Home NL
Blog
Diensten/produkten
Contact N
Columns N
Artikelen
Preken /Overwegingen
preken 2014
preken 2015
preken 2016
preken 2017
preken 2018
Home EN

 

 

Overweging 10 maart 2019 
dat verdraaide woord

Lezingen: Deuteronomium 5, 6-21; Romeinen 10, 8-13; Lucas 4, 1-13.
Als er iets is dat de lezingen verbindt, dan is dat wel het woord: het woord van leven dat ons, als leden van het volk van God, is gegeven; het woord dat we belijden en dat als echtheidsreferentie voor ons leven gebruikt kan worden; het gesproken woord waarvan we de betrouwbaarheid moeten wegen. Het is een tricky business. Het woord kan in dit verband een richtinggever zijn, een spiegel, een oordeel, een bedrieger en daarbuiten nog veel meer dan dat.


Dat de dingen zijn zoals ze genoemd worden is al lang geen borg meer voor een waarheidsdefinitie. En tegelijkertijd is het, helaas, een verrassend moderne vorm van geconstrueerde waarheid. Woord, en ook beeld trouwens, hebben allang hun onschuld verloren. Eigenlijk al vanaf het woord dat vanuit de paradijsboom is gesproken, al vanaf Babel, al zolang waarheid en bedrog bestaan. Voortdurend moeten we ons afvragen of het wel klopt, of het wel waar is wat getoond of gezegd wordt. Welke bedoeling, welk oogmerk schuilt er in de woorden? Hoe betrouwbaar is de boodschapper? Met de onschuld van het woord is ook onze onschuld verdwenen. Goed en kwaad zijn vermengd in ons aanwezig. Niemand is alleen maar goed en niemand is alleen maar slecht. Dat is geen poging om het goede en het kwade te relativeren. Het goede en het kwade moeten als zodanig benoemd blijven, anders is de chaos compleet. Het beschrijft alleen maar de mensen zoals wij zijn. Daarnaast kennen we ook mensen die in onze ogen puur goed zijn, in wie we geen kwaad kunnen ontdekken, en helaas ook mensen die in- en inslecht zijn.

Waar goedheid gericht is op de integriteit van het zelf, de ander en het andere, de geschapen wereld, is het boze gericht op aantasting van die integriteit. Het een is gericht op heelheid, het ander op verdeeldheid en gebrokenheid. En zij komen er ook uit voort.
We kunnen niet geheel verhinderen dat wij delen in die gebrokenheid en daarmee in de zondigheid van de wereld en de structuren ervan. Het zijn onze eigen verlangens en aandriften die ons ontvankelijk maken voor de vele verleidingen en mogelijkheden die ons omringen. We kunnen ervoor kiezen om ons in te zetten voor het leven, de toekomst, voor heelheid; maar ook voor kortstondigheid, verspilling, eigenbelang. En in de praktijk doen we een soort gemengd bedrijf, van alles wat.


In de Schrift kennen we een aantal beruchte en beroemde verleidingsscenes, en dan spreek ik niet over het Hooglied. De eerste is wel de verleiding van Eva door de slang in de paradijstuin. De verleider probeert ons van de wijs te brengen, van het goede voornemen af te halen, van de juiste weg af te leiden. Ten diepste en in religieuze zin, probeert de figuur van de verleider ons van onszelf weg te halen en van God te vervreemden. Waarbij de verleider altijd de veruiterlijking is van wat zich inwendig afspeelt.

Toch is de figuur van de diabolos, duivel, noch van de satan in de Schrift een zelfstandige kwade macht die concurreert met God. Er is geen macht naast God in het Joodse geloof en ook niet in het oorspronkelijke Christelijke geloof. Het zijn geen dualistische religies. De oude kerk heeft zich juist altijd verzet tegen godsdienstige stromingen die de wereld als het strijdtoneel van twee tegengestelde machten zagen: die van het goede en van het kwade, die van het licht en het duister, voorgesteld als twee onafhankelijke machten.
De duivel als kwade, en eventueel overweldigende, macht is meer een Middeleeuwse uitvinding. De satan is de figuur van de beproever die het morele gehalte van mensen op de proef stelt.  Maar bij beide blijft de macht uiteindelijk onderhorig aan God.  Misschien was het beeld van de duivel voor die tijd een antwoord op de vreselijke ellende waar men God niet verantwoordelijk voor kon houden, en hopelijk ook niet de menselijke zondigheid. Je kunt immers naar mijn oordeel niet leven in een wereld waar alle kwaad het gevolg is van menselijke zonde en alle goeds de werking van Gods genade. Dat breekt op den duur de relatie tussen God en mens af.


De geboden die het uit slavernij gevluchte volk werden gegeven in de woestijn, de plaats van beproeving, de plek van waarheid, geboden die we vandaag weer lezen, de tien woorden, de tien richtingwijzers, hebben ook alles met dood en leven te maken. Zij zijn gegeven opdat het volk het goed zal gaan in het land van belofte. Zij vertegenwoordigen een weg ten leven bij de naleving ervan en ten dode bij het verwaarlozen ervan. De keuze is aan het volk zelf.
We weten hoe het toekomstonzekere volk in de verleiding kwam om het op te geven, terug te keren naar de voedselpotten van Egypte of vertrouwde stierengod Baal te dienen. Hoe het God op de proef stelde en tegen hem  in opstand kwam. Het leven kan ons geloof danig op de proef stellen. We kunnen daarin tegen onszelf in kiezen voor voedsel en zekerheid. Als je al te kiezen hebt natuurlijk. Er zijn er velen die geen keuze hebben. Maar ook zij staan voor de taak zichzelf te bewaren in de omstandigheden van hun bestaan. Het is moeilijk om trouw te blijven aan jezelf en aan God. Maar de rechtvaardige die standhoudt in beproeving, heeft een groot geestelijk gezag.


In het evangelie is het Jezus die op de proef wordt gesteld. Ook hij is in de woestijn, 40 dagen vastend en biddend. Hij wordt beproefd in de drie grondrelaties: die met ons leven, die met de ander en die met God.
Het verhaal is naar mijn smaak archetypisch verteld. Het is het verhaal van de mens die de weg van God wil gaan, die zich een regel heeft gesteld en dan pas geconfronteerd wordt met alles in zichzelf dat dit tegenstreeft en hem beproeft. De woestijn, een plaats waar geen afleiding is, is de ideale plek om dit alles te openbaren en onder ogen te krijgen. Hetzelfde doet voor in een klooster, of tijdens een retraite. De woestijn is een confronterende leerschool.
40 is kennelijk een belangrijk getal: het volk liep 40 jaar door de woestijn voor het binnen kon trekken in het beloofde land; Mozes verbleef veertig dagen en nachten op de berg om de wet te ontvangen; Elia liep 40 dagen en nachten naar de berg Horeb om God te ontmoeten. Een zwangerschap duurt 40 weken. Wij vasten 40 dagen om met Christus te verrijzen. Veertig heeft kennelijk van doen met een levensweg, een weg ten leven. Leren leven kost een mensenleven lang.


De zaken waarin Jezus beproefd wordt, zijn die waarover de meeste oorlogen gestreden worden. Zaken die een essentiële rol spelen in menselijke relaties. Ook wij worden daarin op de proef gesteld en het is belangrijk voor het leven van de wereld dat we daarin goede keuzes maken.
Het gaat om voedsel en grondstoffen voor ons leven. Schaarste leidt tot oorlog en strijd. Het is goed om te beseffen dat de voedsel- en grondstoffenschaarste niet altijd een natuurlijke schaarste is, maar een die alles te maken heeft met politiek en toe-eigening. Die schaarste elders is dan het gevolg van een overvloed op andere plaatsen. Het heeft te maken met de gerechtigheid die wordt aangeduid in het bidden om het dagelijks brood. Niet meer voedsel nemen dan je nodig hebt, zodat er ook voor anderen voldoende is.
De tweede beproeving heeft te maken met macht, met territorium en marktaandeel. De wil om te domineren, en groter en machtiger te zijn dan de ander, maakt een einde aan de menselijke relatie zoals die bedoeld is. Essentiële waarden als veiligheid en vrijheid gaan erdoor verloren. Het tast het weefsel van de samenleving aan. Als zodanig staat het haaks op de relaties binnen het koninkrijk van God waarvoor wij dagelijks bidden.
Uitverkoren zijn als kinderen van God is geen exclusief recht. Het verheft niet boven anderen. Uitverkiezing is een belofte, en ook een opdracht, die voor ieder mensenkind geldt. Het is universeel, katholiek in de ware zin van het woord. God uitdagen om voor jou persoonlijk te kiezen is zijn universele liefde toe-eigenen en aantasten. Je moet God niet op de proef stellen om een keuze te maken tussen het ene kind en het andere. Dat kun je als ouder niet. Het idee van exclusieve uitverkiezing en daarmee van mijn God tegenover die van jou, mijn godsdienst en mijn ideologie tegenover die van de ander, of de anderen, is oorzaak van bloedige en zo volstrekt onnodige strijd. Er is liefde genoeg voor ons allemaal. De Naam van God eren is getuigen van zijn universele liefde.

