg komen, snijden hen af van de belofte en daarmee van hun toekomst in de nabijheid van God. Ik denk dat de toekomst van de kerk als relevant geestelijk instituut gebaat is bij oprechte bekering in woord en daad en bij een authentiek getuigenis.

Dit lijkt ook een belangrijk criterium bij de keuze van Mattias en Barsabbas.
De Handelingen van de Apostelen vertellen ons het verhaal van de wederwaardigheden van de apostelen na de dood van Jezus. In eerste instantie waren de leerlingen verweesd. Maar kennelijk begrepen ze al snel hun taak om de zending van Jezus voort te zetten. Een van hen had Jezus overgeleverd en was daarna verongelukt, dan wel had zichzelf van het leven beroofd door ophanging. Het hangt ervan af welk verhaal je leest. In ieder geval is Judas de Iskarioot overleden. De leerlingen van de inner circle voelen aan dat het nodig is om het symbolische getal van de twaalf vol te maken.
Het criterium dat zij voor zo iemand vaststelden is dat het iemand moest zijn die vanaf de doop van Jezus tot zijn verrijzenis bij het getal van de leerlingen had behoord. Al waren er ook vele vrouwen die Jezus van het begin af gevolgd waren en die ook getuige waren van zijn verrijzenis, worden er alleen mannelijke leerlingen gekozen. Er zijn twee kandidaten Josef zoon van Saba, bijgenaamd Justus, en Mattias (hebreeuws Mattatja dat is Godsgeschenk). Over hen wordt na gebed een godsoordeel gevraagd. Het mag tenslotte niet alleen mensenwerk zijn. Het is God die mensen roept, zo zingen ook wij in gezang 733. En het lot valt op Mattias. Hij wordt de nieuwe twaalfde apostel. Daarmee is het symbolische getal van het nieuwe godsvolk dat de kerk met vallen en opstaan  is, weer compleet.

In verband met de keuze van Mattias zingen we ook psalm 16. “De meetsnoeren vielen mij op kostbare grond, hoe bekoort mij mijn erfdeel”. Lot wordt hier niet gezien las toeval. Wat voor ons toeval is, is in de beleving de wijze waarop God werkt. Het wordt gezien als een gebeuren waar de mens geen aandeel in heeft, wat voor heem aan hem geschiedt. En dat wordt dan in verband gebracht met God. Helemaal zonder probleem is dat natuurlijk niet. Het lot is immers in onze ogen ook een irrationele macht, zonder recht en rede. Het is geen relationeel begrip, terwijl God dat nadrukkelijk wel is. Het lot als een soort voorbestemde situatie waarin je terecht komt (dit is nu eenmaal mijn lot), is toch iets anders dan een loterij winnen. Het lot is verbonden met machteloosheid en uitverkiezing. Het is een manier om de werkelijkheid te benoemen die we niet zelf hebben gekozen of gecreëerd.
Het lot heeft het aspect van hetgeen je toevalt, wat je wordt toebedeeld. Dat is dan ook je opdracht. Je moet je er hoe dan ook toe verhouden. Ook al heb je er niet voor gekozen, je moet er iets mee; in zoverre word je erdoor bepaald. Je bent hierin niet de auteur van de gebeurtenis, maar wel van de reactie erop.
Nu zijn er nogal wat gebeurtenissen waar we geen aandeel in hebben, maar waarmee we wel moeten omgaan. Dramatische en minder dramatische gebeurtenissen. Ziekte, een ongeval, een lawine; maar ook een willekeurige ontmoeting, de zang van een vogel bij een ochtendwandeling. Bij al die gebeurtenissen gaat het om onze reactie, hoe we de gebeurtenis ontvangen. Ook al beleven we het niet als geschonken uit Gods hand, en kunnen dat in veel gevallen ook niet zo ontvangen. Dan komt het erop aan hoe we ons als mens tonen en of we als gelovig mens in verbondenheid met God kunnen blijven leven. Kortom waarvan je in je leven wilt getuigen. Niemand heeft de regie van zijn leven volledig in handen, maar we worden wel beoordeeld op de manier waarop we ermee om gaan. Wie we zijn wordt zichtbaar in de keuzes die we maken.

Mattias staat symbool voor de nieuwe leerling, de nieuwe apostel, degene die erbij gekozen en gekomen is. In die zin is het een willekeurig iemand, een godsgeschenk. Iemand die door de doop en de verrijzenis is getekend. En op grond daarvan geroepen is om in de wereld getuigenis af te leggen van de hoop en de belofte die daarin gegeven zijn.
Met een grote stap kun je zeggen dat ook wij door doop en verrijzenis zijn getekend en geroepen tot getuigenis in de wereld. Een wereld die verre van perfect is, een leven dat ook onder gebrokenheid te lijden heeft; juist daarin is nood aan een relevant en geloofwaardig getuigenis van het perspectief waarin ons leven staat.

Het getuigenis moet authentiek en oprecht zijn, nauw verbonden met het leven. En dat kan alleen maar wanneer de getuige leeft in nauwe verbondenheid met God en waar deze voor staat. Los van God leggen we alleen getuigenis af van onszelf. Liefde, verlangen, hoop, belofte, geloof gedijen maar in die relatie die ons uittilt uit het stof en het ik van ons mensbeeld. Die relatie redt ons van de willekeur van het leven en van een slachtofferschap. Niet door de gebeurtenissen te veranderen, maar door ons de kracht en het geloof te geven dat we er niet ten volle door bepaald worden, maar ons ertoe kunnen verhouden.

 

Heel veel daders van misbruik nemen een slachtofferrol aan door een “het” te introduceren dat sterker is dan zij.
Voor de gelovige is er geen het. Bij al onze vragen komen we God tegen en daarmee het appel om hoe dan ook in zijn liefde te blijven. Wat de beproeving ook is waaronder we te lijden hebben. Juist daarin bewijzen we dat we mensen van God zijn, in de manier waarop we met onze zondigheid en beproevingen om gaan. Dat zijn beproefde getuigenissen en daarmee zijn authentiek en geloofwaardig. Amen. 

