Home NL
Blog
Diensten/produkten
Contact N
Columns N
Artikelen
Preken /Overwegingen
preken 2014
preken 2015
preken 2016
preken 2017
preken 2018
preken 2019
Home EN

 

Overweging 23 februari 2020
de juiste maat

Lezingen: Exodus 22, (20)21-26; 1Korintiërs 3, 16-23; Matteus 5, (27-32).33-48.

In onze rechtspraak kennen we het begrip jurisprudentie. Het is een belangrijk mechanisme in het recht naast en als aanvulling op de geschreven wet. Het heeft alles te maken met de rechtvaardige en billijke toepassing van de wet. Deze weken houden we ons in de lezingen, en met name in de evangelielezingen, bezig met de relatie tussen wet en toepassing.

In de lezingen van deze zondagen worden we onderwezen in de wet, als de weg van en naar het koninkrijk der hemelen. We zitten als het ware aan de voeten van Jezus die in de zogenoemde Bergrede tot zijn leerlingen spreekt. Doordat deze zondag in ons rooster de laatste zondag na Epifanie is voor de veertigdagentijd lezen we in dit jaar niet de hele Bergrede. Maar de bedoeling van Jezus wordt toch wel duidelijk. Hij onderwijst in de toepassing van de wet en probeert zijn leerlingen gevoelig te maken voor rechtsnormen, eerder dan voor rechtsregels. Hij citeert geboden en geeft daarbij aan hoe deze op het niveau van de toepassing in zijn ogen geïnterpreteerd moeten worden.   


Uit de opbouw van de Bergrede (Matteus 5,1 -8,1) blijkt waar het om gaat. In het centrum ervan (6,9-13) vinden we de tekst van het Onze Vader, een van de meest vertrouwde gebeden die christenen kennen en waarin Jezus ons leert om God aan te spreken als zijn en onze vader.  Niet zo vreemd dat dit gebed het centrum staat van het onderwijs in de wet. Bidden houdt ons immers dicht bij God en dicht bij mensen. Het Onze-Vader-gebed wordt in de tekst geflankeerd door de begrippen gerechtigheid en barmhartigheid, vergeving en vasten. Het gaat er om een zuiver gevoel te ontwikkelen voor wat recht is en onrecht. Maar ook om regels en wetten met liefde toe te passen, zeker waar de toepassing van een wet tot onrecht leidt. We moeten elkaar niet in schuld gevangen houden, maar bereid zijn om elkaar te vergeven, zowel om onze naaste als om onszelf te verlossen van schuld en wraak. Of, anders gezegd, van aanspraken die we op elkaar hebben. Deze scheppen een ongelijkwaardigheid in onze verhoudingen. We vasten in fysieke en geestelijke zin om in alles de juiste maat te leren houden. Die juiste maat bepaalt namelijk ook de mogelijkheid van deelname aan het leven.
Deze kernwaarden en menselijke eigenschappen van rechtvaardigheid, barmhartigheid, vergevingsgezindheid en maatvoering (matigheid) komen van pas bij de ontwikkeling van ons vermogen tot ethisch handelen. Er is immers niet voor elke situatie een duidelijke regel voorhanden die alleen maar toegepast hoeft te worden. We moeten dan bij onszelf te rade gaan om de juiste keuze te maken. Hoe we in een bepaalde situatie moeten handelen baseren we op Gods liefde en vooral ook op de bedoeling van de relaties tussen mensen en de bedoeling van de menselijke gemeenschap.

Als pendant van Jezus’ leerrede lezen we uit het 22e hoofdstuk van Exodus. Ook hierin worden rechtsnormen en toepassingen voorgehouden aan het bevrijde Godsvolk. Hoofdstuk 22 is een deel van de afdeling van de Thora die deze week voor de Joodse geloofsgemeenschap gegeven wordt, namelijk Exodus 21,1 tot 24,18. De uitgebreide opsomming van normen en voorschriften in deze tekst volgt op de beschrijving van de ontmoeting van Mozes met de Heer.  


In een commentaar op deze tekst schrijft rabbijn Davis Hoffman van het Jewish Theological Seminary in New York: “Sinaï betekent een moment van intimiteit tussen de Jisraëlieten en hun Bevrijder. Als we vervolgens de stap maken naar Misjpatiem (dat is de naam van deze afdeling, en het betekent wetten. Ward.), zouden we wellicht verwachten dat er een uiteenzetting van rituele voorschriften volgt om de bijzondere relatie van het volk met God te reguleren. Het zou  voor de hand gelegen hebben dat nu de rituele voorschriften omtrent tefillien (gebedsriemen W.) en tsietsiet (de schouwdraden of gedenkkwasten. W.), de Sjabbat, de feestdagen of kosjer eten zouden worden geïntroduceerd - voorschriften die uitdrukking geven aan het exclusieve van de relatie tussen God en het joodse volk.
Echter, de eerste wetten die na dat hevige en intieme moment worden uiteengezet, zijn de wetten die tot in detail het gedrag van mensen onderling regelen. De eerste wetten van het Verbond, die onmiddellijk na Sinaï worden gegeven, gaan over de rechten van slaven, het gebod om de vreemdeling niet te onderdrukken, om de weduwe en de wees goed te behandelen, om geen praatjes over andere mensen in omloop te brengen. We krijgen wetten te horen over letselschade, over eigendomsrecht, en een visie hoe de rechtspraak het best kan worden uitgeoefend. Kortom, dit zijn allemaal wetten die de grondslag vormen van hoe wij omgaan met andere mensen (been adam lechavero, intermenselijke verbondenheid. W.). Geen enkele van deze wetten lijkt exclusief betrekking te hebben op de relatie tussen het joodse volk en hun God. Eigenlijk bieden ze een universele morele richtlijn voor het inrichten van een rechtvaardige samenleving”.

Eenzelfde gerichtheid en bekommernis om de menselijke relaties vinden we in de Bergrede. De weg van het rijk der hemelen wordt gesitueerd in de omgang tussen mensen. De gemeenschap van mensen als beeld van het koninkrijk. De centrale positie van het gebed wijst erop dat deze omgang stoelt op de relatie van God met zijn volk, terwijl deze zichtbaar wordt en verwerkelijkt wordt in de menselijke samenleving. Een eenzijdige gerichtheid op de relatie met God en de godsontmoeting is geen excuus voor nalatigheid ten aanzien van de menselijke omgang.
Dit voorkomt een zodanige vergeestelijking van de godsdienst dat geloof zich loszingt van de wereld. Het verzet zich tegen de schoonheid van het spirituele leven en het zich terugtrekken in fijne en esoterische ervaringen. Ook de liturgie met haar vervoering en ervaring van schoonheid en geborgenheid is geen tent om te blijven, maar wel een ervaringsomgeving om bemoedigd en gesterkt te worden voor onze weg door de wereld, waar de mensheid is en haar weedom (om De Kleine Johannes maar te citeren).
Zowel Exodus als Matteus wijzen ons op onze plaats in de wereld en op onze verantwoordelijkheid voor de verbondenheid tussen mensen.


De schoonheid van de geestelijke ervaring en van het raken aan Gods aanwezigheid is een geschenk dat ons geloof versterkt. Het is verleidelijk om daarbij stil te blijven staan, maar het is niet de bedoeling.
Augustinus waarschuwt in de toepassing van zijn regel voor vergeestelijking van de werkelijkheid. Alsof deze wereld er niet toe doet en je alle kaarten moet zetten op een verzaking van de wereld en een ontkenning van de openbaringskracht van onze wereld. Juist in de omgang met mensen is er de mogelijkheid om God te openbaren en ons geloof vruchtbaar te maken. Heel streng zegt hij dat een broeder niet hoog mag opgeven op zijn spirituele vooruitgang zolang hij niet in staat is om een kledingstuk of pen met zijn broeder te delen. Ons geloof toont zich in de praktijk van alle dag.