Veertig dagen hebben wij onszelf gegeven om daarbij stil te staan. Om te overwegen hoe wij zelf omgaan met die drie essentiële relaties. Om te vasten, dat wil zeggen: te leren niet meer te nemen dan we nodig hebben, om te leren onze plaats en verantwoordelijkheid in het geheel te zien en in te nemen.
En om te bidden dat we niet in de verleiding komen om willens en wetens de verkeerde keuzes te maken. Amen.

top

  

Overweging 3 maart 2019 
Integriteit


Lezingen: Jeremia 7, 1-15; 1Korintiërs 15, 50-58; Lucas 6, 39-49.
Op vele plaatsen in het land, met name onder het Roomskatholieke volksdeel, wordt deze dagen carnaval gevierd. Het is een heel complex feest in zijn oorsprong, maar het algemeen kenmerk is dat het een feest van omkering is op verschillende niveaus. En dat is natuurlijk in religieuze zin een aardig gegeven.
In de oudste vorm van een paar duizend jaar geleden is het een feest van een aantal dagen waarin de maatschappelijke verschillen worden opgeheven. Of zelfs de rollen worden omgedraaid. Slaven maken grappen over hun meesters. Dat leert mensen om zich niet met hun maatschappelijke functie te vereenzelvigen, een functie die immers ook aan een zijden draadje kan hangen en afhankelijk is van het politieke klimaat en van degene die dan toevallig aan het bewind is. Het feest werd op die wijze kennelijk gevierd van het oude Mesopotamië tot in de tijd van het Romeinse Rijk.
Het feest is ook bekend geworden als een heidens voorjaarsfeest. In het voorjaar vindt immers ook een omkeer plaats van de winter naar een nieuwe opbloei in de natuur. Van ogenschijnlijke doodsheid naar nieuw leven.
Onder invloed van de weerbarstigheid van volksgebruiken is het feest ondanks aanvankelijke kerkelijke weerstand gekerstend als een inleiding op de vastenperiode. De houding van de roomskatholieke kerk is lange tijd ambivalent gebleven, getuige daarvan de instelling van het veertigurengebed. Veertig uur ononderbroken aanbidding van het in een monstrans uitgestelde heilig sacrament als tegenwicht voor de losbandigheid.
Bij carnaval hoort al eeuwen lang een verkleedpartij. In het Bourgondisch carnaval draagt iedereen traditiegetrouw een eenvoudig kostuum, veelal een boerenkiel met rode zakdoek. Iedereen dezelfde outfit. In het Rijnlands carnaval zijn de kostuums en de maskers gevarieerder en meer uitgewerkt. Bij het een gaat het om de principiële gelijkheid van mensen. Bij het ander meer om in de maskerade zich los te kunnen maken van de dagelijkse rol en in vrijheid zichzelf te kunnen zijn, waarbij juist door de maskerade ook het maatschappelijke onderscheid wegvalt.
Bij het carnaval houdt ieder de ander een spiegel voor. We zijn allemaal in de eerste plaats mensen en het masker dat we dragen herinnert aan het masker dat we dagelijks dragen in de rol die we spelen in het maatschappelijk domein. Het maakt duidelijk dat die rol ons niet tot een beter of belangrijker mens maakt.

Onder de maskerade en de schmink gaat het om wie we echt zijn. Het gaat niet om losbandigheid en teugelloos genot. Ook al menen sommige toeristische feestvierders, achter hun maskerade verscholen als misdadigers achter een bivakmuts, zich van alles te kunnen permitteren en zichzelf daarin te verliezen. Dat is verre van het wezen van carnaval.

Carnaval staat bij ons aan de vooravond van de veertig dagen van omkeer.  Niet zelden spreekt men over vasten- of vastelavond, de avond voor de vasten. De vasten als een periode die ons leert en laat zien wie we echt zijn in religieuze zin. De zoektocht door de woestijn van onze dagelijkse rollen en maskerades naar de integriteit van onszelf. Naar onze heelheid. Naar nieuw leven, opstanding, oorspronkelijk bestaan. En noem de termen maar die ons verlangen naar echtheid en heelheid tot uitdrukking brengen.

Naar mijn smaak is dat het eigenlijke onderwerp van de lezingen van vandaag. De splinter en de balk waarnaar deze zondag genoemd wordt is daar slechts een onderdeel van. Hypocrisie is het gevolg van gebrek aan heelheid en integriteit. Het gaat erom dat je bent zoals je je voordoet, en ook dat je je voordoet zoals je bent. In christelijke zin voegt zich daar nog een dimensie aan toe. Namelijk het beeld van de mens die we in gelovige zin zijn. Onder het kostuum van de sterfelijkheid schuilt de onsterfelijkheid en achter het mom van ons dagelijks vertoon gaat het beeld van de eeuwige schuil. Het sterfelijk bestaan is het dodenmasker waarachter het gelaat van de Levende zich openbaart.

Misschien klinkt dit allemaal te poëtisch. Ik troost me met de gedachte dat Paulus niet anders doet in zijn brief aan de Korintiërs, wanneer hij spreekt over de overwinning op de dood en de bekleding met onsterfelijkheid. Het gaat er maar om dat we doordrongen raken van het besef dat we het Leven in ons dragen. En dat we het deelachtig worden wanneer we ons ernaar ge-dragen. Wanneer we leven in overstemming met de belofte.

Misschien mogen we de opgang naar Pasen ook wel zien als een spirituele reis. Een bewustwording van de mens die we mogen zijn. En die reis begint ermee dat we afstand nemen van het ‘grootscheeps doen’ waarmee we onszelf zand in de ogen strooien (zie gedicht Burgers van A.R. Holst). En ons de vraag te stellen: “Is onze liefde groot genoeg om te leven naar het woord dat ons in het hart is gelegd?” We hoeven ons niet te vergelijken met onze naaste. We kijken in de spiegel die Christus is en proberen eerlijk te zien wat zich voordoet. We leggen het masker af, want er is niemand anders die meekijkt. Het is geen social medium dat vraagt om het mooier te maken dan het is. We moeten beginnen om af te leren iemand anders te willen zijn. Dan kunnen leren ons zelf te worden en te groeien tot wie we kunnen zijn in het licht van ons geloof. Groeien in heelheid. 


Heelheid is niet hetzelfde als perfectie. Volmaaktheid is een abstractie, geen realiteit. Onze heelheid bestaat erin dat we leven in overeenstemming met onze bedoeling, dat we worden wat we onder inwerking van Gods geest mogen zijn. Groeien in liefde voor onszelf, onze medemens en voor God. Eigenlijk ook in die volgorde. Wanneer die liefde niet in ons is, kunnen we niet goed zijn voor elkaar. We kunnen dan geen liefde geven en geen liefde ontvangen. Het evangelie maakt er geen geheim van. In een aantal vergelijkingen maakt het duidelijk dat we geen andere vruchten kunnen voortbrengen dan dewelke in ons hart groeien. Het evangelie legt ook hier de nadruk op de daden en niet op de belijdenis. Heel samengebald in de woorden die de Heer in de mond worden gelegd: “wat noemen jullie mij: Heer, en doen niet wat ik zeg?” Wanneer we de Naam van de HEER belijden, zijn we genoodzaakt in overeenstemming met die Naam te leven. Zo niet, dan getuigen de daden tegen ons. Dat is geen oordeel, maar een consequentie.

Dit klinkt allemaal, hoe waar ook, misschien wat streng. Er is nog een andere, misschien vreugdevollere, kant. Ik haal nog even de carnaval aan, waarvan een mevrouw me laatst zei: “wanneer ik een pakske aanheb en geschminkt ben, kan ik lekker mezelf zijn”. Ik vertaal dat even als: “wanneer ik een ander ben, kan ik fijn mezelf zijn”. Een uitdagende uitdrukking, bijna als een koan, een zenraadsel.

 

Wat zou het kunnen betekenen wanneer we het gelovig interpreteren? Wanneer we aan onszelf gebakken blijven kunnen we niet onszelf worden. Zoals in de Korintebrief staat: “Vlees en bloed kunnen het koninkrijk van God niet beërven”. Verderop staat: “wij zullen veranderd worden”.
Het is precies die spanning van eigen en ander waar het om gaat. Onze identiteit is niet de fictie van onze individuele eigenheid, maar de relationaliteit van ik en de ander. Door de ander worden we ons zelf. In Christus word ik wie ik ben, ben ik vrij om mezelf te zijn en te worden. In Hem leren we om onszelf los te laten om ons zelf te vinden. Dit paradoxale vinden we in alle grote spirituele stromingen. Jezus doet het aan het kruis, waar Hij zijn leven loslaat om de Losser te zijn van ons leven: het loslaten van jezelf om te worden wie je bent in extremo. Door zijn leven te geven, vervult Hij het en wordt Hij wie Hij is voor ons.
Voor ons zal dat minder dramatisch zijn. Maar wanneer we onszelf niet definiëren in onszelf, maar in relatie,  en onze identiteit als gemeenschap, zijn we al een heel eind op weg. Naarmate we de ander meer toelaten in ons leven, worden we meer onszelf. Dat is de ver-andering. Merkwaardig, nietwaar? Maar, zoals Paulus schrijft: ‘’het is een geheimenis. Maar niet een geheimenis die verborgen is, maar één die geopenbaard is. Amen.
 top

 

Overweging 24 februari 2019 
Mattias apostel, gekozen als getuige

Lezingen: 1Samuel 2, 27-35; Handelingen 1, 15-26; Johannes 15, 1-8.
Het is duidelijk dat voor het apostelfeest van Mattias de lezing uit de Handelingen van de Apostelen centraal staat. De lezing uit Samuel en ook in dit geval de lezing uit het Evangelie zijn erbij gekozen. Zij versterken de omstandigheden waarin Mattias gekozen wordt en de tegenstelling met Judas Iskariot.