 Top


Overweging 10 februari 2019 

en toch geroepen 

Lezingen: Jesaja 6, 1-8;1Korintiërs 15, 1-11; Lucas 5, 1-11.
Misschien ligt het wel voor de hand om bij de overweging uit te gaan van dat wonderlijke gebeuren in het evangelie. In het centrum van de tekst lezen we hoe Simon gevraagd wordt naar het diepe te varen en de netten uit te werpen. Hij doet het, ondanks het gegeven dat hij de hele nacht niets gevangen heeft. Maar nu is de vangst overvloedig, zodat ook de boot van de collega’s overvol is. Spectaculair natuurlijk.
Het evangeliegedeelte dat we gelezen hebben, is een soort drieluik. Jezus die in een bootje onderricht geeft, de wonderbaarlijke visvangst en de roeping door Jezus van de vissers. De aandacht wordt getrokken door wat het meeste ontzag inboezemt, het middenpaneel met die enorme vangst. Maar de betekenis ervan wordt gegeven door de zijpanelen.
Het eigenlijke wonder ligt dus misschien wel ergens anders. Wanneer zij terug aan wal komen, wordt er immers met geen woord meer over de vangst gerept. Integendeel, zij kijken er niet meer naar om, zij laten alles achter en volgen Jezus. Maar tegen Simon in het bijzonder wordt gezegd dat hij voortaan visser van mensen zal zijn.
Dat het in de tekst van Lukas om iets anders gaat dan om het wonder van de vangst, hebben de samenstellers van het lectionarium ook goed begrepen. We lezen drie verhalen die een gemeenschappelijk kenmerk hebben. In elk van de drie is sprake van een wonderlijke gebeurtenis die betrekking heeft op een persoon die een roeping ontvangt en bij alle drie de personen zien we een vergelijkbare reactie.

In het eerste verhaal lezen we over de roeping van Jesaja tot profeet. In een visioen ziet hij de Eeuwige op een troon, omringd door serafijnen. Hij wordt door ontzag bevangen en realiseert zich dat hij een mens met onreine lippen is. Dit gegeven loopt al vooruit op zijn roeping tot profeet. Een profeet wordt immers verondersteld de woorden en bedoelingen van de Heer zuiver over te brengen op het volk. Zijn lippen worden aangeraakt door een engel van de Heer en hij wordt gereinigd. Dit geeft hem het vertrouwen om op de uitnodiging van God in te gaan. Hij wordt een groot profeet.

In de tweede lezing is Paulus aan het woord. In eerste instantie lijkt het erop dat hij zichzelf nogal sterk poneert. Ik ken nogal wat mensen die Paulus een beetje opgeblazen en hoogmoedig vinden. Toch is hij dat niet. Ook hij is als leraar van de volken een profetisch en geïnspireerd mens. Hij vertelt over zijn eigen roeping. Hij begint te zeggen dat hij alles wat hij verkondigt, zelf van overlevering heeft ontvangen. Hoe Christus na zijn verrijzenis verschenen is aan de leerlingen, ten eerste aan Kefas, Petrus. En als laatste aan hem, de christenvervolger. We kennen het verhaal van de bekering van Paulus op de weg naar Damascus. Door de ontmoeting met de Heer wordt Paulus totaal van zijn stuk gebracht. In de tekst hier noemt hij zich de geringste van de apostelen. Desondanks verkondigt hij het evangelie. Alleen door Gods genade is hij wat hij is. Niet hij predikt, maar de genade in hem. Dat laat geen ruimte voor valse bescheidenheid, netzomin als de roeping van Jesaja hem ruimte laat voor alleen maar aangename woorden. Beiden zeggen wat gezegd moet worden. Niet op eigen gezag, maar op het gezag van de Heer zelf die door zijn Geest in hen werkzaam is. Zo is Paulus een pilaar van het christendom geworden. De begenadigde misgeboorte.

In de evangelietekst is het Simon, de latere Petrus, die door de enorme vangst ineens zich realiseert wie hij eigenlijk in zijn boot heeft. En de gebeurtenis waardoor hij zich dat realiseert is tegelijkertijd de metafoor voor de opdracht die bij zijn roeping hoort. Ook hij wordt in eerste instantie overdonderd en geconfronteerd met wie hij in zijn eigen ogen is. Het “ga weg van mij” van Simon is echter precies de opening waardoor Christus hem nabij komt. Zijn verdeemoediging opent de mogelijkheid voor zijn roeping en taak. Om mensen in geloof bijeen te brengen en te behouden. De rots waarop Christus zijn kerk wil bouwen.

Drie mensen die van zichzelf helemaal niet zo’n hoge pet op hebben. Die eerder onzeker zijn en zich niet in staat voelen te doen wat van hen gevraagd wordt. En dat is nu juist zo bemoedigend voor ons. Het betreft niet mensen die geroepen zijn tot hun taak omdat ze zo perfect waren. Op het moment van hun roeping hadden ze zich helemaal nog niet ontwikkeld tot hun latere statuur. Zij worden maar wie ze zijn doordat zij zich openen voor het onverwachte en het onbekende. Zij blijven niet opgesloten zitten in hun rol, maar laten zich, onzeker en wel, openen voor wat zij kunnen zijn. Niet op eigen kracht, maar door Gods genade.

Van deze verhalen kunnen we een aantal dingen opsteken:
De ontmoeting met God is ook altijd een confrontatie met jezelf. Het is als een spiegel.
Door die ontmoeting kijk je ineens met andere ogen naar jezelf. We herkennen dat vast wel. Je bent in je oudste kleren in huis bezig en er wordt gebeld. De bisschop staat voor de deur. Wat goed genoeg was voor het werk in huis ziet er ineens anders uit. Je kijkt ineens met andere ogen naar jezelf. Bij Jesaja zie je hetzelfde gebeuren. Onder de blik van God ziet hij zich ineens als iemand met onreine lippen. Paulus als de vervolger en misgeboorte. Petrus als een zondig mens. Hun vanzelfsprekende rol van huisvader en ambachtsman, van geleerde en van visser wordt door de ontmoeting met God opengebroken. Door deze manier van met andere ogen naar zichzelf kijken zien zij in de eerste plaats hun beperkingen. Zij zien niet in zichzelf wat God in hen ziet, maar door die andere blik wordt wel de vanzelfsprekendheid van hun eigenbeeld opengebroken. En ontstaat er de mogelijkheid voor een nieuw zicht op hun werkelijkheid en een nieuw inzicht in henzelf.