Jaren geleden bood een aantal theologen, onder redactie van Edward Schillebeeckx, Jean Baptist Metz een bundel aan onder de titel “Mystiek en Politiek” waarin ook dit spanningsveld tussen geloof en daad aan de orde kwam. Wanneer mystiek in zichzelf blijft is ze vruchteloos. Met name ook in het kader van de verlossing van de wereld. De ervaring van Gods aanwezigheid kan niet zonder gevolg blijven voor de politiek, dat wil zeggen voor het publieke handelen. Het publieke handelen oriënteert zich daarbij op de ervaring van Gods aanwezigheid in de wereld en het verlangen daarnaar. Als dóórbreken van zijn liefde en gerechtigheid, het zichtbaar worden van zijn rijk dat de vervulling is van de bedoeling van ons mens-zijn. Zonder de oriëntatie op God en waar deze voor staat is politiek erratisch en opportunistisch, machtsspel, richtingloos.


Het slot van het Matteusevangelie is erg duidelijk als het gaat om de voltooiing van de wereld. Hoofdstuk vijfentwintig wijst met betrekking tot het beoordelen van onze aanwezigheid in de wereld nergens op een exclusieve gerichtheid op God. Het gaat om de liefde voor en betrokkenheid op mensen. De inzet voor de kwaliteit van de mensengemeenschap (lechavero been adam). 

 

Anders dan alle andere goden uit de antieke wereld, en ook de goden in onze wereld die zichzelf alleen maar willen vermeerderen, wijst de God van het verbond alleen naar zichzelf als bron en behoeder van de rechtsstaat van het rijk der hemelen. Als waarmerk voor ons handelen, niet als doel van ons handelen.
Voor de concretisering ervan, voor zover het de menselijke werkelijkheid betreft, verwijst de wet van het leven naar de onderlinge relaties en de omgang tussen mensen. En daarmee naar onze verantwoordelijkheid voor de wereld en voor elkaar. In de Ster van de Verlossing van Franz Rosenzweig staat in het model van Davidster op de lijn die God en mens verbindt de openbaring van zijn liefde en zijn wil. Tussen God en de wereld is de relatie die van schepping. De relatie tussen de mens en de wereld is die van verlossing.

De tempel en de verbondstent zijn één. De ark waarin Gods wet van leven bewaard wordt is het hart van de mensengemeenschap; en de wet wordt in haar vervuld door de geest van God die in ons woont. De aanwezigheid van de Eeuwige is in die tempel waar de wet wordt geleefd. Die tempel is heilig en ongeschonden. De wereld is van ons, met alles wat deze is en zijn kan en te bieden heeft, maar wij zijn van God. Dit principe geeft precies aan waar onze verantwoordelijkheid ligt en onze mogelijkheid. Een mooie opmaat naar de veertigdagentijd, lijkt me zo. Amen.

 top


Overweging 16 februari 2020 

om de wet te vervullen 
Lezingen: Jezus Sirach 15, 11-20; 1Korintiërs 2, 6-11; Matteus 5, 17-26.
“Ik tracht op poëtische wijze dat is eenvouds verlichte waters de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen”. Het is de openingszin van een gedicht uit 1948 uit de bundel ‘Apocrief/De analfabetische naam’ met werk van Lucebert. Het geeft aan dat hij de werkelijkheid niet op een canonieke, gevestigde en geletterde wijze wil benaderen. Hij wil, juist ook met zijn complexe, en mogelijk verwijtbare, achtergrond, proberen het beschadigde leven van na de oorlog met zijn gekantelde normen en waarden in taal en beeld te vatten.
De zin is rijk aan betekenis. De ruimte van het volledig leven wordt niet tot uitdrukking gebracht door gestolde begrippen waarin het leven wordt opgesloten, maar door poëtische, dat wil zeggen creatieve, taal die het leven bevrijdt uit het keurslijf van de normatieve definitie. Het wordt doorgrond door de onmiddellijkheid van de eenvoud die de waarheid ervan uitdrukt en die het leven in zijn volheid aan het licht brengt.   
Het is een mooie zin die veel van doen heeft met hetgeen we lezen in de liturgie.


Aan het begin van de evangelietekst lezen we dat Jezus zegt: “denk niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen”. Hij wil als het ware de gevestigde wetstekst, die op zich abstract is, met zijn leven vervullen. Niet op letterlijke en slaafse wijze, maar op poëtische wijze als creatief vrij mens met een eigen verantwoordelijkheid. Om zo de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen. De wet staat immers in dienst van het leven en is geen doel op zich. En de volheid van het leven is altijd meer dan hetgeen gedefinieerd is. Het geschiedt wanneer we ons op geleide van Gods wet aan de beweging van het leven toevertrouwen, dat ons op alle aspecten van ons bestaan aanspreekt.

Die vrijheid en verantwoordelijkheid komen sterk naar voren in de tekst uit Jezus Sirach. We worden uitgenodigd om te leven overeenkomstig de geboden in eerbied voor God. Maar hiermee kunnen we niet God verantwoordelijk stellen voor onze handelingen. We worden voor de keuze gesteld om de weg van het leven of de weg ten dode te gaan. Vanaf het begin heeft God ons in de macht van de eigen overlegging gelaten, zoals er staat. We zijn vrij in de keuzes die we maken en dus ook verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid kunnen we op niemand afschuiven. Dit is eigenlijk een heel humanistisch mensbeeld. Het legt de verantwoordelijkheid om waarlijk mens te worden geheel bij onszelf.


Leven naar de wet en de vervulling van de geboden is ook de inhoud van het onderricht door Jezus bij Matteus. De hele Bergrede gaat erover om de weg van het koninkrijk te leren kennen. Die weg wordt aangeduid met de wet. En die is duidelijk zou je zeggen: God eren en hem alleen, de dag des Heren onderhouden, ouders eren, niet doden, niet stelen, geen overspel plegen, geen vals getuigenis afleggen en niets begeren van hetgeen je naaste toekomt.
Maar bij nadere beschouwing is het misschien toch iets minder simpel, zoals blijkt uit deze tekst en het vervolg erop. Daar zegt Jezus immers: “er staat geschreven dit of dat, maar Ik zeg je..”. Er is in de geboden ruimte voor interpretatie. Jezus’ uiteenzettingen met de Farizeeën en schriftgeleerden getuigen daarvan. Wat is dan de betekenis van het onderhouden van de sabbat? Wie is mijn naaste? Waar begint overspel? En hier, in onze tekst, wat betekent niet doden?


De tekst zegt ons: “als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de Farizeeën, zullen jullie het koninkrijk zeker niet binnen gaan”. En dat heeft te maken met de houding ten opzichte van de wet en de geboden. Hierin is een groot verschil tussen de benadering van de Farizeeën en van Jezus. We zeggen hierover altijd dat Jezus de wet niet alleen naar de letter uitlegt, maar ook en vooral naar de geest en de bedoeling, het oogmerk ervan.  Waar de wet voor gegeven is. En dat is om de weg van het leven te leren kennen en ons te helpen die weg te gaan. Ook daarin moeten we onze eigen verantwoordelijkheid nemen; geen slaafse navolgers zijn, maar in elke situatie kijken hoe de toepassing van een gebod het leven kan bevorderen. Het doel is duidelijk, maar de weg is eigenlijk een aaneenschakeling van keuzemomenten. Het oogmerk van de wet is dat wij leven hebben en wel in overvloed en in vrede wonen met elkaar en de ons omringende volkeren. Dit doel is van invloed op de keuzes die we dagdagelijks maken.