In de eerste lezing wordt de priester Eli en diens zonen de belofte ontnomen die aan het huis van Eli en zijn nakomelingen was gegeven met betrekking tot de zorg voor de offergaven in de tempel. Zij misbruiken hun taak voor eigen gewin en worden uit hun functie gezet. Daarbij zegt de Eeuwige in hun plaats een betrouwbare priester aan te stellen die zal handelen naar Gods hart en in diens geest. Wat voor iedere gelovige geldt, is zeker van toepassing op de ambtsdragers. De betrouwbaarheid van hun getuigenis, hun verkondiging, hangt af van de mate waarin zij erin slagen te handelen naar het hart en de geest van God tot wiens dienstwerk zij geroepen zijn. Wanneer zij hun functie misbruiken voor eigen doeleinden beschadigen zij het fundament van menselijke relaties, het geloof in een betrouwbare God en het wezen van de kerk. De in dit verband veelgehoorde bekommernis om het aanzien van de kerk is de facto verraad aan het wezen van de kerk.
Het wezen van de kerk is gericht op heelheid en verzoening. Dat impliceert dat er altijd sprake is van gebrokenheid en zondigheid. We zijn allen immers heiligen en zondaars. Het aanzien van de kerk wordt niet zozeer geschaad doordat er zondaars zijn, maar door de wijze waarop de kerk ermee om gaat. Handelen naar de geest en het hart van God houdt zowel gerechtigheid als barmhartigheid in.
De onnozele handelwijze van Eli en zijn zonen en de arrogantie om te denken dat ze ermee weg komen, snijden hen af van de belofte en daarmee van hun toekomst in de nabijheid van God. Ik denk dat de toekomst van de kerk als relevant geestelijk instituut gebaat is bij oprechte bekering in woord en daad en bij een authentiek getuigenis.

Dit lijkt ook een belangrijk criterium bij de keuze van Mattias en Barsabbas.
De Handelingen van de Apostelen vertellen ons het verhaal van de wederwaardigheden van de apostelen na de dood van Jezus. In eerste instantie waren de leerlingen verweesd. Maar kennelijk begrepen ze al snel hun taak om de zending van Jezus voort te zetten. Een van hen had Jezus overgeleverd en was daarna verongelukt, dan wel had zichzelf van het leven beroofd door ophanging. Het hangt ervan af welk verhaal je leest. In ieder geval is Judas de Iskarioot overleden. De leerlingen van de inner circle voelen aan dat het nodig is om het symbolische getal van de twaalf vol te maken.
Het criterium dat zij voor zo iemand vaststelden is dat het iemand moest zijn die vanaf de doop van Jezus tot zijn verrijzenis bij het getal van de leerlingen had behoord. Al waren er ook vele vrouwen die Jezus van het begin af gevolgd waren en die ook getuige waren van zijn verrijzenis, worden er alleen mannelijke leerlingen gekozen. Er zijn twee kandidaten Josef zoon van Saba, bijgenaamd Justus, en Mattias (hebreeuws Mattatja dat is Godsgeschenk). Over hen wordt na gebed een godsoordeel gevraagd. Het mag tenslotte niet alleen mensenwerk zijn. Het is God die mensen roept, zo zingen ook wij in gezang 733. En het lot valt op Mattias. Hij wordt de nieuwe twaalfde apostel. Daarmee is het symbolische getal van het nieuwe godsvolk dat de kerk met vallen en opstaan  is, weer compleet.

In verband met de keuze van Mattias zingen we ook psalm 16. “De meetsnoeren vielen mij op kostbare grond, hoe bekoort mij mijn erfdeel”. Lot wordt hier niet gezien las toeval. Wat voor ons toeval is, is in de beleving de wijze waarop God werkt. Het wordt gezien als een gebeuren waar de mens geen aandeel in heeft, wat voor heem aan hem geschiedt. En dat wordt dan in verband gebracht met God. Helemaal zonder probleem is dat natuurlijk niet. Het lot is immers in onze ogen ook een irrationele macht, zonder recht en rede. Het is geen relationeel begrip, terwijl God dat nadrukkelijk wel is. Het lot als een soort voorbestemde situatie waarin je terecht komt (dit is nu eenmaal mijn lot), is toch iets anders dan een loterij winnen. Het lot is verbonden met machteloosheid en uitverkiezing. Het is een manier om de werkelijkheid te benoemen die we niet zelf hebben gekozen of gecreëerd.
Het lot heeft het aspect van hetgeen je toevalt, wat je wordt toebedeeld. Dat is dan ook je opdracht. Je moet je er hoe dan ook toe verhouden. Ook al heb je er niet voor gekozen, je moet er iets mee; in zoverre word je erdoor bepaald. Je bent hierin niet de auteur van de gebeurtenis, maar wel van de reactie erop.
Nu zijn er nogal wat gebeurtenissen waar we geen aandeel in hebben, maar waarmee we wel moeten omgaan. Dramatische en minder dramatische gebeurtenissen. Ziekte, een ongeval, een lawine; maar ook een willekeurige ontmoeting, de zang van een vogel bij een ochtendwandeling. Bij al die gebeurtenissen gaat het om onze reactie, hoe we de gebeurtenis ontvangen. Ook al beleven we het niet als geschonken uit Gods hand, en kunnen dat in veel gevallen ook niet zo ontvangen. Dan komt het erop aan hoe we ons als mens tonen en of we als gelovig mens in verbondenheid met God kunnen blijven leven. Kortom waarvan je in je leven wilt getuigen. Niemand heeft de regie van zijn leven volledig in handen, maar we worden wel beoordeeld op de manier waarop we ermee om gaan. Wie we zijn wordt zichtbaar in de keuzes die we maken.

Mattias staat symbool voor de nieuwe leerling, de nieuwe apostel, degene die erbij gekozen en gekomen is. In die zin is het een willekeurig iemand, een godsgeschenk. Iemand die door de doop en de verrijzenis is getekend. En op grond daarvan geroepen is om in de wereld getuigenis af te leggen van de hoop en de belofte die daarin gegeven zijn.
Met een grote stap kun je zeggen dat ook wij door doop en verrijzenis zijn getekend en geroepen tot getuigenis in de wereld. Een wereld die verre van perfect is, een leven dat ook onder gebrokenheid te lijden heeft; juist daarin is nood aan een relevant en geloofwaardig getuigenis van het perspectief waarin ons leven staat.

Het getuigenis moet authentiek en oprecht zijn, nauw verbonden met het leven. En dat kan alleen maar wanneer de getuige leeft in nauwe verbondenheid met God en waar deze voor staat. Los van God leggen we alleen getuigenis af van onszelf. Liefde, verlangen, hoop, belofte, geloof gedijen maar in die relatie die ons uittilt uit het stof en het ik van ons mensbeeld. Die relatie redt ons van de willekeur van het leven en van een slachtofferschap. Niet door de gebeurtenissen te veranderen, maar door ons de kracht en het geloof te geven dat we er niet ten volle door bepaald worden, maar ons ertoe kunnen verhouden.

 

Heel veel daders van misbruik nemen een slachtofferrol aan door een “het” te introduceren dat sterker is dan zij.
Voor de gelovige is er geen het. Bij al onze vragen komen we God tegen en daarmee het appel om hoe dan ook in zijn liefde te blijven. Wat de beproeving ook is waaronder we te lijden hebben. Juist daarin bewijzen we dat we mensen van God zijn, in de manier waarop we met onze zondigheid en beproevingen om gaan. Dat zijn beproefde getuigenissen en daarmee zijn authentiek en geloofwaardig. Amen. 