 


Daarnaast laten de verhalen ons zien dat God echte mensen roept. Hij heeft mensen nodig van vlees en bloed. Met hun makken en hun mogelijkheden. Wat zou de werking van Gods genade in ons zijn, wanneer we allen briljant en volmaakt waren?  Eerder in deze eerste Korinthebrief schrijft Paulus in het eerste hoofdstuk: “denk eens aan jullie roeping, niet velen waren wijs, niet velen machtig of van hoge afkomst”. Als er alleen voorname, wijze en machtige mensen geroepen zouden zijn, gaan de verhalen niet over ons. Terwijl de roepingsverhalen juist wel ook over ons gaan en moeten gaan. Wij worden aangesproken en geroepen. Het gaat vandaag om ons antwoord. Wat zeggen wij in de ontmoeting met de Heer? Zonder onze inzet en zonder ons geloof in de blijde boodschap valt het Woord van de Eeuwige stil. Wordt het in onze samenleving niet meer gehoord. Klinkt het niet langer in de gemeenschap van mensen. En dan gaat het er niet om of we dat woord in het Grieks of Hebreeuws correct kunnen uitspreken, of als machtswoord kunnen opleggen, of als een elitaire boodschap voor de happy few presenteren. Het moet alledaags, verstaanbaar mensenwoord zijn, doorgeest door de levenservaring van echte mensen. Dat maakt indruk en dat is geloofwaardig.

En er is nog een derde aspect:
Wanneer Augustinus het evangelieverhaal zou lezen, zou hij daar een mooie uitleg aan geven. Ik denk ongeveer als volgt.
Het bootje waar Jezus in gaat zitten is de kerk die op het water van de wereldgeschiedenis met al zijn wisselingen en onzekerheden drijft. Het is in de ruimte van de kerk dat Christus zijn boodschap verkondigt. En vanuit de kerk klinkt het voor ieder die horen wil. Maar om de boodschap vruchtbaar te laten zijn moet je niet aan de oppervlakte blijven. Je moet het diepe in durven gaan. Waar de leerlingen zelf niet in staat zijn om vruchtbaar en succesvol te zijn, lukt hun dat wel met de aanwezigheid van Christus in hun midden en ook alleen maar dankzij die aanwezigheid. Zonder Hem tasten zij in het duister, de nacht, maar met Hem is het dag geworden en zien zij helder. Christus onthult voor hen mogelijkheden die zij zelf niet waarnemen.  Zo kan het woord dat Christus tot hen spreekt overvloedig vrucht dragen.
Jezus ziet meer in Simon dan hijzelf ziet. Onder de oppervlakte van de stamelende visser ziet Jezus de rots waarop hij zijn kerk wil bouwen. Niet eens zo’n super solide rots, maar een die wankelt en soms verraderlijk blijkt. Geen perfecte rots, maar wel goed genoeg, juist in zijn imperfectie. Het is een menselijke rots. Deze manier van kijken nodigt ons uit om anders naar onze medemensen te kijken. Namelijk als mensen waarin God tot uitdrukking wil komen. Als mensen waarover altijd meer te zeggen valt dan wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Het nodigt ons uit om met de ogen van Jezus naar onze naasten te kijken. En dan zien we andere dingen!
Dat geldt natuurlijk ook voor onze houding ten opzichte van onszelf. Niet zelden denken we dat we niet goed genoeg zijn voor God. Onzin! De hemel verheugt zich over iedere zondaar die zich bekeert, meer dan over 99 rechtvaardigen die, ogenschijnlijk,  geen bekering nodig hebben. Dat wil overigens niet zeggen dat we alleen maar zondaars zijn. We zijn mensen, en dat is goed genoeg. Mensen die mogen groeien in menselijkheid.
Ik denk dat dat zowat het moeilijkste is om als mens te doen. Dat lukt ons ook niet wanneer we alleen maar met onze eigen ogen naar ons mensenbestaan kijken. Maar wel wanneer we ons leven in het licht van Christus bezien en er met de blik van Christus naar kijken. Hij immers heeft ons bestaan opengebroken naar nieuwe en onbekende mogelijkheden. Zijn liefde voor ons laat ons groeien tot de volheid van de Christus, de nieuwe mens. Amen.

 top

 

Overweging 27 januari 2019
Het licht van de messias


Lezingen: Maleachi 3, 1-4; Hebreeën 2, 14-18; Lucas 2, 22- 38.
Vandaag vieren we de Opdracht van Jezus in de tempel. Het is een mooie scene in het Lucasevangelie. Een vader en een moeder met hun eerstgeboren kindje in de tempel, twee duiven, een tot tranen geroerde oude man en een vrouw op hoge leeftijd die de belofte verkondigt die dit jonge leven inhoudt.
Het is een mooi menselijk gebeuren, maar voor de goede verstaande biedt het verhaal meer. De vreugde van Simeon is meer dan de ontroering van een grootvader en de vervoering van Hanna is de kroon op de toewijding van een lang kinderloos leven in dienst van de tempel. Voor beiden is het de vervulling van een wachten, een wachten op Hem. In hen en over hen heen verwijst het verhaal naar de geschiedenis van het verbondsvolk Israel, het theologische Israel, niet het staatkundige Israel.
Het hele verhaal staat in het teken van de geschiedenis van de belofte die God aan zijn volk en zijn volk aan hun God bindt. Simeon en Hanna leven dagelijks in het bewustzijn van die belofte en richten er hun leven op in, door rechtvaardig, vroom, toegewijd en profetisch, dat wil zeggen daadwerkelijk naar God verwijzend, te leven.
De lezing begint met: ‘toen de dagen van hun reiniging volgens de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij, namelijk Jozef en Maria, Jezus naar Jeruzalem om hem aan de Heer voor te stellen’.

Het gebod met betrekking tot reiniging betreft met name de moeder. We kennen het misschien nog wel als de kerkgang. In de Joodse wet, zo staat het in Leviticus 12, 1-8, is een vrouw na de bevalling van een mannelijk kind zeven dagen onrein, op de achtste dag wordt het kind besneden. Daarna is een periode van 33 dagen van reiniging en op de veertigste dag is de vrouw weer rein. Na de geboorte van een meisje is dat respectievelijk veertien dagen en 66 dagen. Mijn excuses voor het impliciete seksisme in de Schrift. Voor het reinigingsritueel biedt zij de priester een eenjarig lam aan, of wanneer zij dat niet kan betalen twee tortels of twee duiven als offer. Na de periode van de tempel en het verdwijnen van het offerritueel  is er de verplichting van een ritueel bad op de veertigste dag. Dit kan bij elke synagoge. Na de verwoesting van de tempel zijn er geen offers en geen priesters meer. Blijkens het tempelritueel in ons verhaal van offer en reiniging is onze tekst van Lucas zo geschreven dat het dateert van voor de verwoesting van de tempel in het jaar 70 door Titus. Wat niet betekent dat de tekst ook zo te dateren is. Dat is namelijk niet het geval.