Farizeeën zijn zeer wetsgetrouw en willen dan ook precies weten wat de geboden voorschrijven om eraan te kunnen beantwoorden. Wat is precies rein en onrein, wanneer bidden en werken, de sabbatsverplichting definiëren, de hoeveelheid tienden en aalmoezen. Heel zorgvuldig. Wat ontbreekt hun dan? Misschien een zekere innerlijkheid, de spirituele component, de persoonlijke existentiële betrokkenheid op het oogmerk van de wet. En dat is nu juist wat voor Jezus en diens geestverwanten zo belangrijk is. De actieve voortdurende bekering om nieuwe mensen te worden door de transformatieve kracht van de bewuste levensnabije toepassing van de geboden uit liefde voor God en de naaste.


Jezus komt voort uit een andere school van schriftuitleg. Even wetsgetrouw, maar gebaseerd op de liefde die God zelf koestert voor zijn volk. Daar past een ander mensbeeld bij. Dat van vertrouwen en compassie. Het gaat ervan uit dat het verlangen van mensen naar het goede diep aanwezig is. De wet en de geboden dienen niet opgevat te worden als restricties. Het is geen nieuw juk, zoals ook de teksten rond de gave van de wet zeggen. De geboden zijn hulpmiddelen, richtingwijzers, piketpaaltjes, wezenlijke oriëntaties. Zij helpen mensen om een werkelijk ethisch leven te leiden.  Het Farizeïsme tendeert naar moralisme, letterknechterij en ontmoedigt de verantwoordelijkheid om in een concrete situatie te handelen naar de bedoeling van de wet. Iets wat Jezus wel nadrukkelijk doet. Hij geneest op sabbat en plukt voedsel. Hij eet met mensen die in strikte zin wetsovertreders zijn en onrein. Om hen weer in de levensgemeenschap te brengen en vrij te maken van de schuld en het oordeel waarin zij gevangen zijn. Dat is geestelijke sabbat.


Geestelijke wijsheid gaat ook bij Jezus nooit om gelijk of ongelijk. Zijn discussies en ook zijn handelwijze spelen zich af op het niveau van de bevordering van leven. Zo ook in het gesprek over het gebod om niet te doden. Geheel in overeenstemming met de school van Hillel (gestorven in het jaar tien van de chr. jaartelling.) die een liefdevolle en ruime interpretatie van de wet voorstond.  Hij was de grootvader van Gamaliel die een belangrijk leider was in het sanhedrin, leraar van Paulus en mogelijk een verborgen leerling van Jezus. Een van de wetsprincipes die op zijn naam staan is “met het oog op het herstel van de wereld”. Een prachtig principe aangezien het verwijst naar onze fundamentele heilsopdracht om de wereld te herstellen. De weg van het koninkrijk gaan is precies dit herstel.


Het sluit aan bij wat Jezus ons wil leren. Bijvoorbeeld aan de hand van de uitleg van “gij zult niet doden”. Wanneer we dat letterlijk opvatten, dan kunnen we rustig achterover leunen. Wie van ons heeft immers iemand gedood, of is van plan dat te doen? Jezus vat het gebod op als een absolute grens, rechtsreeks afgeleid van het verbod op het vergieten van bloed. Maar wanneer we het gebod om niet te doden verstaan in het kader van het beschermen en bevorderen van leven “opdat jullie leven zouden hebben, en wel in overvloed” wordt het anders. Dan omvat het alle handelingen die het in overvloed en in vrede leven van de naaste aantasten. Het voorbeeld van Jezus betrekt het op de namen die we elkaar geven. Naamgeving is immers een belangrijk iets. Taal is belangrijk. Naam en taal scheppen betekenis en dus werkelijkheid. Schelden doet wel degelijk pijn. Aanduidingen als “die vreemdeling, die dief” bepalen de manier waarop we naar iemand kijken. Gesmiespel van “ja, maar helemaal kosher is zij ook niet” zonder zelfs maar een concrete aantijging, is vergif in het bewustzijn van de ander.
Vandaar “iemand die de naaste kwaad toewenst, is strafbaar voor het gerecht”, en “wie de naaste een godloze noemt, is strafbaar tot het gehinnom”, de plaats waar God afwezig is.


Enerzijds is Jezus ruimhartig in de uitleg van de wet, als het gaat om barmhartigheid te bewijzen aan wie gezondigd heeft en terug moet komen in de gemeenschap. Anderzijds is hij heel streng als het gaat om de norm van de gerechtigheid te stellen. Beide zijn gebaseerd op een absolute voorrang voor de zorg voor het leven van de naaste als uitdrukking van de liefde tot God. Zijn uitleg wil bewust ons maken van de draagwijdte en de impact van onze handelingen op onze naaste. En we kunnen daar niet te licht over denken. We hebben veel meer invloed op elkaar dan we veronderstellen. Dat geeft een grote verantwoordelijkheid voor het welbevinden en daarmee het leven van de ander. De weg naar het koninkrijk en de gerechtigheid waar Jezus op doelt stoelen op die verantwoordelijkheid. Een helder ethisch kompas gebaseerd op Gods liefde voor al zijn schepselen. Leven met het oog op het in heelheid herstellen van onze wereld. In vrede en gerechtigheid.  Amen.

 TOP 

 

Overweging 9 februari 2020
licht en zout

Lezingen: Jezus Sirach 32, 14-24; 1Korintiërs 2, 1-5; Matteus 5, 13-16.

We lazen zojuist een gedeelte uit de Bergrede. Niet zelden worden de zogenoemde Zaligsprekingen (gelezen op de vierde zondag) met de Bergrede gelijkgesteld, maar dat is niet juist. De grote leertoespraak van Jezus beslaat de hoofdstukken 5, 6 en 7 van het Evangelie volgens Matteus. Het begint ermee dat Jezus de menigte die hem volgt ziet en de berg opgaat. Het eindigt wanneer Jezus in vers 1 van hoofdstuk 8 de berg weer afdaalt en een menigte hem volgt.
Dit gegeven is eigenlijk meteen al erg interessant. Tussen het bestijgen van de berg en het weer afdalen geeft Jezus onderricht aan het volk met betrekking tot de heilsbelofte van God en de Thora. Het voert ons meteen naar een andere figuur uit de grote verhalen van Israel. Een die ook een berg bestijgt en weer afdaalt. En die zelf op de berg onderwezen is in de Thora van God en daarmee terugkeert naar zijn volk om het de goede weg te leren, namelijk Mozes.
Jezus is binnen deze context de nieuwe Mozes die zijn volk onderwijst in de weg van God en hij doet dat op de berg, die vanouds verwijst naar God en die de plek is van de ontmoeting met God. In de hiernavolgende teksten zal Jezus zich openbaren als de Leraar van de Thora. Een eretitel die verbonden is met een gezagvolle interpretatie van de wet. Een gezag dat Hij ontleent aan zijn relatie met God en aan het getuigenis van zijn leven. En met name uit het getuigenis van zijn woorden en van zijn daden blijkt dat Jezus geen letterknecht is en geen minimalistische interpretatie van de wet geeft. Hij probeert de wet en de voorschriften naar de geest te verstaan. De bedoeling ervan bloot te leggen. Dat levert in sommige gevallen een striktere opvatting van het voorschrift op en in andere een ruimhartige. Zo laat Hij het verbod om te doden slaan op alle handelingen die het leven van de ander nadelig beïnvloeden of onmogelijk maken. Hij laat zien dat overspel al in het hart begint. En hij breidt het ‘naaste’- begrip uit naar vreemdelingen en zelfs naar vijanden. Anderzijds houdt hij zogenoemde zondaars niet vast in hun schuld, maar opent hen naar nieuwe toekomst. In plaats van hen te stigmatiseren brengt hij mensen terug in de gemeenschap.