 Top


Overweging 10 februari 2019 

en toch geroepen 

Lezingen: Jesaja 6, 1-8;1Korintiërs 15, 1-11; Lucas 5, 1-11.
Misschien ligt het wel voor de hand om bij de overweging uit te gaan van dat wonderlijke gebeuren in het evangelie. In het centrum van de tekst lezen we hoe Simon gevraagd wordt naar het diepe te varen en de netten uit te werpen. Hij doet het, ondanks het gegeven dat hij de hele nacht niets gevangen heeft. Maar nu is de vangst overvloedig, zodat ook de boot van de collega’s overvol is. Spectaculair natuurlijk.
Het evangeliegedeelte dat we gelezen hebben, is een soort drieluik. Jezus die in een bootje onderricht geeft, de wonderbaarlijke visvangst en de roeping door Jezus van de vissers. De aandacht wordt getrokken door wat het meeste ontzag inboezemt, het middenpaneel met die enorme vangst. Maar de betekenis ervan wordt gegeven door de zijpanelen.
Het eigenlijke wonder ligt dus misschien wel ergens anders. Wanneer zij terug aan wal komen, wordt er immers met geen woord meer over de vangst gerept. Integendeel, zij kijken er niet meer naar om, zij laten alles achter en volgen Jezus. Maar tegen Simon in het bijzonder wordt gezegd dat hij voortaan visser van mensen zal zijn.
Dat het in de tekst van Lukas om iets anders gaat dan om het wonder van de vangst, hebben de samenstellers van het lectionarium ook goed begrepen. We lezen drie verhalen die een gemeenschappelijk kenmerk hebben. In elk van de drie is sprake van een wonderlijke gebeurtenis die betrekking heeft op een persoon die een roeping ontvangt en bij alle drie de personen zien we een vergelijkbare reactie.

In het eerste verhaal lezen we over de roeping van Jesaja tot profeet. In een visioen ziet hij de Eeuwige op een troon, omringd door serafijnen. Hij wordt door ontzag bevangen en realiseert zich dat hij een mens met onreine lippen is. Dit gegeven loopt al vooruit op zijn roeping tot profeet. Een profeet wordt immers verondersteld de woorden en bedoelingen van de Heer zuiver over te brengen op het volk. Zijn lippen worden aangeraakt door een engel van de Heer en hij wordt gereinigd. Dit geeft hem het vertrouwen om op de uitnodiging van God in te gaan. Hij wordt een groot profeet.

In de tweede lezing is Paulus aan het woord. In eerste instantie lijkt het erop dat hij zichzelf nogal sterk poneert. Ik ken nogal wat mensen die Paulus een beetje opgeblazen en hoogmoedig vinden. Toch is hij dat niet. Ook hij is als leraar van de volken een profetisch en geïnspireerd mens. Hij vertelt over zijn eigen roeping. Hij begint te zeggen dat hij alles wat hij verkondigt, zelf van overlevering heeft ontvangen. Hoe Christus na zijn verrijzenis verschenen is aan de leerlingen, ten eerste aan Kefas, Petrus. En als laatste aan hem, de christenvervolger. We kennen het verhaal van de bekering van Paulus op de weg naar Damascus. Door de ontmoeting met de Heer wordt Paulus totaal van zijn stuk gebracht. In de tekst hier noemt hij zich de geringste van de apostelen. Desondanks verkondigt hij het evangelie. Alleen door Gods genade is hij wat hij is. Niet hij predikt, maar de genade in hem. Dat laat geen ruimte voor valse bescheidenheid, netzomin als de roeping van Jesaja hem ruimte laat voor alleen maar aangename woorden. Beiden zeggen wat gezegd moet worden. Niet op eigen gezag, maar op het gezag van de Heer zelf die door zijn Geest in hen werkzaam is. Zo is Paulus een pilaar van het christendom geworden. De begenadigde misgeboorte.

In de evangelietekst is het Simon, de latere Petrus, die door de enorme vangst ineens zich realiseert wie hij eigenlijk in zijn boot heeft. En de gebeurtenis waardoor hij zich dat realiseert is tegelijkertijd de metafoor voor de opdracht die bij zijn roeping hoort. Ook hij wordt in eerste instantie overdonderd en geconfronteerd met wie hij in zijn eigen ogen is. Het “ga weg van mij” van Simon is echter precies de opening waardoor Christus hem nabij komt. Zijn verdeemoediging opent de mogelijkheid voor zijn roeping en taak. Om mensen in geloof bijeen te brengen en te behouden. De rots waarop Christus zijn kerk wil bouwen.

Drie mensen die van zichzelf helemaal niet zo’n hoge pet op hebben. Die eerder onzeker zijn en zich niet in staat voelen te doen wat van hen gevraagd wordt. En dat is nu juist zo bemoedigend voor ons. Het betreft niet mensen die geroepen zijn tot hun taak omdat ze zo perfect waren. Op het moment van hun roeping hadden ze zich helemaal nog niet ontwikkeld tot hun latere statuur. Zij worden maar wie ze zijn doordat zij zich openen voor het onverwachte en het onbekende. Zij blijven niet opgesloten zitten in hun rol, maar laten zich, onzeker en wel, openen voor wat zij kunnen zijn. Niet op eigen kracht, maar door Gods genade.

Van deze verhalen kunnen we een aantal dingen opsteken:
De ontmoeting met God is ook altijd een confrontatie met jezelf. Het is als een spiegel.
Door die ontmoeting kijk je ineens met andere ogen naar jezelf. We herkennen dat vast wel. Je bent in je oudste kleren in huis bezig en er wordt gebeld. De bisschop staat voor de deur. Wat goed genoeg was voor het werk in huis ziet er ineens anders uit. Je kijkt ineens met andere ogen naar jezelf. Bij Jesaja zie je hetzelfde gebeuren. Onder de blik van God ziet hij zich ineens als iemand met onreine lippen. Paulus als de vervolger en misgeboorte. Petrus als een zondig mens. Hun vanzelfsprekende rol van huisvader en ambachtsman, van geleerde en van visser wordt door de ontmoeting met God opengebroken. Door deze manier van met andere ogen naar zichzelf kijken zien zij in de eerste plaats hun beperkingen. Zij zien niet in zichzelf wat God in hen ziet, maar door die andere blik wordt wel de vanzelfsprekendheid van hun eigenbeeld opengebroken. En ontstaat er de mogelijkheid voor een nieuw zicht op hun werkelijkheid en een nieuw inzicht in henzelf.

 


Daarnaast laten de verhalen ons zien dat God echte mensen roept. Hij heeft mensen nodig van vlees en bloed. Met hun makken en hun mogelijkheden. Wat zou de werking van Gods genade in ons zijn, wanneer we allen briljant en volmaakt waren?  Eerder in deze eerste Korinthebrief schrijft Paulus in het eerste hoofdstuk: “denk eens aan jullie roeping, niet velen waren wijs, niet velen machtig of van hoge afkomst”. Als er alleen voorname, wijze en machtige mensen geroepen zouden zijn, gaan de verhalen niet over ons. Terwijl de roepingsverhalen juist wel ook over ons gaan en moeten gaan. Wij worden aangesproken en geroepen. Het gaat vandaag om ons antwoord. Wat zeggen wij in de ontmoeting met de Heer? Zonder onze inzet en zonder ons geloof in de blijde boodschap valt het Woord van de Eeuwige stil. Wordt het in onze samenleving niet meer gehoord. Klinkt het niet langer in de gemeenschap van mensen. En dan gaat het er niet om of we dat woord in het Grieks of Hebreeuws correct kunnen uitspreken, of als machtswoord kunnen opleggen, of als een elitaire boodschap voor de happy few presenteren. Het moet alledaags, verstaanbaar mensenwoord zijn, doorgeest door de levenservaring van echte mensen. Dat maakt indruk en dat is geloofwaardig.

En er is nog een derde aspect:
Wanneer Augustinus het evangelieverhaal zou lezen, zou hij daar een mooie uitleg aan geven. Ik denk ongeveer als volgt.
Het bootje waar Jezus in gaat zitten is de kerk die op het water van de wereldgeschiedenis met al zijn wisselingen en onzekerheden drijft. Het is in de ruimte van de kerk dat Christus zijn boodschap verkondigt. En vanuit de kerk klinkt het voor ieder die horen wil. Maar om de boodschap vruchtbaar te laten zijn moet je niet aan de oppervlakte blijven. Je moet het diepe in durven gaan. Waar de leerlingen zelf niet in staat zijn om vruchtbaar en succesvol te zijn, lukt hun dat wel met de aanwezigheid van Christus in hun midden en ook alleen maar dankzij die aanwezigheid. Zonder Hem tasten zij in het duister, de nacht, maar met Hem is het dag geworden en zien zij helder. Christus onthult voor hen mogelijkheden die zij zelf niet waarnemen.  Zo kan het woord dat Christus tot hen spreekt overvloedig vrucht dragen.
Jezus ziet meer in Simon dan hijzelf ziet. Onder de oppervlakte van de stamelende visser ziet Jezus de rots waarop hij zijn kerk wil bouwen. Niet eens zo’n super solide rots, maar een die wankelt en soms verraderlijk blijkt. Geen perfecte rots, maar wel goed genoeg, juist in zijn imperfectie. Het is een menselijke rots. Deze manier van kijken nodigt ons uit om anders naar onze medemensen te kijken. Namelijk als mensen waarin God tot uitdrukking wil komen. Als mensen waarover altijd meer te zeggen valt dan wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Het nodigt ons uit om met de ogen van Jezus naar onze naasten te kijken. En dan zien we andere dingen!
Dat geldt natuurlijk ook voor onze houding ten opzichte van onszelf. Niet zelden denken we dat we niet goed genoeg zijn voor God. Onzin! De hemel verheugt zich over iedere zondaar die zich bekeert, meer dan over 99 rechtvaardigen die, ogenschijnlijk,  geen bekering nodig hebben. Dat wil overigens niet zeggen dat we alleen maar zondaars zijn. We zijn mensen, en dat is goed genoeg. Mensen die mogen groeien in menselijkheid.
Ik denk dat dat zowat het moeilijkste is om als mens te doen. Dat lukt ons ook niet wanneer we alleen maar met onze eigen ogen naar ons mensenbestaan kijken. Maar wel wanneer we ons leven in het licht van Christus bezien en er met de blik van Christus naar kijken. Hij immers heeft ons bestaan opengebroken naar nieuwe en onbekende mogelijkheden. Zijn liefde voor ons laat ons groeien tot de volheid van de Christus, de nieuwe mens. Amen.