Er staat dat Jozef en Maria Jezus naar Jeruzalem brachten om hem aan de Heer voor te stellen. Daarmee vervullen zij een heel belangrijk gebod dat verbonden is met de meest dramatische gebeurtenis uit het vroege leven van het volk Israël. In plaats van ‘voorstellen’ zou het beter geweest zijn om te vertalen ‘presenteren’. Elke eerstgeborene, wanneer het na een maand levensvatbaar blijkt, moet opgedragen worden aan de Heer. Dit gaat terug op het begin van de uittocht uit Egypte. De bevrijding van het volk uit het slavenhuis is niet zonder slag of stoot gegaan. Het kostte heel wat om farao te overtuigen om de Israëlieten te laten gaan. Misoogsten, ondrinkbaar water, muggen- en sprinkhanenplagen, de pest. En tenslotte de dood van alle eerstgeborenen. “Er was geen huis zonder dode” staat in Exodus 12,30. Wat een prijs voor bevrijding! Er zijn conflicten in de wereld waarbij deze prijs nog steeds betaald wordt
Het bloed van de eerstgeborenen van Egypte, vormt een ereschuld voor Israël. Daarom zegt de Heer tegen Mozes al voor de uittocht, in hoofdstuk 13 vers 2 van Exodus,  “Wijd alle eerstgeborenen aan Mij; alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe”. En verderop staat: “En als uw kind u later vraagt wat dit betekent, dan moet u zeggen: ‘De Heer heeft ons met krachtige hand uit Egypte geleid en toen farao halsstarrig was heeft Hij hem geslagen in de eerstgeborenen. Daarom koop ik al het eerstgeborene van het mannelijk geslacht vrij’”. Dit is een instelling en gedachtenis voor alle generaties. Om te gedenken dat hun vrijheid gekocht is met het bloed van de eerstgeborenen van het volk dat hen onderdrukte. De eerstgeborenen die het kostbaar teken zijn, ook voor Israël, van de voortgang der generaties, van de toekomst.

Wat in het verhaal van Lukas gebeurt is een Pesachgedachtenis. Dit vindt plaats in Jeruzalem, plek van dood en doorgang van de Heer die hier als kind aan God wordt opgedragen. En die als eerstgeborene zijn bloed zal vergieten voor de bevrijding van zijn Godsvolk.

De politieke omstandigheden van Israël waren vanaf de jaren veertig verre van gunstig. Er was strijd tussen de verschillende facties in het volk zelf, die van mening verschilden over de houding ten opzichte van de bezetter. De militante vleugel van de Zeloten pleegde aanslagen op  openlijk gematigde en tot samenwerking met de bezetter geneigde leiders. De belastingdruk was door de corruptie van de procuratoren hoog. De inmenging van de bezettende overheid in godsdienstige aangelegenheden, tot de benoeming van de hogepriester toe,  onaanvaardbaar. De onvrede onder het volk nam toe evenals het verlangen naar bevrijding. De Romeinse represailles bleven niet uit.
In deze hele concrete setting laat Lukas Simeon getuigen van de vervulling van de hoop. Het is voor ons moeilijk te beseffen wat dat betekent. Alsof je midden in de ellende van een uitzichtloos bestaan zou zeggen: “nu hebben mijn ogen het licht gezien. Nu zie ik redding en perspectief. Nu komt het goed”
In die zin mogen we de ervaring van Simeon bij het zien van Jezus begrijpen. Ineens zag hij de Messias, de hoop van Israël, voor zich. Het licht van de Messias komt in de tempel. Hij die de nieuwe tempel bouwt en die het verloren licht van de schepping weer in de wereld brengt. Want dat is wat de Messias doet. De wereld aan het licht brengen. En een nieuwe Thora verkondigen, dat wil zeggen de grondslagen van Thora onderwijzen. Dat maakt Hem Licht der wereld en Leraar van Thora.    
En Hanna vertelt het aan ieder het maar horen wil, aan allen die de verlossing van Israël verwachtten.


Het menselijke moment van twee mensen die naar de wet hun kind opdragen en een offer tot reiniging brengen, wordt geplaatst in de bevrijdingsgeschiedenis van God met zijn volk. Tegelijk is dit moment een opening naar alle volken. De Messias heeft immers betekenis, niet alleen voor Israël, maar voor alle volken. Gods heil en bevrijding voor Israël zijn niet te isoleren van het heil voor heel de mensenwereld.

Net als die van Simeon zijn onze ogen oud. Dat wil zeggen: zij zijn oud geworden en moe  door het zien van te veel ellende. Kunnen we nog wel tekenen van hoop zien? Zien wij nog licht? We moeten het, als we naar de enscenering van het verhaal kijken, kennelijk niet te ver zoeken. Maar in het kleine dat zich aan ons voordoet, dat ons in de schoot valt. Juist in ogenschijnlijk hopeloze en uitzichtloze situaties is dit kleine zo belangrijk. Misschien drukt God zich wel juist daarin uit, in het kleine hoopvolle, temidden van de grote puinhoop die wij ervan maken. Het kan zomaar gebeuren.


Maleachi zegt in zijn dialoogverhaal over de vervulling van Gods belofte: “plotseling zal dan de Heer in zijn heiligdom binnentreden, de Heer die gij zoekt, de bode van het verbond, naar wie gij met vreugde uitziet”. Wanneer we als Simeon onze verwachting en ons verlangen naar vertroosting niet opgeven en net als Hanna dichtbij de tempel blijven en God dienen, kan het zomaar gebeuren dat onze Heer het heiligdom binnentreedt. Het kind dat de tempel in wordt gedragen is immers zelf beeld van de nieuwe tempel. Niet een tempel van steen, maar  van levende mensen.
Er wordt immers in de traditie gezegd dat in de dagen van de Messias geen offers meer nodig zijn een misschien ook wel geen tempel, behalve voor het offer van dank. Het heiligdom van levende stenen, dàt heiligdom is niet verwoest, zoals de tweede tempel wel is, hoe beschadigd het menselijk heiligdom misschien ook is.
De nieuwe tempel zijn wijzelf. In ons brandt het tempellicht de eeuwen door, van generatie op generatie in de gedachtenis aan Gods bevrijdend handelen. We bieden er aan God ons leven aan, opdat zijn licht in ons mag schijnen. Als een licht voor een anderszins verlaten, godvergeten en duistere wereld. Amen.