 

De Bergrede staat aan het begin van de publieke doorbraak van Jezus. In Galilea had Hij al bekendheid verworven en ook uit andere streken trok Hij mensen aan. Net voor de Bergrede heeft Hij zijn eerste vier leerlingen geroepen: Simon Petrus, Andreas, Jacobus en Johannes. Het zijn vooral mensen die geestelijk en lichamelijk ziek zijn en lijden, die van heinde en ver op Hem afkomen voor genezing. Zijn leerlingen en allen die luisteren onderwijst Hij in het Koninkrijk. Eerst bemoedigt Hij hen in de zaligsprekingen en biedt perspectief aan wie nu lijden en aan het kortste eind trekken. Dan spreekt Hij de menigte rechtstreeks aan. Dat is waar onze lezing begint.

 

Tot die menigte mensen van uiteenlopende herkomst, die psychisch en lichamelijk ziek zijn, die door het leven lamgeslagen zijn, en bij Hem genezing zoeken, zegt Hij: “jullie zijn het zout der aarde, jullie zijn het licht der wereld”. Zelfs wanneer dit alleen voor zijn leerlingen bedoeld is, is het een tamelijk opmerkelijke boodschap lijkt me. En ook een explosieve. Het zet vertrouwde verhoudingen op z’n kop. En het laat ook op een bepaalde manier het gevestigde godsbeeld kantelen, waarin voorspoed en gezondheid juist tekenen zijn van Gods goedgunstigheid.

Het wordt immers niet gezegd tot maatschappelijk begenadigde mensen: machthebbers die over anderen beschikken, de gevestigde orde die zich verheugt in haar status, de Schriftgeleerden, als type van hen die het allemaal zo goed weten. Maar tot de mensen die verlangen naar genezing en die uitzien naar toekomst, naar nieuw leven. Jezus’  boodschap komt het meest tot gelding bij hen die, geconfronteerd met de gebrokenheid en onafheid van hun leven, open staan voor heil, in mensen die verlangen naar de concrete doorbraak van het rijk der hemelen. Te beginnen in hun persoonlijk leven.

 

Maar de bedoeling van het optreden van Jezus reikt verder. De genezingen zijn slechts een afbeelding, een teken van het heil waar het echt om gaat. Zoals manna vooruitloopt op de verzadiging van het beloofde land en het brood uit de aarde verwijst naar het hemels brood.
De lering van Jezus staat gericht op de zichtbaarheid van het koninkrijk der hemelen dat in Hem geopenbaard wordt. Net als Mozes wil Jezus deze mensen de weg naar het beloofde land tonen en hun erop voorgaan. En wie zijn betere getuigen van het heil dat hun overkomen is, dan zij die bevrijd en genezen zijn? Zij zijn het levende bewijs van de nabijheid van het Koninkrijk.

 

Dit getuigenis wordt aangeduid met zout der aarde, licht der wereld; het zouden zomaar aanduidingen kunnen zijn voor Jezus zelf. Maar dat is hier niet het geval. Hier slaat het op de hele menigte die uitziet naar toekomst. In heel het volk moet Gods licht aan de dag treden en het hele volk moet de wereld doordesemen. Het sluit aan bij de verbondsopdracht die met de gave van de Thora is meegegeven: het hele Godsvolk heeft een messiaanse opdracht.
En vandaag worden deze woorden ook tegen ons gezegd. Wij zijn het zout en het licht van de wereld, geroepen om de wereld aan het licht te brengen en met Gods woord op smaak te brengen.

Het is immers de inzet van mensen die uit verlangen naar vrede en gerechtigheid en naar levensmogelijkheden voor ieder, de samenleving betekenis geven in het kader van het koninkrijk en haar in het licht van dat visioen stellen.
Niet degenen die met hun handelwijze het onrecht in stand houden en de wereld in duisternis dompelen. Het koninkrijk der hemelen komt aan het licht in mensen die gericht staan op een nieuwe wereldorde. Hun tranen en hun verlangen vormen het zout der aarde. In hun ogenschijnlijke onmacht verkondigen zij een grotere wijsheid dan macht en hebzucht. En hun geweldloos protest heeft meer toekomst dan de wapens van revolutionairen. Zij leggen de situatie bloot waarin onze wereld zich bevindt, daar waar het povertjes afsteekt tegen het ideaal van vrede en gerechtigheid.
Hun levenshouding wordt gedragen door de wijsheid en de levenswijze van het koninkrijk, die anders zijn dan de wijsheid en de levenswijze die gangbaar zijn in onze wereld. Het onderricht van de Bergrede heeft als doel dat onderscheid duidelijk te maken, hetgeen bevestigd wordt door de woorden uit Jezus Sirach en die van Paulus. Samenvattend sporen dezen ons aan om te leven in eerbied voor Gods Naam en waar die Naam voor staat, in navolging van Jezus Christus. Dat doen we niet op eigen kracht en uit eigenbelang, maar in vertrouwen op de kracht van de Geest, opdat geen van ons roemt op zichzelf, maar alleen aan God de eer brengt. God eren in de mensen die we ontmoeten en in het werk dat wij doen, is de weg van het leven gaan die leidt naar het beloofde land.

 

Dat is een kwetsbaar geheel. Wanneer we geloven in Christus en zijn weg gaan, worden we een stad op een berg genoemd. Het is de nu al zichtbare Stad Gods. Voor allen te zien. Dat geeft een verantwoordelijkheid ten opzichte van onszelf om onze daden in overeenstemming te laten zijn met ons geloof. Want anders zou door een tegenstrijdige levenswandel de Naam van God geschaad worden. We zingen dat ook uit in lied 820: “Maak ons volbrengers van dat woord…opdat wij niet door onze strijd uw goede trouw beschamen.” Want dan worden wij als gelovigen, en via ons ook God, ongeloofwaardig. Terwijl het onze roeping en taak is om te werken aan het herstel van het verbond en van de wereld. Dit herstel is het koninkrijk.

De stad op de berg waarnaar in het evangelie verwezen wordt is natuurlijk Jeruzalem als concrete stad, maar tegelijk ook als beeld van het hemelse Jeruzalem, stad van God, stad van vrede.
Als gelovigen maken we daarvan deel uit. Wij van de aarde zijn op weg naar, maar maken tegelijk ook deel uit van de stad van God. De stad van God (de hemel, het koninkrijk) is een werkelijkheid die de onze doordringt.  Wij zijn Jeruzalem, zowel in haar gebrokenheid als in haar glorie. Niet altijd in ons kunnen, maar wel altijd in ons verlangen verwijzen we naar het Jeruzalem waartoe God ons roept.