 top

 

Overweging 27 januari 2019
Het licht van de messias


Lezingen: Maleachi 3, 1-4; Hebreeën 2, 14-18; Lucas 2, 22- 38.
Vandaag vieren we de Opdracht van Jezus in de tempel. Het is een mooie scene in het Lucasevangelie. Een vader en een moeder met hun eerstgeboren kindje in de tempel, twee duiven, een tot tranen geroerde oude man en een vrouw op hoge leeftijd die de belofte verkondigt die dit jonge leven inhoudt.
Het is een mooi menselijk gebeuren, maar voor de goede verstaande biedt het verhaal meer. De vreugde van Simeon is meer dan de ontroering van een grootvader en de vervoering van Hanna is de kroon op de toewijding van een lang kinderloos leven in dienst van de tempel. Voor beiden is het de vervulling van een wachten, een wachten op Hem. In hen en over hen heen verwijst het verhaal naar de geschiedenis van het verbondsvolk Israel, het theologische Israel, niet het staatkundige Israel.
Het hele verhaal staat in het teken van de geschiedenis van de belofte die God aan zijn volk en zijn volk aan hun God bindt. Simeon en Hanna leven dagelijks in het bewustzijn van die belofte en richten er hun leven op in, door rechtvaardig, vroom, toegewijd en profetisch, dat wil zeggen daadwerkelijk naar God verwijzend, te leven.
De lezing begint met: ‘toen de dagen van hun reiniging volgens de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij, namelijk Jozef en Maria, Jezus naar Jeruzalem om hem aan de Heer voor te stellen’.

Het gebod met betrekking tot reiniging betreft met name de moeder. We kennen het misschien nog wel als de kerkgang. In de Joodse wet, zo staat het in Leviticus 12, 1-8, is een vrouw na de bevalling van een mannelijk kind zeven dagen onrein, op de achtste dag wordt het kind besneden. Daarna is een periode van 33 dagen van reiniging en op de veertigste dag is de vrouw weer rein. Na de geboorte van een meisje is dat respectievelijk veertien dagen en 66 dagen. Mijn excuses voor het impliciete seksisme in de Schrift. Voor het reinigingsritueel biedt zij de priester een eenjarig lam aan, of wanneer zij dat niet kan betalen twee tortels of twee duiven als offer. Na de periode van de tempel en het verdwijnen van het offerritueel  is er de verplichting van een ritueel bad op de veertigste dag. Dit kan bij elke synagoge. Na de verwoesting van de tempel zijn er geen offers en geen priesters meer. Blijkens het tempelritueel in ons verhaal van offer en reiniging is onze tekst van Lucas zo geschreven dat het dateert van voor de verwoesting van de tempel in het jaar 70 door Titus. Wat niet betekent dat de tekst ook zo te dateren is. Dat is namelijk niet het geval.


Er staat dat Jozef en Maria Jezus naar Jeruzalem brachten om hem aan de Heer voor te stellen. Daarmee vervullen zij een heel belangrijk gebod dat verbonden is met de meest dramatische gebeurtenis uit het vroege leven van het volk Israël. In plaats van ‘voorstellen’ zou het beter geweest zijn om te vertalen ‘presenteren’. Elke eerstgeborene, wanneer het na een maand levensvatbaar blijkt, moet opgedragen worden aan de Heer. Dit gaat terug op het begin van de uittocht uit Egypte. De bevrijding van het volk uit het slavenhuis is niet zonder slag of stoot gegaan. Het kostte heel wat om farao te overtuigen om de Israëlieten te laten gaan. Misoogsten, ondrinkbaar water, muggen- en sprinkhanenplagen, de pest. En tenslotte de dood van alle eerstgeborenen. “Er was geen huis zonder dode” staat in Exodus 12,30. Wat een prijs voor bevrijding! Er zijn conflicten in de wereld waarbij deze prijs nog steeds betaald wordt
Het bloed van de eerstgeborenen van Egypte, vormt een ereschuld voor Israël. Daarom zegt de Heer tegen Mozes al voor de uittocht, in hoofdstuk 13 vers 2 van Exodus,  “Wijd alle eerstgeborenen aan Mij; alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe”. En verderop staat: “En als uw kind u later vraagt wat dit betekent, dan moet u zeggen: ‘De Heer heeft ons met krachtige hand uit Egypte geleid en toen farao halsstarrig was heeft Hij hem geslagen in de eerstgeborenen. Daarom koop ik al het eerstgeborene van het mannelijk geslacht vrij’”. Dit is een instelling en gedachtenis voor alle generaties. Om te gedenken dat hun vrijheid gekocht is met het bloed van de eerstgeborenen van het volk dat hen onderdrukte. De eerstgeborenen die het kostbaar teken zijn, ook voor Israël, van de voortgang der generaties, van de toekomst.

Wat in het verhaal van Lukas gebeurt is een Pesachgedachtenis. Dit vindt plaats in Jeruzalem, plek van dood en doorgang van de Heer die hier als kind aan God wordt opgedragen. En die als eerstgeborene zijn bloed zal vergieten voor de bevrijding van zijn Godsvolk.

De politieke omstandigheden van Israël waren vanaf de jaren veertig verre van gunstig. Er was strijd tussen de verschillende facties in het volk zelf, die van mening verschilden over de houding ten opzichte van de bezetter. De militante vleugel van de Zeloten pleegde aanslagen op  openlijk gematigde en tot samenwerking met de bezetter geneigde leiders. De belastingdruk was door de corruptie van de procuratoren hoog. De inmenging van de bezettende overheid in godsdienstige aangelegenheden, tot de benoeming van de hogepriester toe,  onaanvaardbaar. De onvrede onder het volk nam toe evenals het verlangen naar bevrijding. De Romeinse represailles bleven niet uit.
In deze hele concrete setting laat Lukas Simeon getuigen van de vervulling van de hoop. Het is voor ons moeilijk te beseffen wat dat betekent. Alsof je midden in de ellende van een uitzichtloos bestaan zou zeggen: “nu hebben mijn ogen het licht gezien. Nu zie ik redding en perspectief. Nu komt het goed”
In die zin mogen we de ervaring van Simeon bij het zien van Jezus begrijpen. Ineens zag hij de Messias, de hoop van Israël, voor zich. Het licht van de Messias komt in de tempel. Hij die de nieuwe tempel bouwt en die het verloren licht van de schepping weer in de wereld brengt. Want dat is wat de Messias doet. De wereld aan het licht brengen. En een nieuwe Thora verkondigen, dat wil zeggen de grondslagen van Thora onderwijzen. Dat maakt Hem Licht der wereld en Leraar van Thora.    
En Hanna vertelt het aan ieder het maar horen wil, aan allen die de verlossing van Israël verwachtten.


Het menselijke moment van twee mensen die naar de wet hun kind opdragen en een offer tot reiniging brengen, wordt geplaatst in de bevrijdingsgeschiedenis van God met zijn volk. Tegelijk is dit moment een opening naar alle volken. De Messias heeft immers betekenis, niet alleen voor Israël, maar voor alle volken. Gods heil en bevrijding voor Israël zijn niet te isoleren van het heil voor heel de mensenwereld.

Net als die van Simeon zijn onze ogen oud. Dat wil zeggen: zij zijn oud geworden en moe  door het zien van te veel ellende. Kunnen we nog wel tekenen van hoop zien? Zien wij nog licht? We moeten het, als we naar de enscenering van het verhaal kijken, kennelijk niet te ver zoeken. Maar in het kleine dat zich aan ons voordoet, dat ons in de schoot valt. Juist in ogenschijnlijk hopeloze en uitzichtloze situaties is dit kleine zo belangrijk. Misschien drukt God zich wel juist daarin uit, in het kleine hoopvolle, temidden van de grote puinhoop die wij ervan maken. Het kan zomaar gebeuren.