 top


Overweging 20 januari 2019 

bruiloft te Kana

Lezingen: Jesaja 62, 1-5; 1Korintiërs 12, 1-11; Johannes 2, 1-11.
Behalve de mensen die graag brandnetelthee drinken, omdat dat zo gezond is, of brandnetelkaas eten, zullen er niet zoveel mensen zijn die van brandnetels houden. Hun netelcellen veroorzaken immers bij aanraking pijnlijke branderige en jeukende plekken. Men is ze liever kwijt dan rijk in de tuin. Maar een aantal rupsen vinden brandnetel heerlijk en daarom laten we er altijd een aantal tussen de struiken staan. Nu zullen de meeste mensen ook niet zo warm lopen voor rupsen, maar uit rupsen komen vlinders voort en ik ken niemand die niet van vlinders houdt. De brandnetel is waardplant voor de atalanta, de dagpauwoog, gekartelde aurelia en kleine vos; en ook de distelvlinder en het landkaartje kunnen er hun eitjes in leggen. Zo speelt de brandnetel een onmisbare rol in de transformatie van een aantal rupsen tot vlinder. En ook al ziet de vlinder er heel anders uit dan de rups, het is wel hetzelfde individu, maar dan anders.


De lezingen van vandaag gaan over transformatie, omvorming.
In de eerste lezing ontvangt Israël een nieuwe naam. De ballingschap, en daarmee  het van God verwijderd zijn, wordt opgeheven. Het volk mag terugkeren naar Jeruzalem en het verbond wordt hersteld. Niet langer verweesd en zonder lied, wordt Israël gekroond als bruid en vindt welbehagen bij God als de geliefde. Niet langer verstoten, maar in ere hersteld aan de zijde van de Bruidegom. Zo ervaart Israël de vreugde van de terugkeer en opgang naar Jeruzalem. Het huwelijk is het beeld bij uitstek voor het verbond van God met zijn volk. Net zoals in een gewoon huwelijk van twee mensen kan zich daarin van alles afspelen: toenadering, innige verbondenheid, verwijdering, groei, boosheid, verzoening. Maar, naar wij geloven bestaat er van de zijde van God in de relatie geen definitieve breuk. En eigenlijk is dat bij de relatie tussen mensen ook zo. Je blijft altijd de ‘ex van’, de ouder van de gezamenlijke kinderen. De relatie blijft een deel van de levensgeschiedenis waardoor je bent gevormd.


Uit het Johannesevangelie lezen we het zogenoemde wijnwonder, waarbij water verandert in wijn. Ook hier is sprake van een huwelijk. Binnen die setting mogen we dan ook verstaan wat het teken dat Jezus stelt, betekent. We weten dus meteen waar het over gaat. Namelijk over de relatie van God met zijn mensen en wat die relatie met mensen doet. Hoe die hen vormt tot wie zij zijn.
Het verhaal van de bruiloft te Kana heeft meer lagen dan het verhaal van Jesaja. Heeft Jesaja meer het aspect van de wederwaardigheden van God met zijn volk, hier gaat het om openbaring van nieuwe levensaspecten in het verbond van God en mens. Aspecten  die precies te maken hebben met de eigenheid van het zich ontwikkelende christendom: menswording, doop, verrijzenis. De menswording als geïncarneerde levensverbondenheid van God en mens; doop als deelname aan Christus en aan het verbond; de verrijzenis als belofte van leven en als oriëntatie voor een leven in de Geest; Het is moeilijk te beseffen hoe deze geloofselementen (memen), in de eerste eeuwen van onze jaartelling en voordat het christendom als staatsgodsdienst werd geïnstitutionaliseerd, de harten van mensen raakten. Voor iedereen had deze interpretatie en nieuwe impuls van het joodse geloof iets te zeggen. Het was universeel, inclusief en kende geen rangen en standen. Iedereen kon van Christus zijn. Ook een slaaf en zelfs een koning.


In het verhaal van de bruiloft te Kana verandert water in wijn. Het merkwaardige van dit verhaal is dat het geen wonderverhaal is. Jezus doet of zegt niets, legt geen handen op, spreekt geen gezagswoord dat op die verandering gericht is. Zoals elders wel gebeurt: word gezond, sta op, inwrijven met iets. Hier is het door wie hij is dat het gebeurt. Zijn aanwezigheid verandert het water van het sterfelijk leven in de wijn van eeuwig leven. Zoals hij bij de doop in de Jordaan ondergedompeld wordt in het water van de dood en eruit opstaat als de Levende, de zoon in wie de hemel welbehagen heeft. Het nieuwe Israël. Het teken van de wijn loopt, net als zijn doop, vooruit op zijn verrijzenis en is voorteken van zijn opstanding. En ieder die aanwezig is bij de bruiloft mag ervan drinken.  

Net zoals de menswording een teken is waarin hij zich onderdompelt in het menselijk leven en daarmee ons menselijk bestaan opneemt in zijn goddelijk bestaan. Dit wordt beleden door de priester telkens wanneer er eucharistie gevierd wordt. Bij de menging van water en wijn zegt de priester: “gij deelt in ons menselijk leven, opdat wij delen in uw goddelijk bestaan”.
Op die manier is heel ons bestaan opgenomen in Gods leven. Door Christus delen we in zijn verrijzenis en in de belofte van een onvergankelijk bestaan.

Voor ons verwijst dit verhaal van Kana ook naar onze eigen doop. In het water van de doop worden we lidmaat van het lichaam van Christus. Door de zalving met chrisma delen we in het koninklijk, priesterlijk en profetisch charisma van Christus. We ontvangen een nieuwe naam, die van Christus. De doop voegt iets toe aan onze identiteit. Een identiteit die groeit naarmate we langer en intensiever door Christus met God verbonden leven.
De verandering van water in wijn verwijst naar een omvorming van leven die door de Geest wordt aangestuurd en geleid. Het leven naar de Geest verandert ons bestaan. We worden niet een ander, maar we groeien aan die relatie en worden meer en meer wie we zijn in de liefde van de Ander. Binnen een duurzame menselijke liefdesrelatie is dat niet anders. We veranderen aan elkaar en groeien aan elkaar.

Dit proces van transformatie dat in de doop een aanvang neemt, wordt bevestigd en versterkt in de eucharistie. Ook daar verandert iets. Brood wordt tot teken van het Lichaam van Christus; wijn tot teken van zijn bloed, zijn leven en levenskracht. Mensen komen samen en worden tot Lichaam van Christus, delen in zijn goddelijk leven. We veranderen van rupsen in vlinders. En het is de Geest die ons doet groeien tot wie we kunnen zijn en die ons vleugels geeft.