Ons geloof maakt ons niet beter dan anderen, want het is geen verdienste dat we mogen en kunnen geloven. Maar het schept wel een inspanningsverplichting om ons leven dicht bij God te houden door de navolging van Christus. Daardoor delen we in zijn licht en zijn geest. Ons verlangen opent ons daarvoor en laat zien dat we geen genoegen nemen met “zoals het nu eenmaal is”.  Op die manier kunnen we toch ook een beetje zout en licht zijn voor de wereld waarin we leven die nood heeft aan licht en vrede. Amen.

 top

  

2020 02 02 Opdracht van de Heer in de tempel
Vervulde hoop


Lezingen: Maleachi 3,1-4; Hebreeën 2,14-18; Lucas 2,22-40.
De Evangelietekst van vandaag vind ik een van de ontroerendste uit de lezingencyclus. We vieren de opdracht van de Heer in de Tempel, en dit feest, op de veertigste dag van Kerst, hoort nog helemaal bij de openbaring van de betekenis van de geboorte van Jezus.
In de NBV-tekst lezen we dat Maria en Jozef naar de tempel gaan om Jezus aan de Heer ‘aan te bieden’. Een betere vertaling dan het oudkatholieke “voor te stellen”. Het betreft de veertigste dag na de geboorte van Jezus. Daarmee eindigt de periode van rituele onreinheid voor de moeder na de bevalling van een zoon. Bij de geboorte van een meisje duurt die periode twee keer zo lang. Zie daar het expliciete seksisme in de Schrift.  Maria zou normalerwijze als vrouw onder de wet naar een ritueel bad in de buurt gaan. Maar in het verhaal gaat zij naar de tempel. Jezus moet immers naar de tempel worden gebracht.
Daarmee vervullen zij een heel belangrijk gebod dat verbonden is met de meest dramatische gebeurtenis uit het vroege leven van het volk Israël. Elke eerstgeborene, wanneer het na een maand levensvatbaar blijkt, moet opgedragen worden aan de Heer. Dit gaat terug op het begin van de uittocht uit Egypte. De bevrijding van het volk uit het slavenhuis is niet zonder slag of stoot gegaan. Het kostte heel wat om farao te overtuigen om de Israëlieten te laten gaan. Misoogsten, ondrinkbaar water, muggen- en sprinkhanenplagen, de pest. En tenslotte de dood van alle eerstgeborenen. “Er was geen huis zonder dode” staat in Exodus 12,30. Wat een prijs voor bevrijding! Een prijs die op sommige plekken van de wereld nog steeds betaald wordt.

Deze prijs, het bloed van de eerstgeborenen van Egypte, vormt een ereschuld voor Israël. Daarom zegt de Heer tegen Mozes al voor de uittocht, in hoofdstuk 13 vers 2 van Exodus,  “Wijd alle eerstgeborenen aan Mij; alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe”. En verderop staat: “En als uw kind u later vraagt wat dit betekent, dan moet u zeggen: ‘De Heer heeft ons met krachtige hand uit Egypte geleid, en toen farao halsstarrig was heeft Hij hem geslagen in de eerstgeborenen. Daarom koop ik al het eerstgeborene van het mannelijk geslacht vrij”. Dit is een instelling en gedachtenis voor alle generaties. Om te gedenken dat hun vrijheid gekocht is met het bloed van de eerstgeborenen van het volk dat hen onderdrukte.  

Het aanbieden van Jezus in de tempel is dus Pesachgedachtenis. Daarin loopt het vooruit op zijn exodus en doortocht in zijn kruisdood. Hij is immers zowel offerande, hogepriester en de nieuwe tempel. Hij is datgene waar de tempel voor staat: woonplaats van de aanwezigheid van de Allerhoogste. Hij geeft zijn leven als Eerstgeborene voor alle eerstgeborenen uit het geloof. Hij zal echter ook een nieuwe tempel bouwen. Niet van steen, maar van levende stenen.
Voor mij spelen al deze aspecten mee in de scene die ons hier in het Evangelie wordt verteld. Mede door het ontroerende getuigenis van Simeon en Hanna is het is een tekst die opgaat naar het hart, om een Joodse uitdrukking te gebruiken.


We vinden het verhaal aan het begin van het Lucasevangelie voorafgaand aan de publieke doorbraak van Jezus die een begin neemt met zijn optreden in de synagoge van Nazareth. Daar leest Hij de Jesajatekst over het jubeljaar, een jaar van verlossing waarin schulden worden kwijtgescholden, slaven vrijgelaten, lammen lopen en blinden zien, want het is, zoals er staat, een genadejaar voor de Heer. De tekst die Jezus leest begint met: “De Geest van de Heer rust op mij, daartoe heeft Hij mij gezalfd”. En Jezus beëindigt de lezing met de uitspraak: “Vandaag is dat Schriftwoord in vervulling gegaan”.  De beschrijving die Lucas geeft van de jeugd van Jezus en van de aanloop tot zijn openbaar optreden staat geheel in het teken van de heilige Geest. Lucas hecht er kennelijk groot belang aan om duidelijk te maken dat het Gods Geest is die in Jezus werkzaam is. Door Gods toedoen wordt Elisabeth, de verwante van Maria, zwanger van Johannes, de voorloper van Jezus. Door Gods toedoen wordt Zacharias met stomheid geslagen tot hij met een profetisch lied de mond weer kan openen. Maria wordt overhuifd door de heilige Geest en draagt vrucht. Elisabeth, vervuld van de heilige Geest, spreekt haar aan als de moeder van haar Heer.  Vol van Geest zingt Maria haar messiaanse profetie in het magnificat. Een lied waarin de verwachtingen van Israël doorklinken die al door Hanna, de moeder van Samuel, waren geuit. Vervuld van de heilige Geest zingt Zacharia de lof van God die een redder heeft verwekt, en noemt zijn zoon Johannes, dat betekent `God is genadig’,  en noemt hem ook profeet van de Allerhoogste. Johannes zelf groeit op in de kracht van de Geest die ook zijn latere optreden kenmerkt. Hij identificeert Jezus als de Messias, als degene die doopt met heilige Geest. Als net 12-jarige bar mitzwe vinden we Jezus rond Pesach in de tempel in een leergesprek met rabbi’s waarin Hij getuigt van zijn geestelijke ontwikkeling. De heilige Geest komt op Hem bij zijn doop. Vol van heilige Geest verblijft Hij in vervoering in de woestijn waar Hij op de proef wordt gesteld. In de kracht van de Geest keert Hij terug naar Galilea waar Hij onderricht geeft. Daar komt Hij ook in de synagoge van Nazareth, de plaats waar hij was opgegroeid tot een, volgens de woorden van Lucas, wijze volwassen man die in de gunst stond bij God en bij mensen. En daar spreekt hij ook de woorden die hierboven zijn aangehaald.
De eerste hoofdstukken van het Lucasevangelie verhalen over één grote beweging van Gods Geest die het heil voor en door mensen bewerkt, profetische mensen, mensen die open staan voor de werking van Gods Geest, die ervan vervuld zijn. En die daarvan getuigenis afleggen. Aan het begin van de Handelingen van de Apostelen vertelt Lucas hoe diezelfde Geest de leerlingen bezielt tot getuigenis en verkondiging.
Dit is het kader waarin de opdracht in de tempel staat.