Maleachi zegt in zijn dialoogverhaal over de vervulling van Gods belofte: “plotseling zal dan de Heer in zijn heiligdom binnentreden, de Heer die gij zoekt, de bode van het verbond, naar wie gij met vreugde uitziet”. Wanneer we als Simeon onze verwachting en ons verlangen naar vertroosting niet opgeven en net als Hanna dichtbij de tempel blijven en God dienen, kan het zomaar gebeuren dat onze Heer het heiligdom binnentreedt. Het kind dat de tempel in wordt gedragen is immers zelf beeld van de nieuwe tempel. Niet een tempel van steen, maar  van levende mensen.
Er wordt immers in de traditie gezegd dat in de dagen van de Messias geen offers meer nodig zijn een misschien ook wel geen tempel, behalve voor het offer van dank. Het heiligdom van levende stenen, dàt heiligdom is niet verwoest, zoals de tweede tempel wel is, hoe beschadigd het menselijk heiligdom misschien ook is.
De nieuwe tempel zijn wijzelf. In ons brandt het tempellicht de eeuwen door, van generatie op generatie in de gedachtenis aan Gods bevrijdend handelen. We bieden er aan God ons leven aan, opdat zijn licht in ons mag schijnen. Als een licht voor een anderszins verlaten, godvergeten en duistere wereld. Amen.

 top


Overweging 20 januari 2019 

bruiloft te Kana

Lezingen: Jesaja 62, 1-5; 1Korintiërs 12, 1-11; Johannes 2, 1-11.
Behalve de mensen die graag brandnetelthee drinken, omdat dat zo gezond is, of brandnetelkaas eten, zullen er niet zoveel mensen zijn die van brandnetels houden. Hun netelcellen veroorzaken immers bij aanraking pijnlijke branderige en jeukende plekken. Men is ze liever kwijt dan rijk in de tuin. Maar een aantal rupsen vinden brandnetel heerlijk en daarom laten we er altijd een aantal tussen de struiken staan. Nu zullen de meeste mensen ook niet zo warm lopen voor rupsen, maar uit rupsen komen vlinders voort en ik ken niemand die niet van vlinders houdt. De brandnetel is waardplant voor de atalanta, de dagpauwoog, gekartelde aurelia en kleine vos; en ook de distelvlinder en het landkaartje kunnen er hun eitjes in leggen. Zo speelt de brandnetel een onmisbare rol in de transformatie van een aantal rupsen tot vlinder. En ook al ziet de vlinder er heel anders uit dan de rups, het is wel hetzelfde individu, maar dan anders.


De lezingen van vandaag gaan over transformatie, omvorming.
In de eerste lezing ontvangt Israël een nieuwe naam. De ballingschap, en daarmee  het van God verwijderd zijn, wordt opgeheven. Het volk mag terugkeren naar Jeruzalem en het verbond wordt hersteld. Niet langer verweesd en zonder lied, wordt Israël gekroond als bruid en vindt welbehagen bij God als de geliefde. Niet langer verstoten, maar in ere hersteld aan de zijde van de Bruidegom. Zo ervaart Israël de vreugde van de terugkeer en opgang naar Jeruzalem. Het huwelijk is het beeld bij uitstek voor het verbond van God met zijn volk. Net zoals in een gewoon huwelijk van twee mensen kan zich daarin van alles afspelen: toenadering, innige verbondenheid, verwijdering, groei, boosheid, verzoening. Maar, naar wij geloven bestaat er van de zijde van God in de relatie geen definitieve breuk. En eigenlijk is dat bij de relatie tussen mensen ook zo. Je blijft altijd de ‘ex van’, de ouder van de gezamenlijke kinderen. De relatie blijft een deel van de levensgeschiedenis waardoor je bent gevormd.


Uit het Johannesevangelie lezen we het zogenoemde wijnwonder, waarbij water verandert in wijn. Ook hier is sprake van een huwelijk. Binnen die setting mogen we dan ook verstaan wat het teken dat Jezus stelt, betekent. We weten dus meteen waar het over gaat. Namelijk over de relatie van God met zijn mensen en wat die relatie met mensen doet. Hoe die hen vormt tot wie zij zijn.
Het verhaal van de bruiloft te Kana heeft meer lagen dan het verhaal van Jesaja. Heeft Jesaja meer het aspect van de wederwaardigheden van God met zijn volk, hier gaat het om openbaring van nieuwe levensaspecten in het verbond van God en mens. Aspecten  die precies te maken hebben met de eigenheid van het zich ontwikkelende christendom: menswording, doop, verrijzenis. De menswording als geïncarneerde levensverbondenheid van God en mens; doop als deelname aan Christus en aan het verbond; de verrijzenis als belofte van leven en als oriëntatie voor een leven in de Geest; Het is moeilijk te beseffen hoe deze geloofselementen (memen), in de eerste eeuwen van onze jaartelling en voordat het christendom als staatsgodsdienst werd geïnstitutionaliseerd, de harten van mensen raakten. Voor iedereen had deze interpretatie en nieuwe impuls van het joodse geloof iets te zeggen. Het was universeel, inclusief en kende geen rangen en standen. Iedereen kon van Christus zijn. Ook een slaaf en zelfs een koning.


In het verhaal van de bruiloft te Kana verandert water in wijn. Het merkwaardige van dit verhaal is dat het geen wonderverhaal is. Jezus doet of zegt niets, legt geen handen op, spreekt geen gezagswoord dat op die verandering gericht is. Zoals elders wel gebeurt: word gezond, sta op, inwrijven met iets. Hier is het door wie hij is dat het gebeurt. Zijn aanwezigheid verandert het water van het sterfelijk leven in de wijn van eeuwig leven. Zoals hij bij de doop in de Jordaan ondergedompeld wordt in het water van de dood en eruit opstaat als de Levende, de zoon in wie de hemel welbehagen heeft. Het nieuwe Israël. Het teken van de wijn loopt, net als zijn doop, vooruit op zijn verrijzenis en is voorteken van zijn opstanding. En ieder die aanwezig is bij de bruiloft mag ervan drinken.  

Net zoals de menswording een teken is waarin hij zich onderdompelt in het menselijk leven en daarmee ons menselijk bestaan opneemt in zijn goddelijk bestaan. Dit wordt beleden door de priester telkens wanneer er eucharistie gevierd wordt. Bij de menging van water en wijn zegt de priester: “gij deelt in ons menselijk leven, opdat wij delen in uw goddelijk bestaan”.
Op die manier is heel ons bestaan opgenomen in Gods leven. Door Christus delen we in zijn verrijzenis en in de belofte van een onvergankelijk bestaan.

Voor ons verwijst dit verhaal van Kana ook naar onze eigen doop. In het water van de doop worden we lidmaat van het lichaam van Christus. Door de zalving met chrisma delen we in het koninklijk, priesterlijk en profetisch charisma van Christus. We ontvangen een nieuwe naam, die van Christus. De doop voegt iets toe aan onze identiteit. Een identiteit die groeit naarmate we langer en intensiever door Christus met God verbonden leven.
De verandering van water in wijn verwijst naar een omvorming van leven die door de Geest wordt aangestuurd en geleid. Het leven naar de Geest verandert ons bestaan. We worden niet een ander, maar we groeien aan die relatie en worden meer en meer wie we zijn in de liefde van de Ander. Binnen een duurzame menselijke liefdesrelatie is dat niet anders. We veranderen aan elkaar en groeien aan elkaar.

Dit proces van transformatie dat in de doop een aanvang neemt, wordt bevestigd en versterkt in de eucharistie. Ook daar verandert iets. Brood wordt tot teken van het Lichaam van Christus; wijn tot teken van zijn bloed, zijn leven en levenskracht. Mensen komen samen en worden tot Lichaam van Christus, delen in zijn goddelijk leven. We veranderen van rupsen in vlinders. En het is de Geest die ons doet groeien tot wie we kunnen zijn en die ons vleugels geeft.

 

Ieder van ons is een tempel in de Geest. In die tempel groeien we uit tot wie als christen kunnen zijn. Dat wil zeggen in de aanwezigheid van de Eeuwige. Dat is een innerlijk proces. Het voltrekt zich in de cocon van de stilte, van het gebed. Daarin worden we meer en meer mensen van de Geest. De rups weet niet dat hij een atalanta is of een gekartelde aurelia. Zo weten wij niet wat het leven, wat de geest met ons doet. Maar het wordt duidelijk in de vruchten die we voortbrengen. Een troostend woord, een nabij-zijn, een richting, een lichtpuntje, wat kennis. Sprokkelhout en stukwerk op de weg van transformatie van onze werkelijkheid in de richting van de vervulling van Gods belofte. Wanneer ons leven voorgoed betekend zal zijn door Gods aanwezigheid en wij wandelen in zijn licht en in zijn vrede. Alle gaven van ieder van ons dragen daartoe bij. Geen gave is te klein en allen zijn nodig. Want zonder u of mij, en wie of wat we ook zijn, is het Godsrijk niet compleet. Amen.
top

 

Overweging 13 januari 2019 
Opstaan uit water in de Geest

Lezingen: Jesaja 40, 1-5.9-11; Titus 3, 4-7; Lucas 3, 15-16.21-22.
De betekenis van de doop van Jezus staat in een lange traditie van doortocht door het water naar iets nieuws.  Het voegt er ook iets aan toe dat uniek is voor hetgeen in Hem wordt geopenbaard. Het loopt vooruit op zijn verrijzenis, net zoals het verhaal bij Johannes over de bruiloft te Kana. We lezen het volgende week in de liturgie. Bovendien komt hetgeen in Jezus Christus geopenbaard wordt toe aan alle volken en aan allen die in Hem geloven. In Hem delen we in het kindschap van Israel, het kindschap van God.