 

Ieder van ons is een tempel in de Geest. In die tempel groeien we uit tot wie als christen kunnen zijn. Dat wil zeggen in de aanwezigheid van de Eeuwige. Dat is een innerlijk proces. Het voltrekt zich in de cocon van de stilte, van het gebed. Daarin worden we meer en meer mensen van de Geest. De rups weet niet dat hij een atalanta is of een gekartelde aurelia. Zo weten wij niet wat het leven, wat de geest met ons doet. Maar het wordt duidelijk in de vruchten die we voortbrengen. Een troostend woord, een nabij-zijn, een richting, een lichtpuntje, wat kennis. Sprokkelhout en stukwerk op de weg van transformatie van onze werkelijkheid in de richting van de vervulling van Gods belofte. Wanneer ons leven voorgoed betekend zal zijn door Gods aanwezigheid en wij wandelen in zijn licht en in zijn vrede. Alle gaven van ieder van ons dragen daartoe bij. Geen gave is te klein en allen zijn nodig. Want zonder u of mij, en wie of wat we ook zijn, is het Godsrijk niet compleet. Amen.
top

 

Overweging 13 januari 2019 
Opstaan uit water in de Geest

Lezingen: Jesaja 40, 1-5.9-11; Titus 3, 4-7; Lucas 3, 15-16.21-22.
De betekenis van de doop van Jezus staat in een lange traditie van doortocht door het water naar iets nieuws.  Het voegt er ook iets aan toe dat uniek is voor hetgeen in Hem wordt geopenbaard. Het loopt vooruit op zijn verrijzenis, net zoals het verhaal bij Johannes over de bruiloft te Kana. We lezen het volgende week in de liturgie. Bovendien komt hetgeen in Jezus Christus geopenbaard wordt toe aan alle volken en aan allen die in Hem geloven. In Hem delen we in het kindschap van Israel, het kindschap van God.

Het begin van het Lucasevangelie maakt al veel duidelijk over de positie van Jezus in de traditie van zijn volk. Het begint met verwante tweetallen (net zoals het boek van de schepping).
Johannes en Jezus, Elisabeth en Maria, Simeon en Hanna, en op de achtergrond Zacharias en Jozef. Van de laatste twee wordt de tempelpriester Zacharias, die net als zijn vrouw oud is, tot zwijgen gebracht, aangezien hij niet geloofd heeft wat hem door de engel Gabriel is gezegd, nl. dat hij en Elisabeth in hun ouderdom ouderschap zouden ontvangen en een zoon krijgen die de harten van zijn volk zou doen terugkeren tot God. Jozef is de stille op de achtergrond, de man in coulissen, de stille in den lande, die zijn rechtvaardige weg gaat en volstrekt dienstbaar is aan wat zich in zijn vrouw ontvouwt.
Het andere tweetal: Elisabeth, de tante van Maria, die zes maanden eerder zwanger is dan zij. Naar de betekenis van haar naam is zij de draagster van een belofte van de Eeuwige. Een belofte die van doen heeft met de voortzetting van het Joodse leven. Maria herinnert in gestalte en naam aan de slavernij in Egypte. Het betekent bitterheid, bittere zee. Het verwijst naar de omstandigheden van het leven in ballingschap en slavernij, naar het ondrinkbare leven. Uit deze bitterheid wordt bevrijding en uitredding geboren, verlossing uit slavernij, onderdrukking en dood. Maria wordt zalig geprezen, omdat zij juist wel geloofd heeft wat haar vanwege de Heer is gezegd.  Jezus lijkt op Mozes en zijn kruis op diens staf.
Tenslotte Johannes, de Doper en de Voorloper, de stem die roept in de woestijn, wiens naam ‘God is genadig’ betekent. En Jezus, wiens naam herinnert aan Jozua de opvolger van Mozes die het volk het beloofde land in leidt. Beide namen beduiden ‘God redt’.
In Johannes wordt Gods genade aangezegd aan wie terugkeert tot Hem en in Jezus wordt zijn reddende liefde geopenbaard. De aloude belofte in een hernieuwd verbond.

In het evangelieverhaal ontmoeten Johannes en Jezus elkaar opnieuw, nu niet in de moederschoot, maar op eigen titel. Kennelijk beschouwden nogal wat volgelingen van Johannes die in de verwachting van de Messias leefden, hem als de Gezalfde. Maar zijn taak is het om de Messias aan te wijzen en diens weg te banen. Ten teken van zijn doorgang (zijn exodus) laat ook Jezus zich dopen. De doop van Jezus is een voortgaande   openbaring. De hemel gaat open en er klinkt een stem. Die stem wijst hem aan als de geliefde zoon, het kind van Gods welbehagen.

De doop van Jezus symboliseert zijn ingaan in het sterfelijk leven en zijn opstanding. Hij gaat de wateren des doods in om er als Levende uit op te rijzen. In die daad heeft hij het menselijk leven geheiligd en voor het leven getekend. Met hem staan wij die in hem geloven, mee op uit de dood. Wij zijn gedoopt in zijn dood om met hem te verrijzen, schrijft Paulus. Met hem zijn ook wij aangenomen als kinderen van de allerhoogste en delen we in de belofte van eeuwig leven.

In de brief aan Titus schrijft Paulus dat, toen de liefde van God onze Redder, d.i. Jezus, zich openbaarde, Hij ons door water en Geest heeft gered, opdat ook wij erfgenamen zouden worden van eeuwig leven. Dit eeuwig leven is in de geloofstraditie niets anders dan wat in het begrip beloofde land en met uittocht wordt aangeduid. Het is uitredding uit de uitzichtloosheid van het sterfelijke en door onrecht en dood aangetaste bestaan. Het is herschepping, nieuwe mens, door God bedoeld leven.

In Jezus wordt een weg gebaand door de woestijn en ligt het beloofd land voor ons open. Het Sion en Jeruzalem uit de Jesajalezing zijn beeld van de messiaanse wereld. De woonplaats van God onder de mensen en de stad van vrede.
Bij Jeruzalem moeten we nadrukkelijk niet denken aan de hoofdstad van de politieke staat Israel. Hooguit als contrastwerkelijkheid van het beloftebegrip Jeruzalem, de stad van werkelijke sjaloom, van verzoening en ware vrede. De stad waar Gods wereld en mensenwereld verenigd zijn. De stad van dubbele vrede, met God en met mensen.
Jezus Messias is zowel de weg, de opgang naar die stad als de incarnatie ervan.
Opgang is in bijbelse zin: gaan naar Jeruzalem. Uit de woestijn naar beloofd land, uit ballingschap naar vaderland. Terugkeer. Opgang begint met opstanding.