Hier ontmoeten we de figuren van Simeon en Hanna. Mensen op leeftijd, gelouterd door het leven en beproefd  in hun jarenlang volgehouden verwachting. Hanna, een profetes, die biddend en vastend in de nabijheid van God verblijft en over God spreekt tot hen die de verlossing van Jeruzalem, beeld van duurzame vrede, verwachten. Juist daarin is zij profetes; zij verkondigt hoop aan mensen die heil verwachten en sterkt hen met haar geloof. Zij die ogenschijnlijk zelf in menselijke zin weinig te verwachten heeft. Weduwe na een kort huwelijk, blijkbaar kinderloos en bijna 84. Maar zij kijkt uit naar toekomst, een toekomst die haar overleeft, maar waarvan zij wel degelijk deel uitmaakt. Dat is haar kracht. Zij verbindt haar leven en verwachting met de toekomst van Israël en met allen die de verlossing van Jeruzalem verwachten. Het aardse Jeruzalem als spanningsvolle  afbeelding van de messiaanse werkelijkheid.
Met Simeon vertegenwoordigt zij heel het gelovige Israël, mannen en vrouwen die leven in hoop. Simeon wordt in de tekst van de lezing een rechtvaardige en godvrezende genoemd. Nu is godvrezende eigenlijk niet zo’n goede term, omdat die ook gebruikt wordt voor een niet geboren Jood die in God gelooft. Beter is het om hem rechtvaardig en vroom te noemen, een tzaddik en chassid. Iemand die in zijn daden en in zijn hart God aanhangt en innig met hem leeft. Deze mensen staan hoog in aanzien. Hij leeft in de verwachting van de vertroosting van Israël en heilige Geest rust op hem. De verwachting die in hem leeft  is juist een teken van die Geest. En hij heeft een woord ontvangen dat hij in zijn dagen de Messias, de gezalfde van de Heer, zou aanschouwen. De ontmoeting met Jezus doet zijn hart overlopen in de woorden van zijn lied. Zijn leven is vervuld. Hij heeft het licht aanschouwd. Dat is nog eens iets anders dan een voltooid leven waarin geen licht meer is.

Uit de woorden van Simeons lied blijkt dat Jezus als Messias niet alleen de glorie van Israël is, maar ook het licht voor de volken. Met andere woorden, zijn menswording heeft betekenis voor de menswording van alle mensen. En…voor de menselijkheid van de hele bewoonde wereld.


Het is precies deze allen omvattende betekenis van de Messias die Simeon en Hanna herkennen. De belofte was aan Israël gegeven, opdat het een teken en licht zou zijn voor de wereld. Het is niet de bedoeling dat het een exclusief heil zou zijn, maar een exemplarisch heil als teken van hoop voor de volken die ook verlangen naar heil en redding en verlossing. God is niet eenkennig. In de oudere profetische geschriften en in de verkondiging van Jezus zien we een God die open staat voor ieder die zich tot Hem wendt en die geen schepsel uit zijn liefde laat vallen.

Een God die zo liefheeft en zich zo toegankelijk wil maken, kan niet worden toegeëigend. Kan niet worden opgesloten in maar één belijdenis. Hij/ Zij is immers bron van licht en heil voor alle mensen en alle volken, tot de einden van de aarde. Maar niet op een koloniserende manier. De God die we belijden is niet exclusief van ons (en ook niet, ik wil dat toch zeggen: exclusief van Joden of moslims). We zijn geroepen om van Hem te getuigen door de Geest die in ons is. Maar we mogen en kunnen onze God niet claimen. God is voor ons, maar niet van ons. Wij zijn van God, maar God is niet van ons. We zullen zijn liefde moeten delen. Alleen zo kan ZHij onze God zijn als de God die er voor alle mensen wil zijn.


De waarheid van hetgeen we geloven zit niet in onze theologie, niet in onze kerk, maar in ons getuigenis. Een getuigenis die het niet alleen bij woorden laat, maar die tot daad komt. Een getuigenis en een geloof die zich in de wereld realiseren en dagelijkse werkelijkheid worden. Zoals in Jezus zelf die vervuld van Gods Geest zich aanbiedt aan ons als de uit levende stenen opgebouwde tempel in de Geest. Opdat wij worden wat we zijn: zichtbaar teken van Gods liefde, woonplek van de Allerhoogste. Licht voor de wereld.  Amen.

 top

 

Overweging 26 januari 2020 
plek van vertroosting 

Lezingen: Jesaja 49, 1-7; 1Korintiërs 1, 1-9; Matteus 4, 12-22.
We kijken altijd met de bril van nu naar ons verleden. Met een beetje geluk kunnen we iets van vroeger terugervaren, zoals het was, maar dan nog. Meestal is het toch gekleurd door vermenging van ervaringen en het huidige levensgevoel. Soms construeren we het verleden om het laten passen bij het nu. We laten dingen weg of onderbelicht en halen andere dingen naar voren al naargelang het doel van het verhaal. Feiten vinden plaats in het nu, de betekenis en interpretaties komen erachteraan. Zij zijn fluïde en kunnen veranderen door latere ervaringen en ontwikkelingen. En zo ontstaat het levensverhaal.

Zo is het ook met het verhaal van en over Jezus. Er zijn weinig tot geen feiten. Maar er zijn wel betekenissen. Zijn verhaal wordt ons verteld door de bril van het geloof in zijn opstanding. Door de bril van Pasen. Vanuit het geloof dat hij die door de dood is heengegaan, leeft. Zijn verhaal wordt verteld als het verhaal van de Levende, de beloftegestalte van Israel. Het is geen geschiedenis, maar reflectie, interpretatie en verduidelijking. Veel belangrijker dan de vraag naar wat er feitelijk heeft plaatsgevonden is de vraag naar wie Hij is. Zijn betekenis voor ons en voor zijn tijdgenoten en leerlingen is gegeven in het belijden van wie hij is. De verhalen vertellen ons over de exodus van Jezus en onze intocht in het beloofde land. Zij staan voor het ware en goede leven van het rijk der hemelen.


In de kersttijd zijn in de openbaringsverhalen twee elementen prominent aanwezig. Licht en water. De teksten over de doop van Jezus, de bruiloft van Kana en de roeping van de vissers worden omsloten door het licht van de geboorte en de opdracht in de tempel. Het licht der wereld brengt het koninkrijk der hemelen nabij, maar de weg gaat door het water van het sterfelijk leven. Doop en gedaanteverandering van water in wijn verwijzen naar het Pasen van de Heer. Hij dompelt zich in ons sterfelijk leven om er als de Leven bij uitstek uit op te staan. Hij verandert het water van ons sterfelijk bestaan in een leven dat blijvend is. Het roepingenverhaal richt de camera op de leerlingen, en via hen op ons.


Deze week hoorde ik een mevrouw een deel van haar levensverhaal vertellen. Zij was met haar geliefde op vakantie om hun relatie te vieren en samen hun dromen en verwachtingen voor hun gezamenlijke toekomst te delen. Het was rond kerst en zij waren naar een ver en warm land gegaan waar zij een huisje bij het strand bewoonden. Op tweede kerstdag stond zij voor het raam, haar man was nog binnen, toen zij voor zich een donkere muur zag opdoemen. Het was in 2004 in Thailand. Het volgende moment was zij overspoeld en bevond zich richtingloos in een kolkende massa water. Hoe weet zij nog niet, maar kort daarna werd zij vastgegrepen en naar binnen gehaald in een hotelkamer op de derde verdieping van een gebouw. Zij was door een Thaise man uit het water getrokken en gered van de dood. Je zou van een afstand kunnen zeggen dat het een gelukkig toeval is geweest. Zij zelf zal het eerder een wonder noemen.


In lijn met de duiding van water als sterfelijk leven moeten de leerlingen vissers van mensen worden, dat zou dan betekenen dat zij hun medemensen moeten redden van de dood, uit de dood tevoorschijn brengen, zoals vissen in het net. Jezus, God redt, brengt deze boodschap en geeft die opdracht aan zijn eerste leerlingen in Kafarnaum, dorp van de troost, aan de oever van het water van het meer van Tiberias. In de opdracht aan de leerlingen die zo delen in de zending van Jezus komt de nabijheid van het rijk aan het licht. Wanneer Gods heilsliefde zich uitstrekt over de hele aarde, over alle mensen, moet ook ieder zich inspannen om de dood te keren, die zich op alle niveaus voordoet.