Het begin van het Lucasevangelie maakt al veel duidelijk over de positie van Jezus in de traditie van zijn volk. Het begint met verwante tweetallen (net zoals het boek van de schepping).
Johannes en Jezus, Elisabeth en Maria, Simeon en Hanna, en op de achtergrond Zacharias en Jozef. Van de laatste twee wordt de tempelpriester Zacharias, die net als zijn vrouw oud is, tot zwijgen gebracht, aangezien hij niet geloofd heeft wat hem door de engel Gabriel is gezegd, nl. dat hij en Elisabeth in hun ouderdom ouderschap zouden ontvangen en een zoon krijgen die de harten van zijn volk zou doen terugkeren tot God. Jozef is de stille op de achtergrond, de man in coulissen, de stille in den lande, die zijn rechtvaardige weg gaat en volstrekt dienstbaar is aan wat zich in zijn vrouw ontvouwt.
Het andere tweetal: Elisabeth, de tante van Maria, die zes maanden eerder zwanger is dan zij. Naar de betekenis van haar naam is zij de draagster van een belofte van de Eeuwige. Een belofte die van doen heeft met de voortzetting van het Joodse leven. Maria herinnert in gestalte en naam aan de slavernij in Egypte. Het betekent bitterheid, bittere zee. Het verwijst naar de omstandigheden van het leven in ballingschap en slavernij, naar het ondrinkbare leven. Uit deze bitterheid wordt bevrijding en uitredding geboren, verlossing uit slavernij, onderdrukking en dood. Maria wordt zalig geprezen, omdat zij juist wel geloofd heeft wat haar vanwege de Heer is gezegd.  Jezus lijkt op Mozes en zijn kruis op diens staf.
Tenslotte Johannes, de Doper en de Voorloper, de stem die roept in de woestijn, wiens naam ‘God is genadig’ betekent. En Jezus, wiens naam herinnert aan Jozua de opvolger van Mozes die het volk het beloofde land in leidt. Beide namen beduiden ‘God redt’.
In Johannes wordt Gods genade aangezegd aan wie terugkeert tot Hem en in Jezus wordt zijn reddende liefde geopenbaard. De aloude belofte in een hernieuwd verbond.

In het evangelieverhaal ontmoeten Johannes en Jezus elkaar opnieuw, nu niet in de moederschoot, maar op eigen titel. Kennelijk beschouwden nogal wat volgelingen van Johannes die in de verwachting van de Messias leefden, hem als de Gezalfde. Maar zijn taak is het om de Messias aan te wijzen en diens weg te banen. Ten teken van zijn doorgang (zijn exodus) laat ook Jezus zich dopen. De doop van Jezus is een voortgaande   openbaring. De hemel gaat open en er klinkt een stem. Die stem wijst hem aan als de geliefde zoon, het kind van Gods welbehagen.

De doop van Jezus symboliseert zijn ingaan in het sterfelijk leven en zijn opstanding. Hij gaat de wateren des doods in om er als Levende uit op te rijzen. In die daad heeft hij het menselijk leven geheiligd en voor het leven getekend. Met hem staan wij die in hem geloven, mee op uit de dood. Wij zijn gedoopt in zijn dood om met hem te verrijzen, schrijft Paulus. Met hem zijn ook wij aangenomen als kinderen van de allerhoogste en delen we in de belofte van eeuwig leven.

In de brief aan Titus schrijft Paulus dat, toen de liefde van God onze Redder, d.i. Jezus, zich openbaarde, Hij ons door water en Geest heeft gered, opdat ook wij erfgenamen zouden worden van eeuwig leven. Dit eeuwig leven is in de geloofstraditie niets anders dan wat in het begrip beloofde land en met uittocht wordt aangeduid. Het is uitredding uit de uitzichtloosheid van het sterfelijke en door onrecht en dood aangetaste bestaan. Het is herschepping, nieuwe mens, door God bedoeld leven.

In Jezus wordt een weg gebaand door de woestijn en ligt het beloofd land voor ons open. Het Sion en Jeruzalem uit de Jesajalezing zijn beeld van de messiaanse wereld. De woonplaats van God onder de mensen en de stad van vrede.
Bij Jeruzalem moeten we nadrukkelijk niet denken aan de hoofdstad van de politieke staat Israel. Hooguit als contrastwerkelijkheid van het beloftebegrip Jeruzalem, de stad van werkelijke sjaloom, van verzoening en ware vrede. De stad waar Gods wereld en mensenwereld verenigd zijn. De stad van dubbele vrede, met God en met mensen.
Jezus Messias is zowel de weg, de opgang naar die stad als de incarnatie ervan.
Opgang is in bijbelse zin: gaan naar Jeruzalem. Uit de woestijn naar beloofd land, uit ballingschap naar vaderland. Terugkeer. Opgang begint met opstanding.

Het verhaal van de opstanding van Jezus begint met het opstaan van Mozes tegen de onderdrukking van zijn volk. Van Godswege geïnstrueerd moet hij tegen farao zeggen: “Israël is mijn eerstgeboren zoon. Laat mijn zoon gaan!”.
Jezus is de nieuwe Mozes die zijn volk uitleidt uit de ballingschap van zonde en de slavernij van de dood. Hij is ook de geliefde zoon Izaäk die aan het hout gebonden wordt en aan de dood ontrukt. Hij is Jozef, de geliefde zoon van Jakob Israël, die uit de put gered, als onderkoning zijn familie redt van de hongersnood.

Zonen, kinderen zijn zij die door de Geest geleid worden, zegt Paulus. Zoals Jezus zegt: “mijn moeder, mijn broeders en zusters zijn zij die de wil van de Vader doen”. En Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: “niet de kinderen naar het vlees, de kinderen van Jakob namelijk, maar de kinderen van de Belofte, die van Izaäk, zijn erfgenamen.” In Jezus zijn wij die erfgenamen. Erfgenamen van de belofte. Geliefde kinderen van de Enige. Met alle lusten en lasten die daarbij horen.

Door het geloof zijn we in Hem gedoopt en geheiligd en aangenomen in het kindschap van God. Ook over ons klinken de woorden: “laat mijn kinderen gaan” en “deze is mijn geliefd kind”. We zouden kunnen zeggen dat vóór we iemand zijn we al in Gods liefde begrepen zijn en dat niets ons van die liefde kan scheiden. Het is immers niet op grond van verdienste, maar op basis van Gods genade dat we als kinderen zijn aangenomen. Vóór wij waren heeft God ons al gekend en liefgehad. Zo geloven wij dat heel ons bestaan in die liefde begrepen is en erdoor wordt bevestigd. Hij kent ons als de mens die we zijn. Niet de vraag of we rijk of arm zijn, geleerd of ongeletterd, homo, hetero, lesbo, trans of queer is daarbij van belang. Gods liefdeswoord heeft over geklonken, wie zou ons moeten oordelen?
Van belang is of wij in Geest herboren worden, of we als de mens die we zijn Gods liefde zichtbaar maken. Mensen zijn waar God vreugde in kan hebben.
Dat betekent misschien wel in de eerste plaats dat we elkaar liefdevol aanvaarden en thuis brengen. Opstaan tegen en uit onderdrukking, discriminatie, onrecht en de oordelen waarin we elkaar gevangen houden. Verrijzenis begint waar mensen zich vrij voelen om te worden wie zij zijn, vrij om op te staan en te leven.
Het beloofde land zou het visioen moeten zijn van een wereld waar mensen onbedreigd en in vrede en verbondenheid met elkaar leven. In de bonte regenboogveelkleurigheid van de rijke verscheidenheid waarin de mens zich voordoet. De rijkdom van de schepping is juist de diversiteit die we bezig zijn op vele manieren om zeep te helpen. Zo mag het onder christenen niet zijn. Wij zijn immers allen broeders en zusters en kinderen van de Allerhoogste, dragers van zijn Geest en geschapen tot de vrijheid van de kinderen Gods. Amen.

 top

 

Overweging 2019 01 06
openbaring aan de volken


Jesaja 60, 1-6; Efeziërs 3, 1-12; Matteus 2, 1-12.
Vandaag vieren we het oudste openbaringsfeest rond de menswording en het in de wereld komen van Gods Zoon. De viering van het kerstfeest als apart geboortefeest is van latere datum. Oorspronkelijk werd in de kerk van het oosten op deze feestdag zowel de geboorte, het bezoek van de wijzen als de doop van de Heer gevierd. In de kerk van het westen werd gaandeweg de geboorte rond de zonnewende gevierd. Dit hing ook samen met de viering van de conceptie rond het begin van de lente. De nadruk op de geboorteviering maakte dat de verschillende elementen los van elkaar werden gevierd en het westen nam de viering van epifanie van het oosten over als de openbaring aan de volken, het bezoek van de wijzen.