Het verhaal van de opstanding van Jezus begint met het opstaan van Mozes tegen de onderdrukking van zijn volk. Van Godswege geïnstrueerd moet hij tegen farao zeggen: “Israël is mijn eerstgeboren zoon. Laat mijn zoon gaan!”.
Jezus is de nieuwe Mozes die zijn volk uitleidt uit de ballingschap van zonde en de slavernij van de dood. Hij is ook de geliefde zoon Izaäk die aan het hout gebonden wordt en aan de dood ontrukt. Hij is Jozef, de geliefde zoon van Jakob Israël, die uit de put gered, als onderkoning zijn familie redt van de hongersnood.

Zonen, kinderen zijn zij die door de Geest geleid worden, zegt Paulus. Zoals Jezus zegt: “mijn moeder, mijn broeders en zusters zijn zij die de wil van de Vader doen”. En Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: “niet de kinderen naar het vlees, de kinderen van Jakob namelijk, maar de kinderen van de Belofte, die van Izaäk, zijn erfgenamen.” In Jezus zijn wij die erfgenamen. Erfgenamen van de belofte. Geliefde kinderen van de Enige. Met alle lusten en lasten die daarbij horen.

Door het geloof zijn we in Hem gedoopt en geheiligd en aangenomen in het kindschap van God. Ook over ons klinken de woorden: “laat mijn kinderen gaan” en “deze is mijn geliefd kind”. We zouden kunnen zeggen dat vóór we iemand zijn we al in Gods liefde begrepen zijn en dat niets ons van die liefde kan scheiden. Het is immers niet op grond van verdienste, maar op basis van Gods genade dat we als kinderen zijn aangenomen. Vóór wij waren heeft God ons al gekend en liefgehad. Zo geloven wij dat heel ons bestaan in die liefde begrepen is en erdoor wordt bevestigd. Hij kent ons als de mens die we zijn. Niet de vraag of we rijk of arm zijn, geleerd of ongeletterd, homo, hetero, lesbo, trans of queer is daarbij van belang. Gods liefdeswoord heeft over geklonken, wie zou ons moeten oordelen?
Van belang is of wij in Geest herboren worden, of we als de mens die we zijn Gods liefde zichtbaar maken. Mensen zijn waar God vreugde in kan hebben.
Dat betekent misschien wel in de eerste plaats dat we elkaar liefdevol aanvaarden en thuis brengen. Opstaan tegen en uit onderdrukking, discriminatie, onrecht en de oordelen waarin we elkaar gevangen houden. Verrijzenis begint waar mensen zich vrij voelen om te worden wie zij zijn, vrij om op te staan en te leven.
Het beloofde land zou het visioen moeten zijn van een wereld waar mensen onbedreigd en in vrede en verbondenheid met elkaar leven. In de bonte regenboogveelkleurigheid van de rijke verscheidenheid waarin de mens zich voordoet. De rijkdom van de schepping is juist de diversiteit die we bezig zijn op vele manieren om zeep te helpen. Zo mag het onder christenen niet zijn. Wij zijn immers allen broeders en zusters en kinderen van de Allerhoogste, dragers van zijn Geest en geschapen tot de vrijheid van de kinderen Gods. Amen.

 top

 

Overweging 2019 01 06
openbaring aan de volken


Jesaja 60, 1-6; Efeziërs 3, 1-12; Matteus 2, 1-12.
Vandaag vieren we het oudste openbaringsfeest rond de menswording en het in de wereld komen van Gods Zoon. De viering van het kerstfeest als apart geboortefeest is van latere datum. Oorspronkelijk werd in de kerk van het oosten op deze feestdag zowel de geboorte, het bezoek van de wijzen als de doop van de Heer gevierd. In de kerk van het westen werd gaandeweg de geboorte rond de zonnewende gevierd. Dit hing ook samen met de viering van de conceptie rond het begin van de lente. De nadruk op de geboorteviering maakte dat de verschillende elementen los van elkaar werden gevierd en het westen nam de viering van epifanie van het oosten over als de openbaring aan de volken, het bezoek van de wijzen.

Het lijkt me overigens dat in eerste instantie de viering van epifanie werd overgenomen en dat pas later de geboorte als feest werd gevierd. Dat baseer ik op een uitspraak van Augustinus (354-430) die de viering van de geboorte van Jezus aanduidt als een memoria, een gedachtenis, terwijl hij het Paasfeest aanduidt als een sacramentum.  Bovendien baseer ik het op het gegeven dat de oudste afbeelding rond de geboorte van Jezus niet de geboorte scène is, maar het bezoek van drie wijzen die geschenken aandragen aan het kind dat op de schoot van Maria gezeten is, die troont op een koninklijke zetel. Die afbeelding is als muurschildering te vinden in de catacomben van Priscilla in Rome. Maria heeft hier de contouren van de positie die ze later bij dogma in de vijfde eeuw zou verwerven. Maria als de moeder Gods.
De figuren die geschenken brengen zijn drie in getal, aangezien Matteus spreekt over drie geschenken, maar niet het aantal personen aangeeft. Wel spreekt hij over magoi, heren die zich met bovennatuurlijke kennis bezighouden. Zij komen heel betekenisvol uit wat voor Matteus anatolië is, apo anatoloon staat er in het Grieks, dat wil zeggen uit de streek waar de zon opkomt. Op het fresco in de catacombe dragen zij frygische mutsen mogelijk om aan te geven dat zij uit Perzië komen, of om aan te geven dat zij over enige wijsheid beschikken. Zij zijn allen ongeveer even oud en betrekkelijk jeugdig. Ook op een reliëf uit de vierde eeuw worden zij zo afgebeeld.
Later worden de drie in verschillende leeftijdscategorieën afgebeeld, een jong volwassene, iemand van middelbare leeftijd en een senior. Kennelijk om heel de mens in zijn levensfasen aan te duiden. Zo is het op een mozaïek uit de zesde eeuw in de san Appolinare in Ravenna, de toenmalige hoofdstad van het west-romeinse rijk. Dezelfde aanbiedingshouding en oosterse kleding met frygische muts, maar verschillend van leeftijd.