Redden uit de dood klinkt natuurlijk op het eerste gehoor als een onmogelijke taak. Toch sluit het nauw aan bij het gebod om niet te doden. Van Jezus is bekend dat hij de geboden maximaal interpreteert. Dat is het tegenovergestelde van minimaal. Het gebod betekent voor hem en voor de andere leraren uit dezelfde school zoveel meer dan de letter volgen. Voor Jezus betekent het dat je alles doet wat het leven van de naaste bevordert en alles nalaat wat het leven van de naaste kwetst of schaadt. Zo kent de dood vele gezichten. Jezus zegt: “als je iemand een ongelovige noemt dan ben je strafbaar voor het hoge gerecht”. Kwaadspreken, iemand in diskrediet brengen, de goede naam van een persoon beschadigen vallen alle onder het centrale gebod om niet te doden. Iemand een onveilig gevoel geven, de aantasting van de lichamelijke integriteit, vernedering, pesten vallen onder hetzelfde gebod.


Dit maakt duidelijk dat het rijk der hemelen, het domein van het goede leven, eigenlijk heel dichtbij is. Net als het woord dat God ons geeft is het nabij, in ons hoofd en in ons hart. Om het te doen, om het te vervullen met ons leven. En zo is het ook met het koninkrijk. Het is geen onmogelijk hoog ideaal, onbereikbaar en veraf. Dat zou immers alleen maar ontmoedigen. Het is geen staatsconstruct, geen objectieve werkelijkheid, maar een relationele werkelijkheid. Het zit hem in de wijze waarop wij met God en medemens omgaan. Het rijk Gods is in die zin een voortdurende uitnodiging en uitdaging om te groeien in menselijkheid.

Ook in dit evangelie spreekt het licht in de duisternis. Jezus treedt op in het Galilea van de heidenen. De nabijheid van de getrouwe getuige van het koninkrijk roept op tot bekering, tot levensverandering. Een noodzaak die voor ieder geldt. We moeten ons steeds opnieuw bekeren om vissers van mensen te worden.
De betekenis van die roeping reikt veel verder dan wat in het algemeen hierover wordt begrepen. Het gaat niet om het vissen en in de netten halen van gelovigen, van bekeerlingen, niet om zieltjeswinnerij. Zelfs niet om de kerk. Dat is veel te plat. Het gaat erom onszelf en anderen te behouden voor het leven. Om mensen de weg van het leven te leren kennen. Tegenover zo’n roeping staat geen aarzeling en zij laten dan ook terstond hun netten in de steek om Jezus na te volgen en te delen in zijn reddingswerk.


Uit zijn aard kan het koninkrijk niet beperkt blijven tot een selecte groep. Daarin is immers geen recht en geen vrede. Het is noodzakelijkerwijze inclusief en universeel. Geen mens mag in het doodswater blijven spartelen.
Alle volken tot het einde der aarde zijn begrepen in het heilsplan van God. Niet om mensen  religieus te koloniseren, maar om de universele verbondenheid van de mensengemeenschap aan te duiden. Om aan te geven dat er een eenheid van heil en redding is. Dat het dus niet kan dat één volk gered wordt en het andere niet, omdat het strijdig is met de principiële eenheid van de mensheid in relatie tot Gods scheppende en herscheppende liefde. Daarom is het redden van mensen zonder aanzien des persoons. Het gaat om de nood waarin iemand verkeert, geestelijk, fysiek of sociaal, en niet om de mens die hij is (of die wij denken dat hij is). We hebben immers allen nood aan bevrijding en verlossing. En we worden niet zonder elkaar verlost.

We zouden kunnen beginnen te leren op een minder competitieve manier met verschillen van inzicht, met conflicten om te gaan. Een verschil van inzicht is geen aanleiding voor machtsspelletjes, krachtmetingen. Maar een uitnodiging om samen te onderzoeken hoe de geest in ieder spreekt ten dienste van het geheel, de groei van het koninkrijk. Het zou al een geweldige vooruitgang zijn wanneer we daarin zouden slagen in onze directe kleine verbanden en ook op de grotere schaal van wereldconflicten.

Dat is geen eenvoudige gedachte. We moeten niet naïef zijn, maar wel vertrouwen hebben. Klein durven beginnen, tegen de stroom in durven gaan. Ons niet laten verlammen door de gedachte dat het toch allemaal niets uithaalt.

In navolging van de eerste leerlingen van Jezus zouden ook wij bereid moeten zijn om zonder aarzelen de hand aan de ploeg te slaan (ook al is dit weer een andere tak van nijverheid) en elkaar zonder aanzien des persoons te redden van de dood en van al wat daartoe leidt. Ervan overtuigd dat we de weg van vrede met elkaar moeten gaan, en anders  gaan we helemaal geen weg van vrede. We kunnen mensen niet uitsluiten, hoe afschuwelijk zij ook zijn. Dat is erg moeilijk. Het geldt voor landen, voor bepaalde machthebbers, politici, maar ook dichter bij huis voor collegaas, voor onze familie.
We kunnen ervoor kiezen gevangen te blijven zitten in het troebele water van wij en de rest, van uitsluiting en discriminatie, jaloezie, ruzie en verwijdering. Maar omwille van het koninkrijk der hemelen zullen we elkaar de reddende hand moeten reiken om elkaar uit het moeras van onrecht en de doodswateren van oorlog en haat te trekken. Omwille van de lieve, lieve vrede die niet de ogen sluit, maar aan het licht brengt. Daar zien de volkeren reikhalzend naar uit en daartoe zijn wij allen geroepen. Amen.  
  top

Overweging 12 januari 2020 
Gedoopt in waarheid en gerechtigheid    

Lezingen: Jesaja 42, 1-9; Handelingen 10, 34-38; Matteus 3, 13-17.
De vraag die we bij herhaling horen stellen naar aanleiding van het optreden van Jezus is: Wie is die man toch? Met welk recht doet hij wat hij doet? Niet alleen gesteld door de directe  leerlingen, maar ook door anderen in de omgeving van Jezus. De mensen die zich in hun nood tot hem wenden, de gevestigde orde van priesters en schriftgeleerden. Zelfs bijwoners en vreemdelingen uit de volken. Allen die met Jezus in contact komen of over hem horen willen antwoord op die vragen.  Misschien kun je daarom wel zeggen dat het overgrote deel van het Nieuwe Testament bestaat uit duidingsverhalen die proberen te onthullen en verhelderen wie Jezus is.
Het gaat daarbij niet alleen om strikt biografische gegevens, maar vooral om de plaats en betekenis van deze Jezus in relatie tot de heilsverwachting van Israel en de vervulling van het verbond. Het zijn theologische duidingsverhalen die de hele mondelinge en schriftelijke traditie meenemen.  De vertellers en schrijvers zijn daarbij bevooroordeeld. Zij kijken naar Jezus en schrijven over hem vanuit geloof, het geloof dat in hem God aan het licht komt. En wel zo dat zij hem Heer, koning, Messias, Zoon van de Allerhoogste noemen.
Op grond daarvan zou je kunnen zeggen dat dit gegeven alle verhalen over hem relativeert. Maar beter is het om te zeggen dat het alle verhalen relateert aan geloof en in relatie zet tot de universele belofte die in Israel wordt geopenbaard.
Wat in Jezus aan het licht komt heeft betekenis voor de wereld en voor alle mensen. En dat is ook precies wat de openbaringsverhalen van de kersttijd beogen te zeggen.