Het lijkt me overigens dat in eerste instantie de viering van epifanie werd overgenomen en dat pas later de geboorte als feest werd gevierd. Dat baseer ik op een uitspraak van Augustinus (354-430) die de viering van de geboorte van Jezus aanduidt als een memoria, een gedachtenis, terwijl hij het Paasfeest aanduidt als een sacramentum.  Bovendien baseer ik het op het gegeven dat de oudste afbeelding rond de geboorte van Jezus niet de geboorte scène is, maar het bezoek van drie wijzen die geschenken aandragen aan het kind dat op de schoot van Maria gezeten is, die troont op een koninklijke zetel. Die afbeelding is als muurschildering te vinden in de catacomben van Priscilla in Rome. Maria heeft hier de contouren van de positie die ze later bij dogma in de vijfde eeuw zou verwerven. Maria als de moeder Gods.
De figuren die geschenken brengen zijn drie in getal, aangezien Matteus spreekt over drie geschenken, maar niet het aantal personen aangeeft. Wel spreekt hij over magoi, heren die zich met bovennatuurlijke kennis bezighouden. Zij komen heel betekenisvol uit wat voor Matteus anatolië is, apo anatoloon staat er in het Grieks, dat wil zeggen uit de streek waar de zon opkomt. Op het fresco in de catacombe dragen zij frygische mutsen mogelijk om aan te geven dat zij uit Perzië komen, of om aan te geven dat zij over enige wijsheid beschikken. Zij zijn allen ongeveer even oud en betrekkelijk jeugdig. Ook op een reliëf uit de vierde eeuw worden zij zo afgebeeld.
Later worden de drie in verschillende leeftijdscategorieën afgebeeld, een jong volwassene, iemand van middelbare leeftijd en een senior. Kennelijk om heel de mens in zijn levensfasen aan te duiden. Zo is het op een mozaïek uit de zesde eeuw in de san Appolinare in Ravenna, de toenmalige hoofdstad van het west-romeinse rijk. Dezelfde aanbiedingshouding en oosterse kleding met frygische muts, maar verschillend van leeftijd.

Tegen het jaar duizend ondergaat de afbeelding weer een verandering. Na de periode van de roomse koning keizer Karel de Grote en de strijd om de hegemonie in Europa tussen wereldlijke vorsten en de bisschop van Rome, ondergaan ook de wijzen uit het oosten een gedaanteverandering. Nu worden zij als koningen van verschillende leeftijd afgebeeld.
Nog later, met de kerstening van de koloniën, krijgen deze koningen een verschillende huidskleur. De oudste, en blanke, koning legt zijn kroon af voor Christus. De anderen blijven nog achter. Met andere woorden de koningen van de wereld onderwerpen zich aan de koning der koningen, Christus, met als achterliggende boodschap, ook aan diens vertegenwoordiger op aarde, de primaat van Rome. Het religieus, met name het kerkelijk gezag staat boven het wereldlijke gezag, is de boodschap. Voorts zal het ons niet  verwonderen (op grond van de toen geldende vooroordelen) dat bij de verschillende huidskleuren degene met de donkerste huidskleur de jongste is. Deze is de laatste in de bekering en de laatste in ontwikkeling.
In de historische ontwikkeling van de afbeelding van de drie wijzen, of koningen, zien we de ideologiegeschiedenis van het westen uitgedrukt dat zich als het centrum van de wereld beschouwt.

De toestand van de wereld openbaart zich in de ontwikkeling van het feest. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling ervan. Het is juist de bedoeling dat zichtbaar wordt hoe de wereld de zelfopenbaring van God in zich opneemt. Eigenlijk is de hele kersttijd een feest van openbaring. God die zich kennen laat en mensen die dit ontvangen. De geboorte en menswording, de aanbidding door de herders, de besnijdenis en de opdracht in de tempel, de aanbidding door de wijzen, de doop in de Jordaan. En ook… de verbinding met de voortgaande openbaring bij de bruiloft van Kana als voorafbeelding van Pasen en de messiaanse openbaring bij de opdracht in de tempel.
Eén openbaringsproces in beelden en feesten uiteengelegd. Het mysterie is te groot en te veelomvattend om in één keer te bevatten. Het in de wereld komen van God omvat heel ons leven, de tijd van ons bestaan, maar ook de ruimte ervoor en erna. Dat wil zeggen dat de donkerte waardoor ons leven is omklemd, dit ongewisse van waar kom ik vandaan en waar ga ik heen, wordt betekend en verlicht door juist dit in de wereld komen van God als mens.
Zijn menswording stelt mijn, ons leven in zijn geheel in een nieuw licht. Niet alleen met betrekking tot wat wij mogen zijn en betekenen zolang wij in de wereld zijn, maar ook, en dat is misschien nog wel veel belangrijker voor het ervaren van zin en betekenis, geeft het ons te weten in wie ons leven geborgen is, in wie het zijn oorsprong vindt en zijn voleinding. Niet in het niets, maar in Degene die ons in het leven heeft gewild en dat leven door zijn/haar menswording heeft geheiligd en gezegend.  

Vandaag ligt de nadruk echter op het in de wereld komen. God wordt niet alleen mens, maar als zodanig komt ZHij ook in de wereld, in het domein van de gebrokenheid, de onafheid, de sterfelijkheid; kortom onze wereld. Christus komt niet alleen in Israel voor Israel, maar voor alle mensen. Zijn komen heeft betekenis voor alle volken en heel de wereld. Ook al is die wereld voor ons wel een stuk ruimer dan voor de magiërs, sterrenwichelaars en tekenschouwers uit het oosten bij Matteus.
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat Christus koning is van deze wereld, dat zou Hij zelf ook niet willen. Zijn koningschap heeft, naar wij weten een andere betekenis. Zijn komen is niet van directe geopolitieke of economische betekenis. Hij is geen betere uitvoering van Poetin, Trump, Willem Alexander of Angela Merkel.

Met de wereld bedoel ik het domein van het menselijke met alles wat daarbij hoort: ons liefhebben en vechten, ons lijden en lachen, onze poëzie en beeldende kunst en destructief vermogen, onze sterfelijkheid en fabuleuze inventiviteit en intellectuele capaciteit, om maar een paar dingen te noemen. In deze, onze wereld is God gekomen en heeft zich geopenbaard.
Het ontvangen van die openbaring betekent dat wij heel onze werkelijkheid, en dat behelst dus ook onze geopolitieke en economische werkelijkheid, relateren aan die menswording.
Anders gezegd: onze wereld, bezien in het licht van Gods in de wereld komen, staat gericht op humanisering. Dat is een samen groeien in het aanwezig brengen van God in de wereld, zijnde het geheel van directe en indirecte menselijke betrekkingen. Daarbij zijn de directe betrekkingen de relatie met partner, kinderen, ouders, buren, collega’s en zo meer. Tot de indirecte menselijke betrekkingen horen de politiek, de economie, het zorgstelsel en zo meer. De menswording van de wereld beslaat de private ruimte, de staat, en dat wat de publieke ruimte wordt genoemd. Maar ook alle internationale betrekkingen en instituten. Zo wil ik de openbaring van Christus aan de volken verstaan. Vanuit het bereik van God, in de gestalte van een mens tot ons gekomen, verbreedt zijn betekenis zich naar het domein van alle mensen en alle volken.

Dat is geen ideologisch te manipuleren boodschap ten dienste van de kerk of een ideologische wereldorde. Het heeft in eerste instantie helemaal niets met de kerk te maken. Het is visionair en wellicht utopisch. Maar het geeft richting en betekenis aan ons handelen en verlangen.
Als mensen die geloven in hetgeen in Christus wordt geopenbaard, willen we ons inzetten voor een wereld die menselijk is. Een wereld waarin mensen elkaar als ware zusters en broeders herkennen, als vlees van hun vlees, bloed van hun bloed. Waar kinderen onze gezamenlijke kinderen zijn en onze gezamenlijke verantwoordelijkheid, aangezien zij onze toekomst vertegenwoordigen. Kostbaar en beschermwaardig. Wie wil er nu eigenlijk dagelijks geconfronteerd worden met mensonterende berichten? God is toch in de wereld gekomen om die in liefde te helen?
De oorspronkelijke afbeeldingen van de wijzen uit het oosten betroffen betrekkelijk eenvoudige lieden die met de kennis die ze hadden, een ster van hoop op een nieuw koningschap volgden. Zij verlieten de hun bekende wereld om uit te komen bij het weerloze licht dat schijnt in de duisternis van onze wereld. Het verandert hen en zij gaan een andere weg bewandelen.
 
Wanneer je onze wereld bekijkt in het licht van Christus kun je geen genoegen nemen met de bestaande situatie. Dit geeft ons een verlangen dat ons inspireert om andere wegen te gaan. Een weg van licht en vrede…..voor iedere mens. Amen.
 top

 


info@wardcortvriendt.eu