Tegen het jaar duizend ondergaat de afbeelding weer een verandering. Na de periode van de roomse koning keizer Karel de Grote en de strijd om de hegemonie in Europa tussen wereldlijke vorsten en de bisschop van Rome, ondergaan ook de wijzen uit het oosten een gedaanteverandering. Nu worden zij als koningen van verschillende leeftijd afgebeeld.
Nog later, met de kerstening van de koloniën, krijgen deze koningen een verschillende huidskleur. De oudste, en blanke, koning legt zijn kroon af voor Christus. De anderen blijven nog achter. Met andere woorden de koningen van de wereld onderwerpen zich aan de koning der koningen, Christus, met als achterliggende boodschap, ook aan diens vertegenwoordiger op aarde, de primaat van Rome. Het religieus, met name het kerkelijk gezag staat boven het wereldlijke gezag, is de boodschap. Voorts zal het ons niet  verwonderen (op grond van de toen geldende vooroordelen) dat bij de verschillende huidskleuren degene met de donkerste huidskleur de jongste is. Deze is de laatste in de bekering en de laatste in ontwikkeling.
In de historische ontwikkeling van de afbeelding van de drie wijzen, of koningen, zien we de ideologiegeschiedenis van het westen uitgedrukt dat zich als het centrum van de wereld beschouwt.

De toestand van de wereld openbaart zich in de ontwikkeling van het feest. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling ervan. Het is juist de bedoeling dat zichtbaar wordt hoe de wereld de zelfopenbaring van God in zich opneemt. Eigenlijk is de hele kersttijd een feest van openbaring. God die zich kennen laat en mensen die dit ontvangen. De geboorte en menswording, de aanbidding door de herders, de besnijdenis en de opdracht in de tempel, de aanbidding door de wijzen, de doop in de Jordaan. En ook… de verbinding met de voortgaande openbaring bij de bruiloft van Kana als voorafbeelding van Pasen en de messiaanse openbaring bij de opdracht in de tempel.
Eén openbaringsproces in beelden en feesten uiteengelegd. Het mysterie is te groot en te veelomvattend om in één keer te bevatten. Het in de wereld komen van God omvat heel ons leven, de tijd van ons bestaan, maar ook de ruimte ervoor en erna. Dat wil zeggen dat de donkerte waardoor ons leven is omklemd, dit ongewisse van waar kom ik vandaan en waar ga ik heen, wordt betekend en verlicht door juist dit in de wereld komen van God als mens.
Zijn menswording stelt mijn, ons leven in zijn geheel in een nieuw licht. Niet alleen met betrekking tot wat wij mogen zijn en betekenen zolang wij in de wereld zijn, maar ook, en dat is misschien nog wel veel belangrijker voor het ervaren van zin en betekenis, geeft het ons te weten in wie ons leven geborgen is, in wie het zijn oorsprong vindt en zijn voleinding. Niet in het niets, maar in Degene die ons in het leven heeft gewild en dat leven door zijn/haar menswording heeft geheiligd en gezegend.  

Vandaag ligt de nadruk echter op het in de wereld komen. God wordt niet alleen mens, maar als zodanig komt ZHij ook in de wereld, in het domein van de gebrokenheid, de onafheid, de sterfelijkheid; kortom onze wereld. Christus komt niet alleen in Israel voor Israel, maar voor alle mensen. Zijn komen heeft betekenis voor alle volken en heel de wereld. Ook al is die wereld voor ons wel een stuk ruimer dan voor de magiërs, sterrenwichelaars en tekenschouwers uit het oosten bij Matteus.
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat Christus koning is van deze wereld, dat zou Hij zelf ook niet willen. Zijn koningschap heeft, naar wij weten een andere betekenis. Zijn komen is niet van directe geopolitieke of economische betekenis. Hij is geen betere uitvoering van Poetin, Trump, Willem Alexander of Angela Merkel.

Met de wereld bedoel ik het domein van het menselijke met alles wat daarbij hoort: ons liefhebben en vechten, ons lijden en lachen, onze poëzie en beeldende kunst en destructief vermogen, onze sterfelijkheid en fabuleuze inventiviteit en intellectuele capaciteit, om maar een paar dingen te noemen. In deze, onze wereld is God gekomen en heeft zich geopenbaard.
Het ontvangen van die openbaring betekent dat wij heel onze werkelijkheid, en dat behelst dus ook onze geopolitieke en economische werkelijkheid, relateren aan die menswording.
Anders gezegd: onze wereld, bezien in het licht van Gods in de wereld komen, staat gericht op humanisering. Dat is een samen groeien in het aanwezig brengen van God in de wereld, zijnde het geheel van directe en indirecte menselijke betrekkingen. Daarbij zijn de directe betrekkingen de relatie met partner, kinderen, ouders, buren, collega’s en zo meer. Tot de indirecte menselijke betrekkingen horen de politiek, de economie, het zorgstelsel en zo meer. De menswording van de wereld beslaat de private ruimte, de staat, en dat wat de publieke ruimte wordt genoemd. Maar ook alle internationale betrekkingen en instituten. Zo wil ik de openbaring van Christus aan de volken verstaan. Vanuit het bereik van God, in de gestalte van een mens tot ons gekomen, verbreedt zijn betekenis zich naar het domein van alle mensen en alle volken.

Dat is geen ideologisch te manipuleren boodschap ten dienste van de kerk of een ideologische wereldorde. Het heeft in eerste instantie helemaal niets met de kerk te maken. Het is visionair en wellicht utopisch. Maar het geeft richting en betekenis aan ons handelen en verlangen.
Als mensen die geloven in hetgeen in Christus wordt geopenbaard, willen we ons inzetten voor een wereld die menselijk is. Een wereld waarin mensen elkaar als ware zusters en broeders herkennen, als vlees van hun vlees, bloed van hun bloed. Waar kinderen onze gezamenlijke kinderen zijn en onze gezamenlijke verantwoordelijkheid, aangezien zij onze toekomst vertegenwoordigen. Kostbaar en beschermwaardig. Wie wil er nu eigenlijk dagelijks geconfronteerd worden met mensonterende berichten? God is toch in de wereld gekomen om die in liefde te helen?
De oorspronkelijke afbeeldingen van de wijzen uit het oosten betroffen betrekkelijk eenvoudige lieden die met de kennis die ze hadden, een ster van hoop op een nieuw koningschap volgden. Zij verlieten de hun bekende wereld om uit te komen bij het weerloze licht dat schijnt in de duisternis van onze wereld. Het verandert hen en zij gaan een andere weg bewandelen.
 
Wanneer je onze wereld bekijkt in het licht van Christus kun je geen genoegen nemen met de bestaande situatie. Dit geeft ons een verlangen dat ons inspireert om andere wegen te gaan. Een weg van licht en vrede…..voor iedere mens. Amen.
 top

 


info@wardcortvriendt.eu