De evangelietekst speelt zich af aan het begin van het openbare leven van Jezus. Het is de periode waarin hij zich openbaart aan zijn volk. We zijn getuige van de ontmoeting met Johannes die De Doper genoemd wordt, een achterneef van Jezus.
Johannes preekt in de woestijn een doop van bekering. Hij zal zeker tot een meer radicale en verinnerlijkte geloofsgroepering binnen het Jodendom behoord hebben. Hij leeft als een vroege heremiet in de woestijn. Wars van alle uiterlijke vervulling en letterknechterij gaat het hem om waarachtige bekering en een oprecht innerlijk geloof. Ook al wordt hij gezien als een groot profeet, hij geeft niets om macht en aanzien. Zijn onkreukbaarheid zal hem later letterlijk de kop kosten.
Door zijn opmerking tot de farizeeën en sadduceeën die naar hem toe komen, zet hij zich af tegen een al te gemakkelijke geloofshouding. Hij zegt namelijk: “breng maar liever vruchten voort waaruit jullie bekering blijkt en denk maar niet dat het voldoende is om te zeggen wij zijn toch kinderen van Abraham”. Met andere woorden: het is niet voldoende om het geloof met de mond te belijden of erop prat te gaan dat je de ware godsdienst vertegenwoordigt of een telg bent uit het uitverkoren volk, erfgenaam van de belofte. Dat zal ook moeten blijken uit je daden. Het feit dat je een bijbelgeleerde bent, zoals de farizeeën, of uit een priesterkaste stamt, zoals de sadduceeën, is geen garantie en ook  geen legitimering om op je lauweren te rusten.
Johannes is daar behoorlijk strak in, maar staat open voor mensen die serieus zoeken naar bekering en gelovig leven. Enerzijds het doorprikken van hypocrisie en anderzijds een weg banen voor mensen die oprecht verlangen naar verlossing.


Geen wonder dat Jezus zich daarin herkent en dat hij zich in dit milieu openbaart. Ook hem gaat het immers om de geest van de geboden en om een authentieke geloofshouding. Om innerlijkheid en waarachtigheid. Maar er komt voor hem nog wat bij. Namelijk het perspectief van die bekering. In Jezus is meer aan de hand. Daarom ook zegt Johannes dat Degene die na hem komt zoveel krachtiger is dan hij en dat hij niet waardig is hem maar met zijn schoeisel te helpen. In de tekst horen we hem zeggen “ ik behoor door jou gedoopt te worden en je komt naar mij toe?” Maar Jezus gaat in tot de doop om iets van de essentie van zijn leven te openbaren. Waar Johannes een doop van bekering predikt, openbaart Jezus een doop ten leven. Niettemin laat Jezus zich dopen door Johannes, omdat bekering de sleutel is tot het leven en een voortdurende inspanning vraagt.

Tegelijk verandert Jezus de betekenis van de doop. Hij ondergaat een andere doop dan de doop van bekering. Hij is als rechtvaardige geboren en Gods geest rust al op hem.
Water is een symbool van leven, maar hier vooral van het sterfelijke leven.  Daarom is water ook vaak het symbool van de dood. Jezus dompelt zich onder in dat water, het water van het sterfelijke leven, ons leven, om daaruit terstond, zoals de tekst zegt, op te staan. De dood houdt hem niet vast, hij staat eruit op als de Levende. Zijn doop loopt vooruit op zijn verrijzenis.
Datzelfde wordt gesymboliseerd bij het bruiloftsmaal in Kana, het vierde openbarings- feest van de kersttijd. Daar wordt het water van het sterfelijke leven veranderd in de wijn van het eeuwig leven.

Hier ondergaat Jezus in de doop zijn menswording, zijn dood en zijn verrijzenis op symbolische wijze als een samenvatting van zijn leven. Een leven dat onder het teken staat van Gods Geest en bekrachtigd wordt vanuit de hemel wanneer een stem klinkt (de stem die klinkt is het bijbelse teken van Gods aanwezigheid), die zegt “jij bent mijn geliefde kind”.

Deze doop van Jezus verandert het voorteken van ons leven. Het staat  hierdoor niet langer in het teken van de dood, maar van het leven. Het brengt een essentiële verandering in de betekenis van ons leven teweeg. In de doop gaan we van de dood naar het leven. God heeft in het teken van de menswording ( dit zal u een teken zijn: gij zult een kind vinden in een kribbe ) het perspectief van ons leven voorgoed veranderd, ons leven gekeerd, van de dood afgewend naar het leven.
Wanneer wij in Christus worden gedoopt, worden wij ook gedoopt in zijn dood en verrijzenis en staat ons leven in het teken van zijn Geest waarmee wij worden gezalfd. In die doop klinkt ook over ons de Stem. Niet de stem van het gebroken paradijs die zegt “mens waar ben je?”, niet de stem van het oordeel, maar de stem van het hersteld verbond die tot een getuigenis voor de wereld zegt “dit is mijn geliefde kind”.
En dat is een geweldige uitgangspositie voor het leven.


Nu zegt de Stem nog iets meer in het verhaal. De wetenschap geliefd te zijn is één ding, maar dat God ook behagen schept in zijn kinderen is een ander ding. Over Jezus worden beide dingen uitgesproken: “je bent geliefd en ik heb behagen in je”.
Gedoopt worden zou voor ons ook mogen beteken dat je als mens wordt wat er over je is uitgesproken en dat je als geliefd kind van God ook een leven leidt waar God plezier aan kan beleven. Daar hoeven we ons niet voor in allerlei moeilijke bochten te wringen. Het betekent wel dat we op een of andere manier, als de mens die we zijn, messiaanse mensen worden en leren leven in waarheid en gerechtigheid.
Dat wil zeggen dat wij durven geloven in de belofte van een ongeschonden wereld, een onbedreigd bestaan, in het perspectief van het rijk Gods.  Mensen die leven in hoop en vertrouwen en die van daaruit handelen in de wereld, als teken van het kind zijn van God. De waarheid van het leven van Jezus en dientengevolge ook de waarheid van ons leven is erin gelegen dat het verwijst naar het koninkrijk der hemelen, het rijk van God en diens gerechtigheid.


Wat dat voor het leven van de wereld kan betekenen lezen we bij Jesaja die spreekt over de messias als de dienaar van God. De profetische tekst spreekt hier niet  in termen van koningschap en bijzondere machtsuitoefening. Die teksten horen we wel bij het feest van de geboorte. Maar hier gaat het over het optreden van de messias als de dienaar van God en mensen. Over wie de tekst bij monde van God zegt: ´mijn uitverkorene in wie ik welbehagen heb, op wie ik mijn geest heb gelegd. Hij zal de volken het recht openbaren`. Deze messias is zachtmoedig, vol mededogen, heeft oog voor de kwetsbaren en wil het recht op aarde vestigen. Geen recht dat kromme verhoudingen in stand houdt en legitimeert, maar recht naar waarheid. De waarheid van onze bestemming, van de belofte van verlossing, van universeel heil dat alle mensen gelijkelijk omvat, zonder aanzien des persoons. Kortom de waarheid van het nieuwe koninkrijk.
In de tekst klinkt de messiaans profetische opdracht om mensen te bevrijden uit de duisternis en de ogen te openen voor Gods toekomst. Om als een licht te zijn voor de volken.
Het zijn ook precies deze teksten die licht werpen op het leven van Jezus en die duidelijk maken wie hij is. In navolging van hem bieden zij ook ons handvatten om iets te verstaan van de betekenis van een God welgevallig leven.  

In dat opstandingsleven zijn wij in geest en waarheid gedoopt en tot dat messiaanse leven zijn we  gezalfd. Opgenomen in de belofte van dat hersteld verbond als geliefde kinderen. Om te worden wat in de doop over ons is uitgesproken. Mensen van wie God en onze medemensen plezier kunnen hebben. Mensen die een zegen zijn voor de wereld. Amen. 
 TOP

 


 


info@wardcortvriendt.eu